Weggaan uit een heerlijk dorp

.

.

Luister hier naar de podcast, als je dat liever doet dan lezen. Het duurt 9,5 minuut. Verderop in het stuk staan nog verscheidene illustrerende foto’s.

 

Het is tien uur in de ochtend. De zon schijnt al uitbundig. Ik sta naast Ait Jan bij zijn camper. Buiten zijn gewoonte om, is Ait Jan aan het werk op deze zondag. Ik ben gauw naar hem toegegaan om te horen wat de bedoeling is voor mij, vandaag. Hij is blij dat ik er over begin. “De jongens willen op het terrein aan het werk, ze moeten er langs,” zegt hij “En ik wil ook ruimte, niet morgen, maar vandaag”. Hij heeft een drukke week gehad. Nu wil hij rust en overzicht om de laatste klussen voor de vakantie af te maken. “Ik had ook niet gedacht dat je zo lang zou blijven,” zegt hij verbaasd.
“Nee ik ook niet. Ik ben blij dat ik juist nu in dit dorp terecht gekomen ben! Geweldig,” Ik vertel wat ik hier allemaal opgestoken heb en hoe ik genoten heb. Ait Jan heeft meer verhalen, over leuke dingen en de momenten wanneer het tegenzit. “Sommige mensen doen nooit mee, hoewel ze al vroeg met pensioen zijn, krijg je altijd nee. Anderen hebben het ontzettend druk en doen het er allemaal bij. Zo gaat het.”

Voor mij is alles klaar voor vertrek. De familie heb ik een paar tekeningen gegeven als dank. De zoon, die kaatskampioen is, heeft mijn kaatsposter gekregen.* Ook de koppeling is piekfijn in orde en ik weet al waar ik heen ga. Het volgende dorp heet Mantgum en ik ben straks te gast bij Nynke en Michiel, die me hartelijk welkom heten op het erf van hun boerderij. Voor ik vertrek, zet ik alles nog eens op een rijtje.

.

De solide koppelingsconstructie is met vier vleugelmoeren te verwijderen. Dan kan ik bij het achterste deel van de bagageruimte. Die is overigens ook via luiken in de vloer bereikbaar.

.

WEIDUM ALS LEVENDIG DORP

Hoe komt het dat Weidum zo’n succesvol feestdorp is en al zo lang? Hoe komt het dat hier al jarenlang zoveel op touw wordt gezet ? Ik zie hier echt  “Meanskip”, ofwel, gemeenschapszin en dorpsleven. Hoewel er geen winkels zijn en men boodschappen in Mantgum doet, blijft het dorp bruisen van levendigheid.
Er zijn een aantal zaken belangrijk.

Er is een dorpshuis en twee grote velden in het midden van het dorp. Het is verrassend voor mij om dit te zien. Het is hetzelfde principe als “het cirkeldorp,” wat ik ooit ontworpen heb. In het midden van het dorp ligt een grote open ruimte met veel groen en gras, voor openbaar gebruik. Naast het kaatsveld ligt hier een tweede veld, dat ook gebruikt wordt voor andere evenementen. Tijdens de spulwike wordt er een groot kasteel is gebouwd van plaatmateriaal, wat daar dan een tijdje kan blijven staan. Daarbinnen hebben de kinderen hun eigen wereld.

.

.

Het aantal inwoners is erg belangrijk, dat ligt tussen de 500 en 700. Bij een optocht heb je dan negen versierde wagens, voor elke straat één. Jorwerd, het buurdorp is eigenlijk net te klein voor een gemeenschap. Het jaarlijkse dorpsfeest is ook lang niet zo bruisend als in Weidum. Weidum heeft ook een hele goeie fanfare en een toneelvereniging en zelfs af en toe een songfestival. Ook dorpen in de buurt hebben hun deelnemers en er komen een paar honderd mensen op af om te kijken. Het is het dorp waar de kaatskampioenschappen voor vrouwen plaats vinden, waarbij de fanfare het feest compleet maakt. Mantgum is twee keer zo groot, maar er wordt veel minder georganiseerd. Sommigen noemen het liberaal, iedereen kent elkaar, maar gaat zijn eigen gang.

Er zijn in Weidum altijd een aantal kopstukken geweest, die ergens goed in waren. Professionele mensen voor PR, kunstenaars, een klusser en decorontwerper, iedereen vult elkaar aan en is bereid om zijn of haar vrije tijd te steken in de gemeenschap. Het is goed om mensen die iets kunnen en een goed plan hebben, de vrijheid en het vertrouwen mee te geven om hun gang te gaan. Er zijn periodes dat dit heel goed gaat, soms is het wat minder. Maar de motivatie blijft altijd. Soms is het de één die een idee heeft, dan weer een ander. Die afwisseling maakt het levensvatbaar en inspirerend. Ik hoorde tijdens de merke (feest) een gesprek met een toekomstige bewoner. “Ik hoorde dat jij tuinman bent?!” Wat heeft een nieuweling toe te voegen aan het dorpsgebeuren? Het is altijd interessant voor een gemeenschap met iets meer dan 600 inwoners.

.

.

Mensen delen wat ze hebben. Klaas heeft een paar honderd meter aan lampjes. Die hangt hij op voor het feest en voor de spulwike. Ait Jan leent zijn caravans uit aan begeleiders en ze mogen op zijn land staan en zijn werkschuur gebruiken om even een klusje te klaren. Zo zijn er meer. Er zijn vele sponsoren die de meanskip een warm hart toedragen en dat is nodig ook, want de subsidie is overal stopgezet.

Het enthousiasme uit het verleden, voedt de toekomst.  Het is bekend dat Weidum een feestdorp is, met veel creativiteit en diverse verenigingen. Die wetenschap trekt mensen aan die dit ook willen meemaken en ondersteunen.

Het zet zich voort in generaties. Iedereen die de Merke heeft meegemaakt in zijn jeugd, denkt daar nog met plezier aan terug. En dat is niet het enige. Ook de Spulwike maakt indruk. Kinderen die zelf jaar in jaar uit de Spulwike hebben meegemaakt, worden begeleider als ze ouder worden. De Spulwike heeft veel weg van een creatief kamp, en is opgezet om kinderen die niet op vakantie kunnen, toch een onvergetelijke week te bezorgen. Het bestaat al 47 jaar. Ze kunnen heerlijk met verf gooien, in een autoband rondgeslingerd worden aan een touw door een waanzinnig tollende hijskraan, een doorgezakte hangbrug over sjokken en nat worden tot op de borst, het hoort er allemaal bij. Soms zie je alle kinderen bij elkaar. Die optocht door het kleine dorp is indrukwekkend groot. Het zijn de kinderen van Weidum en dorpen eromheen. “Tjinge tjinge boem,” roepen ze met een ritme dat al een paar generaties meegeroepen wordt en dat nog steeds menig hart doet kloppen.
Die ondernemingszin en het gevoel van “Meanskip,” is ongetwijfeld van groot belang voor de rest van hun leven.

Als dit in Weidum kan, waarom dan niet in andere dorpen? Waarom vluchten veel van mijn ondernemende kennissen, tuinders en kunstenaars, naar het buitenland? Laten we kijken naar goeie voorbeelden hier, in ons eigen land. Zoals dit prachtige dorp en wat we daaraan toe kunnen voegen.

.

PS Wat er in mijn blog staat is maar een fractie van wat ik schrijf. Het grote geheel wordt verwerkt in het boek. (Boek: https://alowieke.blog/boeken/.) In middels sta ik al op deze nieuwe plek in Tsjeintgum, bij Nynke en Michiel.

 

*Kaatsposter: Zie vorige verhaal.

Een indrukwekkend begin van de reis

Dit blog is langer dan normaal. De bedoeling is dat ik deze winter begin met een boek met verhalen en tekeningen. Omdat deze dag een aanzet maakt tot de thema’s van mijn reis, is dit verhaal extra lang.Het is ook te beluisteren in vorm van een podcast. Voor de plaatjes kun je op het blog meekijken.

.

 

 Ik wil de ander echt zien, die ik ontmoet. Daardoor kan dit verhaal als een kleurrijke ketting worden van vele parels. Ieder mens heeft iets wat de ander kan raken en in de kern ben ik verwant met iedereen.

Het is vier juli, onafhankelijkheidsdag. Vandaag gaat het gebeuren. Ik ga weg van camping de Swetteblom. Ik zit bij Jochum in de kamer, op zijn bank. De kamer is zoals hij altijd was, wat rommelig maar de versleten plankenvloer is leeg en aangeveegd. Ik zie boeken over geschiedenis en een half abstract schilderij van een troubadour. Door de ruiten kan ik de paarse bosliefjes zien en daarachter de Swette. Jochum kijkt in het synoniemenboek. Ik heb hem gevraagd of hij een ander woord voor verhaal weet. Vandaag, op de ochtend van het vertrek, wil ik de naam van mijn huisje vastleggen met verf op de buitenwand. Het wordt niet ‘t Wandelhuis.
“Synoniemen voor verhaal zijn geschiedenis, historie, legende, sage, anekdote, relaas,” zegt hij snel achter elkaar. “Zeg nog eens?” lach ik. Een voor een noemt hij de woorden en kijkt naar mijn reactie. “Allemaal niet geschikt,” zeg ik. “Vanaf nu blijf ik erbij. Het wordt het rijdende verhalenhuis.” Jochum vraagt waarom en ik zoek naar de juiste woorden. “Omdat het wandelhuis de lading niet dekt. Het vertelt niet wat ik doe. In de eerste plaats wil ik verhalen losmaken en daarvan maak ik een boek. Wandelen is een middel om dit werk te kunnen volbrengen.” Dat snapt Jochum wel.

Het is twee uur in de middag en naast mij staat Maria. Ze wijst naar de tekst boven. “Dat vind ik prachtig!” zegt ze met glimmende ogen, die nog even blauw zijn als gisteren. De naam van mijn huisje prijkt hoog boven aan de wand, met paarse letters in de lucht. “Het rijdende verhalenhuis.” Ik wijs haar op de andere tekst, beneden. Daar, in het groene vlak, is mijn missie te lezen. “Een kleurrijk wandelprotest tegen de rotgang der dingen.” staat er. “En dat dan? Vind je dat niet mooi?” vraag ik. Maria schudt nee. “Ik hou er niet zo van om tegen dingen te zijn. Dat is de oude wereld. In de nieuwe wereld gaan we mee met de flow. Maar ik begrijp het wel. De meeste mensen zitten nog in het oude.” Ik knik, ik denk dat ik weet wat ze bedoelt. “Ik ben een transformator,” zeg ik. “ Ik wil graag mensen ontmoeten die de stap willen wagen van oud naar nieuw.
Ze geeft me een fles met roze bubbels en wenst me een heleboel mooie ontmoetingen. Om half vijf is het afscheid. Ze zal er niet bij zijn.

.

.

Het is een afscheid zoals ik nooit heb gehad. De belofte dat de televisie erbij zou zijn hielp om er wat bijzonders van te maken. Mirre en Jochum hebben het samen bekokstoofd. En dit is het resultaat. Op het wijde veld zit nu een hele kring van mensen. De stoelen staan in het korte gras, Jochum heeft pas gehooid, dat komt goed uit. Er staat een enorme hoeveelheid zelf gebakken appeltaart op tafel. Naast de kring van mensen staat een grijnzende man met krullen die zijn gitaar neerlegt en met uitgestoken hand naar me toe komt. “Ik ben Sietse. Ik ga een paar liedjes zingen, die mooi passen bij jouw vertrek.” Even later zingt hij, in het fries natuurlijk. De camera draait op de achtergrond en legt alles vast. Ook de poëzie van Jochum. Hij draagt een gedicht voor, voor mij geschreven!

De regisseur zegt dat het tijd is om te vertrekken. Ik omhels wie ik omhelzen wil. Anderen geef ik een hand. “Ik kom terug! In de herfst, sowieso,” beloof ik. Dan loop ik terug naar mijn treintje, want dat is het wel, de mover, mijn huisje en dan ook nog de bagagewagen erachter. De cameraploeg staat al te wachten. We gaan naar Weidum. Het is vier kilometer en de eerste twee gaan over de onverharde weg tussen de weilanden door. Vier mannen staan klaar om goeie televisie te maken, een regisseur, een cameraman, een geluidsman en presentator Dennis.
Vol goede moed gaan we van start en ik trek mijn huis de berm uit, samen met de bagagewagen, waar ik de zonnepanelen op heb gemonteerd. De kabel is aangesloten, terwijl ik rijd laad de accu van de mover op. Ik laat Dennis zien hoe het apparaat werkt en hij neemt het van me over. Het pad is een gatenkaas, prima om alles te testen. Het effect is spectaculair. Bij de eerste dikke kuil schiet de balk uit de stalen sponning van het onderstel, de balk waar ik de koppeling aan heb gemonteerd. De koppeling zit muurvast, maar de balk ligt los in het frame. Ik heb hem niet gefixeerd, omdat erachter ook een opslagruimte zit. Daar moet ik bij kunnen. Het is een experiment. Nu wordt duidelijk hoe het werkt, als je dat niet doet. De krachten zijn sterk genoeg om de balk om te keren en eruit te trekken. Nu ligt hij los op de grond. De bagagewagen is een paar meter achtergebleven en de mannen schieten meteen toe om de boel te herstellen. Gelukkig heb ik extra lengte gegeven aan de laadkabel, dat komt nu goed van pas. De kabel is niet gebroken.

.

.

Ik kijk wat er gebeurt. Er wordt druk gediscussieerd over hoe het moet en ik sta aan de kant. Er komt een oude wrevel bij me op. Dit is verdorie mijn eigen gebouwde woonwagen en niemand vraagt mij iets. Omdat ik een vrouw ben? Ik kan niet blijven zwijgen. Ik zeg tegen de presentator dat ik er een oplossing voor ga zoeken. “Snap je het dan?” vraagt de presentator. Ik kijk hem verbluft aan. “Ja natuurlijk snap ik het. Ik heb dit huis zelf ontworpen en gebouwd!” Ik krijg de bal meteen terug. “Ben je nou blij dat ik je help?” zegt hij terwijl hij zijn rug recht en me strak aan kijkt. Shit denk ik, nou ben ik natuurlijk onbeleefd. “Ja natuurlijk ben ik daar blij mee, ” haast ik me te zeggen.
Oei. Dit antwoord is als het weggeven van mijn huissleutel. Ik geef de regie uit handen. De presentator neemt nu de rol aan als deskundige en ik ben de vrouwelijke assistent. Wat er nu volgt is precies volgens de eeuwenoude rolverdeling. “Heb je dit nodig?” vraag ik liefjes en ik geef hem een spie van hardhout. Ik zie al helemaal voor me hoe ik het wil doen en die spie is goed te gebruiken. “Nee,” zegt hij. Natuurlijk heeft hij niet bedacht wat ik heb bedacht. Dat is logisch. En wat doe ik? Ik ga niet eens in discussie, en leg de spie weer terug. Wat doe ik nou weer, denk ik ondertussen. En nog wel voor de camera, alles komt straks nog op televisie ook, hoe ik de rolverdeling weer eens bevestig. Dit wil ik helemaal niet!

.

.

Maar ach. Het maakt een verhaal levendig. Eerlijk is eerlijk! Bij een goede scene laat je expres dingen los, om spontaniteit de ruimte te geven. Dat had ik van te voren al bedacht. Het leek me een goed idee om niet alles tot in de puntjes af te maken en perfect te doen. Juist onvolkomenheden zijn het mooiste, de materiële èn de menselijke. Alles wat er gebeurt hoort er bij en ik geef anderen daarmee de gelegenheid zich erin te herkennen. Ik heb er voor gekozen om dit allemaal te laten zien, net als het verhaal wat ik schrijf. Door die oprechtheid komen er ook oprechte reacties terug. Zo kunnen we het ergens over hebben.

Het is maar vier kilometer naar Weidum, maar het duurt eindeloos lang voor we er zijn. We gaan door kuilen en er moeten auto’s passeren op de smalle weg tussen de twee sloten door. Dennis stelt vragen, ik antwoord. Als de regisseur wil dat we stoppen, stoppen we. We werken hard en het worden vast mooie televisieopnamen. Als we in Weidum zijn ben ik opgelucht en uitgeteld. Ik steek de straat in van het bejaardentehuis. Daar kan ik vast wel op de parkeerplaats staan. Misschien moet ik maar iets langer in dit dorp blijven om deze indrukwekkende start te verwerken en uit te rusten. Als dat tenminste lukt op zo’n plek waar iedereen komt en gaat.

.

Presentator Dennis bij afscheid.

.

Precies wanneer ik dat denk, komt Pier aanlopen. Pier is een muzikant uit het dorp, ik ontmoette hem na het songfestival, in het dorpshuis, een paar weken geleden. Met lenige pas komt hij me tegemoet en ik vertel hem waar ik heen wil gaan. “Dat kan je doen,” zegt hij. “Maar ik weet iets veel beters. Ik heb een mooi plekje voor je,” deelt hij me stralend mee. “Veel leuker dan bij het bejaardentehuis. Mijn vriend Ait Jan nodigt je uit. Er is een grasveld en een vijver. En kom je dan straks bij ons eten? Mijn vrouw zorgt voor een heerlijk maal bij het vuur!”
Blij kijk ik hem aan. Natuurlijk kom ik, wat een hartelijkheid! De televisieploeg blijft helaas nog een hele poos hangen en krijgen ook nog bier. Ik hou vol en doe nog even mee met de nodige gezelligheid. Wanneer mag ik naar Pier? Gelukkig heb ik morgen zelf weer de regie in handen.

Eigenlijk wilde ik naar Sneek. Dan kon ik rustig op een camping staan en een paar dagen vakantie vieren met Dick. Maar daarvoor hoef ik helemaal niet verder te reizen. Ait Jan zegt dat ik hier best een week mag blijven. “Wat moet je daar nou in Sneek? Hier is het veel leuker. En volgend weekend is het dorpsfeest. Het thema is “Sprookjes.” En jij bent al een sprookje met je hele verschijning. Je blijft toch wel?
Ik zeg hem dat ik blijf. Ait Jan glundert. Ik blijf zolang als het feest nog niet is geweest en ik me daarop verheugen kan. Ik blijf zolang ik als ik nodig heb om een constructie te maken om de koppeling te fixeren. Ait Jan heeft een bedrijf in technisch ontwerp, decors en tuinen en bouwt heel wat af. Hij werkt ook samen met anderen, veel mannen en soms vrouwen. Ik laat hem de tekening zien, hoe ik het wil doen. “O! Je wilt het met driehoekjes doen en dat je hem met twee pinnen, hoppekee, vast kan zetten! Ik heb alles wat je nodig hebt, je pakt het maar. Ik heb alleen geen vleugelmoeren.” Ik maak een sprongetje van plezier. Samen over constructies praten is veel leuker dan het iemand anders laten doen en zelf aan de kant staan.

.

Zo zou het kunnen. De bout moet iets dikker

.

 

.

Underweis

Begûn dyn mearkereis
Dreamjend nei it frije Swetteblomlân,
Hielendal iepensteand
Foar dyn fleur en difersiteit
Siedzjende tsjoendershân,
Dy’t amper wachtsje kin
Op de folgjende útdaging ûnderweis
Yn Kuierlân.

Goereis Alowieke!

Jochum Rijpsma

.

 

Ik weet nog niet of het boek dit jaar uit komt of in het voorjaar dat er op volgt. Wel kun je je alvast per mail opgeven als je geïnteresseerd bent. Dan hoor je van mij wanneer het zover is.

Contactformulier voor het boek:

.

Wanneer de haan kraait zonder mij

.

Alleen als er op onverwachte momenten een herinnering terugkeert en wij ontvankelijk zijn voor het belang en de waarde ervan, “komt de permanente, doorgaans verborgen essentie der dingen vrij en ons ware ik, dat soms al dood leek te zijn, maar het niet helemaal was, ontwaakt en roert zich”. (De tijd hervonden, Proust, p. 14.)

.

De zon schijnt door de ramen. Het wordt een zonnige dag en de opperhaan kraait schel en hard voor mijn deur om eten. Door het raampje zie ik zijn zwarte hennetje, die op het bordes springt. Een zwart kraaloog kijkt me vragend aan. Ik trek me er niks van aan. Ik zet de computer aan en open mijn mailbox. Er is een reactie op mijn laatste verhaal. Fijn, daar ben ik altijd blij mee. Dit is wat ik lees:

Alowieke, ik geniet van je verslagen. Hoe komt het dat er zoveel drang in je ziel zit om verder te reizen..? Nieuwsgierigheid? Bindings-angst? Dol op onderweg zijn…?

Ja in mijn ziel huist een flinke portie levenslust en nieuwsgierigheid hoort daar zeker bij. Maar ik ben ook een beetje verbaasd. Dol op onderweg zijn? Dat weet ik niet. Ik ben haast nooit onderweg en zo is het altijd geweest. Ik ben al zeven jaar bezig weg te gaan.

Het is vrij abnormaal in deze tijd, als je in je leven nauwelijks of niet hebt gereisd. Misschien dat sommige bloglezers het helemaal niet in de gaten hebben, omdat ik het er zo vaak over heb.Toch is het zo, sinds ik het ouderlijk nest verliet ben ik maar een paar keer het land uit geweest. Ja, ik heb twee keer echt gereisd en dat was in Nederland. Eén keer een maand op de fiets in mijn eentje, op mijn zevenentwintigste. Dat was toen mijn gebroken been eindelijk genezen was, na twee lange jaren.
De andere reis was met mijn man. Zes weken lang voer ik met hem door onze rivieren en sloten, kanalen en meren, met onze tuindersvlet. We sliepen onder de luikenkap en hadden een allesbrandertje aan boord waar we regelmatig pannekoeken op bakten. Het was een bijzondere reis. Toch was het geen zorgeloze tocht, want mijn man had toen al een slechte gezondheid en moest altijd spuiten voor zijn suikerziekte.

Ik heb me jarenlang gebonden aan de zorg voor mijn man en zijn nalatenschap. Verder zorgde ik voor behoeftige ouderen, hield trouw contact met mijn moeder die ik elke dag belde, ik zorgde dat het rondvaartbedrijf piekfijn werd voortgezet en nam de zorg voor al het materiaal heel serieus. Reizen kwam niet voor in mijn programma. Ik gaf mezelf met toewijding aan de taak die ik te volbrengen had.

In 2012 vloog ik uit. Ik was eindelijk klaar en kon alles achterlaten. En nu heb ik me zeven jaar lang voorbereid om zó te reizen, dat ik mijn huisje mee kan nemen. Omdat ik het zelf gemaakt heb, is het een deel van mezelf. Het is echt helemaal mijn plek. En waar ik ook ben, kan ik mensen uitnodigen in mijn paleisje. Dat maakt me blij en sterk. Het opent gesprekken. Het zijn die gesprekken waar ik naar verlang.

Hoewel ik erg weinig heb gereisd, zit het wel in mijn bloed. Als kind speelde ik zwerfhondje en struinde ik dagenlang door het Emmeloordse bos, alsof het een oerwoud was. Ik hield van ontdekken, alles onderzoeken wat mijn aandacht vroeg. Dat heb ik nog steeds. Maar al is mijn nieuwsgierigheid dezelfde als toen, het is wel gek, om een start te maken, na al die jaren.

Ik rijd straks gewoon naar de dijk langs de Waddenzee en die volg ik tot de Marlanner Kaashoeve. Mijn enige verantwoordlijkheid is mijn blog en te luisteren naar het land en de mensen, verder niets. Ik verlang naar die lichtheid. Het is een sprong in het koele diepe water. En dan verder zwemmen.

De haan kraait nog een keer en springt naast de hen op het bordes. Met zijn tweeën kijken ze me aan door het raam. Straks zijn er geen kippen meer. Dan zijn er rollende wielen op een weg. Dan zijn er de muggen die dansen boven mijn hoofd, terwijl ik wandel.

.

PS Ik mag altijd terugkomen op de Swetteblom. Van zulke positieve mensen kun je er nooit genoeg hebben, zegt boer Jochum.

.

 

Een plek om thuis te komen

.

.

Een plek om thuis te komen. Nu ik er ben, weet ik dat ik op reis kan gaan.

.

Met mijn ogen halfdicht geniet ik van het vroege licht dat door mijn koekoek schijnt. Slaperig mijmer ik over wat ik ga doen vandaag. Het is blogschrijfdag. Waar ga ik het over hebben? Gaat het over mijn vertrek op 30 mei? Ik weet het nog niet en laat het maar even. Ik doe het deurtje van de bedstee open om de slaap eruit te laten waaien. Dan  stap ik mijn bed uit. Ik open de deur. Vlak voor het bordes zit een groepje kippen, die halsreikend naar me opkijken. Ze willen eten. Ik stap in mijn pyjama op het vochtige gras en doe mijn klompen aan.

 

.

 

.

De camping met de bomen, het lange gras, alles is nog in een vochtige stilte gehuld. De koele lucht van de ochtend is heerlijk. De kippen pikken driftig van de kruimels die ik strooi. Ik loop terug over het paadje, tussen de essen, lindebomen en de vlierstruiken door. Maar ik ga niet mijn huisje in. Nee, ik pak een paar dikke werkhandschoenen die een vast plekje hebben gekregen in de bagageruimte onder mijn vloer. Ze liggen vooraan, ik kan er makkelijk bij. In mijn pyjama loop ik weer naar het kleine paadje. Het is zo hard als steen, door vele voeten en langdurige droogte. Rondom het pad staat het vol met speenkruid en fluitekruid. Hier en daar zie ik een teunisbloem en zelfs een kleine ooievaarsbek. Maar de grote overwinnaar is de alles overwoekerende brandnetel.

 

.

Wilde bijtjes op Ecocamping de Swetteblom

 

 

Overal in Nederland zie je hem, gestimuleerd door al die uitgespoelde mest, die door de sloten spoelt, zich mengt met het grondwater en onze bodem doordrenkt. Het is een netelige toestand. Mijn handen werken door. Ik trek ze uit of pluk ze af. Ik zie steeds meer wat onder de brandnetels vandaan komt en wat ik nu de ruimte geef. Ik zie het voor me, dit wordt een prachtplek, op deze oude, onberoerde grond. Een hemeltje voor bijen en insecten.
De zon staat al een stuk hoger aan de hemel, wanneer Maria haar yurt uit komt. Haar lange blonde haar glanst als een aureool om haar bruine gezicht. Haar helderblauwe ogen lachen en tientallen fijne lijntjes op haar wangen lachen mee. “Ik vind het zo heerlijk om te zien dat je zo lekker bezig bent! Wil je een kopje koffie met havermelk?” “O ja!” roep ik. “Koffie met havermelk vind ik het aller-allerlekkerste!”
Samen drinken we onze koffie, niet aan tafel op een stoel, nee, we lopen langzaam het hele terrein over. We staan stil bij wat we zien, vertellen wat het ons doet en ik vertel wat ik ervan weet. En Maria blijkt een haarscherpe intuïtie te hebben voor wat de oude honderd jarige appelboom nodig heeft. Er komen herinneringen op en verhalen. Het is een prachtige wandeling.

 

.

 

.

Het is heerlijk, om alleen op het land te werken in de vroege ochtend. Maar ik werk ook graag samen met de boer. We planten boompjes. Jochum  werkt stevig door. Hij is een vitale man en je zou niet zeggen dat hij zeventig is. Hij doet elke ochtend oefeningen, net als ik en gedichten schrijft hij ook nog, in het Fries natuurlijk. Tussen het scheppen door, praten we over onze belevenissen en idealen, en zo komt van het één het ander. Boer Jochum wil minder plastic. Ik wil hem er graag bij helpen. Samen zullen we de ruimte bij de WC’s transformeren in een sfeervolle zithoek.

Zwart landbouwplastic hangt stoffig aan de balken. Vuilnisemmers en dozen met oud papier en karton liggen op een slordige hoop, gemengd met andere zooi die mensen kwijt wilden. Jochem maakt de ruimte helemaal leeg en gaat weg. Nu is het mijn beurt. Ik trek het plastic er af, maak er een pakket van en gooi het op de aanhangwagen, om af te voeren.
Ik kniel op het beton van het erf. Voor me ligt een dikke rol stof, gisteren bezorgd door de postbode. Het is prachtige stevige jute en dit gaat het plastic vervangen.

 

.

 

.

Terwijl ik mijn schaar zet in de dikke jute komt Berry aanlopen. “Wat een mooie stof,” zegt hij. Berry is de man van Hillegonda. Het donkergrijze haar hangt in de war om zijn hoekige gezicht. Zijn ogen kijken vriendelijk en nieuwsgierig de wereld in. Een wereld waarin genoeg te zien is, want hij is tuinman op een landgoed van 24 hectare. Er woont een echte freule. Berry is heel gelukkig met zijn allerliefste Hillegonda, maar ook met dit werk. “Met al die dassen en reeën om me heen, hoe zou ik me er ooit eenzaam kunnen voelen?!” zegt hij.  In zijn aanhanger ligt mooi kastanjehout, dat er vandaan komt. Het is een dikke schijf die uit het onderste van de stam komt. We maken er een stoere tafel van, besluiten we.

 

.

Jochum ziet graag het bordje in het Fries, “Sithoeke”.

.

 

Ik werk de hele dag door en aan het eind van de dag is de transformatie compleet. Jochum komt aanfietsen. Verbluft stapt hij af. “Ongelooflijk,” zegt hij.
In de verte komt Tineke haar woonwagen uit, een kleine vrouw met rood haar. Ze is hier net een paar dagen. Deze plek inspireert haar. Ze ziet van alles en haar handen zijn bezig als een bij. Als boerendochter komen er veel herinneringen omhoog, op deze oude grond. Ze komt hier straks ook wonen. Meewerken op de boerderij, dat lijkt haar hartstikke leuk. Haar kinderen zijn het huis uit en nu kan ze doen wat haar hart haar ingeeft. Ik zie hoe ze rondloopt en hier en daar een bloem plukt. En als ik even later weer kijk, staat er een prachtig wildboeket op de stoere tafel.

Alles klopt. Ik geniet met volle teugen. Dit lijkt op de chemie van transformatie. Dit is wat ik hoopte te vinden. Hier is het, nu. En we doen het met elkaar.

 

.

.

 

Maar ik zou toch vertrekken? Ja ik ga vertrekken. Dertig mei is de grote dag, over vijf weken al. En ik ga ook! Maar nu weet ik dat ik hier terug kan keren, waar mensen er naar uitzien dat ik er ben en waar we in de herfst samen vlinderstruiken gaan planten en andere bloeiende planten. En nu, pas nu, weet ik dat ik kan vertrekken. Reizen is prachtig. Maar vooral als er een plek is waar je thuis kan komen.

 

.

Koe en de os in de wei.

.

 

Trekker met kantelaar

.

 

.

 

Veld met Wiekies Wandelhuisje

.

.

Haast je langzaam

.

.

 

Ik kijk naar de sterren
De mist klaart langzaam op
en ik zie de weg in de schemering.
Naast mij gaat gestadig voort
mijn oude trouwe schildpad
onverstoorbaar traag
en boven mij de adelaar
die alles ziet en zegt
telkens wanneer ik het vraag
Als drie-eenheid vinden we
elke poort van hoop
.

.

 

De lucht is grijs en mistig. Ik leg mijn boek opzij en kijk op de klok. Het is één uur in de middag. Het leesuurtje is voorbij. Ik moet nu aan het werk. Er moeten bomen worden geplant. Er zijn nog steeds 200 van de 350 bomen die nog de grond in moeten. Ik wil deze klus met net zoveel aandacht afmaken, als waarmee ik er aan begon.
Ik zucht en wil eigenlijk niks dan gewoon verder lezen. Maar mijn ogen vallen bijna dicht, ik voel me net zo mistig en dromerig als het landschap dat ik door het raam zie. Buiten kukelt een haan en dan is het weer doodstil. Er is geen zuchtje wind. Maar de bomen roepen me. Ik moet echt opstaan. Ik trek mijn laarzen aan en stap naar buiten. Het lijkt er op dat ik de enige ben die beweging brengt in de stilstaande lucht.

Zou de spade er nog staan, die boer Jochum me gisteren gaf? Ik loop naar de schuur en kijk om het hoekje. Daar sta hij, nog net zoals ik hem had neergezet. In de verte staan de boompjes al klaar. Nu graven, de handen in de klei, de potten leeg maken, de wortels ruimte geven in losse grond. Naast de sloot liggen dikke bossen gemaaid riet. Ik pak er armen vol van en leg het rondom de boompjes als een dik bed. Dat is goed tegen het uitdrogen van de grond en tegen het onkruid. Het is veel werk, maar toch wil ik het goed doen. Ik werk de hele middag door.

Als ik weer in mijn huisje stap ben ik tevreden. Ik staar naar de lucht en zie ze voor me, de seringen en kerspruimen die ik net plantte. Ik stel me voor dat ze groot zijn, met paarse en witte bloemen tegen de blauwe hemel. Zal ik dat ooit zien? Ik hoop dat ze zullen bloeien vol levenslust en vlinders. Dat ze bijen en insecten zullen trekken, als een nieuwe plek van hoop.

Ik denk aan mijn vertrek van hier. Dat lijkt nog zo ver weg! Het is of ik door bomen te planten ook mijn eigen wortels in de grond zet.

Festina Lente. Haast u langzaam, dat is wat deze woorden zeggen. Ik zie de schildpad, hij kijkt me aan en hij zegt me iets. “Maak rustig af wat je begon. Stop er je ziel in, want als het niet je volle aandacht krijgt van begin tot eind, kan het allemaal voor niks zijn geweest.” De adelaar luistert en wanneer de schildpad uitgesproken is, zegt hij dat hij de poort in de verte al ziet, de poort van hoop naar het nieuwe begin. Zo is het. De schildpad weet en de adelaar ziet. Ik volg.

.

Lindeboompje op de Swetteblom, met dijkje aan de zuidkant tegen uitdroging en een geul aan de noordkant om het regenwater vast te houden. Rietbedekking om de grasmat tegen te houden, voor humusvorming en om de bodem vochtig te houden. Zo kan ik weggaan zonder nazorg te hoeven plegen.

.

 

 

 

Zeulen voor een gevulde keuken

.

 

Een duurzaam en eenvoudig leven, je moet er wat voor over hebben. Maar ik vandaag train ik mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot. Ze mogen denken dat ik een zwerver ben, van binnen ben ik rijk.

.

Ik sluit de deur. Achter me klinken pianoklanken, de volgende leerling is al bezig. Mijn pianoles is nu afgelopen. Ik loop naar mijn fiets en kijk naar de fietskar. Die moet nu worden gevuld met boodschappen. Ik heb bijna tien kilometer gefietst naar de pianoles en dan is het handig om zaken te combineren. Ik voel in mijn zakken. Die voelen akelig leeg. Shit. Portemonnee vergeten, hij ligt nog op de vensterbank. Ik blaas de donderwolk opzij, die zich boven mijn hoofd begint samen te pakken. Het is zoals het is. Morgen is er weer een kans. En dan ga ik met de bus. Dat scheelt weer een lang eind fietsen met al die bagage, tegen de harde wind in.

De volgende dag fiets ik met rugzak op naar de bushalte. Achter mijn fiets hobbelt het karretje, daar kan ik straks de volle vracht in droppen. Ik parkeer de fiets met de kar bij de halte. De wind is hard en koud, ik ben blij als ik in de warme bus kan stappen.
In Leeuwarden trek ik de riemen van mijn rugzak strakker aan en loop eerst naar een koffietentje om mezelf te verwennen. Als ik met een volle kop Latte Machiato naar een leeg tafeltje loop, zit het gevaarte op mijn rug wel wat in de weg, de tafeltjes staan dicht op elkaar voor zoveel mogelijk klandizie. Een stel kijkt me verstoord aan. “Dank u wel dat ik er even langs mag,” lach ik met mijn vriendelijkste glimlach. Het maakt niks uit. Ze kijken zuur naar de grote rugzak.

Ik loop door naar de Ecowinkel. Ik koop zoveel groente, fruit, pompoenpitten en rozijnen, dat ik mijn rugzak nog net op mijn rug kan hijsen. Ik gesp het riempje op mijn borst dicht en trek de buikriem strak. Het gaat net. Mijn chique wijde jas wordt tot een frommeltje samengeperst, mijn mooie grote sjaal zit onder de riem gepropt tegen de druk van het insnoeren. Als een molenpaard tors ik het gewicht, loop stapvoets terug naar het busstation en kijk niet op of om.
Opeens hoor ik achter me twee jongens grinniken. “Heeft u wèl geld gehad?” Ik begrijp het eerst niet en antwoord het eerste wat in me op komt: “Ik heb een voorraad eten in geslagen. Dat zit in mijn rugzak.”
Hun respons klinkt verontwaardigd. “Ja wij willen ook graag eten, maar we hebben geen geld!”
Ik zeg dat ik dat heel rot voor ze vind en kijk ze verbaasd na. Kennelijk zien ze in mij een gelijke, een vrouw van de straat, zeulend met al haar bezit. Geen welvarend mens gaat lopen sjouwen met zo’n ding, al zit hij nog zo vol met dure biogroente. Ze lopen me in snel tempo voorbij. Het is niet aan ze af te zien, dat het jongens van de straat zijn. Ze zijn jong en vrolijk en goed gekleed. Ik zie er meer uit als een zwerver dan zij, kromgebogen met mijn vracht op de rug, in mijn verfrommelde jas. En dat alles voor een duurzaam en eenvoudig leven. Je moet er wat voor over hebben. Maar ik train mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot.

Als ik thuis ben maak ik de lekkerste yoghurt klaar die ik ooit heb gehad, met een heerlijk cox appeltje er in, een likje honing, rozijnen en een toefje kaneel. Helemaal gelukkig steek ik de lepel in mijn mond. Alles waar je moeite voor doet, smaakt driedubbel zo lekker. Als ik dan toch een zwerver ben, dan wel eentje die best geboft heeft.

.

Ook als ik straks onderweg ben, zal ik er rekening mee moeten houden op de juiste momenten voorraden in te slaan. De voordelen van de stad zijn dan ver weg. Maar wie weet welke verrassingen langs de kant van de weg te vinden zijn. In Friesland en Groningen kan ik zien wat ik aan eetbaars in de berm vind. Verder naar het zuiden, waar steeds meer begroeiing is, zijn ook meer kraampjes langs de weg, waar voedsel verkrijgbaar is. Maar zo ver kom ik dit jaar vast nog niet, want ik begin heeeeeel langzaam.

.

 

Hoe vertel ik het mijn oude pa

.

.

Ik heb mijn vader aan de lijn. Hij snapt er niks van. “Ik hoorde dat je nu ergens anders woont!” roept hij verbaasd en met een ondertoon van verontwaardiging. Mijn pa nadert de negentig. Hij stelt scherpe doelen, schrijft boeken voor de historische vereniging in Drenthe, maakt elke dag een fikse wandeling, heeft een strak schema in het schoonhouden van het grote huis en het onderhoud aan de tuin. Daarmee houdt hij zichzelf in conditie en houdt hij grip op zijn bestaan. Maar stilletjes aan wordt zijn wereld kleiner.
“Ja pa,” zeg ik “Ik sta nu vier kilometer verderop, in de buurt van Jellum.”
”Jellum? Waar ligt dat?“ Hij loopt even weg met de telefoon en kijkt ergens in om te zoeken.
“O, ik zie het al. Jellum. Ja hier!” Hij klinkt voldaan en tevreden. Het is even stil.
“Je bent binnenkort jarig hè, ik wilde dan graag langs komen waar je nu zit.” Hij zegt het aarzelend en tegelijkertijd vastbesloten. Sinds de dood van mijn moeder tien jaar geleden, is hij heel trouw geworden in het contact naar al zijn vijf kinderen, belt af en toe en komt één of twee keer per jaar met de auto, want rijden doet hij nog als de beste. “”Fijn zeg, dan kan je het nog mooi even zien waar ik nu ben.” zeg ik opgewekt en ik vermoed dat ik hiermee opnieuw verwarring zaai. Dat klopt als een bus.
“Wat?! Ga je daar weer weg dan?!”
“Ja pa, ik ga straks naar een geoloog en zijn vrouw. Zij is keramiste. Hij weet heel erg veel van Friesland. Ze kunnen me veel vertellen en daar verheug ik me op. Ik ga er ook in de tuin werken, een paar weken.”
“Oh..” Het is even stil aan de andere kant van de lijn. “En hoe heet dat plaatsje dan?”
“Ja, hoe heet het ook alweer. Het is ook weer zo’n typische Friese naam. Ik vertel het nog wel.” We praten nog even verder, groeten elkaar en hangen op. Ik kijk nadenkend uit het raam. Mijn pa is het dus al helemaal vergeten, dat ik hem vertelde over mijn reis. Wat nu?

Een paar weken geleden zat ik nog bij mijn vader in de huiskamer. “Ik ga trekken pa, met mijn huisje op wielen.” Ik keek hem vol spanning aan. Het grote woord was er uit. Zijn stem klonk ijl en bibberig toen een zwak “Neeeee……” aan zijn lippen ontsnapte. Ik staarde naar mijn voeten. Ik wist het. Alle slecht-nieuws berichten van de televisie kwamen langs zijn geestesoog voorbij. Ik verharde mezelf en keek hem aan. “Ja pa,” zei ik onverbiddelijk, maar ik dacht, shit, wat rot voor hem. Maar ik wil deze reis nu maken. Hoe leg ik hem het uit??

Een week later sta ik op het perron van Deinum. Zo dadelijk komt de trein naar Leeuwarden. Ik loop net naar het bord met vertrektijden als mijn vader me belt. Ik vertel hem  waar mijn wandelhuis nu staat. Niet Jellum, maar Bears. Ik had me vergist. “De bus vertrekt vanuit Jellum, niet vanuit Bears. Daarom dacht ik dat. Het ligt allemaal dicht bij elkaar. Je schrijft het met een e en een a.” leg ik hem uit. “Bears?” vraagt hij, “Het lijkt wel Engels.”
“Ja, het Engels heeft veel invloed gehad op het Fries. En andersom is het net zo,” vertel ik.
Aan de andere kant van de lijn luistert mijn pa aandachtig. Er komt een idee bij me op. Ik hoef mijn vader niet te zeggen dat ik op reis ga. Als ik heel langzaam ga, en alleen zeg hoe het plek heet waar ik ben, dan zal hij het kunnen volgen. Traagheid is de sleutel en zeker als ik mijn verhalen doorspek met interessante historische details. Ik glimlach. Dit wilde ik toch?  Heel langzaam reizen en zo volledig mogelijk verslag doen? Met zo’n oude vader gaat dat alleen maar beter. Het zal me niet nog een keer gebeuren dat ik de naam niet kan noemen, van mijn volgende standplaats!
Je kan in alles een voordeel en een nadeel zien. Ik kies voor de meest werkzame optie. Mijn oude, maar zeer nauwkeurige  pa ervoor zorgt ervoor dat ik nog grondiger te werk zal gaan.

De trein komt er aan en stopt. Ik stap in en kijk hoe het weidse land aan me voorbij trekt. Het ziet er onbekend uit. Voor de zekerheid vraag ik het nog even. “Gaat deze trein naar Leeuwarden?”
“Nee,” zegt een jong meisje met lang bruin haar “De andere kant op, naar Harlingen.”
Wat een bof, denk ik bij mezelf. Ik zie almaar meer van de wereld. Mijn reis word steeds mooier. En ach, mijn vader hoeft ook niet alles te weten. Er valt nog genoeg te verdwalen… Ik tuur naar de horizon. In de verte zie ik het silhouet van een kleine provinciestad. “Franeker,” zegt het meisje.

.

Jellum en Bears vormen een tweelingdorp. Bears ligt aan de Swette, het plaatsje waar Ecocamping de Swetteblom zich bevindt. Er staan er oude bomen langs de oever en de boerderij. Kinderen slingeren in de zomer aan een touw boven het water en plonzen en spatteren er heerlijk rond. Het is een kanaaltje omringd door dikke rietkragen. Als het heel hard gaat vriezen, dan kan ik hier de schaatsers voorbij zien gaan van de elfstedentocht. Nu zwemmen er meerkoeten en eenden. De Swette vormde zich in de tijd dat de zee hier zijn arm nog uitsloeg en de getijden hun gang konden gaan. Het was het afwateringsriviertje voor de kwelders, bij hoog water. Toen de zee geen vrij spel meer had, is het gekanaliseerd. Vanaf het moment dat de kwelders verdwenen, doet het dienst als trekvaart tussen Leeuwarden en Sneek. Maar net zoals overal is het vervoer op het water sterk verminderd. Alleen in de zomer vaart er af en toe een plezierjachtje.

.

.

PS Ik heb mijn motivatie onder woorden gebracht, waarom ik dit wil doen. Het langzaam voortgaan langs de grens is niet alleen een verkenningstocht, maar is ook een vorm van protest voor mij. Als je meer weer lezen over die gedachtegang, lees dit.

   Klik hier voor de link

 

.

Het plan is dat er geen plan is

.

.

Het is een gegronde behoefte vanwaaruit ik beweeg en richting kies met mijn zelfgebouwde wandelhuis. De route vindt zichzelf, als ik maar blijf kijken en luister naar mijn innerlijk kompas.

 

Er is een kind in mij, nog net zo levendig als veertig jaar geleden. Het kind verzint, is ontdekkingsreiziger, wil schatten vinden. Wat ik ook meemaak, niets kan het levenslustige meisje deprimeren, klein krijgen of laten inslapen. Ze is ontsnappingskunstenaar en bergbeklimmer. Ik koester het. De vrouw in mij zorgt ervoor dat het wilde kind veilig spelen kan, maakt een warm huisje op wielen dat niet te groot is en ook niet te klein, neemt de juiste spullen mee, zorgt voor een bodem van bestaan, legt contacten door middel van een blog.

En nu maak ik me klaar voor wat misschien wel de meest bijzondere reis van mijn leven zal worden. Ik weet het niet, ik sta buiten in de wind en weet dat dit het moment is, net zoals de oostenwind de hemel schoon blaast om de nachtelijke sterrenpracht te onthullen.

Twee dingen zijn essentieel voor mij, ik herhaal het voor mezelf als een lied, een lied dat ik zing voor ik vertrek, een lied dat mij de weg wijst. Het eerste deel van het refrein zegt, leg niets vast. Je kan plannen maken uit een gevoel van veiligheid. Maar plannen kunnen een harnas worden, dat zwaar en lomp om je heen hangt en je hindert in je beweging en dan werkt het juist averechts. Ik leerde wat ik nodig heb en wat ballast is, ik leerde drastische keuzes te maken zodat ik nu genoeg om het lijf  heb wat me ondersteunt, zonder dat het teveel wordt. Ik zorg dat mijn rugzak niet te vol is.
Ik kies welk paard ik voor de wagen span. Maar tegelijkertijd weet ik, dat wat ik bedenk net zo goed niet kan werken, dat de weg doodloopt of onder water kan staan, of dat het paard dood kan gaan. Telkens opnieuw naar een oplossing zoeken is een uitdaging.

Ten slotte is er het tempo. Ik wil niet over de weg snellen, maar langzaam en grondig voortgaan door al die verschillende landschappen, mijn wandelhuis een wonderwandelhuis laten worden, door mensen stilletjes te ontroeren.

Ik weet niet hoe het zal uitwerken. Alles is een experiment. Ik ga en kijk. Kome wat komt.

 

Waar ik ga
waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit
roept hij luid
en hij komt mij achterna
HA

(canon)

.

De eerste tocht met het Wandelhuis

.

.

Het was eind november, toen mijnheer Verhagen mij de elektrische mover kwam brengen, op Frijlân. Hij was helemaal van Leiden naar Leeuwarden gekomen. En nu was het apparaat van mij. Het knalrode ding van 150 kilo bevat een sterke elektromotor, die mijn wandelhuis makkelijk zou kunnen trekken, op een trage en lange reis, heel Nederland door.

 

“Ik ben benieuwd hoe ver je komt, met volle accu’s,” zei mijnheer Verhagen. “Ik heb er voor jou een tweede in gezet, twee van 100 Ampère. Kijk, hier zit het metertje. Let op dat je altijd drie streepjes stroom laat staan,” vervolgde hij ernstig. Ik knikte. “Tuurlijk, hij mag nooit leger zijn dan twintig procent, toch? En dan een marge van tien procent voor de veiligheid, dat lijkt me logisch,”zei ik. Mijnheer Verhagen knikte tevreden. “Hier is de oplader en hier zit het contact waar de stekker in moet.” Ik keek. Het was heel eenvoudig.

Drie maanden later is het zover. Het moment waar ik al een poos naar uitkeek is aangebroken. Dick wilde niets liever dan er bij zijn, de allereerste keer, trekken met het wandelhuis. Hij loopt stil genietend naast me. Het is een prachtige dag, de lucht is kraakhelder. Bij elke stap groeit het besef dat dit het begin is van een volkomen nieuwe levensfase. Er is alle tijd om te kijken en filosofische gedachtes te laten stromen. De mover staat op een laag standje en traag schrijden we voort. In dit koninklijke tempo ga ik dus straks de grenzen van ons land af. Het is even wennen, maar dan is het heerlijk. Het tempo is even vast als een metronoom en zo spaar ik stroom. Hoe minder hard de motor hoeft te werken, hoe langer de accu meegaat, net als bij mensen.
We hoeven niet ver, het is maar acht kilometer. Toch kan die afstand te ver zijn, voor de elektrische mover in deze omstandigheden. De knalrode trekmachine heeft een paar maanden in een schuur gestaan, in de kou. Bijladen kon ook niet, want er is geen netstroom op Frijlân en de zonnekracht, die de panelen moest laden, was maar zwak in de donkere tijd van het jaar.

Ik kijk oplettend naar de rij streepjes, die na het opstarten snel kleiner werd. Het kostte kennelijk veel energie. “Kijk je nou alweer op dat metertje?” grinnikt Dick, “ Straks ben je nog verslaafder aan dat ding, als anderen aan hun smartphone.” Ik lach en zeg niks terwijl ik mijn hand boven de groene lampjes houd om ze beter te kunnen zien. De accu is kennelijk opgewarmd, de lampjes blijven nu veel langer branden dan in het begin.

De lucht is blauw en de weilanden zijn eindeloos groen. Samen schrijden we door het land en voor menig raam zien we iemand staan. Een automobilist trapt acuut op de rem en twee mensen komen enthousiast de auto uit, terwijl aan de andere kant een dorpeling zijn erf af loopt, recht naar ons toe, met een grote grijns op zijn gezicht. Dit is het. Dit is gaan, zo langzaam dat de mensen tijd hebben om te komen. Zo langzaam, dat ik de verhalen kan volgen, die rond mijn wandelhuisje rondtollen.

De enorme ruimte van het Friese land is indrukwekkend. Ik adem diep in en uit en het is of bij elke ademhaling een tweede universum groeit in mijn borst, net zo weids en blauw als het land.
Nog even en we zijn er, op Ecocamping de Swetteblom, vlak bij het riviertje dat al een eeuwigheid de veranderlijke hemel weerspiegelt. Het Friese water, dat onvermoeibaar door het Friese land slingert. Hier begint mijn nieuwe leven als nomade. Hier maak ik me klaar.

.

.

.

Nootje na

De accu redde het net niet. Het was nog ongeveer 500 meter, naar de bestemming. Vlak bij de plek waar we noodgedwongen stil stonden, zag ik een schaap in de sloot staan. Met zijn dunne pootjes was hij diep in de modder gezakt en hij keek me aan alsof hij het meer dan logisch vond dat ik hem uit de nood zou helpen. Dat vond ik ook. Ik keek mijn vriend Dick aan en na een moment van twijfel trok hij vrolijk zijn broek uit en ging met blote benen in het ijskoude zwarte water staan. Ik haalde een hele sterke hangmat uit mijn wandelhuis en dat trok Dick onder het schaap door, door de modder heen. We trokken en sjorden en toen we het dier op de schuine slootkant hadden gekregen, rolden we het verder omhoog. Zodra ze vlakke grond onder haar poten voelde, rende het schaap opgelucht de wei in. Even later kwam er een trekker aan met daarin boer Jochem van ecocamping de Swetteblom. Hij was zo aardig mijn Wandelhuis te halen en naar zijn camping te brengen.
En hier ben ik nu. De camping heeft stroom voor kampeerders, dus ook voor mij, en er is Wifi. Er is warm water en een douche en een wasmachine. Wat een luxe allemaal. Morgen ga ik de was doen en achterstallig nieuws lezen op mijn laptop!

.

 

Ik ga, waar ik het land versta

.

.

Het is weer een winderige dag. Af en toe schijnt de zon even door de sluierwolken door. Ik sta voor het raam en geniet van het licht met mijn ogen half dicht. Er klinkt vriendelijke muziek door mijn luidsprekers, muziek als een glooiend landschap in de zomerzon. Glimlachend doe ik mijn ogen open, terwijl ik mijn blik over het weiland laat gaan.

Meeuwen stampend in het natte gras
op jacht naar regenwormen.
Drie kraaien wassend in een plas
spatterend met hun vleugels.

Dat is wat ik nu zie. En ook mijn buurvrouw zie ik, die ontspannen in haar zwarte zomerjurkje door de koude wind loopt en haar voeten wast in de diepe plas bij de schuurdeur. Ook dat is een moment, een ogenblik in de lange film van een beweeglijk leven.
De muziek is afgelopen. Ik hoor de stem van Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij praat over de muziek van zojuist. Het gaat over de inspiratiebron van de componist.

Heerlijk, op een muilezeltje door Italië trekken.
Trekt me niet zo aan eigenlijk.
Veel te langzaam natuurlijk.

Dat zegt hij. En hij praat over musici, die door het landschap reisden en zich onderweg lieten inspireren door wat ze zagen. Precies wat mij ook zo trekt. Maar die laatste opmerking snap ik niet. Te langzaam? Ik wil juist stapvoets gaan, dat lijkt me prachtig.
Ik aarzel geen moment en typ een kort gedichtje uit, dat ik meteen naar hem opstuur.

Wat hoor ik nou?
Zeg dat eens nog een keer?
Ik geloof het voor geen meter
Langzaam gaande zie ik meer
Heel veel meer!

PS Ik vertrek in de lente.

Niet veel later hoor ik mijn naam noemen op de radio. De mij zo bekende presentator zegt dat ik een boze luisteraar ben en leest mijn gedichtje voor. Daarna vertelt hij dat ik van plan ben in de lente te vertrekken, in een huifkar, op weg naar Roemenië. Ik lach uitbundig. Haha, ik ben helemaal niet boos en ik ga helemaal niet naar Roemenië. Dat was ik zeven jaar geleden van plan, maar nu niet meer. Kennelijk heeft het veel indruk gemaakt. Het verhaal dat ik daarheen ben, zoemt nog steeds rond, dat heb ik wel vaker gemerkt. Ik hoop niet dat er veel bekenden luisteren die nu opnieuw denken dat ik naar Roemenië ga. Ik stuur meteen een berichtje terug.

Ik ga niet naar Roemenië. Ik blijf in Nederland!

Het antwoord volgt snel. Hij zal het niet meer vergeten. Mooi zo, denk ik tevreden. Ik kijk nog een paar keer naar mijn mailbox. Er komen geen verbaasde berichten binnen, niemand heeft het gehoord. Of misschien denken mijn lezers wel: “Die vent weet er helemaal niks van! Wij weten wel beter.”
Gelukkig maar. Want voorlopig ben ik hier en het lijkt me hartstikke leuk om mensen te ontmoeten, bekenden en onbekenden. Inspiratie komt in eerste plaats van de plek waar je bent, waar je voeten hun afdruk maken in de aarde, waar mensen je begrijpen, waar de echo van je woorden wordt weerkaatst, maar dan net een beetje anders dan je het zei, de plek waar je spiegelbeeld in het water rimpelt en waar de man op de radio je antwoord geeft. Daar begint het toch…. Is het niet?

Ik ga, waar ik het land versta.

.

Klik hier voor de link naar het programma “Passaggio” van radio 4, elke werkdag om 19.00 te beluisteren of via Uitzending gemist.

.