Haast je langzaam

.

.

 

Ik kijk naar de sterren
De mist klaart langzaam op
en ik zie de weg in de schemering.
Naast mij gaat gestadig voort
mijn oude trouwe schildpad
onverstoorbaar traag
en boven mij de adelaar
die alles ziet en zegt
telkens wanneer ik het vraag
Als drie-eenheid vinden we
elke poort van hoop
.

.

 

De lucht is grijs en mistig. Ik leg mijn boek opzij en kijk op de klok. Het is één uur in de middag. Het leesuurtje is voorbij. Ik moet nu aan het werk. Er moeten bomen worden geplant. Er zijn nog steeds 200 van de 350 bomen die nog de grond in moeten. Ik wil deze klus met net zoveel aandacht afmaken, als waarmee ik er aan begon.
Ik zucht en wil eigenlijk niks dan gewoon verder lezen. Maar mijn ogen vallen bijna dicht, ik voel me net zo mistig en dromerig als het landschap dat ik door het raam zie. Buiten kukelt een haan en dan is het weer doodstil. Er is geen zuchtje wind. Maar de bomen roepen me. Ik moet echt opstaan. Ik trek mijn laarzen aan en stap naar buiten. Het lijkt er op dat ik de enige ben die beweging brengt in de stilstaande lucht.

Zou de spade er nog staan, die boer Jochum me gisteren gaf? Ik loop naar de schuur en kijk om het hoekje. Daar sta hij, nog net zoals ik hem had neergezet. In de verte staan de boompjes al klaar. Nu graven, de handen in de klei, de potten leeg maken, de wortels ruimte geven in losse grond. Naast de sloot liggen dikke bossen gemaaid riet. Ik pak er armen vol van en leg het rondom de boompjes als een dik bed. Dat is goed tegen het uitdrogen van de grond en tegen het onkruid. Het is veel werk, maar toch wil ik het goed doen. Ik werk de hele middag door.

Als ik weer in mijn huisje stap ben ik tevreden. Ik staar naar de lucht en zie ze voor me, de seringen en kerspruimen die ik net plantte. Ik stel me voor dat ze groot zijn, met paarse en witte bloemen tegen de blauwe hemel. Zal ik dat ooit zien? Ik hoop dat ze zullen bloeien vol levenslust en vlinders. Dat ze bijen en insecten zullen trekken, als een nieuwe plek van hoop.

Ik denk aan mijn vertrek van hier. Dat lijkt nog zo ver weg! Het is of ik door bomen te planten ook mijn eigen wortels in de grond zet.

Festina Lente. Haast u langzaam, dat is wat deze woorden zeggen. Ik zie de schildpad, hij kijkt me aan en hij zegt me iets. “Maak rustig af wat je begon. Stop er je ziel in, want als het niet je volle aandacht krijgt van begin tot eind, kan het allemaal voor niks zijn geweest.” De adelaar luistert en wanneer de schildpad uitgesproken is, zegt hij dat hij de poort in de verte al ziet, de poort van hoop naar het nieuwe begin. Zo is het. De schildpad weet en de adelaar ziet. Ik volg.

.

Lindeboompje op de Swetteblom, met dijkje aan de zuidkant tegen uitdroging en een geul aan de noordkant om het regenwater vast te houden. Rietbedekking om de grasmat tegen te houden, voor humusvorming en om de bodem vochtig te houden. Zo kan ik weggaan zonder nazorg te hoeven plegen.

.

 

 

 

De markt als wegwijzer

.

.

Ik sluit de deur van het kleine leskamertje. We hebben lekker gespeeld, mijn docent op de piano en ik op mijn nieuwe dwarsfluit, die nu al zo vertrouwd aanvoelt. Ik kijk nog even op de plek waar ik net nog stond. Er is al weer een andere leerling. Door het glas zie ik twee ruggen, een hele brede en een kleintje. Ik hoor de leraar een vrolijk riedeltjes spelen op het keybord en hij praat geanimeerd met het jochie naast hem. Ik draai me om naar mijn regencape. Onder de kapstok, op het neplaminaat, is een kleine plas ontstaan die almaar groter wordt. Ook de regenbroek voelt nog steeds nat aan. Toch trek ik alles weer aan, pak mijn dwarsfluit, die veilig in de draagtas zit en open de buitendeur.

Dikke druppels waaien hard in mijn gezicht. Het is al donker. Ik pak mijn fiets en waag de tocht huiswaarts. Ik besluit een andere route te nemen dan normaal, dwars door het centrum van Leeuwarden.
Op het grote plein staan kraampjes. Ik wist niet dat hier markt was. Als ik dichterbij kom zie ik kaas en groente, met overal meldingen dat het biologisch is. Ik loop naar de eerste beste kraam die ik zie. Het is een grote felverlichte kaaskraam en ze hebben er veel. Geitenkaas, brie, camenbert, boerenkaas, het ligt allemaal mooi geëtaleerd. Ik koop geitenkaas en loop verder. Na nog wat levensmiddelen te hebben ingeslagen kom ik aan bij het einde van de markt. Daar zie ik, naast een grote broodkraam, een heel klein kraampje, waar in de vitrine nog een laatste restje kazen bij elkaar geschoven ligt op wit etaleerpapier. In het schemerdonker zie ik een man met lange krullen staan. Hij lacht uitnodigend. “Het Marlanner kaashuis” staat op een bord achter hem.
“Jammer,” zeg ik spijtig, “Ik heb al kaas. Maar die wil ik ook wel graag.” Ik wijs naar een verzameling grote kippeneieren. “Dan koop ik bij iedereen wat.” Hij knikt goedkeurend en stopt zes grote eieren in een doosje. Het doosje kan niet dicht, zo groot zijn ze. “Ze hebben dubbele dooiers,” zegt hij verontschuldigend en doet er een elastiekje om. Ik zeg hem dat ik blij ben met dubbele dooiers vanwege de vitamine D die er in zit. Dat heb ik pas nog uitgezocht. “Dan kan je dat nu meteen toepassen!”  Hij lacht tevreden.
Ik vertel hem over mijn huisje op wielen en mijn reisproject. De kaasboer luistert geïnteresseerd. “In de lente vertrek ik. Ik kom graag bij jullie langs als het mag!” zeg ik opgewekt. Hij geeft me hun folder en zegt dat ik van harte welkom ben. Ik zie een oude boerderij afgebeeld, tussen bomen en bloemen. In het verhaaltje lees ik dat de boerderij naast een meer ligt met een eeuwenoud weiland ertussenin, dat de grootste kolonie grutto’s kent van heel Europa. Dat wil ik zien!

Op de markt vinden de mensen elkaar. Dat is al een eeuwigheid zo. Ook nu nog en dit is een moment om het opnieuw te ontdekken. De route rolt al voor me uit. Het wordt almaar echter. De boerenmarkt als wegwijzer, dat onthoud ik.

 

Klik hier voor de website van het Marlanner Kaashuis

Het plan

.

“Volg je hart!” roept iemand me toe. Ik heb verteld dat ik van plan ben op pad te gaan, met mijn woonwagen, te voet. Maar ik ga niet zomaar weg. Mijn hoofd en handen vragen allebei om tijd. Een onhandig hart maakt een slechte start.

Het is begonnen met een droom. Ik  zou met paard en wagen op weg gaan. Ik ontwierp een woonwagen. Ik maakte het ontwerp zo, dat ik ook het fietspad op zou kunnen. Het onderstel mocht niet meer dan 150 cm breed zijn. De Witte Smid bouwde het voor mij op maat, met een paar brede wielen er onder.
Al snel had ik door dat het een enorme klus zou worden, met dieren de drukke weg op te gaan. Ik besloot dat mijn woonwagen in eerste plaats een woonhuis moest worden, dat voor mij perfect was. Daarna zou ik wel verder zien.

En nu sta ik ermee op Frijlân, ecoparadijs in wording. De wielen staan op een betonplaat, waar vroeger de mest van de boer op lag. Daar is niks meer van te zien. Ik kijk door het raam naar buiten. Er staat een harde koude westenwind. Ik ben lekker binnen en de zon schijnt warm door het raam. Voor me ligt het oranje pannendak van de boerderij en het grote veld. Bosjes riet met bruine pluimen golven in de wind. Tussen het lange gras staan gele bloemen, die stralen in de zon. Wolken met dikke koppen drijven voorbij. Nu ik weet dat ik weg ga, geniet ik extra.

Frijlân wil een broedplaats zijn voor cultuur en verandering. Er is veel energie voor nodig en ik help mee met het geven van vitale en creatieve voorzetten, waar straks op kan worden voortgeborduurd. Er is veel te doen. Ondertussen bereid ik me voor op een leven als voetganger. Ik zoek uit of ik mijn wagen kan trekken met een elektrische mover. Als dat werkt, dan ga ik hem testen. Waar zou dat kunnen, vraag ik me af. Ah! De ontdekkingstocht kan nu al beginnen.

Ik loop met mijn vriend Dick over het betonpad, dat in een rechte lijn langs het eindeloze raaigras loopt. In de zak van mijn paarse regenjas bungelt iets zwaars. Het is mijn rolmaat. We gaan meten of ik hier straks mijn woonwagen langs kan trekken.
“Dit is vast veel te krap,” zegt Dick twijfelend. Ik kijk naar het pad onder onze voeten en maak een inschatting. “Nou, ik denk dat het meevalt. Als je in mijn woonwagen staat, lijkt een meter veel breder, zo’n pad dat in de verte verdwijnt geeft aan alles een andere verhouding.” Ik kniel met de rolmaat op het beton en betast het omzomende gras, dat er over heen is gegroeid. “Ïk kan dit niet goed meten Dick, ik weet niet waar de rand is.”
Ik kijk op en zie verderop een brug, die over de sloot ligt. Het beton steekt daar een eindje boven het gras uit en de randen zijn afgebrokkeld. Hier trek ik opnieuw mijn rolmaat uit. “Een meter zes en vijftig,” zeg ik hardop. “Dat kan nèt.”

Ik zou op weg willen gaan als landschouwer en mensen ontmoeten. Ik zou doorgaan met mijn blog. Maar dan met een vraag op mijn lippen. “Wat betekent het land voor jullie, en de manier waarop ons voedsel wordt verbouwd?” Ik ben benieuwd of er een kentering gaande is.
Onderweg zal ik ongetwijfeld plekken vinden waar ik een tijdje blijf.

Dat is het plan. Maar voor de reis mag beginnen, dan hebben vast al een hele winter achter de rug…

.

PS: Scroll op de website eens naar onderen, daar heb ik een collectie van al mijn tekeningen. Een kleurrijk geheel is het. Als je op een tekening klikt, kan je hem in het groot bekijken.

.