Zaad uit Roemenië komt op

blogtek bloemenweelde R2 002

.

Ineens is het er. Kruiptijm groeit in hoekjes waarvan ik allang vergeten was dat ik het er ooit gezaaid had. Gestaag kruipt het verder, zich niks aantrekkend van de lange droogtes. Ik sta ernaast in het gras. Ik kijk ernaar en zie voor me hoe het hier kan worden. Met genoeg geduld vormt de geurige paarsbloeiende kruiper een strook, aan de rand van de perken, sterk genoeg om af en toe belopen te worden. Ik verwacht niet dat ik dat ooit te zien krijg. Dan ben ik hier allang weg…
Ik loop verder langs de kronkelmuur, die midden in het veld is opgemetseld. Vroeger stonden er alleen brandnetels. Nu hangen grote Blaassilenes weelderig tussen de andere planten. Verder op zie ik de geel bloeiende stalkaarsen, soms wel twee meter hoog. Allemaal zaad uit Roemenië, twee jaar geleden meegenomen en ingezaaid. Vorig jaar kwam er niks op, maar ik heb er wel veel van weggegeven. Want ik had zo véél ervan! En nu komt het wèl de grond uit.
Het paarse slangenkruid staat al lange tijd in bloei. Met zijn slingerende borstelige stengels beschermt hij de andere planten tegen konijnenvraat en kippen. Tussen de frambozen staan ook paarse bloemen, maar daarvan ken de naam niet. Verderop licht een wondermooi wit knopje op, tegen het groen. Het is een hoge plant en heel fijn opgebouwd. Ze staat vlak bij het duizendblad, met zijn brede witte bloemschermen. Het duizendblad heeft grote hoge bossen gevormd, groter dan ik ooit in Nederland gezien heb.
Ik ben tevreden. Ik hoop dat het zaad zich verspreid, op zoveel mogelijk manieren. Ik hoop dat het overal elders net zo mooi op komt als bij mij.

.

.

.Bloemen uit Roemenië (1)Bloemen uit Roemenië (2)

.Bloemenro resultaten ontginner (2)Bloemenro resultaten ontginner (3)

.Bloemen uit Roemenië (5)Bloemenro resultaten ontginner (4)

 

.

 

 

Ik voel het aan mijn water

.

Water, beweging, licht

.
De regen is begonnen. De hele nacht door klettert het op mijn dak. De paarden staan nat in de wei, en de vogels zitten nat in de boom. Sommigen hebben een droog plekje gevonden. Het zwijntje heeft in zijn hok een flink bed gemaakt van perzikkruid, het enige op zijn terrein wat hij niet lust. Hij is nu ook niet meer zo vaak buiten en dat begrijp ik best. Ik zit nu ook binnen, in mijn pipowagen. Als de regen stopt en de zon doorbreekt, komt iedereen tegelijk naar buiten. Vogels uit de bosjes, konijnen uit hun hol, het zwijntje uit zijn nest. Ik loop op het gras, dat alweer groener wordt en geniet van de frisse lucht. Maar al gauw begint het opnieuw, met flinke druppels valt het uit de lucht. De twee vijvers worden weer voller en voller. Zo is het wekenlang kurkdroog, zo valt al het water in één keer.
Ik zie boeren in het prille voorjaar door enorme plassen rijden. Vaak wijken ze uit naast het pad omdat de plassen op de zandwegen te diep zijn geworden. Ik zag ze deze zomer dagenlang hun stoffige land beregenen. Het weer lijkt steeds extremer te worden.
Hoe is dat in het verre oosten van Europa? Ik sprak er over, met Roemeense vrienden. Ook zij zien verschil met vroeger. Nog niet zo lang geleden waren de winters er hard en streng, maar nu blijft het een hele tijd kwakkelen, voor het in januari eindelijk eens gaat vriezen. Het vriest dan ook niet zo hard meer als vroeger, maar er is wel veel meer neerslag, in vorm van sneeuw. In de zomer zijn er lange periodes dat het niet regent. Net zoals hier steeds vaker gebeurt. Bij hen komen de invloeden van twee kanten. Het landklimaat begint pas echt achter de bergrug, maar in Transylvanie voel je het al wel. Achter de Karpaten, daar begint de vaste regelmaat van strenge winters en warme zomers pas echt.

Ik vind water fascinerend. Het is onvoorspelbaar en wisselt steeds van vorm. Misschien is het ook een reden, dat ik me aangetrokken blijf voelen tot dit land, waar ik geboren ben. Het water. Het rijst op en trekt zich terug. Het verdampt en daalt zachtjes neer op de geurende grond, vriendelijk als een lichte lenteregen. Of het stort naar beneden als een wolkbreuk, stof en aarde met zich mee sleurend, de zee in. Water kan alles om zich heen transformeren. Ons land is ervan doordrongen. Onze bodem is vol verhalen erover, al zijn de meeste allang vergeten.
En nu. De dagen worden korter en de avonden langer. Na langdurige droogte is de lucht weer zwaar van vocht. Ik zie sommigen plannen maken om te vertrekken naar zonniger en drogere oorden. Ik niet. Ik zal deze winter samenzijn met mijn vriend, de tegelkachel. En ik weet niet wat er verder gaat gebeuren. Maar dat ik hier wil zijn, dat voel ik aan mijn water.

Een droom is als een paar schoenen

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Lang heb ik er naar toe gewerkt. Het is nu twee en een half jaar geleden. Toen dacht ik, ik ga naar Roemenië. Ik bestudeerde de taal en cultuur. Ik wilde mijn aandacht bundelen, om mijn leven een nieuwe draai te geven, een heel nieuwe richting. Waar zou het toe leiden? Ik liet Utrecht achter, mijn huis, mijn vrienden en mijn boten. Ik kwam terecht in een woonwagen, in Brabant. Een tijdelijke stek, waar ik alles op mijn gemak kon afhandelen, en waar nieuwe ontwikkelingen zich rustig konden ontvouwen. De enige reden waarom het Brabant was, is dat de wagen daar zijn standplaats had. Een pipowagen, met alles erin, dat is nu mijn hele bezit. En er is een vriendje, niet ver weg. We brengen samen dagen door, gevuld met speels plezier en aandachtige gesprekken. Dat is fijn. Maar alles is tijdelijk. Wie weet hoe lang. Het is de droom die me in beweging zet.
Een droom of idee is als een paar schoenen. Zolang als het duurt brengen ze me ergens heen. Ik weet niet waar. Want de wereld is wat hij is. Soms drassig, soms rotsachtig en steil. En ik kijk om me heen. Dagenlang vergeet ik soms, wat de droom was, waarmee ik op pad ging. Dan loop ik blootsvoets door een kreek vol beestjes of langs spannende paden. Soms denk ik er aan, aan de droom, en vraag me af waar ik uit kom.
Ik ben nu in Roemenië. Uiteindelijk. Mijn verblijf hier loopt bijna ten einde. Vandaag regent het. Ik zit binnen. Geen lange wandeling, vandaag niet. Het dorp Sarata is omringd door heerlijke verrassende velden. Ik heb ze leren kennen. Het is een land dat ik vaak gezien heb, in mijn dromen. Alsof ik de heuvels al kende voor ik ze zag. Maar wat moet ik hier doen, ik weet het niet. Er is geen aanknopingspunt. Ik ben te gast. Een passant in dit land. Maar één ding weet ik wel. Ik neem zaad mee, voor thuis. Zakken vol zaad. Voor onze verarmde velden. Kijken wat er uitkomt. Dat kan ik doen. Maar ik blijf niet. Niet nu in elk geval.
Brabant is mijn thuis. Zo is het nu. Daar is mijn experiment. En verder weet ik het allemaal nog niet. Maar ik hoef het ook niet te weten. Verras mij maar.

Heuvels onder de Karpaten (N)

Grote kikker in Roemeense poel

Lief rupsje in het knoopkruid

Vroeger was de beek mooier (dorp in Transsylvanië)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het is elf uur in de ochtend. Ik sluit de poort achter me. Met een
klik valt de deur dicht. Ik sta stil en kijk om me heen. Alle huizen
hebben een schutting om het erf, of een muur met een hoog gietijzeren
hek erin. Dat is om paarden en vreemde honden uit de tuin te houden.
Vlak naast me, voor de stenen muur die hun erf begrenst, zitten twee
oude vrouwtjes op een bankje. Ze kijken naar de oever, waar iemand
puin heeft gestort. Kapotte stenen en grind tussen grote bossen
watermunt. Ernaast staat één van de vele pruimenboompjes. Een hond
loopt over de verwilderde oever naar het water, en drinkt gulzig.

`Vroeger zag de beek er mooier uit dan nu,` klaagt de ene vrouw,`het
werd veel meer onderhouden.` De bewoners van elk huis zijn
verantwoordelijk voor het stuk van de beek wat eraan grenst. Zo was
het bij ons ook, drie eeuwen geleden.
Aan de overkant loopt een lange man met verende tred. Hij kijkt niet
op of om. Het is Costica, zijn zeis hangt over zijn schouder en aan
het uiteinde bungelt een tas. Het is hooitijd. De mensen werken hard.
Velen werken om hun huis te onderhouden en voor meer spullen. Het
liefst ook nog een auto. Of ze sparen voor een reis. Wie jong genoeg
is, gaat naar het westen. Daar is meer te verdienen dan hier. De
partner blijft alleen achter.
Ik snap best, dat de beek minder aandacht krijgt. Er wonen bijna geen
gezinnen meer. Toch zie ik in de verte een paar kinderen spelen met
keien. Ze maken een dammetje, om een klein zwembadje te maken. Die
kinderen logeren bij oma´s en opa´s. Maandenlang zie je ze, in de
zomer. In de winter zijn ze weer weg. Papa en mama wonen al jaren
ergens anders.
Ik kijk nog eens naar het stromende water. Ik vind de beek mooi. Ook
zoals hij nu is.

Ik loop langs het zandpad naar het noorden. Daar houden de huizen op,
en beginnen de velden. Het pad volgt nog steeds de stroom. Van een
afstandje zie ik hier en daar iets uitsteken, midden in de hoge
oeverbeplanting. Het lijken grote dingen. Grote gele blokken tussen
weelderig groen. Ik vraag me af wat het is. Als ik dichterbij kom zie
ik dat het koelkasten zijn, waarvan de metalen buitenplaten zijn
afgesloopt. Wat ik zie is het gele isolatiemateriaal, oud en goor.
Ik loop verder naar beneden, daar is de begroeiing niet meer zo
torenhoog. Ik baan me een weg over een berg plastic. Dan zie ik water
over keien stromen. Het is niet diep. Orchideeën groeien weelderig
naast een berg oude schoenen en ingedeukte pannen. Ik hurk ernaast en
laat het frisse water tussen mijn vingers door spoelen. Ongelooflijk
zo helder.

Net als ik terug wil lopen zie ik iets. Een oude spanband. Precies wat
ik nodig heb. Het scharnier van het kippenhok is kapot.

Lang leve de vuilnishoop.

Luije kippenhok

Het land

.


De zon is fel en ongenadelijk. In de zinderende hitte klinkt ons gehak in een gestaag ritme.
We werken op een smalle strook, waar dit jaar niets is ingezaaid. De strook ernaast is paars en geel van de bijenbloemen, en het is een gezoem van jewelste. Wij werken op het lege stuk. In het zand en tussen de stenen staat evengoed van alles. Gras, smeerwortel, knoopkruid, wat brandnetel en pispotjes, en nog veel meer. Wij hakken ze allemaal af. We hoeven de wortels niet weg te halen. In deze hitte sterven ze snel. Ik heb de wijde witte blouse aan, die mijn moeder voor me maakte. Ik druip van het zweet en een lichte bries waait onder het linnen en koelt mijn warme huid. Een strooien hoed beschermt mijn hoofd. Naast mij werkt een jonge vrouw uit Avrig, een Roma. Ze zucht diep. Haar strakke paarse shirt heeft korte mouwen maar is toch te warm. Ze stroopt de pijpen op van haar lange zwarte broek, en gaat verder. Verderop zetten haar vriend en haar broer palen in de grond. Dat is nodig voor een hek, tegen wilde zwijnen. Die komen af en toe ongevraagd het land omploegen en dat wil onze boerin niet.
Net zo ongenadelijk als de zon brandt, hak ik door. Het warme staal ploft in het droge zand van de bovenste grondlaag. Ik zie een hele spinnenfamilie vluchten, en ik zie hun kleine holletjes in de grond, onder een graspol. Er groeit ook een vetplant, met kleine gele bloemen. In een roset bedekt hij de bodem met lange vlezige stengels. Ik hak het allemaal af. Ik zie de tere bloempjes van ereprijs en ook kamille. Ik voel hoe het zweet van me afdruipt en geniet van het harde werken en het gestage ritme waarin ik voortga. Toch spijt het me. Voor de spinnen. En voor de kleine ereprijs en de kamille. Ik had ze graag een langer leven gegund op deze plek. Maar het moet. Helaas.

 

Een man keert terug van het werk
Een man keert terug van het werk

Voetnoot: we zijn om twaalf uur opgehouden. Daarna werd het nog warmer. Agnes had een heerlijke maaltijd voor ons gemaakt, geserveerd in een koele kamer.

Dorp in Transsylvanië

Dorp in Transylvanië
Terug in Roemenië. Ik verblijf bij een gastvrije vrouw die Agnes heet. Ze voert een klein boerenbedrijf en ik werk deze maand mee, tegen kost en inwoning. Ik zit op de drempel in de schaduw. Het is warm. Ik hoor alleen de krekels in het gras, een kip die aanhoudend blijft kukelen in de verte, een kind dat roept. Het huis staat in een klein dorp, gelegen aan een smalle beek, die uit de bergen komt. Als ik in de beek sta, dan kan ik de blauwgrijze toppen zien liggen als indrukwekkende schaduwen aan de horizon. Er ligt nu geen sneeuw op de bergtoppen, en de beek is niet meer dan een ondiepe stroom met glibberige keien. In de lente, als het smeltwater komt, dan kan het smalle beekje uitgroeien tot een rivier. Soms komt het zelfs tot over de drempels van de huizen. Over de kreek zijn hier en daar eenvoudige bruggen gemaakt, maar toen we gisteren aan kwamen rijden, reden we dwars door het water naar de overkant. Het dorp ligt als een lang lint langs de stroom. De wegen zijn van zand en grind. Voetpaden hebben zich in de jaren vanzelf gevormd, dwars door het gras en wilde bloemen naast de beek. Langs het water staan overal fruitbomen en kruidige bloemen en ik vond watermunt en wilde tijm. Alle huizen hebben een hoog houten hek voor het erf, niet om de boeven buiten te houden, maar om de loslopende koeien, honden en paarden tegen te houden. Gisteren was de deur open blijven staan. Toen stond er ineens een brutaal en onvriendelijk paard de spruitjesplant op te eten. Zijn voorpoten waren aan elkaar gebonden met een korte ketting, zodat hij niet kon rennen. Maar weglopen kon hij dus wel. Gelukkig duurde het niet lang voor we hem weg hadden en de schade viel mee. Agnes heeft gauw de deur op slot gedaan.

Agnes is een nu paar uur weg. Ze brengt twee Nederlandse gasten weg met de auto. Na een gezellig ontbijt ben ik nu een paar uur alleen. Het is anders om hier alleen te zijn en ik geniet er van. Ik heb de afwas gedaan en frambozen geplukt voor de verkoop. Tommy, een opgewekte Kooikerhond, ligt te slapen in de schaduw van het kleine gastenhuis. Het brede erf ligt tussen twee huisjes en twee schuren. Het is begroeid met gras en er is een moestuin met bonen, kolen en bloemen. Als ik erlangs loop, vliegt een groep mussen op uit de drogende bonen met het dorre blad. De bonen moeten rijpen, het is bedoeld als zaaigoed. Maar de vogels vinden het ook lekker.

Ik loop verder, langs de twee schuren, achter op het erf. De ene schuur is deels van gepleisterde steen, deels van hout. De deur is ook van hout. Ik ga naar binnen. Ik zie dat tussen de kieren van de planken door genoeg licht komt om alles te zien. Er staat het een en ander opgeslagen en er is een hooizolder. Ik loop verder naar de andere schuur. Die is van hout en van keien die uit de buurt komen. Er ontbreekt een wand. Als ik er naar toe loop, dan zie ik dat ook de kelder niet compleet is. Hij heeft maar een half dak. Het zijn grote balken met smalle stroken gewelfd metselwerk ertussen. Hoe zou je zoiets restaureren, vraag ik me af. Maar ik denk er niet te lang over na. Het land loopt nog verder door. Achter de twee schuren rusten de drie schapen en lopen kippen. Ze kennen me al en lopen niet meer voor me weg. Een van de drie schapen kijkt me nieuwsgierig aan. Ze hebben hier een mooi veldje om te grazen. Maar ze kunnen niet in het midden komen, daar staat een hek omheen. Er groeien pompoenen en frambozenstruiken. Heerlijke grote frambozen hangen te rijpen in de zon, rode en gele. Gisteren hebben we ze verkocht op de biologische markt in Sibiu. Achter de frambozen begint een heuvel met pruimenbomen, appels en acacia´s. Het gras eronder is ruig, maar wel gemaaid. De eerste pruimen en appeltjes zijn al op grond gevallen. Ik proef een paar maar ze zijn zuur, hard en klein. Nog even wachten voor ze rijp zijn.

Achter het laatste hek beginnen de velden, het hooiland, vol bloemen en vogels en andere dieren. In de verte ligt de hoge bergrug van de Karpaten en is de allerhoogste top te zien. Hoewel de lucht hier helder is, zijn de bergen vandaag in nevelen gehuld. Zou het morgen beter zijn? Misschien gaan we er wel heen. Als je in de wolken loopt kan je niks zien. Maar vandaag ben ik in elk geval hier. En nergens anders. En ik schrijf. Net zoals thuis. Alleen het decor is anders.
Huis in Transylvanië

Het is een mooie dag

 

.

Roemenië, 2012

 

Het is een mooie dag. De grootste hitte is voorbij, ik loop naar de beek, verscholen achter de bomen. Lola de hond blijft bij het huis. ik ben nog net  teveel een vreemde voor haar. Ik heb plastic schoenen meegenomen van Anet, die draagt ze in de beek om de stenen niet te voelen. Ik loop stroomopwaarts door het water en doe de plastic schoenen maar gauw weer uit. Veel lekkerder. De bodem van het beekje is soms zand, veel stenen en soms wat modderig, in de buurt van de wilgenbomen. Ik laat de modder lekker tussen mijn tenen sijpelen en balanceer op de stenen. Hoe langer ik loop hoe meer ik zie. Af en toe kom ik een blok leem tegen van een bijzondere kleur, groen of gelig. Ik zie een vogel aan het water die ik niet kende, ik had hem vanochtend ook al gezien. Ik ken nog maar zo weinig..! Het leek een kruising tussen een eend en een reiger.
Verderop is de oever afgekalfd, door hoog water. Het water komt soms wel twee meter hoog zie ik aan de plantenresten die in de wilgen hangen. Hier beginnen de velden, hooi is opgestoken en de mais staat er mooi bij. Ik ben blij de velden te zien. Het huis van Anet ligt in een soort kom, omringd door dicht geboomte. Thuis woon ik ook in een kom, maar dan van stenen huizen. Ik wil ruimte, de velden in, omhoog.

Ik klim de hoge zandwand op, om op de oever te komen. Het gras is net gemaaid. Ik trek de plastic schoenen weer aan tegen de harde stoppels en loop over het gras tussen twee maisvelden door. Aan het einde is een stenige zandweg. Ik steek over om verder de heuvel op te klimmen. Ik loop door een schitterende bloemenweide, zoemend van bijen en insecten. Als ik opkijk om te zien hoe het pad verder loopt, zie ik in de verte een paard grazen. Verderop zit een man op een kleine wagen. Buna Zuia, zeg ik en de man zegt hetzelfde en vraagt waar ik heen ga. “Kijken” zeg ik “boven”. Hij vraagt waar ik vandaag kom. “Ultima casa” zeg ik en vertel hem in gebrekkig Roemeens hoe mooi ik die bloemenweiden vond. Hij lacht en ik maak kenbaar dat ik weer verder ga.
Ik loop verder. Kleine appelbomen, gemaaide velden en overal hoopjes afgehakte jonge boompjes. Het bos begin een aantal meters verderop alweer uitbundig te groeien en de vele kleine acacia’s moeten flink in toom worden gehouden. Al ik bijna de top van de heuvel nader word ik verrast door een steile aflopende helling aan de andere kant. Ooit moeten hier zandverschuivingen zijn geweest. Het enige wat op deze afgrond groeit zijn beukenbomen, die hoog en meterslang de lucht in moeten schieten om bovenin blad te kunnen maken. Ik ga zitten om te kijken.

Dan ga ik verder de heuvel op. Ik hoef steeds minder te klimmen en er staan steeds meer eiken van grote omvang. Eromheen is het gras pas gemaaid. Bovenop de berg ontvouwt zich, tot mijn grote verrassing, een vlakte. De eiken zijn hier nog mooier. Ik loop een stukje over de vlakke top en wil net teruglopen als me iets merkwaardigs opvalt. Verderop houdt de grond opeens op en zie ik alleen maar lucht. Ik ga erheen en vergeet even adem te halen. Voor mijn voeten ligt een afgrond van wel dertig meter of meer, zoiets heb ik nog nooit gezien. In die enorme muren van zand vliegen tientallen zwaluwtjes heen en weer. Het is verder stil en ik zie niemand. Ik kan heel ver kijken, ver over de beboste heuvels. Ik zou willen dat ik hier mijn hangmatje op kon hangen en kon blijven slapen. Ik blijf lang staan kijken, tot ik met tegenzin verder ga. Ik zie ook bossen riet, wat gek, zo bovenop de heuvel is een klein vennetje. Er moet hier leemgrond onder zitten of zoiets.  Er staan een paar koeien bij te drinken.Terwijl ik er heen loop hoor ik hondengeblaf. De herder die erbij hoort komt naar me toe en houdt de honden op een afstand. Ze willen graag bijten zegt hij. Ook hij wil weten waar ik vandaan kom en waar ik heen ga. Ik ga weer terug nu, wijs ik ” Pe drum.” Verderop kijkt de andere man op de wagen me alweer glimlachend tegemoet. Hij vraagt van alles. Hoe oud ik ben, wat ik vanavond ga eten en hoeveel een brood in Nederland kost. Hij bekruizigt zichzelf bij het horen van die prijs en zegt dat je hier maar een lei betaalt. Dat is iets minder dan twintig cent.
Ik kijk naar zijn paard en vraag hoe hij heet. “Carl” zegt hij. Ik mag zijn wagen bewonderen en zijn gereedschap. Hij vraagt of ik morgen weer wil komen om te zien hoe hij het hooi bijeen harkt. Verderop  is ook nog weide die hij beheert. Ik knik blij. Dus morgen vroeg op en dezelfde weg weer vinden. Ik hoop dat ik hem terug zie. Dat weet je maar nooit hier.

Rondje dorp, Valsanesti, Roemenie

Het is al een aantal dagen geleden dat ik Tjechie achter me liet. Nu ben ik voor de derde dag bij Anet Verwey in Valsanesti. Het is een rijk bebost heuvelachtig gebied dat tegen de bergen aan ligt. Het dorp bestaat uit twee straten. Een verharde, doorgaande weg, en een grindpad.  Het was vandaag warmer dan gisteren. Anet is naar Bucarest en ik ben hier twee dagen alleen. Ik heb de parasOL gemaakt die was omgevallen, vond  twee lege accu’s die ik maar ben gaan opladen en heb even in de koele kamer naar geluiden geluisterd. Tussendoor naar het magazin gelopen, een gewoon huis, en niet als winkel te herkennen als de deur niet openstaat. Maar ik zag daar niemand en ook de straat was bijna verlaten. Ben weer teruggelopen en zojuist opnieuw de deur uit gegaan. Nu is het avond en de zon staat laag en het licht is niet meer zo ongenadelijk als midden op de dag. In de winkel hadden ze paprika tomaat, worteltjes, brood, een paar pakjes soep in een pakje, wat boter en wat snoep. Ik kocht brood paprika en tomaat en ben een rondje gaan lopen. Werd bijna verlegen van alle blikken en een vrolijk rondbuikig mannetje zei dat hij ook de heuvel op wilde die ik gekozen had en hij raakte me meteen aan. Toch maar niet, zei ik met mijn armen over elkaar. En ik maakte hem duidelijk dat ik toch maar liever de dorpsweg wilde zien. Veel mensen hier spreken  volgens mij alleen roemeens en ik kan net genoeg verstaan om ze een beetje te begrijpen. Als ik het niet begrijp herhaal ik hun woorden en kijk ze aan, het resultaat is tot nog toe vaak dat ze gaan lachen of tevreden gaan kijken.  Er zat een klein oud vrouwtje op een bankje, en toen ze mij met rode  rok en strohoed voorbij zag gaan, schoot ze me aan en zei ze volgens mij dat zij vroeger ook zo was en heel veel gekust werd. Maar nu was ze oud en krom. Draga, mompelde ze glimlachend toen ik verder liep en ik keek nog even naar haar om en lachte haar toe