Gestolde snelheid

.

.

In het spinrag van gestolde tijd wemelt het van leven.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

En hier sta ik dan. Al negen maanden. In de gevlochten wilgenhaag rond mijn veldje zit spinmot en er vliegen steeds meer karekieten heen en weer. Een heel nest jongen heeft de weg gevonden naar de dichte takkenhaag achter mijn wooncocon. Mijn onvermoeibare vlechtwerk heeft veel gedaan en de lente was vochtig en groeizaam. Op de horizontaal omgebogen takken zijn overal verticale scheuten gekomen. Gaten worden gevuld met talloze buigzame groene loten, die ik opnieuw samen vlecht. Vliegjes en motjes zoeken die plekken op, het is lekker uit de wind. Ze vormen een voedselbron. Vogels vliegen af en aan. Ik kijk er steeds naar. Ja, ik ben tevreden over mijn werk. En toch leken de afgelopen dagen eindeloos saai. Buren en gasten rijden en lopen langs, twintig meter verderop. Ik hoor af en toe het knarsen van het grind en allen gaan hun gang. Ik kijk ze stilletjes na. Als je niks terughoort over het werk wat je doet, dan vraag je je toch wel eens af voor wie je het doet. Ondanks de karekieten. Snelle keuzes worden snel beloond. Soms, niet altijd. En àls het rolt dan rolt het als een trein, die van het één naar het ander rolt. Voor gewortelde keuzes is vaak meer geduld nodig, voor het langzaam maar zeker groter groeit en gezien wordt. En dan opeens blijken bezoekers vlak om de deur te staan, de één na de ander.

.

.

“Woon je hier nog maar negen maanden? Het lijkt alsof je huisje hier al veel langer staat. Het is een gezellig hoekje, dat je gemaakt hebt.” De jongen die naast me staat kijkt bewonderend naar mijn zelfgebouwde huisje en het driehoekje gras wat er achter ligt, keurig groen en gemaaid. Aan twee kanten wordt het minituintje omzoomd door de gevlochten wilgenwanden. Er zijn gele en paarse bloemen en er is een plantenkasje. Ook ligt er een hele dikke boomstam, om op te zitten. Er is in gehakt, kennelijk wilde iemand er ooit een beeld van maken. Ja, dit is nu mijn plek. Mijn Rijdende Verhalenhuis kwam hier in november aan. Het gras was nat, de bodem begon al wat zompig te worden. Ik moest hard door blijven rijden met die kleine wieltjes van de elektrische trekhond. En het begon ook nog te regenen. Als niet snel zou zijn en tempo zou minderen dan zou het gladde rubber gaan slippen. Ik had mijn oog op de bosjes gericht. Daar moest ik stoppen. Het liefst vlák ervoor. Het was de enige plek waar ik nog enigszins beschutting kon verwachten. Dat zou ik nog hard nodig hebben. Ik wist hoe heftig hij kan zijn, die zuidwestenwind, hier in het Noorden. In volle vaart stuurde ik haaks naar links en door die beweging was meteen de vaart eruit. Vlak voor de bosjes. De buurman keek toe. “Wil je niet wat meer ruimte bij je ingang?” Nee, zei ik. Het was goed zo. En dat is het nog steeds. In volle vaart is mijn Rijdende Verhalenhuis tot stilstand gekomen. De verhalen zijn bezonken in de klei en ontkiemen weer opnieuw, in de hete zon, in de donder en de bliksem of in weer en wind, aftastend naar ruimte en voedingsstoffen. In gestolde snelheid zijn tal van kleine groeisels ontstaan.

.

Sinds het hooien in mei, is de wilgenhaag al veel dikker en groener geworden.

.

De bezoeker kijkt tevreden en steekt zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken. “Het was geweldig om het eens in het echt te zien. Als je nog eens iemand nodig hebt, dan weet je me te vinden.” Ik knik en schud hem de hand. Ik zal het onthouden. Terwijl ik terug naar binnen ga, duikt er een groepje mussen op de zonnepitten, die ik vanmorgen op de boomstam heb gelegd. De rest van de dag is stil, maar toch anders. Die avond klim ik tevreden in mijn hangmat en de volgende dag wordt opnieuw een verrassing. Ik ga mee met een groep mensen die zich sterk maken voor herstel van het landschap, we trekken er op uit, determineren grassen en zoeken uit welke kruiden er staan. We praten erover, we zien donkere luchten over het weidse landschap trekken en de blauwe lucht erachter. We worden net niet nat en zijn tevreden dat we elkaar kunnen ontmoeten. We weten allemaal hoeveel werk het is, wat er ons te doen staat. “Als je weinig terughoort over wat je hebt gedaan dan is het goed. Dan klopt het in de omgeving,” zegt een jongen. Ik zucht opgelucht. Ik denk aan de wilgenhaag bij mijn veldje. De dag gaat voorbij en ik kijk naar de mensen terwijl ze in de verte verdwijnen op hun fietsen. Het is of het water een nieuwe bedding heeft gevonden, die daar altijd al lag. Alsof dit een stam is, waarin ik altijd al thuishoorde en die verspreid over het land met hun groene vingers de ruimte doen herleven. Ik weet dat ze er zijn.

.

.

Laat de tijd maar eens stilstaan. In het spinrag van gestolde snelheid gaat het wemelen van leven. Altijd. Dat is de wet van de natuur.

.

.

Copyrights foto’s: Alowieke van Beusekom.

.

.

Als alles vanzelf gaat

.

.

Hebben we onze spieren nog wel nodig? Een e-bike of een auto, je hoeft hem alleen maar van energie te voorzien en je gaat er als een speer vandoor. Elk moment dat je wilt vlieg je over de weiden, als in een droom.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan het verhaal.

Mijn fiets wordt gemaakt. Dat doet de buurman. Die is daar handig in en hij houdt van fysiek werk. Vaak zie je hem in de weer met planken of het lasapparaat. Of met een fiets die hij gevonden heeft bij het grofvuil. Hij weet er veel van. En nu maakt hij mijn fiets, terwijl ik zijn e-bike te leen heb gekregen. Wat een luxe! Ik krab eens aan mijn hoofd, terwijl ik naar het zware rijwiel kijk. Het hebben van een e-bike is voor mij een beetje dubbel, maar wel een mooie kans. Wat zal ik daar eens mee doen. Naar vrienden toe, in Oosterbierum? Dat lijkt me een goed plan en ik regel een afspraak voor morgen. Het is een boerenfamilie, die ik leerde kennen op mijn reis. Ik ben er altijd welkom.

De volgende dag waait het hard. Mooi zo, dan heb ik extra profijt van de gratis energie. Ik zal er moeiteloos doorheen rollen. Met de fiets aan de hand loop ik naar het grindpad toe. Precies op hetzelfde moment komt Ellis aanfietsen. Ook op een e-bike. Ze stopt als ze me ziet. “Mooi hè! Ik heb hem te leen”, zegt ze. Ik lach en kijk naar de mijne. “Ik toevallig ook. Maar ik wil er nooit eentje hebben. En zo min mogelijk gebruiken. Je spieren worden er steeds dunner van weet je, want je doet eigenlijk niks. En als je verder ook niks uitvoert, dan kunnen ze zo verschrompelen, dat je je evenwicht niet meer kan bewaren. Dan val je met fiets en al om.” Ze kijkt me enigszins geschrokken aan. “Echt waar? O..” Bemoedigd door haar blik ga ik nog even verder. “Ja. En dan te bedenken dat de mensen vroeger wel 60 km op een dag liepen. Wat een degradatie van de mensheid!” Ze kijkt nadenkend in de lucht. “Is dat zo? Misschien kunnen we steeds meer andere dingen en hebben we dat niet meer nodig.” Verbaasd kijk ik naar haar jonge bruine ogen. Ze zal twintig jaar jonger zijn dan ik. Jonger nog, misschien. Wat gaat ze nog meemaken in de toekomst? Ik denk hardop verder. “We zullen onze spieren nog hard nodig hebben,denk ik. Eigenlijk zweven we op de vondst van olie en andere grondstoffen. De gemakkelijke manier waarop alles nu gaat, maakt ons los van de aarde. Maar al die grondstoffen zijn tijdelijk. En met geestkracht kunnen we nog steeds geen treinen en auto’s laten rijden.” Bij het woord geestkracht zie ik haar blik even verlangend naar de lucht kijken. Ik ken die blik. Ik zie hem vaker. Bij jonge mensen met smalle duimen van het klikken op de virtuele toverdoos. Als alles vanzelf gaat, dan lijkt er heel veel mogelijk, zonder dat je je fysiek hoeft in te spannen.

De e-bike is leuk. Ik kan er heel hard op. Het is wel raar. Het feit dat ik niks hoef te doen geeft me eenzelfde ervaring als televisie kijken. Als een toerist kijk ik naar het landschap als door een glazen raampje. Er vliegt een eend op uit de sloot. Geschrokken. Ik merk dat het me weinig kan schelen. Verbaasd constateer ik het bij mezelf. Dit wil ik niet. Zo ga ik niet met de wereld om. Ik zet de snelheid twee standjes lager en rijd rustig verder.

Vele betonpaden en weilanden verder ligt de dijk, met een aantal kleine dorpen op een rij. Eén van die dorpen heet Oosterbierum. (Easterbierum op zijn Fries.) Vlak ernaast is de boerderij waar ik moet zijn. “Pluktuin”, staat er op een bordje naast de weg en “Boerderijwinkel.” De blonde boerin komt me lachend tegemoet en biedt thee aan. “Lust je deze?” vraagt ze en ze plukt een blaadje watermunt af naast het terras. Daar zeg ik geen nee op en terwijl er ook nog vers geplukte aardbeien voor mij op tafel worden gezet met heerlijke koeken, verwonder ik me over de grote gastvrijheid. Deze mensen werken keihard om al die aardbeien, groenten, bomen en bloemen uit de grond te laten groeien en ik mag daar zomaar in delen! We praten over de oogst van bloemkolen. Over de bioboer verderop die met pijn in zijn hart moest zien hoeveel van zijn oogst was aangetast. Slakken ja, zoveel slakken! We praten over de jongens die met zware kisten sjouwen door de modder, in de regen. En in de winkel liggen ze te koop, soms maar voor één euro per stuk, mooi roomwit en onaangetast. Alsof ze zo uit de fabriek komen rollen en er geen mensen aan te pas komen. Dat is hard. Pijnlijk, en oneerlijk.

Terwijl ik naar huis fiets denk ik terug aan de woorden van Ellis. “Misschien hebben we dat wel niet meer nodig.” Wat hebben we niet meer nodig? Onze spieren? Als je dood bent, ja dán heb je ze niet meer nodig. Maar nu zijn we op aarde. We moeten eten en een plek onderhouden waarin we leven. En je weet maar nooit, hoelang deze tijd van luxe duren zal. Dat alles vanzelf gaat. Als in een droom vliegt de e-bike door de weiden, en het vliegtuig door de lucht boven mij. Wie hoog vliegt kan ver vallen. Ik ben voor een geleidelijke landing. En dat die jongens die het zware werk doen op het land en elders ook een keer gezien worden.

Ik neem een beslissing. Als ik thuis ben breng ik de e-bike meteen terug. De volgende keer ga ik weer écht fietsen.

.

Groene likes of paarse liefde

.

.

Vlinders houden van paars. Dit is een Atalanta op de kattestaart die ik in Brabant heb laten groeien. In het verhaal gaat het over een koninginnepage. Die heb ik helaas niet kunnen fotograferen.

.

Liever luisteren? Scroll naar onderen en klik op de knop onder de tekst.

Terwijl vrienden zich afvragen of hun vakantie wel door kan gaan, heb ik geen zorgen. Code geel of oranje, het doet me niks. Ik ben waar ik ben. Ik loop langs de onverharde weg, die in de volksmond “Jochumsreed” wordt genoemd. Het is het einde van een twee kilometer lange grindweg. Jochums deel loopt langs kruidige weiden met klaver en boterbloemen, en op het laatst kom je langs grote wilgenbosjes, met essen en esdoorns er tussen in. Er achter glinstert de Zwette.Tussen de bomen kun je de bodem niet meer zien, alles is bedekt met een dikke massa groen. De bergen kleefkruid en opgeschoten brandnetels lijken al het andere leven te hebben overwoekerd. Toch heb ik hier vorige week kattestaarten ontdekt, onder die halfvergane deken van planten. Ze zijn nog klein, maar eentje bloeit al. De heldere paarse kleur steekt mooi af, tegen al dat donkere groen. Elke dag kijk ik er even naar. Voorzichtig haal ik de laatste slierten kleefkruid weg en trek een grote dorre pol gras uit de grond. Ik denk aan een vijver, in het verre Brabant, waar ik ooit naast woonde. Net als hier ontdekte ik een paar kattestaarten. Ik gaf ze de ruimte en al gauw werd het een paarse zee van bloemen. Vlinders houden van paars. Op een dag landde er een koninginnepage. De prachtige witte vlinder was mijn beloning. Het was maar even, toen trok hij weer verder. Ik glimlach bij de herinnering. Dan raap ik de achteloos neergegooide sikkel weer op en loop verder naar het Verhalenpad, dat kronkelend door de wei loopt. Ik hak hier en daar lang gras door, dat door de wind over het pad is gaan hangen. Het waait hard, maar niet zo hard als gisteren. Ik bewonder de bomen, die het zo goed doen. Als gouden sterren duikt de honingklaver op in een zee van gebogen halmen.

Ik kijk en werk. Want werk is er altijd. Ik houd het speels, want van spelen krijg je nooit genoeg. Soms moet er opgeruimd worden. Gisteren was hier een groot feest, vlak naast mijn veldje. Allemaal jongens van twee dorpen verder. Ze waren uitgelaten enthousiast. Eindelijk kon het weer, feesten! Na de lange stilte van de lock down waren ze er duidelijk aan toe. Ze hadden het erg naar de zin. Ik ben al gauw vertrokken naar mijn hangmat in de hooiberg. Daar was het heerlijk rustig. De volgende ochtend kwam ik weer terug. Er lag er een hele berg afval naast Jochumsreed, met een hoop plastic flessen erbij. De jongens zijn er op aangesproken en mogen niet meer terug komen. Dat is mooi, vind ik. Maar wat te doen met die flessen? Een voorbijganger wees mij op het nieuwe merkje: De flessen hebben sinds kort statiegeld. Het idee werd al snel geboren. Als ik nou elke keer de flessen wegbreng en van de opbrengst nieuwe bomen koop? Met een fietskar vol statiegeldflessen kwam ik in het dorp aan. Bij de automaat van de supermarkt stond een jongen. “Van de opbrengst koop ik bomen,” vertelde ik. Hij keek me met grote ogen aan. “Echt waar? Dan krijg je al mijn kleingeld erbij. Ik ben heel erg voor méér natuur.” Verbaasd bedankte ik hem.

Dit biedt mogelijkheden, dacht ik. Als ik dit nou vaker ga doen, dan maak een T shirt met “Petflessen voor bomen”! Ik plaatste het idee op facebook. “Zo maak je iets dus groter dan je eigen erf!” schreef ik. Ik kreeg tientallen likes.

Mijn eigen woorden galmden na in mijn gedachten. Hoezo groter maken? Wat betekenen die petflessen eigenlijk voor mij? Niks. Het is en blijft rotspul. Mij gaat het immers om levende dingen. En dat geld? Geld heb je soms nodig. Maar het kan ook zonder. En hoeveel energie steek ik straks in die stomme plastic flessen, terwijl er in al die kleine hoekjes hier zoveel levends groeit? En die jongen van dat geld, waar is die nou?

⁠Te snel, teveel willen. Grote plannen, waar je veel likes voor krijgt of geld. Goed voor je ego! Ik denk dat op die manier al vele luchtballonnen zijn opgelaten. Subsidie aanvragen werken ook zo. Ik heb eenmaal subsidie aangevraagd voor de restauratie van het schip met mijn man, de Koophandel 2. Ik kreeg het ook nog! Wat was ik blij. Maar mijn lief stierf, ik moest het schip verkopen. Uiteindelijk is het naar de sloop gegaan, in Drachten, hoorde ik. Ik besef nu dat het niet om het geld gaat, maar vooral om de betrokkenheid. Die jongen van de flessenautomaat zie ik misschien nooit meer terug. Ik had hem beter kunnen uitnodigen. Geld is leuk. Maar als je er alleen voor staat met handenvol werk dan is de waarde van geld maar betrekkelijk. En is het niet veel leuker als mensen levend groen komen brengen? En helpen planten? En zijn de mooiste verrassingen niet heel stilletjes verscholen onder bergen brandnetels en kleefkruid? De kattestaart groeit daar gratis en voor niets. Ze wacht op mij.

.

Dit filmpje is gemaakt vanuit mijn enthousiasme voor de sikkel. Ik noem het hier een handzeis, maar een handzeis ziet er anders uit. Hij is recht. Er zijn een hele hoop mensen geweest die me dat hebben vertelt, dus ik zeg het er maar meteen bij! Als je in de winkel een zeis of sikkel koopt, kom je sowieso uit bij de afdeling “zeisen”. Voor het slijpen heb ik een stenen schijfje. Er zijn ook mensen die vinden dat je een zeis nooit met de haakse slijper moet slijpen, daar zijn hele oude technieken voor. Wellicht komt dat nog een andere keer aan bod. Mooi om te weten: De sikkel is één van de oudste gereedschappen van de mens!

.

Op de markt gebeurt het

.

.

Cultuur hoort met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou eigenlijk iets feestelijk moeten hebben. Dat vind ik op de markt.

Wil je liever luisteren? Klik dan op de knop onderaan het verhaal.

.

Ik ben laat. De dag is snel voorbijgegaan. Nu Dick er niet is, doe ik heel andere dingen. Ik heb thee gedronken bij een buurvrouw. Natuurlijk heb ik de pompoenen verzorgd en ook een stukje van de camping gewied, waarbij ik tot mijn verrassing kattestaarten ontdekte. Ze waren nog klein en zaten verborgen onder massa’s kleefkruid en hoog opgeschoten brandnetels. Die heb ik allemaal weggehaald. Heel voorzichtig. Wat zullen ze straks mooi bloeien, nu ze de ruimte hebben! Ik houd van de lange paarse bloemen en de bijen die er op afkomen. En vlinders… Steeds meer ontdek ik er. Hele kleintjes nog, allemaal smalle puntige blaadjes. Ik ga er helemaal in op. Het is al half vier geweest wanneer ik met bedenk dat ik nog naar de markt wilde. Het is al half vier! Ik pak mijn fiets en in stevig tempo ga ik er van door. Eerst over de Hegedyk, dan door de stad. Ik ga over asfaltwegen en tussen bedrijfsgebouwen door. Bij het station linksaf, dan ben ik er. De biologische markt is ’s middags rustig, ik kan gewoon met de fiets aan de hand de kramen af. Eerst naar Bakker Bolhuis. Ik weet nu dat “bôle” brood betekent in het Fries. Is het dan eigenlijk Bakker Broodhuis? Dat moet ik eens vragen. Het echtpaar begroet me allerhartelijkst en roepen onmiddellijk : “Daar is de zangeres! Melvin, ze wil graag een duet met je zingen!” Ik schrik op. Aan de andere kant van de kraam staat inderdaad Melvin met zijn gitaar. Ja, ik heb al een paar keer meegezongen, vanaf de kant. Ik houd heel veel van meerstemmig zang. Vier jaar had ik zangles, maar nooit vond ik de juiste mensen. Ik heb de droom om te zingen al jaren in de koelkast gezet. Maar de sfeer op deze markt is warm en ingevroren zaken smelten al gauw. Melvin loopt gelijk naar me toe. “Ah, daar is de tweede stem!” Ik pak twee zware oerbroden uit de hand van de bakker, maar tegelijkertijd staat de muzikant al vlak naast me te spelen. Hij zingt “You never walk alone” en verwacht dat ik inhaak. Eindelijk leg ik dan mijn boodschappen opzij en ga naast hem staan. Dat had ik natuurlijk gelijk moeten doen. Ik haal de tweede stem vol en diep uit mijn buik. Het klinkt prachtig samen.

Melvin speelt maar één liedje met me. Jammer. Sommige kramen beginnen al op te ruimen. Het was kort maar prachtig. Ik heb niet alleen gezongen, maar ook met allerlei marktlui gepraat. Ik voel me thuis. Een goeie markt is zo belangrijk. Hier kan ik groenten, granen, knollen, kolen en fruit kopen, helemaal zonder plastic. Zelfs noten en rozijnen zijn er te krijgen in een papieren zak. De mensen zijn aardig, mededeelzaam en maken grapjes. En er is muziek! Ik begin het steeds meer te beseffen. Een goeie markt is voor mij een stuk cultuur. Cultuur hoort voor mij met voedsel verbonden te zijn. Zelfs het kopen ervan zou altijd iets feestelijk moeten hebben. Zoals hier, op vrijdag in het centrum van Leeuwarden. Volgende week kom ik weer, maar dan vroeger. Een mooi stuk cultuur laat ik niet stikken.

.

.

.