Haast je langzaam

.

.

 

Ik kijk naar de sterren
De mist klaart langzaam op
en ik zie de weg in de schemering.
Naast mij gaat gestadig voort
mijn oude trouwe schildpad
onverstoorbaar traag
en boven mij de adelaar
die alles ziet en zegt
telkens wanneer ik het vraag
Als drie-eenheid vinden we
elke poort van hoop
.

.

 

De lucht is grijs en mistig. Ik leg mijn boek opzij en kijk op de klok. Het is één uur in de middag. Het leesuurtje is voorbij. Ik moet nu aan het werk. Er moeten bomen worden geplant. Er zijn nog steeds 200 van de 350 bomen die nog de grond in moeten. Ik wil deze klus met net zoveel aandacht afmaken, als waarmee ik er aan begon.
Ik zucht en wil eigenlijk niks dan gewoon verder lezen. Maar mijn ogen vallen bijna dicht, ik voel me net zo mistig en dromerig als het landschap dat ik door het raam zie. Buiten kukelt een haan en dan is het weer doodstil. Er is geen zuchtje wind. Maar de bomen roepen me. Ik moet echt opstaan. Ik trek mijn laarzen aan en stap naar buiten. Het lijkt er op dat ik de enige ben die beweging brengt in de stilstaande lucht.

Zou de spade er nog staan, die boer Jochum me gisteren gaf? Ik loop naar de schuur en kijk om het hoekje. Daar sta hij, nog net zoals ik hem had neergezet. In de verte staan de boompjes al klaar. Nu graven, de handen in de klei, de potten leeg maken, de wortels ruimte geven in losse grond. Naast de sloot liggen dikke bossen gemaaid riet. Ik pak er armen vol van en leg het rondom de boompjes als een dik bed. Dat is goed tegen het uitdrogen van de grond en tegen het onkruid. Het is veel werk, maar toch wil ik het goed doen. Ik werk de hele middag door.

Als ik weer in mijn huisje stap ben ik tevreden. Ik staar naar de lucht en zie ze voor me, de seringen en kerspruimen die ik net plantte. Ik stel me voor dat ze groot zijn, met paarse en witte bloemen tegen de blauwe hemel. Zal ik dat ooit zien? Ik hoop dat ze zullen bloeien vol levenslust en vlinders. Dat ze bijen en insecten zullen trekken, als een nieuwe plek van hoop.

Ik denk aan mijn vertrek van hier. Dat lijkt nog zo ver weg! Het is of ik door bomen te planten ook mijn eigen wortels in de grond zet.

Festina Lente. Haast u langzaam, dat is wat deze woorden zeggen. Ik zie de schildpad, hij kijkt me aan en hij zegt me iets. “Maak rustig af wat je begon. Stop er je ziel in, want als het niet je volle aandacht krijgt van begin tot eind, kan het allemaal voor niks zijn geweest.” De adelaar luistert en wanneer de schildpad uitgesproken is, zegt hij dat hij de poort in de verte al ziet, de poort van hoop naar het nieuwe begin. Zo is het. De schildpad weet en de adelaar ziet. Ik volg.

.

Lindeboompje op de Swetteblom, met dijkje aan de zuidkant tegen uitdroging en een geul aan de noordkant om het regenwater vast te houden. Rietbedekking om de grasmat tegen te houden, voor humusvorming en om de bodem vochtig te houden. Zo kan ik weggaan zonder nazorg te hoeven plegen.

.

 

 

 

Zeulen voor een gevulde keuken

.

 

Een duurzaam en eenvoudig leven, je moet er wat voor over hebben. Maar ik vandaag train ik mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot. Ze mogen denken dat ik een zwerver ben, van binnen ben ik rijk.

.

Ik sluit de deur. Achter me klinken pianoklanken, de volgende leerling is al bezig. Mijn pianoles is nu afgelopen. Ik loop naar mijn fiets en kijk naar de fietskar. Die moet nu worden gevuld met boodschappen. Ik heb bijna tien kilometer gefietst naar de pianoles en dan is het handig om zaken te combineren. Ik voel in mijn zakken. Die voelen akelig leeg. Shit. Portemonnee vergeten, hij ligt nog op de vensterbank. Ik blaas de donderwolk opzij, die zich boven mijn hoofd begint samen te pakken. Het is zoals het is. Morgen is er weer een kans. En dan ga ik met de bus. Dat scheelt weer een lang eind fietsen met al die bagage, tegen de harde wind in.

De volgende dag fiets ik met rugzak op naar de bushalte. Achter mijn fiets hobbelt het karretje, daar kan ik straks de volle vracht in droppen. Ik parkeer de fiets met de kar bij de halte. De wind is hard en koud, ik ben blij als ik in de warme bus kan stappen.
In Leeuwarden trek ik de riemen van mijn rugzak strakker aan en loop eerst naar een koffietentje om mezelf te verwennen. Als ik met een volle kop Latte Machiato naar een leeg tafeltje loop, zit het gevaarte op mijn rug wel wat in de weg, de tafeltjes staan dicht op elkaar voor zoveel mogelijk klandizie. Een stel kijkt me verstoord aan. “Dank u wel dat ik er even langs mag,” lach ik met mijn vriendelijkste glimlach. Het maakt niks uit. Ze kijken zuur naar de grote rugzak.

Ik loop door naar de Ecowinkel. Ik koop zoveel groente, fruit, pompoenpitten en rozijnen, dat ik mijn rugzak nog net op mijn rug kan hijsen. Ik gesp het riempje op mijn borst dicht en trek de buikriem strak. Het gaat net. Mijn chique wijde jas wordt tot een frommeltje samengeperst, mijn mooie grote sjaal zit onder de riem gepropt tegen de druk van het insnoeren. Als een molenpaard tors ik het gewicht, loop stapvoets terug naar het busstation en kijk niet op of om.
Opeens hoor ik achter me twee jongens grinniken. “Heeft u wèl geld gehad?” Ik begrijp het eerst niet en antwoord het eerste wat in me op komt: “Ik heb een voorraad eten in geslagen. Dat zit in mijn rugzak.”
Hun respons klinkt verontwaardigd. “Ja wij willen ook graag eten, maar we hebben geen geld!”
Ik zeg dat ik dat heel rot voor ze vind en kijk ze verbaasd na. Kennelijk zien ze in mij een gelijke, een vrouw van de straat, zeulend met al haar bezit. Geen welvarend mens gaat lopen sjouwen met zo’n ding, al zit hij nog zo vol met dure biogroente. Ze lopen me in snel tempo voorbij. Het is niet aan ze af te zien, dat het jongens van de straat zijn. Ze zijn jong en vrolijk en goed gekleed. Ik zie er meer uit als een zwerver dan zij, kromgebogen met mijn vracht op de rug, in mijn verfrommelde jas. En dat alles voor een duurzaam en eenvoudig leven. Je moet er wat voor over hebben. Maar ik train mijn spieren en het vermogen om met tegenslagen om te gaan. En uiteindelijk is de beloning groot.

Als ik thuis ben maak ik de lekkerste yoghurt klaar die ik ooit heb gehad, met een heerlijk cox appeltje er in, een likje honing, rozijnen en een toefje kaneel. Helemaal gelukkig steek ik de lepel in mijn mond. Alles waar je moeite voor doet, smaakt driedubbel zo lekker. Als ik dan toch een zwerver ben, dan wel eentje die best geboft heeft.

.

Ook als ik straks onderweg ben, zal ik er rekening mee moeten houden op de juiste momenten voorraden in te slaan. De voordelen van de stad zijn dan ver weg. Maar wie weet welke verrassingen langs de kant van de weg te vinden zijn. In Friesland en Groningen kan ik zien wat ik aan eetbaars in de berm vind. Verder naar het zuiden, waar steeds meer begroeiing is, zijn ook meer kraampjes langs de weg, waar voedsel verkrijgbaar is. Maar zo ver kom ik dit jaar vast nog niet, want ik begin heeeeeel langzaam.

.

 

Hoe vertel ik het mijn oude pa

.

.

Ik heb mijn vader aan de lijn. Hij snapt er niks van. “Ik hoorde dat je nu ergens anders woont!” roept hij verbaasd en met een ondertoon van verontwaardiging. Mijn pa nadert de negentig. Hij stelt scherpe doelen, schrijft boeken voor de historische vereniging in Drenthe, maakt elke dag een fikse wandeling, heeft een strak schema in het schoonhouden van het grote huis en het onderhoud aan de tuin. Daarmee houdt hij zichzelf in conditie en houdt hij grip op zijn bestaan. Maar stilletjes aan wordt zijn wereld kleiner.
“Ja pa,” zeg ik “Ik sta nu vier kilometer verderop, in de buurt van Jellum.”
”Jellum? Waar ligt dat?“ Hij loopt even weg met de telefoon en kijkt ergens in om te zoeken.
“O, ik zie het al. Jellum. Ja hier!” Hij klinkt voldaan en tevreden. Het is even stil.
“Je bent binnenkort jarig hè, ik wilde dan graag langs komen waar je nu zit.” Hij zegt het aarzelend en tegelijkertijd vastbesloten. Sinds de dood van mijn moeder tien jaar geleden, is hij heel trouw geworden in het contact naar al zijn vijf kinderen, belt af en toe en komt één of twee keer per jaar met de auto, want rijden doet hij nog als de beste. “”Fijn zeg, dan kan je het nog mooi even zien waar ik nu ben.” zeg ik opgewekt en ik vermoed dat ik hiermee opnieuw verwarring zaai. Dat klopt als een bus.
“Wat?! Ga je daar weer weg dan?!”
“Ja pa, ik ga straks naar een geoloog en zijn vrouw. Zij is keramiste. Hij weet heel erg veel van Friesland. Ze kunnen me veel vertellen en daar verheug ik me op. Ik ga er ook in de tuin werken, een paar weken.”
“Oh..” Het is even stil aan de andere kant van de lijn. “En hoe heet dat plaatsje dan?”
“Ja, hoe heet het ook alweer. Het is ook weer zo’n typische Friese naam. Ik vertel het nog wel.” We praten nog even verder, groeten elkaar en hangen op. Ik kijk nadenkend uit het raam. Mijn pa is het dus al helemaal vergeten, dat ik hem vertelde over mijn reis. Wat nu?

Een paar weken geleden zat ik nog bij mijn vader in de huiskamer. “Ik ga trekken pa, met mijn huisje op wielen.” Ik keek hem vol spanning aan. Het grote woord was er uit. Zijn stem klonk ijl en bibberig toen een zwak “Neeeee……” aan zijn lippen ontsnapte. Ik staarde naar mijn voeten. Ik wist het. Alle slecht-nieuws berichten van de televisie kwamen langs zijn geestesoog voorbij. Ik verharde mezelf en keek hem aan. “Ja pa,” zei ik onverbiddelijk, maar ik dacht, shit, wat rot voor hem. Maar ik wil deze reis nu maken. Hoe leg ik hem het uit??

Een week later sta ik op het perron van Deinum. Zo dadelijk komt de trein naar Leeuwarden. Ik loop net naar het bord met vertrektijden als mijn vader me belt. Ik vertel hem  waar mijn wandelhuis nu staat. Niet Jellum, maar Bears. Ik had me vergist. “De bus vertrekt vanuit Jellum, niet vanuit Bears. Daarom dacht ik dat. Het ligt allemaal dicht bij elkaar. Je schrijft het met een e en een a.” leg ik hem uit. “Bears?” vraagt hij, “Het lijkt wel Engels.”
“Ja, het Engels heeft veel invloed gehad op het Fries. En andersom is het net zo,” vertel ik.
Aan de andere kant van de lijn luistert mijn pa aandachtig. Er komt een idee bij me op. Ik hoef mijn vader niet te zeggen dat ik op reis ga. Als ik heel langzaam ga, en alleen zeg hoe het plek heet waar ik ben, dan zal hij het kunnen volgen. Traagheid is de sleutel en zeker als ik mijn verhalen doorspek met interessante historische details. Ik glimlach. Dit wilde ik toch?  Heel langzaam reizen en zo volledig mogelijk verslag doen? Met zo’n oude vader gaat dat alleen maar beter. Het zal me niet nog een keer gebeuren dat ik de naam niet kan noemen, van mijn volgende standplaats!
Je kan in alles een voordeel en een nadeel zien. Ik kies voor de meest werkzame optie. Mijn oude, maar zeer nauwkeurige  pa ervoor zorgt ervoor dat ik nog grondiger te werk zal gaan.

De trein komt er aan en stopt. Ik stap in en kijk hoe het weidse land aan me voorbij trekt. Het ziet er onbekend uit. Voor de zekerheid vraag ik het nog even. “Gaat deze trein naar Leeuwarden?”
“Nee,” zegt een jong meisje met lang bruin haar “De andere kant op, naar Harlingen.”
Wat een bof, denk ik bij mezelf. Ik zie almaar meer van de wereld. Mijn reis word steeds mooier. En ach, mijn vader hoeft ook niet alles te weten. Er valt nog genoeg te verdwalen… Ik tuur naar de horizon. In de verte zie ik het silhouet van een kleine provinciestad. “Franeker,” zegt het meisje.

.

Jellum en Bears vormen een tweelingdorp. Bears ligt aan de Swette, het plaatsje waar Ecocamping de Swetteblom zich bevindt. Er staan er oude bomen langs de oever en de boerderij. Kinderen slingeren in de zomer aan een touw boven het water en plonzen en spatteren er heerlijk rond. Het is een kanaaltje omringd door dikke rietkragen. Als het heel hard gaat vriezen, dan kan ik hier de schaatsers voorbij zien gaan van de elfstedentocht. Nu zwemmen er meerkoeten en eenden. De Swette vormde zich in de tijd dat de zee hier zijn arm nog uitsloeg en de getijden hun gang konden gaan. Het was het afwateringsriviertje voor de kwelders, bij hoog water. Toen de zee geen vrij spel meer had, is het gekanaliseerd. Vanaf het moment dat de kwelders verdwenen, doet het dienst als trekvaart tussen Leeuwarden en Sneek. Maar net zoals overal is het vervoer op het water sterk verminderd. Alleen in de zomer vaart er af en toe een plezierjachtje.

.

.

PS Ik heb mijn motivatie onder woorden gebracht, waarom ik dit wil doen. Het langzaam voortgaan langs de grens is niet alleen een verkenningstocht, maar is ook een vorm van protest voor mij. Als je meer weer lezen over die gedachtegang, lees dit.

   Klik hier voor de link

 

.

Het plan is dat er geen plan is

.

.

Het is een gegronde behoefte vanwaaruit ik beweeg en richting kies met mijn zelfgebouwde wandelhuis. De route vindt zichzelf, als ik maar blijf kijken en luister naar mijn innerlijk kompas.

 

Er is een kind in mij, nog net zo levendig als veertig jaar geleden. Het kind verzint, is ontdekkingsreiziger, wil schatten vinden. Wat ik ook meemaak, niets kan het levenslustige meisje deprimeren, klein krijgen of laten inslapen. Ze is ontsnappingskunstenaar en bergbeklimmer. Ik koester het. De vrouw in mij zorgt ervoor dat het wilde kind veilig spelen kan, maakt een warm huisje op wielen dat niet te groot is en ook niet te klein, neemt de juiste spullen mee, zorgt voor een bodem van bestaan, legt contacten door middel van een blog.

En nu maak ik me klaar voor wat misschien wel de meest bijzondere reis van mijn leven zal worden. Ik weet het niet, ik sta buiten in de wind en weet dat dit het moment is, net zoals de oostenwind de hemel schoon blaast om de nachtelijke sterrenpracht te onthullen.

Twee dingen zijn essentieel voor mij, ik herhaal het voor mezelf als een lied, een lied dat ik zing voor ik vertrek, een lied dat mij de weg wijst. Het eerste deel van het refrein zegt, leg niets vast. Je kan plannen maken uit een gevoel van veiligheid. Maar plannen kunnen een harnas worden, dat zwaar en lomp om je heen hangt en je hindert in je beweging en dan werkt het juist averechts. Ik leerde wat ik nodig heb en wat ballast is, ik leerde drastische keuzes te maken zodat ik nu genoeg om het lijf  heb wat me ondersteunt, zonder dat het teveel wordt. Ik zorg dat mijn rugzak niet te vol is.
Ik kies welk paard ik voor de wagen span. Maar tegelijkertijd weet ik, dat wat ik bedenk net zo goed niet kan werken, dat de weg doodloopt of onder water kan staan, of dat het paard dood kan gaan. Telkens opnieuw naar een oplossing zoeken is een uitdaging.

Ten slotte is er het tempo. Ik wil niet over de weg snellen, maar langzaam en grondig voortgaan door al die verschillende landschappen, mijn wandelhuis een wonderwandelhuis laten worden, door mensen stilletjes te ontroeren.

Ik weet niet hoe het zal uitwerken. Alles is een experiment. Ik ga en kijk. Kome wat komt.

 

Waar ik ga
waar ik sta
komt de echo achterna
wanneer ik fluit
roept hij luid
en hij komt mij achterna
HA

(canon)

.

De eerste tocht met het Wandelhuis

.

.

Het was eind november, toen mijnheer Verhagen mij de elektrische mover kwam brengen, op Frijlân. Hij was helemaal van Leiden naar Leeuwarden gekomen. En nu was het apparaat van mij. Het knalrode ding van 150 kilo bevat een sterke elektromotor, die mijn wandelhuis makkelijk zou kunnen trekken, op een trage en lange reis, heel Nederland door.

 

“Ik ben benieuwd hoe ver je komt, met volle accu’s,” zei mijnheer Verhagen. “Ik heb er voor jou een tweede in gezet, twee van 100 Ampère. Kijk, hier zit het metertje. Let op dat je altijd drie streepjes stroom laat staan,” vervolgde hij ernstig. Ik knikte. “Tuurlijk, hij mag nooit leger zijn dan twintig procent, toch? En dan een marge van tien procent voor de veiligheid, dat lijkt me logisch,”zei ik. Mijnheer Verhagen knikte tevreden. “Hier is de oplader en hier zit het contact waar de stekker in moet.” Ik keek. Het was heel eenvoudig.

Drie maanden later is het zover. Het moment waar ik al een poos naar uitkeek is aangebroken. Dick wilde niets liever dan er bij zijn, de allereerste keer, trekken met het wandelhuis. Hij loopt stil genietend naast me. Het is een prachtige dag, de lucht is kraakhelder. Bij elke stap groeit het besef dat dit het begin is van een volkomen nieuwe levensfase. Er is alle tijd om te kijken en filosofische gedachtes te laten stromen. De mover staat op een laag standje en traag schrijden we voort. In dit koninklijke tempo ga ik dus straks de grenzen van ons land af. Het is even wennen, maar dan is het heerlijk. Het tempo is even vast als een metronoom en zo spaar ik stroom. Hoe minder hard de motor hoeft te werken, hoe langer de accu meegaat, net als bij mensen.
We hoeven niet ver, het is maar acht kilometer. Toch kan die afstand te ver zijn, voor de elektrische mover in deze omstandigheden. De knalrode trekmachine heeft een paar maanden in een schuur gestaan, in de kou. Bijladen kon ook niet, want er is geen netstroom op Frijlân en de zonnekracht, die de panelen moest laden, was maar zwak in de donkere tijd van het jaar.

Ik kijk oplettend naar de rij streepjes, die na het opstarten snel kleiner werd. Het kostte kennelijk veel energie. “Kijk je nou alweer op dat metertje?” grinnikt Dick, “ Straks ben je nog verslaafder aan dat ding, als anderen aan hun smartphone.” Ik lach en zeg niks terwijl ik mijn hand boven de groene lampjes houd om ze beter te kunnen zien. De accu is kennelijk opgewarmd, de lampjes blijven nu veel langer branden dan in het begin.

De lucht is blauw en de weilanden zijn eindeloos groen. Samen schrijden we door het land en voor menig raam zien we iemand staan. Een automobilist trapt acuut op de rem en twee mensen komen enthousiast de auto uit, terwijl aan de andere kant een dorpeling zijn erf af loopt, recht naar ons toe, met een grote grijns op zijn gezicht. Dit is het. Dit is gaan, zo langzaam dat de mensen tijd hebben om te komen. Zo langzaam, dat ik de verhalen kan volgen, die rond mijn wandelhuisje rondtollen.

De enorme ruimte van het Friese land is indrukwekkend. Ik adem diep in en uit en het is of bij elke ademhaling een tweede universum groeit in mijn borst, net zo weids en blauw als het land.
Nog even en we zijn er, op Ecocamping de Swetteblom, vlak bij het riviertje dat al een eeuwigheid de veranderlijke hemel weerspiegelt. Het Friese water, dat onvermoeibaar door het Friese land slingert. Hier begint mijn nieuwe leven als nomade. Hier maak ik me klaar.

.

.

.

Nootje na

De accu redde het net niet. Het was nog ongeveer 500 meter, naar de bestemming. Vlak bij de plek waar we noodgedwongen stil stonden, zag ik een schaap in de sloot staan. Met zijn dunne pootjes was hij diep in de modder gezakt en hij keek me aan alsof hij het meer dan logisch vond dat ik hem uit de nood zou helpen. Dat vond ik ook. Ik keek mijn vriend Dick aan en na een moment van twijfel trok hij vrolijk zijn broek uit en ging met blote benen in het ijskoude zwarte water staan. Ik haalde een hele sterke hangmat uit mijn wandelhuis en dat trok Dick onder het schaap door, door de modder heen. We trokken en sjorden en toen we het dier op de schuine slootkant hadden gekregen, rolden we het verder omhoog. Zodra ze vlakke grond onder haar poten voelde, rende het schaap opgelucht de wei in. Even later kwam er een trekker aan met daarin boer Jochem van ecocamping de Swetteblom. Hij was zo aardig mijn Wandelhuis te halen en naar zijn camping te brengen.
En hier ben ik nu. De camping heeft stroom voor kampeerders, dus ook voor mij, en er is Wifi. Er is warm water en een douche en een wasmachine. Wat een luxe allemaal. Morgen ga ik de was doen en achterstallig nieuws lezen op mijn laptop!

.

 

Ik ga, waar ik het land versta

.

.

Het is weer een winderige dag. Af en toe schijnt de zon even door de sluierwolken door. Ik sta voor het raam en geniet van het licht met mijn ogen half dicht. Er klinkt vriendelijke muziek door mijn luidsprekers, muziek als een glooiend landschap in de zomerzon. Glimlachend doe ik mijn ogen open, terwijl ik mijn blik over het weiland laat gaan.

Meeuwen stampend in het natte gras
op jacht naar regenwormen.
Drie kraaien wassend in een plas
spatterend met hun vleugels.

Dat is wat ik nu zie. En ook mijn buurvrouw zie ik, die ontspannen in haar zwarte zomerjurkje door de koude wind loopt en haar voeten wast in de diepe plas bij de schuurdeur. Ook dat is een moment, een ogenblik in de lange film van een beweeglijk leven.
De muziek is afgelopen. Ik hoor de stem van Lex Bohlmeijer, de presentator. Hij praat over de muziek van zojuist. Het gaat over de inspiratiebron van de componist.

Heerlijk, op een muilezeltje door Italië trekken.
Trekt me niet zo aan eigenlijk.
Veel te langzaam natuurlijk.

Dat zegt hij. En hij praat over musici, die door het landschap reisden en zich onderweg lieten inspireren door wat ze zagen. Precies wat mij ook zo trekt. Maar die laatste opmerking snap ik niet. Te langzaam? Ik wil juist stapvoets gaan, dat lijkt me prachtig.
Ik aarzel geen moment en typ een kort gedichtje uit, dat ik meteen naar hem opstuur.

Wat hoor ik nou?
Zeg dat eens nog een keer?
Ik geloof het voor geen meter
Langzaam gaande zie ik meer
Heel veel meer!

PS Ik vertrek in de lente.

Niet veel later hoor ik mijn naam noemen op de radio. De mij zo bekende presentator zegt dat ik een boze luisteraar ben en leest mijn gedichtje voor. Daarna vertelt hij dat ik van plan ben in de lente te vertrekken, in een huifkar, op weg naar Roemenië. Ik lach uitbundig. Haha, ik ben helemaal niet boos en ik ga helemaal niet naar Roemenië. Dat was ik zeven jaar geleden van plan, maar nu niet meer. Kennelijk heeft het veel indruk gemaakt. Het verhaal dat ik daarheen ben, zoemt nog steeds rond, dat heb ik wel vaker gemerkt. Ik hoop niet dat er veel bekenden luisteren die nu opnieuw denken dat ik naar Roemenië ga. Ik stuur meteen een berichtje terug.

Ik ga niet naar Roemenië. Ik blijf in Nederland!

Het antwoord volgt snel. Hij zal het niet meer vergeten. Mooi zo, denk ik tevreden. Ik kijk nog een paar keer naar mijn mailbox. Er komen geen verbaasde berichten binnen, niemand heeft het gehoord. Of misschien denken mijn lezers wel: “Die vent weet er helemaal niks van! Wij weten wel beter.”
Gelukkig maar. Want voorlopig ben ik hier en het lijkt me hartstikke leuk om mensen te ontmoeten, bekenden en onbekenden. Inspiratie komt in eerste plaats van de plek waar je bent, waar je voeten hun afdruk maken in de aarde, waar mensen je begrijpen, waar de echo van je woorden wordt weerkaatst, maar dan net een beetje anders dan je het zei, de plek waar je spiegelbeeld in het water rimpelt en waar de man op de radio je antwoord geeft. Daar begint het toch…. Is het niet?

Ik ga, waar ik het land versta.

.

Klik hier voor de link naar het programma “Passaggio” van radio 4, elke werkdag om 19.00 te beluisteren of via Uitzending gemist.

.

 

Prinsessetrein

.

.

“Het wordt een treintje,” zeg ik tegen de vogelspotter, die vaak naar Frijlân komt om foto’s te maken. We staan bij mijn nieuwe bagagewagen, die straks achter de woonwagen aan komt te hangen. Het is een blauwe. Ik heb hem zojuist opgehaald met buurvrouw Anna. Hij heeft een deksel dat aan beide kanten schuin afloopt en hij is maar een dikke meter breed. “Kan die mover dat allemaal trekken??” vraagt hij met grote ogen. Ik knik vol vertrouwen. Tegelijkertijd klinkt achter ons een vogelkreet. “O wacht, dat kan een kiekendief zijn. Even een foto nemen.” Hij draait zich om en kiekt de vogel die hoog in de lucht vliegt. Daarna neemt hij rustig de tijd om te kijken wat hij geschoten heeft. Ik wacht. Even later stopt hij zijn camera weer weg en richt zijn blik weer op mij.
“Ja hoor, hij kan het makkelijk trekken. Ik kan zelfs in mijn eentje de woonwagen in beweging brengen. Hoewel hij 1500 kilo weegt, rolt hij makkelijk en licht.” Zijn bezorgde blik wordt nu vrolijk. “Dat moet wel lukken!”

Ik zie het al voor me. Daar loop ik, in mijn strakke rode prinsessenjurkje en mijn rode hoed met de veer. Ik trek de wagen, met de rode mover vlak achter me. Anderen hebben grote dieselslurpende trekkers voor hun wagens, die veel herrie maken. Een enkeling heeft een paard ervoor, of een ezel. Maar ik heb alleen een glimmend rood bakkie, dat volkomen geruisloos is en 3500 kilo kan trekken. Het is iets ongekends. Een mens die een treintje voortrekt, bestaande uit een woonwagen, een bagagewagen en een fietskarretje. En het is nog wel een vrouw! Hoe komt een vrouw daar nou aan? In mijn sjieke verschijning zal men allerminst de gedachte hebben dat ik mijn tiny tiny house zelf heb gebouwd. Maar ja, een sjieke dame die een treintje achter zich aan trekt, dat hebben ze ook nooit gezien. En als dat mogelijk is, dan is alles mogelijk, nietwaar ?

 

Die gedachte hoop ik wakker te maken,
alleen maar door te zijn,
door te gaan,
door het wonder van het bestaan
iets los te toveren bij de passant,
die mij voorbij ziet gaan.

Dat het ene wonder
het andere wonder doet ontluiken.
Dat is hopelijk mijn kracht.
Het is geen loodzwaar doel of ideaal.
maar juist klein en heel dichtbij
ik kan het bijna ruiken

 

 

.

 

Purple rain

.

Ergens brandt een zachte vlam, het is de drijfveer naar een volgend hoofdstuk, op weg naar wat zich aan dient, los van idealen, alleen maar door te gaan.

.

In de stationshal van Utrecht, vlak voor een van de uitgangen, staat een vleugel. Iedereen die zijn of haar talent, of het gebrek eraan, openbaar wil laten zien, mag er op spelen, net als in andere grote stations. Als ik er voorbij kom, klinkt er goeie muziek. Ik sta stil en loop er dan zachtjes naar toe tot ik heel dicht bij ben. Ik ken het lied en begin de altpartij te zingen, diep vanuit mijn buik. Wat bijzonder om een alt te zingen met twee hoge mannenstemmen. Ik kijk naar bewegende vingers op toetsten en snaren, de vleugel en de twee gitaren. Ik lach. De mannen merken me nauwelijks op, zijn veel te druk met elkaar.

Vlak bij me staat nog iemand. Het is een heel kleine man met een gedrongen postuur. Hij komt niet hoger dan mijn borst. Zachtjes speelt hij mee op zijn mondharmonica. Ik zie dat zijn ene oog wit is van blindheid. Het andere oog is blauw en kijkt naar mij. Ik lach hem toe. Achter hem staat zijn scootmobiel. Hij wordt volkomen genegeerd, door de musicerende mannen.
Dan houdt de muziek op. De muzikanten overleggen wat ze nu gaan spelen. De man met de mondharmonica probeert ondertussen iets uit, op zijn instrument. Nu merkt de pianist de kleine man wèl op. “Shut up!!!” roept hij nijdig. Het manneke kijkt stomverbaasd en trekt zich terug in de stoel van zijn scootmobiel, als een beschoten dier dat zijn hol in duikt. Ik loop naar hem toe en hij begint meteen tegen me te praten. “Hij denkt dat hij heel wat is, die pianist! Nou, ik heb óók in grote zalen gespeeld!” Zijn kijkoog is groot van verontwaardiging. Zijn ene hand omvat het stuur alsof dat hem houvast biedt. Heel langzaam zoekt mijn hand de zijne en raakt die aan. Zijn blauwe oog wordt nog groter. Het is alsof hij één seconde groeit, ver boven zijn mismaakte lichaam uit. Dan zakt hij weer in en praat over de concertzalen waar hij speelde. Als ik wegga, zie ik dat hij zijn stoel uitstapt en opnieuw begint te spelen.

Aan de overkant staan twee meisjes. De ene heeft lang haar. Ik heb haar zojuist mee zien zingen. Nu kijkt ze naar me en glimlacht. Het volgende lied zet in. Ik zie haar lippen opnieuw bewegen. Stilletjes ga ik naar haar toe. “Zing jij ook?” vraag ik. Ze maakt een gebaar van niet begrijpen. “Are you a singer?” Ze knikt en dan vertelt ze me dat ze uit de Oekraïne komt om in Zwolle te gaan leren voor Jazz zangeres. Neeeee, ze wil hier niet de aandacht, want haar stem is te zacht zonder microfoon. Ze mist haar band, zegt ze. Ik kijk haar aandachtig aan, ik herken het verlangen om iets moois neer te zetten met elkaar, om het persoonlijke op te laten gaan in een groot wonderlijk geheel. “Had jij een eigen band? En zong je helemaal alleen?” Haar lieve ogen kijken me aan en ze knikt bevestigend. “I make my own songs.” Dan breek ik. “Ooo… That’s what I would love to do. I write poëms, and I long to make music again, as in my early days.”
De tranen stromen me over de wangen. “Sorry…” zeg ik, terwijl ik ze gauw afveeg. “No, it is good,” zegt ze met heldere blik, alsof ze dagelijks huilende mensen naast zich heeft staan. “You should do that.” Haar vriendin staat naast haar en kijkt me nieuwsgierig aan.

Ik denk aan het grote ideaal om een betere wereld te maken, de bomen waarvoor ik zorgde in de hete zomerzon, de lange lijsten met werk, de hoge ambities van Frijlân. Ik gun mijn mensen heel veel succes, plezier, wijsheid en uithoudingsvermogen. Maar ik, wil ik nog wel werken aan een groot ideaal? Wil ik mijn reis óók nog aan dat thema wijden? Misschien is het tijd om het los te laten en de geest juist leeg te maken voor vertrek, leeg, voor wat zich aandient.

De mannen zetten een nieuw lied in. Het is purple rain, van Prince. Ik pak de middenstem en maak mijn buik hard en bol. De mannen zingen luid en hoog. En zo knalt het lied met al die stemmen de stationshal in. En ik ben erbij, goddank!

.

Voeten, waarheen gaan ze

.

.

Ik kijk naar mijn voeten. Ik zit op het klapstoeltje bij de glazen deur. De trein schudt heen en weer. Voorovergebogen, met mijn voorhoofd tegen de harde stoel voor mij, probeer ik wat te doezelen en staar tussen mijn wimpers door naar de stoffige vloer. Ik ben al een tijdje onderweg. Wanneer de trein afremt en stilstaat, vertrekken er een hoop mensen. Ze gaan allemaal door de glazen deur het balkon op, naar buiten. Ik kom overeind en kijk om me heen.

“U kunt hier gaan liggen hoor,” zegt een vriendelijke zwarte jongen in gebroken Nederlands. Hij zit bij de raampjes aan de andere kant. Hij maakt een zwaai met zijn arm over de grote bank die in de lengte van de trein loopt en die veel comfortabeler is dan mijn klapstoel. “Het kan makkelijk,” zegt hij. De lange blauwe bank is verder leeg. Hij zit in zijn eentje in de hoek. Ik knik de jongen blij toe en ga zitten. “Mag ik deze nog even?” Hij wijst onder mijn billen. Daar ligt een krantje. Ik pak het en kijk ernaar. “Op de vlucht,” staat er op de voorkant. Ik stop het in zijn uitgestoken hand, glimlach en aarzel even. Zal ik het doen? Mijn voeten op de stoel? Dan ga ik liggen, opgekruld op mijn rechterzij, mijn voeten in de schoenen net over de rand gestoken.

Zonder te kijken weet ik dat de jongen tevreden toekijkt en zijn krantje pakt. Ik doezel in.
Opeens remt de trein af. Ik doe verward mijn ogen open. Ik zie dat de jongen een groen blikje open heeft getrokken. Bier? Hij grijnst me toe en zegt dat de reis sneller ging dan hij dacht. Ik grinnik. Ja. Het leven gaat almaar sneller dan je denkt. Daarom wil ik straks te voet door het land, lekker langzaam. Ik wil alles zien en horen. Maar nu lig ik op een bank van de NS in een trein die stil staat. Ik hoor voeten schuifelen. Mensen staan op en pakken hun tas. Dit is station Leeuwarden. Leeuwarden, waar mijn huisje staat, op het landje Frijlân.
Ik kom overeind en pak mijn rugzak. Hij is net zo groen als het blikje waar de zwarte jongen opnieuw een slok uit neemt. Hij legt het krantje neer en ik doe mijn jas aan. Buiten zie ik het perron voorbijschuiven, grijs onder de grijze wolken.

Mijn fiets staat in de stalling. Ik haal hem uit het rek en betaal de bewaker bij de poort. Ik fiets het spoor over, de rechte weg langs de winkels en verder, langs de laan met de bomen, de stad uit. Ik trotseer koude windvlagen en schuil voor een regenbui onder een tunnel. Ik ril. Het is hier veel kouder dan in het zuiden. De regen stopt en ik ga verder. Hard draaien mijn voeten de trappers van mijn fiets. Snelle meters maken ze, langs het Van Harinxmakanaal, langs de weilanden tot ik het oranje dak van de boerderij zie. Nu gauw naar huis, de woonwagen in, de kachel aan. Mijn kleine huis, dat ik overal mee naar toe kan nemen. Zelfs te voet, als ik wil, als het moet… Waar gaan ze heen, mijn voeten?

.

 

Het plan

.

“Volg je hart!” roept iemand me toe. Ik heb verteld dat ik van plan ben op pad te gaan, met mijn woonwagen, te voet. Maar ik ga niet zomaar weg. Mijn hoofd en handen vragen allebei om tijd. Een onhandig hart maakt een slechte start.

Het is begonnen met een droom. Ik  zou met paard en wagen op weg gaan. Ik ontwierp een woonwagen. Ik maakte het ontwerp zo, dat ik ook het fietspad op zou kunnen. Het onderstel mocht niet meer dan 150 cm breed zijn. De Witte Smid bouwde het voor mij op maat, met een paar brede wielen er onder.
Al snel had ik door dat het een enorme klus zou worden, met dieren de drukke weg op te gaan. Ik besloot dat mijn woonwagen in eerste plaats een woonhuis moest worden, dat voor mij perfect was. Daarna zou ik wel verder zien.

En nu sta ik ermee op Frijlân, ecoparadijs in wording. De wielen staan op een betonplaat, waar vroeger de mest van de boer op lag. Daar is niks meer van te zien. Ik kijk door het raam naar buiten. Er staat een harde koude westenwind. Ik ben lekker binnen en de zon schijnt warm door het raam. Voor me ligt het oranje pannendak van de boerderij en het grote veld. Bosjes riet met bruine pluimen golven in de wind. Tussen het lange gras staan gele bloemen, die stralen in de zon. Wolken met dikke koppen drijven voorbij. Nu ik weet dat ik weg ga, geniet ik extra.

Frijlân wil een broedplaats zijn voor cultuur en verandering. Er is veel energie voor nodig en ik help mee met het geven van vitale en creatieve voorzetten, waar straks op kan worden voortgeborduurd. Er is veel te doen. Ondertussen bereid ik me voor op een leven als voetganger. Ik zoek uit of ik mijn wagen kan trekken met een elektrische mover. Als dat werkt, dan ga ik hem testen. Waar zou dat kunnen, vraag ik me af. Ah! De ontdekkingstocht kan nu al beginnen.

Ik loop met mijn vriend Dick over het betonpad, dat in een rechte lijn langs het eindeloze raaigras loopt. In de zak van mijn paarse regenjas bungelt iets zwaars. Het is mijn rolmaat. We gaan meten of ik hier straks mijn woonwagen langs kan trekken.
“Dit is vast veel te krap,” zegt Dick twijfelend. Ik kijk naar het pad onder onze voeten en maak een inschatting. “Nou, ik denk dat het meevalt. Als je in mijn woonwagen staat, lijkt een meter veel breder, zo’n pad dat in de verte verdwijnt geeft aan alles een andere verhouding.” Ik kniel met de rolmaat op het beton en betast het omzomende gras, dat er over heen is gegroeid. “Ïk kan dit niet goed meten Dick, ik weet niet waar de rand is.”
Ik kijk op en zie verderop een brug, die over de sloot ligt. Het beton steekt daar een eindje boven het gras uit en de randen zijn afgebrokkeld. Hier trek ik opnieuw mijn rolmaat uit. “Een meter zes en vijftig,” zeg ik hardop. “Dat kan nèt.”

Ik zou op weg willen gaan als landschouwer en mensen ontmoeten. Ik zou doorgaan met mijn blog. Maar dan met een vraag op mijn lippen. “Wat betekent het land voor jullie, en de manier waarop ons voedsel wordt verbouwd?” Ik ben benieuwd of er een kentering gaande is.
Onderweg zal ik ongetwijfeld plekken vinden waar ik een tijdje blijf.

Dat is het plan. Maar voor de reis mag beginnen, dan hebben vast al een hele winter achter de rug…

.

PS: Scroll op de website eens naar onderen, daar heb ik een collectie van al mijn tekeningen. Een kleurrijk geheel is het. Als je op een tekening klikt, kan je hem in het groot bekijken.

.