Herstel van het wilde paradijs

.

.

Dit verhaal hoort bij het thema van mijn boek: “De heilige traagheid der dingen”, waar ook dit schilderij in thuishoort.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

“Er stond een interessant stukje in de krant” zegt mijn vriend. Hij woont een stukje verderop en om een uur of elf ga ik er altijd heen om koffie te drinken en te bespreken wat we hebben gelezen en beleefd. “Het gaat over een vrouw,” vertelt hij verder “en ze doet mee aan een onderzoek: Hoe is het om nu te eten als een jager verzamelaar. Leven van de wilde natuur dus. Het dieet is beperkt. Ze eet ook geen appels. Die zijn te ver doorgekweekt, zegt ze. Maar ze reist wel naar Schiphol om afgeschoten ganzen op te halen, en ze stopt dingen in de diepvries.” We raken erover in gesprek. “Waarom nemen die onderzoekers geen inheemse stammen voor hun onderzoek?” vraagt Dick, “Er zijn toch mensen die nog steeds op die manier leven?” Ik hoef niet lang na te denken. “Dit is interessanter,” zeg ik. “Het gaat over ons. Wat wij zouden doen, op de plek waar we leven. Als het onderzoek internationaal is, dan zijn er overal mensen die opeens na moeten denken hoe ze dat in ’s hemelsnaam moeten doen, op de plek waar ze zijn.”
Ik denk er nog de hele dag over na. Hoe zou ik het doen? Naar Schiphol reizen en een gans in de diepvries stoppen vind ik flauwekul. Hazen schieten doe ik ook niet, er zijn al anderen die dat doen en er zijn er al te weinig. Bovendien heerst er hazenmixomatose. Konijnen zijn er niet en onze kippen zijn allemaal opgegeten door steenmarters. O nee, kippen zijn niet wild, dus dat telt niet mee in het onderzoek. Tja, verder kun je nog eieren eten van weidevogels, maar die worden bedreigd door grootschalige landbouwmethoden en roofdieren. Bovendien mag dat niet meer, eieren eten van kievieten en grutto’s. Aan eetbare wilde planten vind je hier slechts een beperkt aantal soorten. Dat is dan vooral op het land van onze boerderij en bij niet al te nette woonkernen. Speenkruid voordat het bloeit is eetbaar. Ook is hier veel fluitenkruid* en heel veel brandnetel. Op dit terrein staan veel paardenbloemen, omdat het wilde nog een plek heeft. Daarbuiten stelt het weinig voor, het is hooguit hier en daar een plukje in de bermen. Veldzuring, in kleine hoeveelheden ook eetbaar, vind je ook maar weinig. Die worden selectief weggespoten. Er is dus maar weinig keus in het Friese weidegebied.
Een leven als jager verzamelaar werkt alleen opbouwend als je tegelijkertijd werkt aan een groeizaam leefgebied. Het is ongepast om alleen maar te nemen en er niet voor te zorgen. In feite verander je dan ook niks aan de mentaliteit die er nu is. Jager-verzamelaars van vroeger maakten deel uit van een groter geheel. Ze wisten precies wat en waar en hoeveel ze konden nemen. Dat kennen we niet meer. Ook een jager verzamelaar kan veeleisend zijn. Maar gaat het niet in eerste plaats om bescheidenheid en nederigheid, om je plek te kennen? Ik denk aan dieren en insecten. Werken aan het grote geheel, hier op de Swetteblom en daarbuiten. Hier werk ik, hopend dat deze bronplek zich zal uitbreiden. Steeds weer stel ik me voor hoe het eruit zal zien, een lange strook van bomen, die de snelweg in de verte verbergt. Hoe de oneindige rij auto’s langs de horizon langzaamaan steeds dunner wordt. En dat in plaats daarvan bomen zullen groeien. Langs de kilometerslange bosrand zullen mollen de grond losmaken en wilde zaden een bodem vinden en een uitnodiging vormen voor meer. Een evenwicht groeit, dat steeds meer leven aantrekt. Mijn bijdrage is maar klein, maar het is in elk geval een begin. De tien notenbomen die ik plantte zijn ook nog klein, het zal even duren voor ze noten dragen. De wind die er staat is hard, de kleine bomen hebben eronder te lijden. De omringende struiken moeten nog groeien, willen ze echt beschutting geven. Het zullen vooral de mensen na mij zijn, die ervan gaan profiteren. De kruiden en knollen moeten ook nog hun plek krijgen. Het groeit wel, maar vooralsnog valt er weinig te oogsten, veel wordt aangevreten. Alles van waarde duurt lang. Het duurt lang voor het er is. Zeker in onze tijd, waar het efficiëntydenken het gezonde evenwicht zo sterk heeft aangevreten. Gezond evenwicht en wilde natuur, het is met elkaar verbonden. We moeten het terugbrengen. Hoe eerder we daarmee beginnen hoe beter, het liefst samen en desnoods alleen.

Het leven van jager verzamelaar is zo goed als verleden tijd. Er is teveel gebeurd om dit nog te kunnen voortzetten. Eerst moeten we het paradijs herstellen.

* Fluitenkruid: niet te verwarren met het giftige dollekervel. Dollekervel is in het noorden nog nooit gevonden. Het is alleen gezien in Limburg, volgens een ecoloog.

.

.

Gelijkheid en rechtvaardigheid

Oprechte aandacht voor iedereen. Ook voor journalisten.

.

.

Zaterdag 22 maart liep ik naast een verslaggeefster van de Trouw. Het was tijdens de demonstratie in Amsterdam, tegen  rascisme en fascisme en zoals ik het zelf noem,  voor gelijkheid en rechtvaardigheid. Het was een plezier om haar geinterresseerde vragen te beantwoorden. Zelf schrijf ik ook.  Als schrijver doe je je best om op eigen wijze iets duidelijk te maken. Ook journalisten als zij doen dat, zij geven hun verslag zo objectief mogelijk maar toch op hun manier.  Elk mens zal dat anders doen. Daarom zeg ik dit:  het woord “mainstreammedia” is een vreemd woord en het spijt me het steeds vaker te horen. Het spijt me ook te horen dat een journalist als zij steeds vaker met wantrouwen bekeken wordt. “Tien jaar geleden was het nog heel anders”, zegt ze met een gepijnigde blik. “Gelukkig is er in deze demonstratie meer bereidheid om iets te vertellen”  zegt ze dan.

Mainstream bestaat niet.  De schrijvers zijn allemaal afzonderlijke mensen die hun vak uitoefenen. Niet iedereen vindt dezelfde dingen belangrijk. Dat is nou eenmaal zo.  Maar je kunt om te beginnen  gewoon luisteren naar wat iemand je wil vragen. Dan kun je daarna altijd nog beslissen of je antwoord geeft. Je zal zien: wat je van die ander denkt klopt vaker niet dan wel. Journalist of niet. Er zijn wel eens mensen die erop uit zijn om je voor gek te zetten. Dat is rot. Maar daar gaat het nu niet over.

Ik vraag nu de aandacht voor dit nieuwe, half engelse woord: “mainstreammedia”. Ik hoop dat het uitsterft. Ik pleit voor oprechte aandacht, voor elk mens afzonderlijk. Ook voor journalisten.

Deze foto is gemaakt door Irma Abelskamp.

.

Een van de hoofdreacteuren van de Trouw, Karel Smouter,  gaf zijn reactie:

Het is mij uit het hart gegrepen, je oproep. Deze term wordt gebruikt als een verdachtmaking.

Laten zien hoe het ook kan

Het planten van een voederhaag in een Friese weide. Ik ben bij een andere boer.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Als je enkele jaren op een plek woont, leer je steeds meer mensen kennen. Sommigen zijn belangrijk, hebben dezelfde doelen. Ecologisch herstel, bijvoorbeeld. Vaak zijn het de vrouwen van boeren, die dit in hun vaandel hebben staan. Ik heb nu enkelen van hen leren kennen, waarvan er een is die ik regelmatig help. Ze hebben een boerderij met koeien. Tijdens een fietstocht heb ik haar leren kennen en heb nu regelmatig contact. Zo wist ik dat ze net als ik plantgoed had besteld bij Heg en Landschap, om een voederhaag voor de koeien te maken.

.

.

Drie dagen werk ik mee om het plan te realiseren. Gaandeweg merk ik hoeveel ik er eigenlijk al van weet. Pas in samenwerking met anderen merk je goed hoeveel kennis je intussen hebt opgebouwd.

Vandaag werken we met vier vrouwen. Behalve ik zijn er nog twee komen helpen met planten. Er is al een loonwerker langs geweest. Die heeft vanochtend een geul gemaakt, dus we hoeven niet alles met de spade te doen. Dat scheelt. Naast de geul liggen bulten klei en hopen graszoden, los van elkaar, netjes geselecteerd. Verderop ligt een berg tuingrond. Er staat een roze schep in gestoken, kaarsrechtop. Het is mooi voorbereid. Ik doe het grondwerk. Dat ben ik gewend, het scheppen en kruien. De boerin woelt de tuingrond en de klei door elkaar en twee andere vrouwen planten samen de jonge bomen. Het is een heerlijke dag, de zon schijnt, en tussen de bedrijven door kletsen we over het dagelijks leven, zoals dat overal ter wereld tussen vrouwen gaat. Over vrouwen gesproken: Aan het einde van de dag sta ik plotsklaps stil. Er schiet me ineens iets te binnen. “Hee! Het is vandaag Vrouwendag!” Alle vrouwen lachen. Wat een ontdekking. Een echte vrouwendag is het. “Komen jullie eten?” roept de boerin dan “Mijn man heeft de lunch klaargemaakt!”

Na de lunch gaat ieder zijns weegs. Een week later kom ik terug om de klus af te maken. We leggen een dikke laag gemaaid riet naast de boompjes. Naast de sloot ligt er veel van. “Die grasmat is zo dik! Dat riet is echt nodig, anders raakt de plant erin verstikt. En als je straks water geeft wil je graag dat het boompje groeit, en niet het gras.” Ja, dat ziet ze wel. Vorig jaar heeft ze ook een heg aan gelegd, op een andere plek. Er groeide veel onkruid onder. Het uittrekken ervan kostte veel tijd. “Mijn man begreep er niks van, dat ik zoveel tijd stopte in het wieden, vorig jaar” begint de boerin. “Hij zei dat hij er wel even met Roundup langs wilde gaan,” zegt ze ongelukkig. Ze pakt een dikke bos riet en dumpt het zonder nadenken naast de boompjes. Ik kijk ernaar. Perfectionistisch als ik ben, trek ik het iets dichter naar de boompjes toe, zodat echt al het gras bedekt is. Ze merkt het niet op, gelukkig. Ik kijk haar aan, denkend aan wat ze zei. “Ik snap wel dat het een makkelijke gewoonte is. Veel boeren gebruiken het nog steeds in de wei, om zuring weg te krijgen.” Ze knikt, met een blik van herkenning. “Maar als je onder zo’n heg gaat spuiten ga je compleet je doel voorbij. Het gaat immers ook om het bodemleven! Op die manier zorgt de haag ook voor bodemverbetering. Denken de boeren daar niet aan?” Haar gezicht licht op wanneer ze antwoord geeft. “Jawel hoor, toch wel, steeds meer!” Ze ontmoet die mensen bij het netwerk voor Agro Forestry. Gelukkig. Er wordt aan gewerkt. Maar er moet nog veel gebeuren.

Ik hoop dat de boer ziet hoe het groeit. En hoe we het gedaan hebben. Immers: al doende leert men.

.

.

Klik hier om te luisteren:

Wachten op voltooiing

Het lastigste moment tijdens een scheppingsproces. Maar we zetten door. Het komt er.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er zijn veel soorten wachten. Er is een halsreikend wachten op de lente na de winter. Gespannen wachten op de uitslag van je examen. Ongeduldig wachten op je fiets die in reparatie staat. Of wachten op iets wat er al lang had moeten zijn en wat er nog steeds niet is. En dan toch geduldig door te gaan, met wachten. Zolang je wacht, ben je er nog steeds op gericht. Sommige dingen komen juist zodra je niet meer wacht. Maar dat is niet altijd zo. Er zijn zaken die echt concentratie vragen. Werken met een doel. Zoals het schrijven van een boek en het uitgeven ervan. Een boek als het bijna af is, dat is de lastigste tijd. Ik schrijf zo’n boek. Het heet: De heilige traagheid der dingen.

Het is klaar. Nou ja, nog net niet. En ik wacht. Ik wacht nog op het voorwoord, dat F.J. De Waard gaat schrijven. Maar ik wacht vooral op mijn vriend Dick, hij zal de correcties doen, maar begint nog steeds niet. Om de tijd te verdrijven plan ik andere zaken in mijn agenda. Een middag dansen, een uurtje bomen kijken anderhalf uur fietsen hiervandaan, ingaan op oproepen van de WildeWijk, helpen bij MeerBomenNu en bij de buurvrouw die een voederhaag plant voor de koeien. Ik ben nog nooit zo vaak achter elkaar weg geweest. Het lijkt allemaal leuk, maar langzaamaan drijf je dan wel weg van je doel. Het boek, dat bijna af is. Het is een riskant moment, om juist dan allemaal nieuwe dingen te beginnen, uit een soort van verveling. Juist dan zou het wachten met alle aandacht moeten gebeuren, zodat de energie zich verzamelt in plaats van verspreidt. Dat het wegvloeit in allerlei stroompjes die nergens heen leiden en verdampen in de zon.

Ik erken het. Ik zie het gebeuren en streep een paar afspraken door. Als eerste die van zondag. Ik moet een moment plannen, met Dick. Het boek moet op de eerste plaats komen en niet ergens in gaatjes tussendoor gestopt. Ik zeg het tegen mijn vriend: Zondag nemen we de eerste vijftig bladzijden door van je correcties. En dan doen we volgende week weer vijftig. Ritme. De regie nemen. Zo komt het er. En tussendoor wacht ik. Ik trek onkruid weg, maak het klusje bij de buurvrouw af, zodat haar heg een goede start krijgt. Dan ga ik weer naar huis en kijk over de velden. Over het ruige gras van de Swetteblom, een kleine boerderij aan de Swette. Hier gebeurt het. Dit is de bron vanwaaruit ik leef, vanwaaruit ik schrijf, en naar de wereld kijk. En nu is het wachten. Energie verzamelen voor wat gaat komen. De voltooiing, en alles wat daarna gebeurt. Wachten als enige echte optie. Het lastigste moment. Maar het zal lukken.

.

Kiezen voor leven in een tijd van afbraak

Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is dubbel. Enerzijds is het een tijd om blij te worden. Het toverachtige stofje dat alles doet groeien staat op het punt om los te barsten. Alles is ervan doordrongen. De 730 bomen en struiken die ik plantte laten nog weinig zien, maar de wilgenroosjes, de zilverschoon en de smeerwortel ontvouwen hun eerste blaadjes boven de zwarte grond van het Verhalenpad. Op een andere plek ben ik ook bezig, vlak langs het openbare pad. Ik noem het “Het Voorhof”. Er groeien nu 200 struiken en bomen. Ze groeien langs een dicht op elkaar geplante rij wilgen, achter mijn kleine huis. Op de hoek staan ze zo dicht op elkaar, dat er nodig meer ruimte moet komen. Ik zaag een paar wilgenbomen om, de meidoorn en de kastanje kunnen hun takken nu vrij uitstrekken. Met veel genoegen stapel ik de takken op tot een houtril. Ietsje verderop loopt de wilgenrij weer gewoon door, de stammen dicht op elkaar, steeds hoger groeiend. Het is maar een klein hoekje, dat ik heb weggehaald. De stronken zullen opnieuw uitlopen en terugkomen als dichte struiken. Vogels en insecten zullen er beschutting vinden. Daarachter staat mijn gereedschapswagen, een aanhanger met deksel. Er zitten nog steeds zonnepanelen op, die stammen uit de tijd toen ik rondtrok door het Noorden van Friesland. Ernaast liggen de restanten van het vlot, dat ik maakte voor een documentaire, en daarna weer uit elkaar heb gehaald. Ik heb het zo opgestapeld, dat eronder ruimte is. Zo is het weer iets nieuws geworden. Het is het terrein van het winterkoninkje, een plek vol hoekjes om weg te kruipen en beestjes te vinden. Ik heb hem ook nog een eigen nestkast gegeven, die ik middenin de houtril heb verstopt. Ik hoorde het, toen hij het ontdekte. Een opgewonden gekwetter klonk vanuit de dichte berg takken.

.

.

Ik kan heel gelukkig worden van zulke ontwikkelingen. Alles te zien wat dichtbij is en groeit, waarvan ik de planter en de verzorger ben. Maar als ik kijk naar onze positie in groter verband, maak ik me soms zorgen. Rondom strekken de weilanden zich uit van boeren en de rijke paardenfokker en achter de Swette ligt de snelweg, de Haak genoemd. De snelweg, die ecologische leefgebieden doorkruist en veel kapot heeft gemaakt. Het is een economisch bepaald landschap, waar greppels worden dichtgegooid en drijfmest in de weiden wordt geïnjecteerd. De weg ligt er plompverloren ingekwakt en voor het land rondom is geen nieuw ecologisch plan gemaakt. Het is simpelweg opgeofferd, zoals er veel meer wordt opgeofferd. Soms word ik somber, en dan denk ik, wat doe ik hier, in dit land waar steeds meer kapot wordt gemaakt. Is het niet een eindeloze strijd, ik David en zij Goliath? Ben ik water naar de zee aan het dragen door het gras uit te trekken dat zich steeds maar blijft opdringen door de overmaat aan stikstof in de grond? En wat gebeurt er als ik er niet meer ben, verdwijnt het dan? Alles wat ik doe?

Toch ga ik door. Want het is zeker niet zinloos. De manier waarop ik het doe, ruig en divers, met hollingen en bollingen, dat doen er maar weinigen. Het is ook niet alleen ellende. Zeker niet! Het is voor mij als kunstenaar een heerlijke bezigheid, om het land te herscheppen. Het land vraagt om hogere en lagere delen. Wat vocht wil plant ik laag, wat geen natte voeten wil komt hoog. Ik zie hoe duizendpoten, pissebedden en kleine bruine rupsen hun schuilplaats vinden waar het hoger is en de grond losser. En hoewel ik veel genoegen schep om dit alles te zien groeien, komt die vraag steeds weer terug: Hoe levensvatbaar is dit, op lange duur? Iets is levensvatbaar als het op kan gaan in een groter geheel. Als er grond is waar nieuw zaad verwelkomd wordt, en niet per se gemaaid, omgehakt, of uitgetrokken. Als ik er niet meer ben, zal er dan nog iemand zijn die er met liefde voor zorgt? Of zal het met wortel en kluit worden uitgerukt omdat het in de weg staat?

Mijn positie is nogal opstandig. Ik heb letterlijk een groen opstandje, midden in de vlakte. Met opstandjes kan van alles gebeuren. Soms worden ze weggeveegd, soms inspireert het anderen en groeit het juist. Maar als je ermee kapt gebeurt er sowieso niks. En terwijl de mezen en de winterkoninkjes opgewonden hun vogelhuisjes inspecteren, groeit mijn beslissing om taai te blijven en blijmoedig door te gaan. Als we allemaal doorgaan op de plek waar we zijn, dan alleen hebben we kans dat het zal groeien. We hebben overal te maken met dezelfde waarden. Zolang de groei-economie en concurrentiestrijd het belangrijkste is, is de continuïteit van het leven ondergeschikt. Dat is overal zo. Dus ik ga door. Hier, want dit is de plek waar ik me mee verbonden heb. Misschien duurt het nog een tijd, voor de mensen beter met het land om zullen gaan. Maar ondertussen vertellen we elkaar onze verhalen. We wisselen zaden uit en stekken. Soms moet je er een eind voor fietsen. Ruimte blijven maken, in je eigen tijd en ook op het land, dat anders overwoekerd raakt door stikstoflievende gasten. Kiezen wat je ervoor in de plaats zet, wellicht iets dat de ruimte kan vullen, overvloedig en rijk. Na elke keuze weer kijken, wat gebeurt er. Misschien duurt het lang. Misschien blijven de slakken komen, de mollen en de hazen en de woelmuizen, het kweekgras en de horden brandnetels die in snel tempo verder kruipen over het land. Misschien groeit het tergend langzaam, waar je aan begonnen bent. De diversiteit, het voedsel voor mens en dier. Maar elk jaar is er iets wat overleeft. En dat wordt steeds meer. Voeden wat levensvatbaar is. Hoe de toekomst zal zijn dat weet ik niet. Dat weet niemand. Maar wel weet ik: Er is altijd een weg. Leven is onuitroeibaar. Zelfs in een tijd van dood en afbraak, dan juist is het je plicht om te kiezen voor de kant van het leven. Als het fiere gefluit van de winterkoning op een grijze stille dag. Zo zie ik het.

.

.

.

Klik hier voor de luisterversie:

.

PS: Zojuist sprak ik de boerin die woordvoerder is voor agroforestry Fryslan. Zij zegt dat steeds meer boeren zich aansluiten. Moedgevend!

Zestig

.

.

Niet te geloven, ik ben al zestig!  Voor deze bijzondere dag ging ik naar mijn vertrouwde waddeneiland, Schiermonnikoog.

.

.

Mijn vriend Dick is mee.

.

.

Het uitzicht vanuit de kamer in hotel van de Werff .

.

En  zo komt er een nieuw jaar, met nog meer schilderijen, de uitgave van mijn tweede boek, en nieuwe ontmoetingen, vriendschappen en nieuwe kansen. Ik ben en blijf benieuwd. Het leven is net een caleidoscoop.

Hier begint mijn verzet

.

.




Je ontkomt er niet aan om erover na te denken. De dictators van deze tijd. Terwijl ik plant en fluit naar de vogels, terwijl het ritselen in de tuin met de dag sterker wordt, woeden brute krachten elders. Er worden heel wat stenen in de wereldvijver gegooid en de kringen reiken ver. En hier staan wij, in het vlakke land. Waar wij aan werken is klein als mosterdzaad, maar we weten dat het zal groeien. Wat de mannen met macht doen, is maar van korte duur. Het kan nooit lang stand houden. Maar een man met macht kan in een woeste wip veel vernielen. Herstel van het verfijnde mozaiek waarin wij leven duurt lang, veel langer dan het verwoesten ervan. Het zijn vooral  andere mannen die de dictator de macht geven dit te doen. Zijn meedogenloze wip wordt een heldendaad. Soms kiezen ook verwarde vrouwen voor hem. Ze weten niet van het kielzog van ellende dat hem achtervolgt. Ze kennen de woorden niet,  die blijven rondcirkelen op plekken en tussen mensen waar hij is geweest.  Vreemde woorden, vervormd tot afkortingen om het gruwelijke ervan te verhullen. Ze komen uit extreem rechtse kringen. Zo praten ze over GOAT. Dat betekent: Gauw oorlog, anders teleurgesteld. Of OMG, overheid moet gaybashen. Inlevingsvermogen wordt weggelachen. Wetenschap  ook.  De man met macht wordt gezien als een overtuigende persoonlijkheid met daadkracht. Met verbetenheid kondigt hij het aan, het een na het ander, in sneltreinvaart. Hij wil zijn woeste wip maken op het terrein dat hij verovert.  De nietsontziende drang naar dure  grondstoffen, geopolitiek, het uitschakelen van mensen die anders zijn of willen. En niet alleen in China. In Amerika ook. Ik las van een vrouw die zei dat de Amerikaanse president eigenlijk een lichtwerker was. In een wereld vol onzin wordt alles chaos. In die chaos kan alles waar zijn. Slachtoffers met een waas voor ogen geloven hun eigen projecties. Anderen worden woest op de dictator en laten zich meeslepen. Maar verzet begint niet met woede of emotie. Verzet begint met kleine daden. Remco Campert zei het ook, ik citeer:

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z’n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Planten en praten met mensen en vogels. Luisteren en fluisteren. Ik zorg dat het ritselt in mijn tuin.  Hiermee verklaar ik mijn verzet. Laat de wind maar waaien.

.

Vrede, waar begint het en waar eindigt het

.

.

Ik loop mee met een vredesmanifestatie. Tegen welke macht we zijn mag niet worden gedemonstreerd, dat kan namelijk escalatie veroorzaken. Maar tijdens de wandeling blijkt de invulling van die macht wel heel verschillend te zijn.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Daar loop ik dan, door de straten in hartje Groningen. Het is toch een aardige stoet mensen die hier loopt voor de vrede. Ik ben hier met mijn vriend Dick, hij is gevraagd om een vredeslied te zingen. “Ik ga mee!” zei ik en dat vond hij leuk. Dus nu ben ik hier. Het lied is gezongen, de wandeling is begonnen, een rondje door het centrum. Iemand gaf me een bord, “No more violence” staat er op. Dat draag ik nu. Als er mensen kijken draai ik de tekst naar ze toe. Er zijn meer borden en spandoeken, de meesten zijn uitgedeeld door de organisatie. Veel duifjes zie ik, het is allemaal heel lief en zonder schoppende mannetjes tegen kernraketten of vlaggen van Palestijnen of Oekraïne. “We willen alles wat geweld uitlokt vermijden,” zegt een vrouw. “De bedoeling is een vredevolle wandeling. We hebben geleerd om te gaan met escalatie, maar we hebben het nog nooit nodig gehad” zegt ze trots. Het is fijn om met mensen te praten die zich hier oprecht voor willen inzetten. Maar al ziet het er in eerste instantie vredig uit, als je inzoomt zijn er wel degelijk verschillen tussen de wandelaars. Je kunt dezelfde woorden gebruiken en ze totaal anders invullen. “Vrede” is zo’n woord. Het woord “Macht” ook. Dick zingt een oud vergeten liedje: “We vechten tegen de wapens, de wapens van de macht”. Een poging om een gezamenlijk lied aan te heffen. Maar er is niemand die meezingt. We zongen het veertig jaar geleden. Toen ging het over kernwapens. Waar gaat het nu over? Waar denken de mensen nu aan, wat is de macht en wat zijn de wapens waar al die anderen aan denken? Het gaat vast niet meer over dezelfde dingen als vroeger. Ik steek mijn licht op. Al wandelend kun je je tempo vertragen of versnellen en verschillende gesprekken voeren. Dat is het mooie van zo’n wandeling in een groep. Ik kom erachter dat hier veel mensen rondlopen die het woord macht wel heel specifiek interpreteren. Namen als het World Economic Forum komen voorbij en als ik zeg dat mijn vriend van huis uit journalist is, klinkt er wantrouwig: “O? Zeker van de mainstreammedia?” Ik leg uit wat hij doet. Nieuws brengen ten behoeve van een betere wereld. “Ja, maar het gaat niet over het belangrijkste. Zoals 5G.” Ik zeg dat iedereen iets anders belangrijk vindt. Zo is het nu eenmaal. “Waar haal jij je informatie vandaan?” vraagt de man mij dan. Hij blijkt het vooral uit een bepaalde hoek te halen. Sterker nog, van een enkele website. De rest vormt kennelijk de grote stroom van meanstreammedia, die hij zo wantrouwt. Een vriend van hem draagt een petje: “Gezond verstand” staat erop. Ik doe alsof ik van niks weet. Als ik vraag wat het betekent zegt hij “O, ken je dat niet? Er is een hele website van en daar kun je ook dit petje kopen. Ga maar eens kijken!” Op zijn borst heeft hij een antivaccinatie embleem genaaid.

Na de wandeling praten we na in een café. Ook hier blijkt: er is verdeeldheid. Naast me raken twee mannen verhit in gesprek. Ik heb bij de eerste blikken al door, hier kom ik niet meer tussen. Het gaat over zaken die Trump heeft afgeschaft. Zoals USAids. De ene man vindt Trump zo’n ramp nog niet. De ander vindt het een gruwel. Goed dat USAids er niet meer is, zegt de een. Die werkten samen met de CIA beweert hij kort. Fel flitsen de blikken als in een zwaardgevecht. Lekker vredig. Daar blijf ik niet langer tussen zitten. Ik verplaats mijn stoel. Nu zit ik naast de dichteres. Ze droeg haar gedicht voor aan het einde van de wandeling. Christa heet ze. Ze kijkt peinzend en bezorgd. Ik vraag wat vrede voor haar betekent en dan begint ze langzaam te vertellen. “Ik vraag me zo vaak af wat ik nou kan doen, als eenling. En wat ik aan moet met mijn vriendin, die nu PVV stemt. Dat vind ik zo lastig!” Dit is herkenbaar voor mij. Ik heb een buurvrouw die op Baudet stemt. “Het enige wat ik kan verzinnen is het onderwerp vermijden, zeg ik. ”En dan samen gaan tuinieren. Bloemen zaaien, groente verbouwen.” Ze knikt. Dat doet zij ook, ja. De mannen naast me lijken ondertussen definitief uitgepraat. De ene zit me nu met grote ogen aan te kijken. Alsof ik een gedachte heb uitgesproken die hij nooit had afgemaakt. Bloemen. Zaaien. Dat dat ook kan. Daarna hebben we het over verbindende communicatie, Christa en ik. Hoe je je samen kan organiseren zonder meteen ruzie te krijgen. Daar zijn cursussen voor. Heel zinvol.

Die nacht word ik om vier uur wakker en ik slaap niet meer in. Gezichten, woorden, mensen gaan opnieuw aan me voorbij. Het is boeiend om al die mensen te zien, die zich zo graag in willen zetten voor vrede of de gemeenschap. Maar er dringen zich ook vragen op: Als je een vredesdemonstratie houdt waar de scherpte van af is, waar je geen leuzen en vlaggen mag dragen over een zaak die je wezenlijk raakt, waar gaat het dan nog over? Uiteindelijk heeft ieder zijn eigen gedachten. Er blijken onoverbrugbare verschillen te zijn. Misschien hadden we beter een dodenherdenking kunnen houden. Dat gaat ergens over. Daarin kun je je verenigen.
Deze vredesmanifestatie was een bijzondere en leerzame dag voor mij. Maar nu verlang ik naar de dagelijkse gang van zaken. Schilderen in de Doas. Het zorgen voor de bomen. Het ophangen van het vogelhuisje dat ik maakte. Ik weet al in welke boom hij komt. Die ene wilg, iets dikker dan de andere.
Bomen. Ik houd van ze. Misschien zijn het wel de meest vredevolle wezens op aarde. Ze inspireren in eenvoud. Vroeger hield men vergaderingen onder een indrukwekkende oude eik. Altijd onder diezelfde boom. Misschien deed die boom wel mee en zorgde hij voor rust en concentratie. Ik hoop er nog vele te zullen planten en te verzorgen. En dat sommigen van hen heel oud zullen worden en een goede invloed zullen hebben op al het leven om hen heen. Op die manier zal ik mijn bijdrage doen, aan vrede. En ook door mijn verhalen. Dat hoop ik, althans. Want je weet maar nooit, wat mensen allemaal denken. Maar ik heb dan in elk geval mijn best gedaan.

.

.

.

Eerst zij, dan ik

Een bosje voor de dieren

.

Dit is het andere bosje voor de dieren, bij het Verhalenpad, dat ik de afgelopen jaren plantte.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is voorbij, het plantwerk. Terwijl de vorst in de nachten over het veld kruipt en alles wit maakt, wortelen de bomen. Ik ben vrij. Voor even. Heerlijk is het weg te kruipen in mijn warme hol met een boek. Lang doen we over het eten koken, samen, en dan, aan tafel, nemen we met elkaar de dag door en het nieuws. De zuurbessen en het sporkehout staan er in. “Waarom plant je geen kruisbessen en zwarte bessen? Dat is toch veel lekkerder?” opperde een man van Staatsbosbeheer. Hij deed mee aan heggenvlechten in Menaam. Een tijdje later is het de boer die ongeveer het zelfde zegt. “Is er niks voor ons bij?” Nee, dit keer weinig. Van die zure bessen zullen we niet veel eten. En het sporkehout is hooguit te gebruiken als aanmaakhout. Maar dat is niet de bedoeling. Dit bosje is voor de aarde. Het dode hout is om te verteren en bodem op te bouwen. Niet om te stoken. En het levende hout, de bladeren en de bloesems zijn voor de talloze insecten. Het sporkehout, ook wel vuilboom genoemd, bloeit rijk en lang. Van mei tot september! Het wordt een paradijs voor bijen, hommels en vlinders. Er komen rupsen van het boomblauwtje en de citroenvlinder. Ik verheug me op de geurende gele bloemen van de berberis. En daarna zal het er barsten van de bessen. Van een afstand zal je het zien als een rode waas aan het einde van de weilanden. Alles voor de vogels. Er is genoeg voor de mensen. Mensen nemen steeds meer ruimte in. Ik denk dat het een kunst is om bescheiden te blijven. Te weten dat je niet de enige bent op de wereld.

Ik houd van de lange wintertijd. De mist, de rust op het land, de ruimte die de dieren dan hebben. Ik houd mijn pas in om te luisteren. Want straks kan ik dat wel vergeten. Straks, als het weer hoogzomer is. De zomer is een hectische tijd. Iedereen is bezig met leuke dingen doen, en elk paadje wordt belopen, elk plekje moet worden ontdekt. Ik ben steeds meer van de winter gaan houden. De mistige tijd, dat de paden verborgen blijven en de mensen rustiger zijn. Pal naast mijn huis is een klein veldje. Ik schreef er al vaak over. Een grote wilgeboom is daar neergevallen, zijn drie groten takken liggen als een ster uitgespreid op de grond, en van daaruit groeit een nieuw bos. Vanuit die oude takken de nieuwe takken. Erachter is de steiger met het water van de Swette. Het magische plekje wordt steeds meer ontdekt en drie maanden per jaar wordt het volledig overgenomen door grote groepen kampeerders. Mede daarom heb ik het nieuwe bosje geplant. Vijftig vuilbessen en vijftig stekelige zuurbessen. Voor de vogels en de dieren. De Vuilbessen worden bovendien dichte struiken waar je niet doorheen komt. De zuurbessen hebben de meest akelige stekels die je maar kan bedenken. In drukke tijden is het een toevluchtsoord. Ik heb er twee open plekken in gemaakt, die straks alleen nog maar bereikbaar zijn voor de vogels.

Goed voor mezelf zorgen is voor mij eerst goed voor de aarde zorgen. Het is prachtig om te zien hoe het hier steeds meer fladdert, krabbelt en kruipt. Ik hoor het tjilpen, piepen, een kreet in de nacht. Zo hoort het te zijn. Straks, als het bosje groot is, wordt het daar nog drukker. In de lente om te broeden. In de zomer om te schuilen voor de drukte. In de herfst voor de bessen. Dat is niet alleen goed voor hen, maar ook voor mij. Want hoe meer zij van de voor hen begeerlijke rode bessen eten, hoe meer er overblijft van mijn gele herfstframboos. Door geheel te dienen, heb ik er zelf profijt van. Dat heet: de wet der wederkerigheid. De aarde heeft ons veel te bieden, als we haar met liefde behandelen. In zo’n wereld hoef je niet meer overal naar toe. Alles is er al. Zeker als we onze handen uitsteken.

.

.

.

.

Als niks het meer doet zijn er altijd nog de mensen

Door omstandigheden helaas weer geen luisterversie. Dit verhaal bestrijkt drie dagen.

.

.

Ik sta voor het kopieerapparaat. Omdat de kopijwinkel ermee is gestopt kan het nu alleen nog in de bieb. Ik heb een memorystick meegenomen. In de bieb gaat het allemaal weer anders en ik moet de vrijwilligster vragen hoe. “Kijk hier gaat hij in” zegt ze, en wijst op een opening achter het beeldscherm. “Geef me de memorystick maar”. Zij doet het gelijk. “En dan ga je naar de machine en doe je dit en vervolgens dat.” Ze doet alles voor me en praat alsof ik een hulpeloze bejaarde ben. “Nu je pas eroverheen en klaar.” Ze weet heel goed hoe het moet en het gaat razendsnel. Voor ik het weet liggen mijn kopieën klaar. Verbijsterd kijk ik ernaar. Heb ik al betaald? O ja, anders lagen die kopiëen er niet. Verward kijk ik naar het blauwe schermpje van de kopieermachine. Achter me staat een rij en de volgende is al bezig. De vrouw die zojuist het roer van mij over nam is alweer weg. Ik sta roerloos te kijken. Dan loop ik maar weer verder. Er rest mij geen andere keus.
Als ik in de volgende winkel sta is mijn betaalpas weg. Ik zoek alles af en nog eens en nog eens. Nergens te vinden. Terug naar de bieb. Nee, niets gevonden. Ik kijk zelf nog eens, op alle plekken waar ik was. Drie keer niks. Ik moet mijn pas blokkeren. Maar ik heb geen telefoon mee. Die heb ik bij Dick gelaten, want het is ons gezamenlijk internet. We doen alles via de hotspot. Ik fiets naar huis, blokkeer daar mijn pas en vraag meteen een nieuwe aan.


De volgende dag ga ik voor het eerst weer naar de Doas, om te schilderen. Naast de deur is een sleutelkastje met een code. Dat is lang geleden, ik weet de code niet meer. Ondertussen heb ik het stikheet. Ik heb een regenbroek aan en twee dunne jassen over elkaar. Ik trek alles uit en leg het op het tafeltje bij de deur. Dan nog eens proberen. De code. Ik heb de hem van Jenny gekregen. Zij appte hem mij. Ik ga naar Whatts App en vind de cijfercombinatie. Nu weer het sleutelkastje. De pieterpeuterige cijfertjes kan ik nog net zien zonder bril. Hij reageert niet. Dan komt Jenny er aan. Ik had haar verteld dat ik kwam. “O, er is een nieuwe code, had ik dat niet verteld?” Fluisterend onthult ze me de nieuwe cijfercombinatie. En ja, daar gaat het kastje open en ik kan bij de sleutel. Op het kastje ligt een hele berg kleren. Regenjasjes, regenbroek. Ik sjouw alles naar binnen. “Wel de sleutel eruit halen” zegt Jenny. Ja, die moet meteen uit de deur. Anders kunnen ze hem jatten. Maar ik ben nog niet klaar met binnenkomen. Pantoffels heb ik ook mee. Ik doe mijn schoenen uit en dan doe ik daar mijn telefoon en portemonnee in besluit ik. Maar ondertussen praten we honderduit. Ik doe mijn schoenen uit, om de vloer niet vies te maken en pak mijn pantoffels. Hèhè, is het nu klaar? Jenny vraag of ik thee wil. Ja, dat wil ik wel. Nauwelijks heeft ze ingeschonken of ik herinner mij iets. “Waar is mijn telefoon?” Ik kijk in de pantoffel. Hij zit er niet in. Hoe kan dit? Ik ga terug naar het moment voor de deur. Ik heb de code opgezocht. En toen op dat kastje gelegd, waar ook al mijn regenkleding lag. Niet in mijn broekzak zit hij, want mijn kleren hebben vandaag geen zakken. Hij moet daar liggen, maar hij ligt er niet. Jenny belt me maar de telefoon gaat niet over. Hij is gestolen. Ik weet het zeker. In tien minuten tijd. Een telefoon uit 2017 met een barst in het scherm.
Zonder telefoon kan je niks. En er is een ander die wel van alles kan doen. Ik wil de sim kaart meteen blokkeren en bel. “Wat is uw postcode en huisnummer?” vragen ze. Ik vertel het zonder te hoeven nadenken. “Dat klopt niet.” zeggen ze. Ik opper of het dan niet mijn oude adres in Tilburg was, of in Emmeloord. “Nee, het is een adres in Utrecht”. Shit, ik heb een tijdje bij een vriendin ingeschreven gestaan. “Die is geëmigreerd,” zeg ik. Ik weet dat adres echt niet meer uit mijn hoofd. Naast me zit Jenny. Ik bel een oude vriend. Hij heeft haar telefoonnummer. Ik bel met de telefoon van Jenny, helemaal naar Portugal. Het nummer is buiten gebruik. Dan schiet me ineens een huisnummer door het hoofd en een deel van de postcode. We kijken op googlemaps. Stukje bij beetje komt het terug. Eindelijk kan ik bellen en blokkeren. Dat geeft rust.
Maar van schilderen komt niks meer. Eerst wil ik weer een telefoon. Een telefoon met een bankapp en andere dingen, die tegenwoordig van levensbelang zijn. De telefoon is gauw gehaald. Ik heb nog precies genoeg contante flappen. Tweedehands is hij. Maar ik kan er nog niks mee. Er moet een nieuwe simkaart in. Dat kan in de telefoonwinkel en er is een paspoort nodig. Moet ik toch eerst weer naar huis. Ik ben moe. Ik ga morgen wel weer naar Leeuwarden. Het is toch elke keer 22 km fietsen.


De volgende dag besluit ik met de nieuwe bus te gaan. Lijn 93 stopt hier in Bears. Dat scheelt 18 km fietsen. Als ik aankom ben ik precies op tijd. Ik kan zo instappen. Er zit verder niemand in, behalve de chauffeur. Ik hoef niet in te checken, want het apparaat doet het nog niet. Ik mag gratis. “Fijn dat ik zo eens met deze nieuwe bus kan kennismaken!” We zijn er in een kwartier al. Bij het uitstappen vraag ik wanneer de bus terug gaat. “Over twee uur gaat er weer een” zegt hij. Vijf over half twaalf. Ik knoop het in mijn oren. Eigenlijk ben ik zo klaar, maar ik zal me wel vermaken. In de belwinkel wordt mijn telefoon prik ingeblazen met een simkaart. Ik besta weer. Al staat er nog niks op, ze kunnen me weer bereiken. Ik loop nog wat rond, al kan ik niks kopen, zonder nieuwe betaalpas. Wacht ik heb nog een paar muntjes. Ik stap de Spar in voor koffie. Naast me staat een jongen. “Weet jij hoeveel koffie kost? Ik wacht op een nieuwe betaalpas en moet contant betalen. “Ik weet niet of die optie hier wel is. Wacht, je krijgt gewoon een kop van mij!” Zo gezegd zo gedaan. Ik zeg dat ik in een woonwagen woon. “In een woonwagenkamp?” Nee, bij een boer. We praten wat over alternatieve levensstijlen. Hij heeft een tijd in een camper gewoond. Dan moet hij weer weg. Ik loop nog wat rond en loop uiteindelijk terug naar de bus. Op de lange banken zitten overal mensen. Voor hen ligt het grote plein met de perrons op een rij. Hier en daar staat een bus. Ik loop zoekend verder. Het een na laatste is bestemd voor de bus naar Sneek. Gelukkig, al is de lijn nog nieuw, er is een echte halte. Ik kijk naar het digitale bord, waar alles bijgehouden wordt. Geen lijn 93, bij de vertrektijden. Nergens. Vreemd. Er zit niks anders op dan wachten. Hij zal toch wel komen… Maar om vijf over half twaalf is er nog steeds niks. En ook niet om tien over half twaalf. Na even zoeken vind ik een bord met vertrektijden, op ouderwetse papiertjes. Hier staat lijn 93 wel op. Tot mijn verbazing wijken die volledig af van de tijden die in Bears worden gemeld. Ook geen bus om vijf over half twaalf. Om half twee pas. Hoe kan dat nou. Ik meld het op het kantoortje. Ze zal er meteen werk van maken, dank voor het melden, alles is nog nieuw. Sorry voor de overlast. Tja, dan maar met de trein, en daarna vier kilometer lopen.

Na anderhalve kilometer bedenk ik me dat ik wel kan gaan liften. Bij de eerste beste auto steek ik mijn duim op en een klein blauw autootje stopt meteen. Er zit een aardige jongen in, uit Boksum. “Ik hoef niet in naar Bears, maar ik breng je wel even.”

Gelukkig heb ik de tijd. Maar ondertussen, het wordt steeds ingewikkelder. We komen van de ene knoop in de andere. Steeds meer oren worden aangenaaid aan het digitale leven. Vernieuwingen volgen elkaar op, tot niemand het meer begrijpt. En dan blijkt, keer op keer: Van elkaar moeten we het hebben. Niet de technologie, maar het zijn de mensen die het doen. Wij, met elkaar.