Laat ze nog eenmaal hun carnaval vieren

.

.

De Friezen die al zolang wachten. Laten ze nog éénmaal hun Carnaval vieren, de Dans van ruimte met muziek van ijs. Zou ik daar bij kunnen zijn? Ik hoop het!

.

Ik ben nog steeds in Brabant. Mijn wooncocon staat op wielen, daarom kan ik er makkelijk voor kiezen om weg te gaan. Toch denk ik goed over die keus na. Het is bijzonder dat het nu gaat gebeuren, na vijf en een half jaar op deze minicamping te hebben gewoond en gewerkt. Nog even geduld en dan is het zover. Dan zetten we hem op een trailer, die mij en mijn huisje naar Friesland zal brengen.
Terwijl ik denk aan de verhuizing, kijk ik naar buiten. Ik kijk naar de plassen in het zand, zand, waar alles zo makkelijk op groeit. Het makkelijke, losse zand heeft de vanzelfsprekende gezelligheid van een tuin die al heel snel bloeit. Maar nu bloeit er niks. Het heeft de hele ochtend hard gewaaid. Ik open de twee bovendeuren en zie donkere wolken wegdrijven. De wind is gaan liggen. Ik open nu ook de onderdeuren en trek mijn terreinlaarzen onder het bordes uit en doe ze aan. Ik wil fietsen en rondkijken. Nu ben ik nog hier. Nu kan het. Ik struin door de plassen en pak mijn grote Gazelle uit het fietsenhok. Ik fiets door het natte land en rijd door de dorpen.

Nog nooit zag ik het, voor ik hier kwam, de stijgende opwinding van het Carnaval. Al weken prijken olijke namen bij de grens van ieder dorp, de Stopnaolden, de Durdauwers, de Tuutefluiters… Soms leg ik mijn oor te luisteren bij een passant en hoor de verhalen. Alles draait om Carnaval. Een ieder zet zich in, elk jaar opnieuw. De golf van gekheid is niet te houden. Het is een golf die groeit met de dag, tot hij schuimend en bruisend valt. Dan is er een tijdje rust, tot dat alles zich opnieuw verzamelt en dan begint het weer van voren af aan.
Straks fiets ik hier opnieuw, onder de kraakheldere hemel van februari, als het feest voorbij is. Dan rijd ik in het prille ochtendlicht over ditzelfde bospad naar Diessen en zie daar weer die verloren damesslip, vlakbij dat bankje…

Dat is wat, zo’n feest waar iedereen naar uit ziet! Dat hebben ze in Friesland niet. Of wel?

Friesland, ik ken het wel een beetje. Er vlak bij ben ik geboren. Vanuit de poldertoren kon je het bijna zien liggen. Van Emmeloord naar Lemmer is niet zo ver. We gingen er wel eens kamperen. Het land was net zo vlak als onze polder, maar tegelijkertijd was het heel anders. Ik zag de geschiedenis van de sloten, de graspollen die ruiger groeiden dan de onze, de kronkelige waterlopen. Bij ons was alles recht en monotoon. Ik hield van de klei, van het zoete en zoute water van het oude land, meer dan van het land waar ik geboren was. Ik ken de klank van hun taal. Ik weet ook dat ze wachten. Daar zijn ze keigoed in en niet alleen de boeren, die hun oogst uit de trage klei willen halen. Er is méér waarop ze wachten. Wachten maakt kracht, kracht, om te gáán. Hun Friese verlangen gaat uit naar één ding.

“Het carnaval van het noorden”

De Friezen wachten jaar naar jaar en soms, ineens, dan is het er. In 1986 en in 1997 gaan de schaatsen uit het vet. Een bonte mengeling van mensen krioelt op pleinen in dorpen, naar de bruggen, op weg in een stroom naar vaarten en meren. De tocht leidt door dorpen, elf in getal. De Tocht der tochten is een gekkenhuis. Kapotte knieën, blauwe tenen, gebroken kaken en/of benen, werkelijk niets houdt de Friezen tegen. Het is nu of nooit.

Maar het wachten duurt steeds langer. Wordt hun liefste wens nog ooit vervuld? Als de wereld dan toch warmer wordt, dan gun ik de Friezen het poolijs dat wegdrijft in de oceaan.
Laat het zijn weg naar Friesland vinden, laat het hun meren en sloten bevriezen tot het hardste en gladste ijs wat er is. Laat ze nog éénmaal hun Carnaval vieren, de dans van ruimte met muziek van ijs. Zou ik daar dan bij kunnen zijn? Ik hoop het!

.

.

.

Marjolein van ’t Spoorhuis in Utrecht stuurde mij deze link. De jaren zestig waren rebels en bevrijdend. Niet alleen in Amsterdam waaide deze tijdgeest, ook in Tilburg met carnaval.

.

.

Kleine enquête

Ik fietste rond in de omgeving van Brabant waar ik woon. Ik stelde een aantal mensen de volgende vraag. “Doet u mee met carnaval?” Soms ontstond er een lang gesprek. Dit is een korte weergave.

Haghorst, jonge twintiger: Geweldig, we leven er naar toe en al mijn vrienden doen mee.
Haghorst, man veertiger: Ik ga er wel even heen, maar niet vol ertegenaan.
Haghorst, twee zestigers: Carnaval is voor de jeugd. Wij passen wel op de kleintjes.

Meisje onderweg, twintiger: Ik woon in een klein dorp bij de Belgische grens. Ik ga altijd met een groepje. Bij ons doet het hele dorp mee, alleen mensen boven de zestig doen het wat rustiger aan. Maar ze komen wel meegenieten van de optocht.
Ik studeerde in ‘s Hertogenbosch, daar was de hele stad ook één groot feest met carnaval.

Moergestel, man vijftiger: Ik ga er nog wel even heen! Hier wordt carnaval echt gevierd! Er zijn wel vier carnavalsverenigingen, allemaal met eigen pronkwagens, kleding en hun prinsen. Ik denk dat carnaval hier nooit zal verdwijnen.

Moergestel, vrouw van de kledingwinkel, zestiger: Toen ik kinderen had van 10 en 11 ongeveer, toen was het geweldig, al die moeders met hun kinderen waren er. Dat was zo gezellig! Maar we deden niet de volle vijf dagen mee, dat was te lang voor de kinderen en voor ons. Het is vooral de jeugd die doorgaat van begin tot eind. Steeds meer ouderen geven hun geld liever uit aan wintersport dan aan bier met carnaval. Er zijn nog wel ouderen die wel graag zouden willen, maar die hebben dan niemand meer om mee te gaan.
Carnaval gebeurt hier vooral in zalen en op pleinen. In Weert is het nog echt op straat. Als je carnaval wil beleven, moet je daar naar toe!

Ik denk dat ik het doe ook! Ik heb nu de kans nog.

Het spoor van Agremone

Blogtek steenarend kl. frm

.

Een dichte motregen daalt neer op kruinen van talloze bomen. Zover ik kan zien is donker gebladerte van eiken en brede beuken die al het andere overschaduwen. Langs  vennen en rivieren staan elzen, wilgen en hazelaars. Ik ben de Arend van Eeuwen en zie alles, de zeeën die komen en gaan, bossen en zandverstuivingen. En ergens, in de uitgestrekte zee van groen, heb ik mijn thuis, in de allerhoogste eikenboom.
Er beweegt iets onder het dichte bladerdak. Een klein groepje is het, wezens die rechtop lopen, zwaaiend met hun klauwen. Ik denk dat het mensen zijn. Niet ver van mijn boom strijken ze neer. Met gestaalde spieren en scherpe bijlen hakken ze in eik en beuk. De één na de ander valt krakend en suizend op de grond. Ze bouwen een enorm nest, dat hen allen kan bergen, en uit het dak kringelt al snel een rookwolk.

.

Blogtek middeleeuws platteland kl frm

.

.
Ik blijf zitten op mijn tak en kijk toe. Ze gaan in en uit. Ze jagen met scherpe pijlen op wild in de bossen. Ze steken leem en veen uit de grond, smeren, bakken en maken vuur. Meer en meer mensen komen, ze bouwen steeds grotere onderkomens, nemen runderen mee en vele eiken en beuken die ik mijn leven lang gekend heb, gaan op in rook en spaanders. De aarde blijft nakend achter. Maar al gauw bedekken feeën en nimfen haar met een paarsgroene deken, die zacht weerkaatst in vele vennen. Ik kom en ik ga, mijn vleugels breeduit in de wijde hemel.

Eeuwen gaan voorbij. Op een dag kom ik terug en vind alles kaal. De bosrand heeft zich nu helemaal teruggetrokken in de verte. Een koude oostenwind waait het zand metershoog de lucht in. Ik knijp mijn ogen halfdicht tegen de scherpe korrels en zoek mijn boom. Ik vind hem niet. De grond is in diepe sleuven uiteengereten, zover als de horizon reikt. Ik kijk waar de feeën en nimfen zijn gebleven, maar er is geen eentje meer. Mijn vleugels worden moe en ik heb honger.

.

Blogtek bosuil kl frm

.

Op de boerderij woont een man. Hij plant bomen, en werkt hard. Hij graaft nieuwe vennen. Het is een goede man. Ik ben nu geen arend meer, maar slechts een kleine bosuil en ik woon in de oudste eik die langs de zandweg staat. Nu de man weer bomen heeft geplant, is er een kleine luwte ontstaan, in de vlakte. Eromheen is nog steeds niets dan zand en kortgemaaid gras. Het water in de sloten is giftig. Ik hoor de kikkers niet meer, maar op een stille avond hoor ik wel iets anders.
Er staat een meisje onder mijn boom, ze heeft een geel jurkje aan. Ze kijkt omhoog, en zoekt me. “Ben je een bosuil?” vraagt ze, “Laat je eens zien!” Maar dat doe ik niet en ze loopt verder. Ze gaat het pad op naar de boerderij. Daar staat een blauwgroen woonwagentje, en twee vreemde groene paarden grazen in de wei.
Ze is dagenlang in de weer. Ze plant bloeiende struiken en zaait bloemen. Het eerste jaar is het nog klein, maar het groeit. Het groeit verder en verder, tot een prachtige tuin. Mensen blijven staan. Ze willen meedoen, méér, nog meer fruit en nog meer bloemen. Een oase moet het worden, een klein paradijs. Genietend staat het meisje te kijken hoe vele handen de wachtende aarde vullen met bollen en wortels en hoe miljoenen krioelende beestjes de grond weer levend maken. Het enthousiasme werkt aanstekelijk. Maar het is tijd om te gaan. Ze pakt haar schep en haar kookpot en bindt ze vast aan de wagen.
Uit de vijver rijst heel voorzichtig de eerste waternimf. Het meisje knipoogt naar het wonderschone wezen en de mensen zwaaien haar uit. Agremone, in haar goudgele jurkje, zwaait opgetogen terug en draait zich om.  Nu is ze weer alleen. Maar toch niet helemaal. Haar merkwaardige groene trekdieren lopen opgewekt voor de wagen, blij dat ze weer iets kunnen doen. En ik, kleine uil, ben van haar gaan houden, en volg haar stilletjes. En waar zìj komt, zie ik kinderen boompje verwisselen tussen de stammen en rijgen meisjes bloemenkettingen.

Zo herinner ik het me. Zo was het vroeger en zo zal het weer zijn. Eén van velen is ze, één van de mannen en vrouwen, die als kleine sterren op aarde lopen. Ik hoor het ook van andere dieren. Het verheugt ons. Een spoor van leven laten ze achter zich, op de stilste plekken zijn ze het sterkst. Samen vormen ze een heel melkwegstelsel of een kometenregen van vernieuwing. De grote mannen kijken in gulzige haast over hen heen. Maar ze zijn er wel, jongens en meisjes, dappere mannen en vrouwen. En ze breiden zich uit. Warmhartig volk van aarde, vuile handen, deuren open. Ik zie ze.

.

Blogtek Spoor Agremone kl frm.

De tweede tekening is geïnspireerd door een prent uit een middeleeuws manuscript. Het laat het platteland zien, in de veertiende eeuw. Het speelt zich af in de omgeving van de Middenrijn. Als je erop klikt kun je het in het groot bekijken.

In de elfde eeuw begon men in Noord Brabant met ontginnen. Er kwam meer en meer landbouw en veeteelt. De bevolking groeide, de veestapel ook. Er werd veen gestoken en bossen werden gekapt voor kachels en haarden. Het zanderige pionierslandschap was een perfect habitat voor de nu zo schaarse en gekoesterde heide. In natuurgebieden krijgt hei nog steeds de ruimte.
In de vorige eeuw verdwenen veel bosjes, die tussen de kavels in lagen. Het open agrarische landschap biedt bar weinig schuilplaatsen. Schaalvergroting heeft nu zijn top bereikt en wind heeft vrij spel om na de oogst de arme losse grond de lucht in te blazen. Op dit moment is het nog niet lang geleden dat de ruilverkaveling is afgerond, en vele hectares grond  sluiten zich aan een voor monocultuur. Vele vennen zijn dichtgegooid en regenbuien, steeds heftiger van karakter, spoelen  humusarme aarde weg in de sloten. Na de maisoogst is het nu wèl verplicht gesteld om een vanggewas in te zaaien. Maar als de mais laat rijpt en de winter valt vroeg in, dan komt er maar weinig van terecht.
Op veel akkers wordt snijmais verbouwd, voor veevoer. Op plekken waar de bodem te drassig is of te slecht voor landbouw, vind je meestal raaigras of productiebos. 

De steenarend, hierboven afgebeeld, heeft hier weinig te zoeken. De Arend uit mijn verhaal was dan ook een heel bijzondere.  In België zijn er vier gezien. Ik wilde dat ik daar bij was geweest!

 

Reacties welkom: tt.alowieke@gmail.com

.

.

Een film over een engelse vrouw die een andere vorm van landbouw bedrijft. Ik heb hem ook gezien. Aanrader. 

.

.

.

Ontdekkingstocht

.

Man met paard, Brabant.

Sinds mijn besluit om hier te blijven, kijk ik met andere ogen. Als ik wandel, sla ik weggetjes in die ik voorheen het bewandelen niet waard vond.
De zon schijnt tussen een paar mottige buien door. Ik ga gauw naar buiten en loop over het fietspad, langs de smalle asfaltweg. Achter een regelmatige rij zomereiken zie ik uitgestrekte hectares boerenland. Saai, kaal, monotoon. Maar hier vlakbij is wel een weggetje dat er dwars doorheen loopt. Ik sla af, mijn wandelschoenen zakken in de zwarte blubber. De randen van het pad zijn begroeid en minder nat. Daar ga ik lopen. Nu ik veilig en droog loop, kijk ik om me heen. Waar dit jaar aardappels en mais groeide, is nu grasland. De vorige winter was lang, koud en winderig en de akkers lagen er maandenlang kaal en naakt bij. De hele bovenlaag is weggewaaid.
Ik zie een kale bremstruik langs het pad, ernaast staan stronken met zwammen eraan. Ook in hier gebeurt wel wat, als je langs de randen van het eentonige weiland kijkt. En er zit nog veel meer, onder het gras en onder de modder.
Er komt een gedachte bij me op. Misschien vind ik dit land wel spannender dan Roemenië, waar alles al is, vol en uitbundig. Hier sluimert het zaad nog diep onder de grond. Het lijken dooie akkers, maar daaronder zit het bomvol. Duizenden, miljoenen zaden liggen daar. Tientallen jaren kan het duren, tot het een kans krijgt. Of het komt aanwaaien van elders. Dat is het land dat wacht, het land dat het in wezen is. Hoe zou het er uit gaan zien? Ik ben eigenlijk wel erg nieuwsgierig. Er kan elk moment weer iets bovenkomen, iets wat echt en oorspronkelijk is.

Terwijl ik dit alles overdenk kom ik aan het einde van het pad. Er staat een kleine, wat oudere man in de berm. Hij heeft een grazend paardje aan een touw. “ Gaat u hem lang uitlaten? “ vraag ik. “ Nee, even maar”, zegt hij. Hij is een wandelingetje aan het maken en ’t peerdje kon best mee, vond hij. Hij beestje is al twee-en-twintig. Wel oud, maar hij houdt er niet van om dieren naar de slager te brengen. “Als je een dier hebt, dan zorg je er goed voor.” Ik knik. “Heb je al ver gelopen?” vraagt hij dan. Ik vertel dat ik van d’n Bobbel kom, over het weiland heen. De camping ja, die weet hij wel. “Daar is vast ook wel iets te eten.” zegt hij. Ik vind het grappig dat hij dat zegt. De meeste mensen hebben het niet gelijk over eten.
Ik vertel dat ik gek ben op brandneteltoppen. Ik eet ze wel vier keer per week, door de groente heen. “Echt? Vraagt hij verrast, eet je die? Dan ben je vast wel heel gezond.” Ik knik blij. “Er zijn zoveel planten die je kan eten,” zeg ik, “Ik ontdek er steeds meer. Lisdodde kan je ook eten, het zaad, de wortels, en de stengel smaakt naar mais. Het is hier nat genoeg, dus we hoeven vast niet te verhongeren.”
De man kijkt voor zich uit en zegt: “ Nou, dat eet ik dan veel liever, Alles is tegenwoordig zo vét! Ik begin er steeds meer van te walgen. Ik heb suikerziekte.” Hij vertelt dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer mag doen omdat hij slechter is gaan zien. “Door de suiker”, zegt hij balend en begint over wat anders.

Hij is een van velen. Ik luister en ontdek. Het is niet alleen het zaad in de bodem, dat zijn kans afwacht. Ons lichaam vertelt het ook. Het mijne, het zijne. Een andere wereld sluimert om het hoekje.

Een droom is als een paar schoenen

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Lang heb ik er naar toe gewerkt. Het is nu twee en een half jaar geleden. Toen dacht ik, ik ga naar Roemenië. Ik bestudeerde de taal en cultuur. Ik wilde mijn aandacht bundelen, om mijn leven een nieuwe draai te geven, een heel nieuwe richting. Waar zou het toe leiden? Ik liet Utrecht achter, mijn huis, mijn vrienden en mijn boten. Ik kwam terecht in een woonwagen, in Brabant. Een tijdelijke stek, waar ik alles op mijn gemak kon afhandelen, en waar nieuwe ontwikkelingen zich rustig konden ontvouwen. De enige reden waarom het Brabant was, is dat de wagen daar zijn standplaats had. Een pipowagen, met alles erin, dat is nu mijn hele bezit. En er is een vriendje, niet ver weg. We brengen samen dagen door, gevuld met speels plezier en aandachtige gesprekken. Dat is fijn. Maar alles is tijdelijk. Wie weet hoe lang. Het is de droom die me in beweging zet.
Een droom of idee is als een paar schoenen. Zolang als het duurt brengen ze me ergens heen. Ik weet niet waar. Want de wereld is wat hij is. Soms drassig, soms rotsachtig en steil. En ik kijk om me heen. Dagenlang vergeet ik soms, wat de droom was, waarmee ik op pad ging. Dan loop ik blootsvoets door een kreek vol beestjes of langs spannende paden. Soms denk ik er aan, aan de droom, en vraag me af waar ik uit kom.
Ik ben nu in Roemenië. Uiteindelijk. Mijn verblijf hier loopt bijna ten einde. Vandaag regent het. Ik zit binnen. Geen lange wandeling, vandaag niet. Het dorp Sarata is omringd door heerlijke verrassende velden. Ik heb ze leren kennen. Het is een land dat ik vaak gezien heb, in mijn dromen. Alsof ik de heuvels al kende voor ik ze zag. Maar wat moet ik hier doen, ik weet het niet. Er is geen aanknopingspunt. Ik ben te gast. Een passant in dit land. Maar één ding weet ik wel. Ik neem zaad mee, voor thuis. Zakken vol zaad. Voor onze verarmde velden. Kijken wat er uitkomt. Dat kan ik doen. Maar ik blijf niet. Niet nu in elk geval.
Brabant is mijn thuis. Zo is het nu. Daar is mijn experiment. En verder weet ik het allemaal nog niet. Maar ik hoef het ook niet te weten. Verras mij maar.

Heuvels onder de Karpaten (N)

Grote kikker in Roemeense poel

Lief rupsje in het knoopkruid