Een warm vuur in mijn borst

.

 

dansend-twee-en-vijftig-jaar-kl-frm-2

 

 

Mijn 53e levensjaar is vandaag begonnen. Hoe ouder ik word, hoe lichter en speelser het leven. Als een vrolijke Ierse jig, die steeds sneller gaat. Heerlijk. Na het zware werk van de afgelopen twintig jaar, verlang ik naar meer speelse lichtheid in het bestaan en naar muziek. We vieren mijn verjaardag en we dansen en zingen de vonken ervan af.

Het is een bijzondere avond, hier in Eindhoven. Ik heb er ver voor moeten fietsen. En nu zijn we er! Ik was er aan toe. Al urenlang geniet ik van de muziek, die klinkt als een klok door de luidsprekers. De zaal lijkt op een kerk, daardoor krijgt de hele belevenis iets magisch, en de hoge ruimte boven onze hoofden maakt onze voeten nog lichter.
Geboeid luister ik. Ik ben langs de kant gaan staan, om me even helemaal op de muziek zelf te concentreren, zachtjes wiegend en zingend vind ik een tweede stem die zo klopt met de muziek dat het er naadloos bij lijkt te horen, lange melodielijnen als een meanderende rivier. Het volgende nummer is wilder en ik zing in een reeks van staccato kreten, die het ritme van de muziek lijken te versterken. Het is of de aarde zelf haar leven in mijn voeten stopt, het door mijn hele lichaam laat stromen en door mijn mond naar buiten galmt. Ik voel me als een olm in de wind.
Ik stap naar voren en beweeg rustig mee met de mensen en laat me al zingend naar het midden voeren. Af en toe kijkt iemand blij verrast opzij, bij het horen van een heldere stem naast zich. Ze beginnen mee te zingen, soms aarzelend, dan weer vol overgave, luid boven de muziek uit. De ene stem wisselt zich af met de andere. Niemand weet wie ermee begon. Ik straal stilletjes en luister.
Mijn lichaam danst de dans die eeuwig lijkt te duren.

Dan is het stil. Een zaal vol mensen staat in afwachting en niemand beweegt nog. Ergens uit de hoek begint een blonde vrouw piano te spelen. Het is het lied Hallelujah, van Leonard Cohen. Ze zingt ingetogen door de microfoon, de mensen zingen opgetogen mee. Ik word naar de piano toe getrokken als een magneet. Op twee meter afstand blijf ik staan. Ik zing nog steeds, hoog helder en blij. De diskjockey staat aan de andere kant van de piano, een enthousiaste vrouw met een rond gezicht en grijzend haar. Ze kijkt me lachend aan en terwijl ik haar mond zie bewegen als de mijne en de muziek naar een crescendo voert, moedigt ze me aan met haar ogen. Haar hele lijf lijkt te zeggen: luider, helderder, laat het galmen! Ik blijf naar haar kijken en mijn stem groeit door haar blik. Ze had dirigent kunnen worden, denk ik bewonderend. Dan verdwijnt ze. Ik blijf staan en mis haar.

Na het eerste lied volgt een tweede, een heel lang lied. En nu, na heel lang kijken, durf ik dichterbij de spelende handen te komen. Opeens sta ik naast haar, naast de pianiste. Ik demp mijn stem, zing zachtjes een octaaf lager dan zojuist en zoek contact. De pianiste negeert me. En ineens vind ik de toon niet meer. Even sta ik vertwijfeld en verlegen naast haar, niet wetend wat te doen, maar het is al gauw duidelijk. Zodra ze kans ziet om haar linkerhand van de piano los te laten, wappert ze me afwerend weg. Ik spring geschrokken terug. Oei. Ze heeft vast volle concentratie nodig en een volkomen onbekende naast zich stoort haar. Als een pingpongballetje schiet ik terug de zaal in en kijk om me heen.

Daar is de jongen, met wie ik aan het begin van de avond danste en samen zong. Hij kijkt me lachend aan, alsof hij wil zeggen: „O, was je dáár!” Een warm vuur gloeit in mijn borst. Hier hoor ik nu, tussen al die mensen. Hier, waar we met elkaar iets maken wat elke keer ongekend is. Zo wil ik oud worden, heel oud. En zingen. Laat stralen wat er stralen kan. Maak levend wat kan leven.

 

Dit gedicht maakte ik op mijn vijfentwintigste.

Lieve god,
die in mijn tenen
en mijn vingertoppen
Sta me bij
want ik wil leven
Bloeien wil ik,
bewonderen en laten groeien wil ik
Lieve, lieve, lieve
Jij

Omdat ik besta

.

Aarde, maan en het bestaan

.

Precies op mijn verjaardag komen ze binnen. Vijf hoogstambomen en acht struiken bessenhulst. Ik ga ze planten. Want ik besta. Ik neem en ik geef. Een cadeautje voor de aarde is het, op mijn geboortedag. Eigenlijk kan ik het best elk jaar doen. Nu ben ik hier, dan weer daar. Het kan overal.

Een paar dagen later staan de bomen parmantig rechtop, verspreid over het terrein. De struiken gaan vandaag de grond in. We moeten er ruimte voor maken, kappen, hakken en graven. We maken ons klaar voor een flinke klus.
„Hé Dick, de stroom ligt er uit.“ Ik sta bij de werkbank, die ik achter mijn wagen heb gebouwd, samen met een flinke berging, waarin veel van mijn gereedschap ligt. Ik heb net een spade geslepen. De schep ligt nu in het nog half bevroren gras. Trots kijk ik naar de glimmende rand. Haarscherp fonkelt hij in de zon, scherp genoeg om dikke stronken uit de stijve zwarte grond te hakken. Een rij donkergroene struiken staan glimmend te wachten. Die moeten er straks in.
De elektrische kettingzaag hangt in mijn hand. Maar hij doet niks meer. Ik kijk naar Dick, die aan komt lopen. „Misschien was hij vastgeroest en liep hij warm,“ opper ik „ik heb WD40 bij de ketting gespoten, nou loopt hij soepeler.”
„Doet de slijpmachine het ook niet?”
„Nee,” antwoord ik. „De prik is er af.”
„Waar is de stroomkast?” vraagt Dick. Ik wijs.
Samen lopen we naar het kleine grijze kastje, aan het einde van de rij coniferen. Het deurtje staat half open, maar we worden geen wijs uit de rij gele, blauwe en groene knopjes en schuifjes. „Ach, ik bel Ton wel en dan neem nu de snoeizaag,” zeg ik onverschillig.
Even later sta ik bij een dikke conifeer. Ik kap wat kleine takjes weg en zet de vlijmscherpe zaag in de stam. Mijn arm maakt een lange beweging heen en weer. Bij het trekken zet ik kracht. Ik geniet van het ritme. Binnen de kortste tijd ligt de boom om. „Die stroom heb je helemaal niet nodig!“ grijnst mijn vriend.

We werken hard. We hakken de stronken weg met scherp geslepen spades. Grote kuilen van zwarte grond blijven over. Nu de compostaarde. Bij het veldje van de dieren ligt een grote berg, die dagelijks groeit. We halen er heel wat volle kruiwagens weg. Ik zet één van de struiken in een gat. Rond en onder de wortels stop ik fijn materiaal uit de kruiwagen, kleine takjes, losse grond en verrotte blaadjes. Fijn voor de struik, dan kan hij haarwortels maken. Er bovenop maak ik een dikke laag van rot blad. Er zit paarde- en ezelmest doorheen.

Het gaat veel sneller dan gedacht. We zijn bijna klaar als Ton de stroom komt aanzetten. De rij coniferen is nu onderbroken door hulst. Ze zijn net boven de knie, maar zullen groeien. Vogels vliegen nieuwsgierig door de ontstane gaten en pikken in de smeuïge bedjes compost. Op het veld ligt een berg gesneuvelde coniferen. „Sorry coniferen,“ mompel ik verontschuldigend. Tenslotte heeft alles recht om te bestaan. Ook coniferen. Maar deze mochten niet. Zoals veel zaken in het leven moesten ze wijken voor de menselijke wil.

Ik wil zorgvuldig zijn. Ik luister en kijk. Hier en daar grijp ik in, haal iets weg of voeg iets toe. Geduldig wacht ik op het juiste moment. Het gaat niet om mij, gelukkig niet. Het gaat om iets anders, groter dan ik kan overzien. Ik help een handje bij het groeien. Heerlijk vind ik dat. Wat het ook mag worden.

.

INFORMATIE, over de bomen en hoe ze het deden.

Ik was op minicamping de Ontginner in Haghorst, zandgrond in Brabant, met zeer wisselende waterstanden. ‘s Winters nat, zomers droog. Hier heb ik twee soorten kersenbomen geplant. De eerste is “Prunus Bigarrea Napoleon”

Een kleine gele kers, zelfbestuivend, weinig gevoelig voor ziektes. Twee van de drie gingen dood. De eerste stond midden in  keiharde platgereden grond, waar elke winter een enorme plas staat. Ik heb een grote kuil gegraven, humusrijke grond toegevoegd, de grond rond de boom iets opgehoogd, maar dat heeft allemaal geen zin gehad. Hij ging dood. Ik heb mijn broer gevraagd hoe het bij hem ging, hij is boer in Denemarken en heeft 2000 kersen geplant. Ook bij hem zijn alle bomen die te nat stonden dood gegaan. Op zo’n natte plek wil een prunus het kennelijk niet doen en de volgende keer zal ik op zo’n locatie geen kers planten, zelfs niet als iemand er om vraagt. Tenzij iemand komt met een uitzonderlijk soort, die er tegen kan.
De tweede stond pal naast een muurtje, waar veel mieren hun nesten hadden onder de stenen. Omdat er naast het muurtje gereden moest kunnen worden met de trekker en om woonwagens te slepen, werd hij er strak naast geplant en kreeg weinig ruimte. De boom deed het eerst heel erg goed, maar ging plotseling dood. Mierennesten hebben de wortels blootgelegd met tal van gangen. Ik heb dat vaker gezien. Dus geen boom planten pal naast een muurtje met mieren eronder.
De derde staat midden op het veld, op een plek die minder nat is, maar nog steeds met een behoorlijke compactie van de bodem. Hij leeft nog, maar groeit na anderhalf jaar nog steeds niet verder.

De tweede kers heet “Prunus a Kordia”.

Pluktijd half juli. Een grote hartvormige vrucht, diep donkerrood met een goede smaak. Lange vruchtsteel. Zelfbestuivend.
De twee bomen groeien ontzettend goed. Ze hebben allebei een betere plek gekregen dan de andere drie, daarom is moeilijk uit te maken of het veel sterkere groeiers zijn, of dat het komt door omstandigheden. De één staat mooi hoog, op losse bossige grond, naast een tegelplaatsje, met een diverse ondergroei. De tweede staat bij de ingang. In de winter kan ook daar veel water staan, maar toch heeft deze kers daar totaal geen last van gehad. Misschien stond hij net in een beter stukje, of kan deze boom toevallig wèl tegen wat nattere grond.
Wie hier ervaring mee heeft, vertel het!

 

 

Een-en-vijftig!

.

.

51 jaar!

.

„Het verval komt nog wel. Dat kun je mooi zien als je elk jaar een foto maakt.“ zegt mijn vriend Dick vrolijk, als ik me afvraag hoe het is om zeventig te zijn. „Nee hoor, niks daarvan“ zeg ik eigenwijs. „Het velletje wordt misschien wat minder strak, maar de spieren houden de rest goed bij elkaar! Van afstand zie je over tien jaar nog steeds geen verschil, en over twintig jaar ook niet. Wedden?“
„Ach joh,“ zegt Dick „Ik vind je altijd mooi.“
Ik ben vandaag één-en-vijftig geworden. Toen ik vijftig werd heeft Dick het beeld van mij vastgelegd, bij de vijver. Dat was vorig jaar. Het was een hele koude dag en in mijn Eva’s kostuum ben ik gauw weer naar binnen gerend toen de foto gemaakt was. Nu maken we weer een foto. Midden tussen de natte akkers. En volgend jaar ook. En dan weer ergens anders. Elk jaar eentje! Het is een avontuurlijke ontdekkingstocht door de tijd, die ik graag deel met anderen. Mijn lijf en ik en waar ik ben, daar gaat het over

Hiep hiep hoera.

Ik hou ervan
het leven
van verval en rottigheid
en dan
dan komt het groeien

Ik kon groeien
als een den
zo tof
dat ik geboren ben!

Ik dank de wind
om mee te stoeien
ijskoud of vol beloftes

Ik blijf toch een
vroeg lentekind
.

EN DAN NU….

Hoe ben ik 51 geworden? Een globaal overzicht van mijn dagelijks leven zoals ik het in de loop der tijd heb opgebouwd.

  • Regelmatig water drinken, vooral voor het naar bed gaan en bij het wakker worden. Vaak ook       ’s nachts.
  • Elke ochtend een uur lichaamswerk. Poweryoga, gewichtheffen, springen, dansen, zingen, bekkentrekken. Tien minuten is trouwens ook al effectief, dus geen smoesjes dat ik geen tijd heb. ’s Avonds doe ik het ook vijf of tien minuten.
  • Vers geplet graan eten uit eigen molentje. Haver, gerst, rogge, met lijnzaad, rozijnen, veel pompoenpitten, kokos, paar cashewnoten, paar hazelnoten, goed fijngekauwd of gemalen. Gemengd met water, scheut geitenmelk, kokosvet en kaneel.
  • Ik sta altijd. Als ik schrijf of teken, of werk achter mijn laptop, dan doe ik dat ik staande achter een lessenaar. Soms urenlang. Goed voor de ademhaling en nooit last van mijn rug. Ik houd de hele dag een actief gevoel. Ongemerkt doe ik toch vaak wat stapjes heen en weer of wiebel met mijn heupen.
  • Tussen de middag fruit eten.
  • ’s Avonds geniet ik van het bereiden van de maaltijd. Ik maak een mix van allerlei seizoensgroente. Vaak eet ik er peulvruchten bij en wat gierst of boekweit met kruiden. Soms hele jonge geitenkaas. Geen vlees. Ik meng er wilde planten door, die op dat moment groeien.

Nu zijn dat brandneteltoppen, jong kleefkruid, fluitekruid, en vogelmuur als salade. fluitekruid moet je wel kunnen herkennen om vergissing uit te sluiten. Ik zie het, maar ik ruik het ook, dat het fluitekruid is. Het verwante dollekervel is wel giftig, maar van een enkel hapje krijg je niks en de smaak van giftige planten is vaak totaal anders. Er zitten ook paarse vlekken op de stengel van dollekervel. Dat heeft het fluitekruid niet.

  • Veel buitenlucht en zonlicht.
  • Extra vitamine D slikken in de winter. Marmite voor de B12.
  • Kruidenthee.
  • Koffie versgemalen met granenkoffie gemixt en carobepoeder voor het zoete smaakje. Veel melk erbij. Mix van zelfgemaakte havermelk en geitenmelk.
  • Lekker diagonaal slapen in mijn brede hangmat, met schapenvachtjes erin. Heerlijk schommelen als ik nog niet slaap.
  • Veel naar buiten kijken zon, wolken, regen, vogeltjes…. en muziek luisteren in de avond.
  • Beperken van kijken op internet en facebook. Voornamelijk s ochtends en s avonds en maximaal twee uur per dag.
  • Opruimen wat ik niet nodig heb, veel weggeven of afvoeren. Soms kan ik het slopen om iets nieuws te maken, of is het organisch en begraaf ik het om te laten composteren.
  • Leeggekomen ruimte laten inspireren door mensen en dingen waar ik blij van word. Soms is er niets of weinig voor nodig, zoals bij dans en muziek en tuinieren.

Spullen waar ik blij van word, heb ik meestal zelfgemaakt, met materiaal wat er is of wat ik speciaal uitzoek. Soms is het ook een herinnering of een cadeautje, dat echt iets voor me betekent. Toch is er niets dat op een vaste plek kan rekenen, bij mij. Ik ben doordrongen van het besef dat alles tijdelijk is en ben voorbereid op elk verlies of afscheid. De rijkdom zit vooral in de geest en in een groeiend inzicht dat alles wat vergaat een bodem vormt voor een nieuwe frisse lente.

  • Tuinieren, vergroten van groeiende en bloeiende zones, verbreden van de blik.
  • Kijken naar hele kleine beestjes.
  • Elkaar voorlezen.
  • Wandelen, wilde planten zoeken en luisteren naar dierengeluiden, alleen of samen.
  • Praten met de buren.
  • Knuffelen.

 

Wensen:

  • Wagen afbouwen! Lekker in mijn eentje, rustig en geconcentreerd.
  • Mijn boek „Drakenlief“ uitgeven en het veel mensen laten lezen.
  • Met Manon Ossevoort wandelen en samen eetbare planten zoeken. (Zij is het trekkermeisje dat naar de Zuidpool reed.) Andere geïnteresseerden ook welkom om mee te gaan. (Omgeving Eindhoven)
  • Dick helpen zijn kamer in te richten, hoogslaper bouwen, dansvloertje met spiegel en hangstoel met katrol.
  • Later: Yoga-acrobatiek doen, samen met anderen. Niet voor een keer maar het liefst op de plek waar ik ben en met regelmaat.
  • Meerstemmig zang met een paar anderen die ook redelijk van blad kunnen lezen of een sterk geheugen hebben voor toon en klank.
  • Meedoen in een dansvoorstelling in de natuur.
  • Voedselbossen planten geïnspireerd door permacultuur met alle lagen: van bodem en kruidlaag tot wat er bovenin de kruinen zit.
  • Kunst en speelplekken maken in die voedselbossen.
  • Een keer wandelen en filosoferen met Lex Bohlmeijer.
  • En ten slotte: Verrassingen en bezoekers verwelkomen. Maar tot de zomer niet teveel, anders komt de wagen niet af. Ik blijf verslag doen in mijn blog, met verhalen, filmpjes en foto’s van de bouw.

Dat was het! En ze leefde nog lang en gelukkig.

Link van Manon Ossevoort: http://www.tractortractor.org/nl/

Jarig!

.

Alowieke 50 jaar bosfee

“Als ik vijftig ben,
dan klim ik nog steeds in bomen.”
schreef ik toen ik twaalf was.
Nu ben ik het.

Het is echt waar.
Ik loop ik dans ik klim,
zelfs krachtiger dan toen.
Hiep hiep hoera

Leve de ruimte
met daarin heel klein en blij
nieuwe richting in de kiem
verder, groeit het, verder

Sterke voeten heb ik nu
bestemd om veel te lopen
Ik kijk, ik schrijf, heb lief, ik wentel
een wereld om haar as

Leef het leven, volle gloed
tot het stille ogenblik
wanneer de lucht warmrood kleurt
roestoranje, heel diep paars

Dan wanneer het zover is,
klim ik nog steeds in bomen
al val ik er op een dag nog uit
altijd blijf ik klimmen.

Niet totdat ik honderd ben
maar negentig toch zeker.

.

jarig.

.