Bodem voor scheppingskracht (2)

.

Deze tekening komt uit het boek: Langs kantelende wegen. Te bestellen bij Uitgeverij Louise. (Zie bericht in de kantlijn.)

.

.

Hoe plant je een levensboom? Het zoekt naar de juiste omstandigheden. Water wil de boom. Water speelt en verandert steeds van vorm. Het vloeit, het spat en het verdampt in de lucht, om neer te regenen op de zachte verende aarde. De wortels zuigen het op als een spons en de knoppen beginnen te ontkiemen. Alles groeit en groeit.

Een boom wordt oud, valt neer, vergaat. Talloze beestjes helpen verteren. Schimmels doordringen het. Zaad ontkiemt. De jonge loot groeit op, langzaam maar zeker.

Ik was die jonge loot, stil en onwennig zocht ik mijn weg. Mijn wortels zochten naar voeding en water in een bodem die steeds droger werd. Dieper gingen mijn wortels, dieper zocht ik naar water. Eigenheid groeit. Dan is er het moment dat de boom met zijn kruin boven het bos uitsteekt. Het is een wonderlijk moment. Vanuit de ongeziene schaduw van de bodem, komt er steeds meer naar je toe.

Het begint in Utrecht, in de werfkelder met de rondvaarboten. Ik ben met mijn man Michiel. Samen zitten we achter de ploffende motor die kringetjes blaast. Ik bloei op. Na zeven jaar sterft hij, als een oude boom stort hij ter aarde en vormt mijn levensbodem. De rouw is moeilijk maar leert mij veel. Zo kan ik groeien, als een jonge loot met sterke stam. Steeds meer mensen weten me te vinden, met mijn authentieke rondvaartboot. Als ik uit Utrecht vertrek laat ik dat in de krant zetten.

.

“Kathedrale schaduw”, gedicht van Ingmar Heijtze.

.

Ik verhuis naar een camping in Brabant. Voor mij breekt een nieuw tijdperk aan. Het verleden is verwerkt en getransformeerd tot een bodem die me welkom heet. Ik zit boordevol creatieve energie. Ik houd een wekelijks blog bij en maak filmpjes. Een redactielid van tijdschrift Genoeg leest het en komt langs. Scherp stelt ze haar vragen en schrijft een diepgaand artikel over afscheid en ontspullen. Als ze weggaat ben ik doodmoe. Het is klaar, het is zó helemaal klaar! Alles in mijn snakt naar nieuw leven. Het nieuwe leven komt, en krijgt vorm als een huis op wielen. Ik begin met ontwerpen. Petry Gamers ziet er een uniek verhaal in, komt langs en maakt een portret van me voor Omroep Brabant.

Ik bouw drie jaar elke dag, tot het af is. Het voltooien van dit kleine meesterwerk is voor mij een paspoort om verder te kunnen. In 2018 word ik uitgenodigd in Friesland en dus verhuis ik. In 2019 ben ik op tv te zien bij Dennis en de Vrije Geesten.

In diezelfde tijd ga ik op pad. Drie maanden lang trek ik met mijn Wandelhuis van de ene plek naar de andere. Mijn weg leidt door het Noorden van Friesland. Als ik uiteindelijk neerstrijk, heb ik honderdvijftig pagina’s volgeschreven met ervaringen en ontmoetingen. Het is meer dan zat om verder te kunnen. Ik trek me helemaal terug. Een jaar lang schrijf ik aan een boek, dat uiteindelijk gepubliceerd wordt door Uitgeverij Louise. Op de kaft staat een vrouw, wandelend op de weg. Ze trekt haar huis achter zich aan en de lucht erboven is blauw. Die vrouw, dat ben ik. Was ik.

Als de kruin boven het bos uitsteekt gebeurt er veel. Authenticiteit trekt aandacht. Koen Derksen komt langs, om me te filmen voor zijn Tiny House serie op You Tube. “Ik loop met mijn huis,” heet het. Ongeveer tegelijk met de boekpresentatie, pas op 1 november 2020, is het online gezet. Ik maak er helemaal de blits mee! In drie maanden tijd is het 235.000 keer bekeken. Ik moet lachen. Lopen met mijn huis doe ik nu al maanden niet meer! Zo langzamerhand groeit mijn verhaal uit tot een mythe. Het verhaal vormt een spoor van verbeelding, dat een eigen leven leidt. Ik kijk ernaar en laat het voor wat het is. Laat ze maar denken dat er ergens een vrouw is, die eindeloos onder blauwe luchten loopt met een sprookjeswagen.

Na de boekpresentatie van“Langs kantelende wegen”, komen de interviews. De Leeuwarder Courant komt langs en ook het Fries Dagblad is er al snel bij. Lex Bohlmeijer komt me interviewen voor de Correspondent en dat levert opnieuw duizenden luisteraars op.

“Je wordt beroemd!” zegt een verre buurvrouw uit het dorp. Ik haal mijn wenkbrauwen op.“Dat hoeft niet voor mij hoor. Ik hoor het graag wanneer iemand wordt geraakt door wat ik laat zien. Daar geniet ik van met volle teugen. Maar tegelijkertijd ben ik wel blij dat ik zo achteraf woon, aan een zompig blubberpad”. De vrouw kijkt me helder aan met haar blauwe ogen. “Waarom?”

Ik kijk naar de wuivende kruinen van de wilgen langs het pad en geef antwoord. “Het is dat ik in alle rust zelf kan kiezen”.

Laat vertelde verhalen maar waaien, ze vinden hun weg wel. Ik sta hier, als gewortelde nomade. Ik kijk stil om me heen. Er groeit een nieuwe levensboom.

.

.

.

Al ben je de enige

.

En altijd breekt de zon weer door

.

De lucht is grijs, de teller van mijn zonnepanelen blijft maar op nul staan. Het is de donkerste dag van het jaar, de dag van de zonnewende. Ik kijk geen filmpjes, ik luister geen muziek, de laptop staat dagenlang ongebruikt in de hoek. In plaats daarvan maak ik tekeningen, schrijf met pen op papier en speel dwarsfluit. De fluit ligt te glanzen op de vensterbank met een stuk van Bach en Teleman ernaast. Ik heb mijn zuiverheid geoefend en de lenigheid van mijn vingers op de zwarte noten getest, die als mieren over het witte blad kriebelen. Het gaat hartstikke goed, maar nu verlang ik naar frisse wind om mijn hoofd. Ik ben al te lang binnen geweest. En straks komen er drie studenten van de kunstakademie om een korte docu te maken over hoe ik leef. Ik kijk op de klok en zie dat ik nog mooi een lange wandeling kan maken, voor ze er zijn.

Als ik terugkom loop ik voorbij twee bouwvakkers. De twee vijftigers werken stoer door in wind en mottige regen aan een nieuwe goot. Het is een grote goot en veel werk. Ik loop naar ze toe en bewonder hun werk. Ze stellen me vragen over waar de afvoer moet komen. Ik zeg dat ik het niet weet. Tot nu toe dachten ze dat ik ook een bewoner was, maar nu weet ik ze eindelijk duidelijk te maken dat ik hier te gast ben.
“O, ga je weg? En waarheen dan?” vraagt de dikste en de meest spraakzame van de twee. Kort vertel ik mijn plan. “Ik wil al wandelend de grenzen van Nederland af.”
“En hoe trek je je woonwagen dan?”
“Het is eigenlijk geen woonwagen, maar een wonderwandelhuis, ” begin ik. Daarna beantwoord ik zijn vraag. “Ik heb een electrische mover om er voor te zetten. En als ik dan door Nederland reis, dan kom ik vast en zeker mensen en plekken tegen die me boeien. Dan blijf ik daar een tijdje.”
“Ga toch naar het buitenland! Daarna kom je gewoon weer terug.” Hij begint enthousiast te worden.
“Ik heb geen terug. Ik ben er al. Nederland is mijn thuis. Door te trekken en mensen te ontmoeten kan ik straks overal terugkeren en thuiszijn.”
De man kijkt vaag voor zich uit. Ik vraag me af of hij wel luistert. Opeens begint hij te lachen. “Waarom zet je geen rendier voor je wagen?”
“Doe jij dat maar,” kaats ik terug. “En als je dan met je kar de lucht in vliegt, dan noemen we je Wodan.” Hij kijkt me verbaasd aan, zijn bolle gezicht verschiet en hij buldert van het lachen. Ja ik zie hem wel als Wodan. En ik geloof werkelijk dat hij zich gevleid voelt. Ik groet hem om terug te lopen naar mijn warme wonderwandelhuis. In de verte zie ik drie fietsen aankomen. Het zijn de studentes voor de film.

Ze zetten hun fietsen neer en ik wijs naar de bagagewagen. “Doe daar je tas maar in, met de spullen die je niet nodig hebt.” Ik laat ze binnen en geniet van hun jonge stralende ogen. Ze vinden mijn huis prachtig. Ze stellen vragen en filmen. Het ontwikkelen van je authenticiteit in vrijheid, daar gaat het over. Ze begrijpen goed hoe belangrijk het is om doortastende keuzes te maken, al ben je de enige en al ben je alleen. De dag wordt afgesloten met een prachtige zonsondergang. Met glimmende ogen pakken ze hun spullen om te gaan.
Vanuit mijn warme huisje kijk ik ze na en gloei van tevredenheid. Ik houd van zulke jonge mensen, die hun dromen onderzoeken. We hebben elkaar nodig, zij en ik.

.

Wat niet van mij is blijft niet hangen

.

Dans van dank aan alles kl frm

.

De eindfase nadert,
als de vloedlijn op het zand,
langzaam kruipt hij verder
en je weet dat hij straks
de duinen raakt.

Het komt,
je weet het zeker.
En zo rijst het water
tot vlak aan je voeten.

.

Ik heb een plankje op maat gezaagd. Zorgvuldig smeer ik de randen vol met lijm, zodat overal een dun laagje zit en hij straks een stevige hoekverbinding kan vormen. Ik kijk op, naar de linker buitenwand, die ik er gisteren op heb gezet. De planken zijn wit van de grondverf en je kan de geknikte vorm mooi zien. Achter de wand puilt isolatie van warme schapenwol naar buiten, want de binnenwand is nog maar half af.
Nu het product van mijn verbeelding gestalte krijgt, weet ik hoe ik het noem. Het is een “wooncocon“. Want het wordt warm en klein en knus en helemaal van mij. En zo sterk! Goed werk kost tijd. Ik werk geconcentreerd door, zodat elke plank net zo mooi en strak zijn plek vindt als de vorige.
Tijdens de voltooiing komt een vloed aan gedachten bij me op, als een rustige, gestage stroom. Ik schraap het plamuurmes met resten lijm schoon aan een plank en denk aan mijn man, die niet meer is. „Ben je een broodje aan het smeren?“ vroeg hij soms, als ik zoals nu, een afgezaagd plankje bedekte met een keurig wit laagje smeersel… De gedachte aan hem warmt mij op. Ik heb enorm veel aan hem te danken. Al is hij al zoveel jaar uit mijn leven, toch is hij er. Hij reist met me mee, bij alle keuzes die ik maak, en bij elke mijlpaal glimlacht hij als een zachtgloeiende wolk op de achtergrond.

Hij was wijs en lief en ondeugend. Hij hielp me mijn te handen gebruiken. Ik wilde het.

Wie was de eerste, die zei dat ik handig was? Wanneer was het? Lange tijd wist ik het niet. Lange tijd luisterde ik vooral naar de verwijten. „Je bent zò onhandig. Jij kijkt niet, je ziet niks.“ Tja… het was niet raar, dat ik onhandig was. Ik worstelde met een onhoudbaar en wild pallet aan indrukken. De wereld was snel en hard. Oordelen klonken als hamerslagen. Ik dacht dat ik onhandig was. Ik trok me het aan, hun oordelen. Als een jas die me niet paste.

Ik weet wie de eerste was, die het tegenovergestelde beweerde. Salvatore heette hij. Hij was docent drama in Leeuwarden. Later is hij de directeur geworden van de opleiding. Het was een kleine klaszaal, met ouderwetse hoge ramen. Ik was iets aan het maken van ijzerdraad, en zag dat het niet werkte, zoals ik het nu probeerde. Achter me stond Salvatore stil te kijken. „Jij bent handig…“ Dat zei hij! Ik keek hem stomverbaasd en vragend aan. „Ja” vervolgde hij „Je stopt als het niet wil, wat je doet. Je kijkt ernaar en zoekt een oplossing. Je bent handig.“

Ik ben het nooit vergeten. Die man weet vast niet hoe blij ik was. Ik ben hem nog steeds dankbaar. Hij moest eens weten. Salvatore was de eerste, die mijn talent en handigheid benoemde. Ik was nog maar een-en-twintig. Veel later, na tal van omzwervingen, kwam de man in mijn leven aan wie ik het meest te danken heb, Michiel. En er zijn nog veel meer mensen. Mijn hartelijke lieve moeder en mijn eigenwijze oergezonde vader die nu zeven-en-tachtig is, beide hebben me geholpen te zijn wie ik ben. En Dick mijn huidige vriend doet mij glimmen, en mijn beste vriendinnen in Utrecht, wat ben ik blij dat ze er zijn! En dan is er de man van de radio en er zijn nog zoveel anderen…

Eenzaam was ik, toen ik mezelf niet was. Eenzaam was ik, toen ik geloofde wat anderen over me zeiden. Al die ruis aan gedachten heb ik opgeruimd. Wat ooit groot was is nu klein en onbeduidend. Wat niet bij me hoort blijft niet hangen. Ik bloei, ik groei. Alles is liefde. Ik help bij de vermeerdering.

.

.

Het vorderen van de bouw,

Een kijkje door het raam…

.

.

.

.

.

 

Ontdekkingstocht

.

Man met paard, Brabant.

Sinds mijn besluit om hier te blijven, kijk ik met andere ogen. Als ik wandel, sla ik weggetjes in die ik voorheen het bewandelen niet waard vond.
De zon schijnt tussen een paar mottige buien door. Ik ga gauw naar buiten en loop over het fietspad, langs de smalle asfaltweg. Achter een regelmatige rij zomereiken zie ik uitgestrekte hectares boerenland. Saai, kaal, monotoon. Maar hier vlakbij is wel een weggetje dat er dwars doorheen loopt. Ik sla af, mijn wandelschoenen zakken in de zwarte blubber. De randen van het pad zijn begroeid en minder nat. Daar ga ik lopen. Nu ik veilig en droog loop, kijk ik om me heen. Waar dit jaar aardappels en mais groeide, is nu grasland. De vorige winter was lang, koud en winderig en de akkers lagen er maandenlang kaal en naakt bij. De hele bovenlaag is weggewaaid.
Ik zie een kale bremstruik langs het pad, ernaast staan stronken met zwammen eraan. Ook in hier gebeurt wel wat, als je langs de randen van het eentonige weiland kijkt. En er zit nog veel meer, onder het gras en onder de modder.
Er komt een gedachte bij me op. Misschien vind ik dit land wel spannender dan Roemenië, waar alles al is, vol en uitbundig. Hier sluimert het zaad nog diep onder de grond. Het lijken dooie akkers, maar daaronder zit het bomvol. Duizenden, miljoenen zaden liggen daar. Tientallen jaren kan het duren, tot het een kans krijgt. Of het komt aanwaaien van elders. Dat is het land dat wacht, het land dat het in wezen is. Hoe zou het er uit gaan zien? Ik ben eigenlijk wel erg nieuwsgierig. Er kan elk moment weer iets bovenkomen, iets wat echt en oorspronkelijk is.

Terwijl ik dit alles overdenk kom ik aan het einde van het pad. Er staat een kleine, wat oudere man in de berm. Hij heeft een grazend paardje aan een touw. “ Gaat u hem lang uitlaten? “ vraag ik. “ Nee, even maar”, zegt hij. Hij is een wandelingetje aan het maken en ’t peerdje kon best mee, vond hij. Hij beestje is al twee-en-twintig. Wel oud, maar hij houdt er niet van om dieren naar de slager te brengen. “Als je een dier hebt, dan zorg je er goed voor.” Ik knik. “Heb je al ver gelopen?” vraagt hij dan. Ik vertel dat ik van d’n Bobbel kom, over het weiland heen. De camping ja, die weet hij wel. “Daar is vast ook wel iets te eten.” zegt hij. Ik vind het grappig dat hij dat zegt. De meeste mensen hebben het niet gelijk over eten.
Ik vertel dat ik gek ben op brandneteltoppen. Ik eet ze wel vier keer per week, door de groente heen. “Echt? Vraagt hij verrast, eet je die? Dan ben je vast wel heel gezond.” Ik knik blij. “Er zijn zoveel planten die je kan eten,” zeg ik, “Ik ontdek er steeds meer. Lisdodde kan je ook eten, het zaad, de wortels, en de stengel smaakt naar mais. Het is hier nat genoeg, dus we hoeven vast niet te verhongeren.”
De man kijkt voor zich uit en zegt: “ Nou, dat eet ik dan veel liever, Alles is tegenwoordig zo vét! Ik begin er steeds meer van te walgen. Ik heb suikerziekte.” Hij vertelt dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer mag doen omdat hij slechter is gaan zien. “Door de suiker”, zegt hij balend en begint over wat anders.

Hij is een van velen. Ik luister en ontdek. Het is niet alleen het zaad in de bodem, dat zijn kans afwacht. Ons lichaam vertelt het ook. Het mijne, het zijne. Een andere wereld sluimert om het hoekje.