Koortsig

De wereld is koortsig en ik ben koortsig. Maar zeisen in de vroege ochtend helpt.

.

.

Vandaag geen luisterversie

Koortsig. Koortsig ben ik en koortsig is de wereld. Ik ben dus ziek. Naar de demonstratie kon ik niet, hoewel ik graag mijn solidariteit had getoond ten opzichte van de slachtoffers van het onophoudelijke geweld in Gaza. Terwijl het snot en zweet me uitbreekt kijk ik naar filmpjes op Instagram. Beelden van een Palestijns journalistenteam, kinderen niet meer dan een skelet, bombardementen achter elkaar door, alles in puin. Een uur lang kijk ik en zet onder alles een duim, als een van de duizenden. Ik heb er alle tijd voor. Er is niets en niemand die me vandaag iets zal vragen. En in deze stille uithoek zal er ook niemand langskomen om me onverhoopt te storen. Ik wijd me dus volledig aan mijn taak, tot het genoeg is en ik weer aan mezelf moet denken. Beter worden. Stomen onder een doek, Snuiten in een rol WC papier en die stukjes papier niet ergens tussen proppen maar gelijk weggooien zodat Dick niet ook ziek wordt. Eten koken en eerst de handen wassen. Ondertussen niet in mijn neus peuteren. Ik leer het nog wel, Dankzij corona kan ik nu ook sociaal verkouden zijn. Snotteren en tegelijk aan de ander denken.

.

.

Leren door wat er mis gaat. Sommigen zullen medeleven ontwikkelen, zullen vaker aan anderen gaan denken. Anderen zetten de hielen in het zand, en willen hun eigen vrijheden niet opofferen, noch hun meningen herzien. Zo is het, en daar moeten we het mee doen. Ik doe in elk geval mijn best. En nu is het etenstijd. De bonenschotel is klaar. In mijn eentje eet ik de maaltijd op, blijf nog een poos zitten tot Dick terug komt van de demonstratie. Als hij binnen komt trekt hij meteen het rode shirt uit. Kom in het rood hadden ze gezegd. “We trekken een rode lijn, verder mag het kabinet niet gaan met dit beleid ten opzichte van Gaza”. Dick grijnst, terwijl hij het kledingstuk over een stoel gooit. “Het is mijn Salza shirt. Ik heb de print maar aan de binnenkant gedaan. Maar dat maakte achteraf niet uit, er liepen overal mensen met shirts van voetbalclubs en noem maar op.” Het heeft hem goed gedaan er te zijn geweest, en het heeft mij goed gedaan te weten dat er meer dan honderdduizend mensen waren.

We praten nog even en al gauw ga ik terug naar mijn eigen kleine huis op wielen. Goed slapen, morgen gezond weer op. Dat hoop ik. En inderdaad, ik slaap als een roos. Als ik mijn ogen opendoe voel ik het: Het is een stuk beter. Zoals gewoonlijk open ik de deur, terwijl de eerste ochtendschemering de weilanden betovert. Er hangen dikke vlagen mist over het land. En zoals elke ochtend pak ik de zeis. Welke koorts mij of de wereld ook mag teisteren, het zeisen gaat door. Elke ochtend een half uur. De dauw ligt als een koele deken over het droge gras. Het geluid van de zeis is het enige wat ik hoor. Het land en ik, ik en het land. Het land helpt beter worden. De frisheid van de ochtend maakt alles lichter. Langzaamaan voel ik, hoe de energie weer terugkeert. Een nieuwe dag is begonnen.

.

Het boek zoekt een weg naar buiten

De volgende fase komt eraan. Wat is er om de hoek?

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is zover. Het boek met werktitel: “De heilige traagheid der dingen” is klaar om naar uitgevers te worden gestuurd. Uitgeverij Atlas en uitgeverij Vonk kies ik. Kijken wat het wordt. Er is een prachtig voorwoord bij gekomen, waar echt moeite en aandacht voor genomen is. Ik ben blij dat Fransjan de Waard dit heeft willen doen. Dit, tezamen met de nu al een-en-zestig inschrijvingen geeft mij moed. Het is een bijzonder moment na al die maanden. Stukje bij beetje zijn er vijf jaar overheen gegaan om dit boek te schrijven. Ik neem je mee op het einde van de reis, de laatste wandelingen met de wagen, de laatste ontmoetingen op de weg. Dan de definitieve keuze om te blijven waar ik ben, om echt iets voor de aarde te betekenen. De grote succesvolle droom: rondreizen met mijn eigen gebouwde huis met eigen energievoorziening, opgeven voor een kleine droom. Maar wel een droom met wortels en de andere was gegrond met wielen op asfalt!
Nog steeds ben ik tevreden met die keus, hoewel het soms wel volhouden is. Maar wat een bevrediging geeft het. Als ik zie wat er allemaal is gaan groeien op deze plek, dat is prachtig.
Vier jaar ben ik nu intensief bezig.

Toch sta ik nog steeds bekend als “Die vrouw die altijd maar rondtrekt met haar wagen.” Maf, hoe snel die beeldvorming gaat. Terwijl het maar drie maanden was, dat ik echt rondtrok. Dat zeg ik ook de hele tijd, maar dat maakt geen donder uit. Het was een hit en mensen blijven het zeggen. Terwijl ik de afgelopen vijf maanden maar een keer in de trein heb gezeten en nooit verder ben geweest dan Leeuwarden. In het dorp zijn kinderen die me naroepen. “Alowieke! Zwerver! Alowieke!” Het is mij een raadsel hoe ze mijn naam weten. Ben ik zo bekend? Blijkbaar wel. Gisteren fietsten ze me het hele stuk achterna, vanaf de huizen bij de melktap tot aan ons pad. Ik hoorde hun stemmen, maar keek niet. Toch was er iets veranderd. Ze riepen alleen nog mijn naam, zonder zwerver erbij. “Alowieke, Alowieke!” Misschien was het toch iets belangrijks. Ik stopte en keek met een ruk achterom. Daar stonden ze op een kluitje met hun fietsen. Met een hoop gegiechel en gilletjes keerden de kinderen zich gauw om. Ik haalde mijn schouders op en reed door. Kennelijk ben ik niet alleen bekend maar ook nog een spannend tijdverdrijf. Misschien moet ik ze maar eens met de hooivork achterna. Zullen ze vast leuk vinden.
Toch is het raar om bekend te zijn. Hoe mensen iets interpreteren dat weet je nooit. Dat hoort erbij. Laat ze maar denken. Het is geen reden om iets niet te doen. “Doch dyn plicht en lit de lju mar rabje” zegt een oude Fryske tegelwijsheid. Dus dat doe ik. En laat de kinderen zich maar vermaken. We maken er wat moois van. Als we willen is er immers zoveel mogelijk! We kunnen onze direkte omgeving transformeren tot een groeiende oase. Laat de inspiratie voortrollen als een golf, van de een op de ander, totdat niemand meer weet waar het vandaan kwam. Laat het protest tegen de rotgang der dingen zich naamloos en vanzelfsprekend transformeren in een overvloed aan tijd. En dat die tijd zich dan manifesteert als een prachtig paradijs, waarin alle leven een plek vindt om te groeien. Dat is mijn wens, die ik meegeef met het boek. Een boek zoals er vast meer zijn geschreven. Dat het bij elkaar komt als een rivier en stromen gaat. Dat wens ik.

.

.

Inschrijven kan nog steeds!

De banden herstellen

Moet je eerst tussen de indianen leven om de band met de Aarde en elkaar te herstellen?

.

In de nok van mijn wagen is een heilig plekje. Het vormt een symbool voor de achtergrond van dit verhaal.

Soms speelt de verleiding om op ontdekkingstocht te gaan. Een droom die al lokt sinds mijn jeugd. Landen zien waar ik van lees. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over een indrukwekkend verblijf bij indianenstammen. Zou ik dat ook niet willen? Er zijn er genoeg die het doen. Wat voor verlangen is dat, wat hier kennelijk niet te bevredigen is?
De vraag laat me nog niet los. Ik lees verder over diverse stammen in Noord Amerika, en hoe zij naar de wereld kijken. Er is herkenning. Maar moet ik er dan ook heen? Er zijn mensen die een tijd leven in een stam en dan terugkeren met een indiaanse naam. Na een tijd tussen hen te hebben geleefd zijn ze erkend als “Indiaanse ziel”. Er zijn verschillende manieren, waarop indianen anderen erkennen als verwanten. Er zijn stammen in Noord Amerika, die vinden dat je voor een bepaald procent indiaanse genen moet hebben om indiaan te zijn. Maar er zijn ook veel traditionele indianen die dat soort sommetjes maar een westerse uitvinding vinden. Ze vinden het belangrijker dat je een band beleeft met de familie, clan of stam. Bij zulke stammen zul je wellicht een warm welkom vinden. In een langdurig bezoek kan je voor het eerst het gevoel hebben opgenomen te zijn in een gemeenschap. Misschien kom je dan met een glimmend gezicht terug, herboren met een nieuwe naam. “Toen ik bij hen in die zweethut zat had ik het gevoel thuis te komen.” Misschien is dat het, wat we hier missen. De band met elkaar, de terugkerende rituelen. Stel dat het zo is, dat erkenning door een Indiaanse stam werkt als een soort zielsdiploma. Met een nieuwe naam die vertelt dat je als mens je volledig inzet voor de aarde en alles wat daarop leeft. Een band die verder gaat dan die van directe familie. Ten slotte zijn velen op zoek naar die verbondenheid. Dit is een tijd waarop veel families uit elkaar geslagen zijn, hier én daar. Vooral voor hen is het leven hard. Na 1890 werden indianen niet meer vermoord, maar geestelijk kapot gemaakt. Kinderen zijn bij hun ouders weggehaald of onder grote beloften weggelokt en op kostscholen beland. Er was veel misbruik en geweld en een totaal gebrek aan genegenheid. De trauma’s zorgen ervoor dat ze geen band meer kunnen aangaan met wie dan ook en huiselijk geweld zet zich voort in hun kinderen. Het is heel wat je daaraan te ontworstelen. In ons eigen continent hebben we heel andere oorzaken van verwijdering: Individualisme, te grote verwachtingen, te hoge eisen die worden gesteld aan leven en werk. Allemaal zijn we op zoek naar manieren om ons te bevrijden en om weer thuis te komen. Hoe kunnen we de banden herstellen met moeder Aarde en elkaar?

Ik kan wel begrijpen dat iemand zich voor een tijdje wil warmen in een oude traditionele gemeenschap rijk aan menselijke en spirituele waarden. Maar dat moet hier toch ook kunnen! Ik lees over hen, en leef me in. Ik begrijp het en voel het: leven vanuit eenvoud en bescheidenheid, met respect voor wat is. En als ik op die manier verwantschap voel met deze oude volkeren, waarom zou ik er dan naar toe gaan? Voor erkenning wie je echt bent? Het gaat toch in de eerste plaats om het hier weer terug te krijgen, een warmhartige samenleving, de Aarde, het groeien van een gezonde bodem. De vraag is: Hoe begin je. Misschien ben je eerst alleen, maar komt er later meer uit voort. Zo heeft het urenlange werk in mijn eentje met zeis en sikkel mij op een idee gebracht: Misschien is het mogelijk een zeisbrigade op te zetten. Mijn buurman wil graag meedoen, “Misschien kunnen we klompen gaan maken met ons eigen embleem erop” zegt hij. Een eigen stam, maar dan in Friesland. Als je iets wil, moet je er om te beginnen niet alleen in staan. Het is goed als er anderen zijn, die zich oude waarden herinneren.

We moeten terugkijken om te weten hoe het was. Ook wij hebben tradities in gemeenschappelijke banden. We hoeven daarvoor niet per se naar een verre Indiaanse stam. Ook wij hadden rituelen en eeuwenoude seizoensfeesten. Hele groepen werkten vroeger samen. Als het maaitijd was in het weidegebied, dan werkte de hele familie mee en ook anderen. Als het lunchtijd was, dan kwam oma met een grote kan koffie en roggebrood met spek of kaas. Nu moet oma zeventig euro per maand betalen voor koekjes bij de thee, in het bejaardentehuis. Het land smeedde banden tussen mensen. De warmte en de samenhang is zoek. Dit terug te brengen is het thema voor ons en onze kinderen.

In die andere werkelijkheid valt spiritualiteit en politiek samen. Een echte leider leeft bij het spirituele Lakotavolk volgens zeven waarden: Gebed, respect, zorg en medeleven, oprechtheid en eerlijkheid, generositeit, bescheidenheid en wijsheid. Hierin voor elkaar een voorbeeld te zijn. Daar begint herstel, Misschien gaan er nog enkele generaties overheen, voor het zover is. Maar ik werk mee aan de transitie, zolang als ik er ben.

.

Dit verhaal is een verkorte versie van een paar pagina’s uit het nog niet gepubliceerde boek: De heilige traagheid der dingen.

Het juiste moment

Het is net als in de Kleine Prins, wat je aandacht geeft, daar ga je van houden. Met liefde en transpiratie komt de transformatie.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het gras is nat, de lucht is helder. Het wordt weer warmer. Ondanks dat het wat geregend heeft is de grond is nog steeds hard en de mol heeft zich teruggetrokken in het gebied van de wadi’s en de greppels. De zonnepomp bevochtigt het stuk waar de nieuwe boompjes staan en een kikker neemt een duik in de modder, onderin de volgelopen kuil. De zwaluwen vliegen een stuk verderop. Ik zie ze in een vaart over het water scheren. Ze vangen kilo’s muggen en eendagsvliegen. Knap hoor! Ik pak mijn graszeis, die naast de ruigtezeis staat. Het wordt al een hele collectie. Dat is nodig ook, want de gepensioneerde man die kwam maaien heeft er steeds minder zin in, en loonwerkers zijn peperduur, zeker op dat hobbelige greppelland. Mijn aanschaf is dus niet alleen een cadeautje voor mezelf, maar dient ook een algemeen doel. Ten slotte is dit land wel acht hectare groot.Aan een spijker aan de muur hangt de sikkel, die ik voor riet gebruik. Met de zeis in de hand sluit de houten deur van het kleine schuurtje en loop tussen de wilgen door. Eerst door het Voorhof, tussen de jonge elzen door, verder naar het veld waar de nieuwe boomgaard moet komen. Elke dag een stukje zeisen, dat maakt de spieren sterk, en de band met het land groter. Het verhaal van de Kleine Prins vertelt het ons, waar je aandacht aan geeft, daar ga je van houden. Liefde met transpiratie, dat doet wat. De biodiversiteit groeit met de dag. Tussen de nieuwe aanplant kom ik niet met de zeis, daar trek ik het gras uit en ik gooi het neer. De begroeiing verandert. De moerasandoorn verspreidt zich het snelst. Die hoort hier echt thuis, ik vond hem een keer tussen het riet en de brandnetels. Daarna heb ik er nog een paar bij geplant. De daslook breidt zich ook uit, maar een stuk minder snel. De kleine boompjes doen het goed. Het is nog geen bosje maar dat wordt het wel. De elzen groeien en de zuurbessen en het sporkehout lopen zonder uitzondering allemaal uit. Ze hebben al drie maanden tijd gehad om te wortelen. Dan kunnen ze de droge lente goed aan en hoef ik weinig water te geven. Overal tussen de elsjes komt veldzuring op, die de harde grond perforeert met zijn penwortel. Al het leven werkt mee, om van dit land iets moois te maken. Er gebeurt hier veel. De grond heeft me nodig, heeft óns nodig. Soms speelt de verleiding om op avontuur te gaan, op ontdekkingstocht. Een droom die mij al lokt sinds mijn jeugd. Sinds ik op mijn veertiende zes weken door Noord Amerika reisde, met mijn ouders. Sindsdien speelt dat verlangen. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over bezoek aan indianenstammen en wereldreizen. Heb je niks te vertellen als je dat niet doet? Wat je van ver haalt is lekker. Maar wat dichtbij groeit hoort bij je. Al is het minder exotisch. Het is net zoiets als zacht spelen op een saxofoon. Een luide stem opzetten is makkelijker en iedereen hoort het. Zacht spelen is veel moeilijker en je valt minder op. Net zoiets is kiezen voor je eigen verhaal, en niet het exotische van ver weg. Juist thuis te blijven. In dit land, dat het jouwe is, al zijn er 18 miljoen die dat zeggen. Met elkaar is het ons land, een lappendeken waarop je steeds verder in kan zoomen. Nogal een uitdaging, om het zachte, subtiele spel toch vol te houden, ten midden van dit alles. Het gaat ook om beheersing, denk ik.

Ik stap het veld op. De dauw hangt aan de lange halmen. Het is goed dat het nat is, dan glijdt de zeis beter door het gras. Ik maai zoals ik geleerd heb. Linker voet vooruit, zeis naar achteren, zwaai naar voren. Een mooie lange beweging, bijna halfrond om me heen. Dan een volgende stap. Even gaat het bijna mis. Ik moet de zeis wel goed horizontaal houden, anders botst hij tegen de harde klei. Maar elke dag gaat het beter en ik raak ook niet meer buiten adem. Het gras valt neer en bedekt de bodem. Het zal het vocht vasthouden, de wormen voeden. Ik help de aarde. Elke dag is er wel iets wat om me vraagt. De wei, de wormen, de bijen, de bomen. Maar ook de boer of de buren. Ik zing mijn partij, subtiel en zacht, maar toch krachtig.

Het is een uitdaging om niet het meest spectaculaire of exotische te kiezen. Om rustig te wachten tot het zover is, gewoon dichtbij huis. En tot die tijd heel rustig door te gaan. Zwoesj, zwoesj, gaat de zeis. Het wordt een warme dag. Nog even en de zon droogt het gras. Maar nu is het nog vroeg en het veld glinstert van de dauw. En ik ben er. Precies op het juiste moment.

.

.

Van Sandy van Zeisles.nl, in Zeeland

Lekker zeisen

.

Met op de achtergrond het Verhalenpad, de eerste plantlocatie, waar ik tot twee jaar terug nog bomen bijzette.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De nieuwe zeis is aangekomen. In een hele grote doos zat hij, tjokvol papierproppen. Het is een graszeis, dun en verschrikkelijk scherp. Prachtig gereedschap is het. Als je hem goed blijft haren en hem alleen voor gras gebruikt, kan je er je leven lang mee doen. Het is heerlijk om in cadans het gras te zien vallen. De vogels fluiten, de hommels zoemen. Zo hoort het te zijn. Door te maaien kan je kunstwerken maken door sommige plekken wel te doen en andere plekken niet. Elk jaar weer anders. Je kan bloemen en kruiden laten staan, of juist heel kort maaien om de wortelgroei te stimuleren. Hoe meer je ervan weet, hoe interessanter het wordt. Hoewel het ritme van de zeis uitnodigt tot een trans waarin je op de automatische piloot verder gaat, doe ik dat dus niet. Dat maakt het nog veel boeiender. Ik zie hoe hommels en vlinders meteen de nieuwe ruimte gaan verkennen, tussen hoog en laag. Ze zoeken er beschutting als het waait. Maar meestal is het nog vroeg als ik maai, en windstil. De hommels zijn nog niet wakker. De vogels laten in elk geval wel van zich horen. Overal zijn nesten. Ik hoor de tjiftjaf, de winterkoning en een paar rietzangers. De merels, mussen en mezen nestelen bijna allemaal in het dichter beboste stuk, bij de boerderij. Daar is meer beschutting dan hier, hier moet alles nog groeien. Ik help daarbij, met mijn zeis. Het lange gras is nat van dauw, het scherpe mes glijdt er als boter doorheen. Ik strooi het gras onder de begroeiing, onder de bomen en struiken, vooral de jongsten. Het zou nog wel eens heel lang droog kunnen blijven, en een goeie laag mulch zal hen zonder stress door de moeilijke tijd heen helpen. Behalve het gras als strooisel te gebruiken, maak ik er ook een hoop van. Dat is voor de nieuwe boomgaard, een stukje verderop. Het gemaaide gras komt precies tussen de nieuwe aanplant in, aan de ene kant de elsen, zuurbessen en het sporkehout, aan de andere kant een laagblijvende haag van vlechtwilg. Daartussen is alleen nog maar gras. Daar moet de nieuwe boomgaard komen.

De bodem is keihard. Hier komen de twee rijen appelbomen en precies daar, waar ze moeten komen, gooi ik het gemaaide gras neer. De bodem heeft het nodig, als daar fruitbomen moeten groeien. Het zal wormen aantrekken en andere beestjes, die op zoek zijn naar vochtige grond. Die zullen de bodem losser maken. Ze trekken het gras de grond in en verteren het. Het houdt de groei van het gras tegen. Zo maak ik het klaar voor de dag dat de appelbomen worden geplant.

Wat ben ik toch blij met mijn zeis. Er zijn mensen die denken dat boerenwerk geestdodend is en vermoeiend. Dat het steeds maar hetzelfde is. Laten we daar robots inzetten, zegt onder andere Hidde Boersma, een voorvechter van ecomodernisme. Ik ben geen fulltimeboer. Maar ik zou het niet willen missen, mijn zeis niet, het werk niet, en ook niet alles wat ik zie en beleef. De wind te voelen, de structuur van de bodem, hoe het groeit, alles. En ook hoe bijzonder het is om te merken hoe helder mijn hoofd wordt. Zelfs als ik een keer slecht geslapen heb, mijn frisse blik keert terug zodra ik in de velden en tussen de bomen ben. Zouden we dit zinvolle werk over moeten laten aan machines? Ik dacht het niet. Dan komen de kinderen helemaal niet meer achter de laptop vandaan. Hun hele leven blijven ze daarachter zitten. We zouden als mensheid langzaam verschrompelen en wankel en bijziend de wereld ingaan. Dat wens je niemand toe. Kinderen mogen best weten hoe je met een scherp mes omgaat. Kennis en vaardigheden opdoen van al die dingen die een mens nodig heeft om echt te leven.

Liefdevol en voorzichtig strijk ik het natte gras weg, dat aan het mes zit gekleefd. Dan loop ik terug naar mijn schuurtje, pak een doek en veeg hem zo droog als ik kan. Even laat ik de zeis staan en als ik terug kom is het laatste vocht opgedroogd. In de hoek staat de lijnolie. Met de punt van de doek smeer ik het ijzer in. Zo blijft hij glanzend en glimmend scherp. Ik hoop nog vele jaren. Want de bedoeling is dat we er wat moois van maken. Dat heb ik beloofd. En daar heb ik mijn nieuwe zeis hard bij nodig.

.

.

Wil je het hele verhaal lezen van begin tot eind, met alle achtergronden, geef je dan op voor het boek: De heilige traagheid der dingen. Binnenkort kan het naar de uitgever, en dan is een lijst met belangstellenden mooi om mee voor de dag te komen.

Wandeling over het Verhalenpad

Het plantwerk gaat door en alles groeit.. De feeën spelen op een gouden bed van speenkruid.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. (Met verrassing aan het einde)

Ooit is het begonnen. Dit bomenlandje, hier aan de Swette, ver van de openbare weg. Veertig jaar geleden was het de boer die ermee begon. Voor zijn vader hier kwam om te boeren, was het een ruige plek met kleinvee en hij wilde dat wel weer zo. Destijds was er subsidie voor, voor bomen, en in heel Nederland is daar gebruik van gemaakt. Boer Jochum zal in het weidegebied een van de weinigen zijn geweest die zoveel bomen heeft geplant. En nu ben ik ook bezig op deze plek. Het Verhalenpad groeit. Het is niet alleen rijk aan allerlei bomen en struiken, maar ook steeds meer kruiden groeien er. En ik werk door. Tot twee keer toe komt er een opdracht bij. Er mag meer worden geplant, op andere stukken. Soms vraag ik me af: zal dit zo door gaan? Ik doe het met liefde. Het begint steeds meer een tweede natuur te worden. In de herfst wil ik bomen planten. Het is een sterke drang van binnenuit. Ik zoek binnen de wensen van de boer de hoeken waar ik vrijheid heb. Dat lukt prima. De variatie wordt groter en de samenwerking steeds beter.
Vandaag begin ik niet meteen met werken. Ik maak een rondje, gewoon om te kijken. De lucht is stralendblauw. De grond is droog maar niet zo droog als elders in het land. Het is een droge lente. De temperaturen lopen op, maar ondanks de warmte houden de bomen zich in. De essen, schietwilgen en andere grote bomen staan nog steeds in knop. Heel langzaam gaan ze open. Alleen de kleine bomen zijn stoutmoediger.

.

.

Ik loop naar de plek waar ik al vier jaar aan werk, het Verhalenpad. Het meeste is drie jaar geleden geplant. Het groeit hard, door mijn goede zorgen. Maar nu ben ik er al een tijdje niet geweest. Eerst loop ik het veld over, het hek door. Daar achter is het, de lange bult met de gecultiveerde wildernis eromheen. De sleedoorn bloeit wit, en over de grond ligt een goudgeel tapijt uitgespreid. Het speenkruid bloeit opgetogen. Al dat grastrekken heeft zijn vruchten afgeworpen. Het is een sprookje. Als een lentefee loop ik over de gele bloemen. Er komt hier bijna nooit iemand, het pad is bijna verdwenen. Verderop duik ik onder het wilgenbosje door. Daarachter, achter de wilgen, in het wilde stuk, is de sfeer heel anders. Hier bloeien straks tientallen kaardebollen. Paars, met veel bijen erop. Het staat nog vol dorre stengels van vorig jaar. Daartussen staat een wilde appel en een peer en diverse notenbomen. Hoog rijzen de bruine stengels, dor en droog, en de wilde appel en de walnoot staan er bijna onzichtbaar tussen in. Ook de wolmunt heeft een oerwoud aan oude stengels achtergelaten. Ze komen tot mijn borst. De oude stengels zorgen voor lichte schaduwen op de bodem. En de zon schijnt genadeloos, al dagen lang. Goed dat ze er nog staan, de stengels. Ertussen groeit de nieuwe munt, fris en opgewekt.

.

.


Het is een heerlijke plek. Verscholen tussen de wilde ruigte, ligt als een verrassing een wadi. Een door mij gegraven kuil, gevuld met water uit de sloot. Het nauwelijks te zien dat het door mij gegraven is, zo natuurlijk is het geworden. De pomp met zonnepaneel doet zijn werk, ik heb er nauwelijks zorg aan. De blauwe lucht weerspiegelt in het water en een jonge wilg buigt zich eroverheen. Hoog groeit het op, lange stengels, nieuw en oud. Als je hier zou worden heengeleid, geblinddoekt, dan zou je denken dat je in een moerasgebied stond. De kerspruim, wilg en zachte berk doen het goed in de vochtige  bodem. De groeigrage wilgen maken de grond geteed voor anderen. Hier beginnen de verhalen. Met deze beelden groeit de inspiratie. Daarom zijn dit soort plekken belangrijk, al is het in verhouding maar klein. Bronplekken, waar het in vrijheid kan groeien. En dat dan laten zien. Zodat het de wereld in gaat en zich vermenigvuldigt. Zo snel, dat het niet te volgen is. Laat het gaan. En ik ben hier, nu. Hier. De bronplek heeft me nodig.

.

Auteursrechten Alowieke van Beusekom

.

Klik op de knop voor de luisterversie. (Met verrassing aan het einde.)

Blijven vragen

Toen dacht ik: Wat schieten we er eigenlijk mee op als ik hier “Bah” onder zet?

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Ik woon op de Friese klei en het is lente. Ik woon in een land dat als een lappendeken aan zee ligt. Wegen, water, bruggen sluizen, heel veel huizen en eigenlijk nog te weinig. Het is een onoverzichtelijk palet aan belangen. Daar is iedereen druk mee. Ik leg mijn oor te luisteren, naar wat er speelt.
De droge lente,
de eerste glyfosaat in Drenthe
De bodem moet veerkrachtig worden
En het water schoner
De overheid is log en traag
We willen veel
Maar het wachten duurt te lang
en eigenlijk is het al te laat
Shit
Maar beter laat dan nooit. Je kan overal wat van vinden en je eigen conclusies trekken. De socials staan er vol mee. Korte opmerkingen en uitroeptekens. De laatste tijd denk ik er vaker over na voor ik boe of bah roep. Of liever zeg ik het helemaal niet meer. Zelfs niet als het gaat over glyfosaat en dat soort dingen. Een jongen laat een foto zien met gele weilanden. Daar kijkt hij nu op uit, als hij achter zijn huis staat. Ik stond op het punt om mijn ongenoegen te spuien. Maar toen dacht ik: Waarom eigenlijk? Wat schieten we ermee op als ik dat doe? En misschien is er inmiddels wel iets veranderd in de wet, of zijn er mensen mee bezig. Dan staan we met zijn allen te mopperen terwijl dat helemaal niet hoeft.

Ik dacht: Ik zet er geen “Bah” onder, maar een liedje van “Meten is weten”. Dat is een actiegroep. Ik vond het liedje niet, maar wel wat anders. Een website met dezelfde naam. En wat staat er boven?

Bevestiging door Raad van State:

Gebruik van pesticiden is vergunningplichtig.

Op twee april 2025 heeft de hoogste bestuursrechter van het land, de Raad van State, bepaald dat voor het gebruik van pesticiden een natuurvergunning nodig is. Dit geldt voor alle gebruik van middelen in alle teelten, niet specifiek voor lelieteelt nabij Natura 2000.

Wauw, denk ik. Dat is goed nieuws. Meteen geef ik het door aan de jongen die naast dat platgespoten veld woont. “Misschien kunnen we als burger nu melding doen” zeg ik. Maar meteen vraag ik me af: Waar dan? Ik kan dat wel zeggen dat we melding kunnen doen, maar zo weten we nog niks. Onmiddellijk ga ik weer naar de zoekbalk. Melding doen pesticiden, vul ik in. En ja hoor, al snel vind ik een site met een kroontje van Rijksoverheid erboven, met allerlei formulieren. Er staat ook eentje bij voor bestrijdingsmiddelen. Die komt gelijk onder de link. Tevreden kijk ik ernaar. Daar zal die jongen blij mee zijn. Althans, het is in elk geval wat. Want van niks kunnen doen, en alleen maar toekijken, daar word je alleen maar ellendig van. Dat vindt die jongen waarschijnlijk ook. Ik kijk nog eens naar zijn facebookpost. Er staat een lange rij reacties onder zijn akelige foto met het gele veld. Onder alle boe’s en bah’s van zijn post heeft hij een traantje gezet. Een tranendal is het. Maar ik krijg twee hartjes, hoera! Hij schrijft er ook nog wat onder. “Zo’n strohalm geeft de burger moed” zegt hij. Ik neem me voor om het nog veel vaker te doen: vragen stellen. En niet na het eerste antwoord al te stoppen. En dan, als ik het gevonden heb, het antwoord doorgeven aan de ander. We kunnen vast veel meer dan we denken.

Zei Remco Campert niet hetzelfde?

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Een vraag, een antwoord, iets waarmee het gaat rollen. Dat.

Ondertussen plant ik een rij wilgen, naast de volgende akker. Akkers die in dit land gewoon groen zijn en niet geel. Hier op de Swetteblom. De bomen zijn goed voor het land, en de haag zal als beschutting dienen voor de kleine boomgaard die er zal komen. Ook schilder ik gestadig door en werk verder aan het boek. Het uitgeven ervan en het op poten zetten van de expositie, dit alles heeft geen haast. Het gaat immers niet om mij. Het gaat om het grote geheel. Dat het weer gezond wordt. En vragen, blijven vragen. En als jullie mij wat willen vragen, dan mag dat ook!

.

.

.

Wilgenhaag bij de nieuwe boomgaard. De teller van het aantal bomen dat ik plantte, staat nu op 810. Dit in vier jaar tijd en zo goed als zonder hulp. @Alowieke van Beusekom

Melding doen van gebruik bestrijdingsmiddelen? Doe het hier:

https://formulieren.nvwa.nl/formulier/nl-NL/Extern/sc1145_MeldingGewasbeschermingGebruik.aspx/f1145_Melding

Herstel van het wilde paradijs

.

.

Dit verhaal hoort bij het thema van mijn boek: “De heilige traagheid der dingen”, waar ook dit schilderij in thuishoort.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

“Er stond een interessant stukje in de krant” zegt mijn vriend. Hij woont een stukje verderop en om een uur of elf ga ik er altijd heen om koffie te drinken en te bespreken wat we hebben gelezen en beleefd. “Het gaat over een vrouw,” vertelt hij verder “en ze doet mee aan een onderzoek: Hoe is het om nu te eten als een jager verzamelaar. Leven van de wilde natuur dus. Het dieet is beperkt. Ze eet ook geen appels. Die zijn te ver doorgekweekt, zegt ze. Maar ze reist wel naar Schiphol om afgeschoten ganzen op te halen, en ze stopt dingen in de diepvries.” We raken erover in gesprek. “Waarom nemen die onderzoekers geen inheemse stammen voor hun onderzoek?” vraagt Dick, “Er zijn toch mensen die nog steeds op die manier leven?” Ik hoef niet lang na te denken. “Dit is interessanter,” zeg ik. “Het gaat over ons. Wat wij zouden doen, op de plek waar we leven. Als het onderzoek internationaal is, dan zijn er overal mensen die opeens na moeten denken hoe ze dat in ’s hemelsnaam moeten doen, op de plek waar ze zijn.”
Ik denk er nog de hele dag over na. Hoe zou ik het doen? Naar Schiphol reizen en een gans in de diepvries stoppen vind ik flauwekul. Hazen schieten doe ik ook niet, er zijn al anderen die dat doen en er zijn er al te weinig. Bovendien heerst er hazenmixomatose. Konijnen zijn er niet en onze kippen zijn allemaal opgegeten door steenmarters. O nee, kippen zijn niet wild, dus dat telt niet mee in het onderzoek. Tja, verder kun je nog eieren eten van weidevogels, maar die worden bedreigd door grootschalige landbouwmethoden en roofdieren. Bovendien mag dat niet meer, eieren eten van kievieten en grutto’s. Aan eetbare wilde planten vind je hier slechts een beperkt aantal soorten. Dat is dan vooral op het land van onze boerderij en bij niet al te nette woonkernen. Speenkruid voordat het bloeit is eetbaar. Ook is hier veel fluitenkruid* en heel veel brandnetel. Op dit terrein staan veel paardenbloemen, omdat het wilde nog een plek heeft. Daarbuiten stelt het weinig voor, het is hooguit hier en daar een plukje in de bermen. Veldzuring, in kleine hoeveelheden ook eetbaar, vind je ook maar weinig. Die worden selectief weggespoten. Er is dus maar weinig keus in het Friese weidegebied.
Een leven als jager verzamelaar werkt alleen opbouwend als je tegelijkertijd werkt aan een groeizaam leefgebied. Het is ongepast om alleen maar te nemen en er niet voor te zorgen. In feite verander je dan ook niks aan de mentaliteit die er nu is. Jager-verzamelaars van vroeger maakten deel uit van een groter geheel. Ze wisten precies wat en waar en hoeveel ze konden nemen. Dat kennen we niet meer. Ook een jager verzamelaar kan veeleisend zijn. Maar gaat het niet in eerste plaats om bescheidenheid en nederigheid, om je plek te kennen? Ik denk aan dieren en insecten. Werken aan het grote geheel, hier op de Swetteblom en daarbuiten. Hier werk ik, hopend dat deze bronplek zich zal uitbreiden. Steeds weer stel ik me voor hoe het eruit zal zien, een lange strook van bomen, die de snelweg in de verte verbergt. Hoe de oneindige rij auto’s langs de horizon langzaamaan steeds dunner wordt. En dat in plaats daarvan bomen zullen groeien. Langs de kilometerslange bosrand zullen mollen de grond losmaken en wilde zaden een bodem vinden en een uitnodiging vormen voor meer. Een evenwicht groeit, dat steeds meer leven aantrekt. Mijn bijdrage is maar klein, maar het is in elk geval een begin. De tien notenbomen die ik plantte zijn ook nog klein, het zal even duren voor ze noten dragen. De wind die er staat is hard, de kleine bomen hebben eronder te lijden. De omringende struiken moeten nog groeien, willen ze echt beschutting geven. Het zullen vooral de mensen na mij zijn, die ervan gaan profiteren. De kruiden en knollen moeten ook nog hun plek krijgen. Het groeit wel, maar vooralsnog valt er weinig te oogsten, veel wordt aangevreten. Alles van waarde duurt lang. Het duurt lang voor het er is. Zeker in onze tijd, waar het efficiëntydenken het gezonde evenwicht zo sterk heeft aangevreten. Gezond evenwicht en wilde natuur, het is met elkaar verbonden. We moeten het terugbrengen. Hoe eerder we daarmee beginnen hoe beter, het liefst samen en desnoods alleen.

Het leven van jager verzamelaar is zo goed als verleden tijd. Er is teveel gebeurd om dit nog te kunnen voortzetten. Eerst moeten we het paradijs herstellen.

* Fluitenkruid: niet te verwarren met het giftige dollekervel. Dollekervel is in het noorden nog nooit gevonden. Het is alleen gezien in Limburg, volgens een ecoloog.

.

.

Gelijkheid en rechtvaardigheid

Oprechte aandacht voor iedereen. Ook voor journalisten.

.

.

Zaterdag 22 maart liep ik naast een verslaggeefster van de Trouw. Het was tijdens de demonstratie in Amsterdam, tegen  rascisme en fascisme en zoals ik het zelf noem,  voor gelijkheid en rechtvaardigheid. Het was een plezier om haar geinterresseerde vragen te beantwoorden. Zelf schrijf ik ook.  Als schrijver doe je je best om op eigen wijze iets duidelijk te maken. Ook journalisten als zij doen dat, zij geven hun verslag zo objectief mogelijk maar toch op hun manier.  Elk mens zal dat anders doen. Daarom zeg ik dit:  het woord “mainstreammedia” is een vreemd woord en het spijt me het steeds vaker te horen. Het spijt me ook te horen dat een journalist als zij steeds vaker met wantrouwen bekeken wordt. “Tien jaar geleden was het nog heel anders”, zegt ze met een gepijnigde blik. “Gelukkig is er in deze demonstratie meer bereidheid om iets te vertellen”  zegt ze dan.

Mainstream bestaat niet.  De schrijvers zijn allemaal afzonderlijke mensen die hun vak uitoefenen. Niet iedereen vindt dezelfde dingen belangrijk. Dat is nou eenmaal zo.  Maar je kunt om te beginnen  gewoon luisteren naar wat iemand je wil vragen. Dan kun je daarna altijd nog beslissen of je antwoord geeft. Je zal zien: wat je van die ander denkt klopt vaker niet dan wel. Journalist of niet. Er zijn wel eens mensen die erop uit zijn om je voor gek te zetten. Dat is rot. Maar daar gaat het nu niet over.

Ik vraag nu de aandacht voor dit nieuwe, half engelse woord: “mainstreammedia”. Ik hoop dat het uitsterft. Ik pleit voor oprechte aandacht, voor elk mens afzonderlijk. Ook voor journalisten.

Deze foto is gemaakt door Irma Abelskamp.

.

Een van de hoofdreacteuren van de Trouw, Karel Smouter,  gaf zijn reactie:

Het is mij uit het hart gegrepen, je oproep. Deze term wordt gebruikt als een verdachtmaking.

Laten zien hoe het ook kan

Het planten van een voederhaag in een Friese weide. Ik ben bij een andere boer.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Als je enkele jaren op een plek woont, leer je steeds meer mensen kennen. Sommigen zijn belangrijk, hebben dezelfde doelen. Ecologisch herstel, bijvoorbeeld. Vaak zijn het de vrouwen van boeren, die dit in hun vaandel hebben staan. Ik heb nu enkelen van hen leren kennen, waarvan er een is die ik regelmatig help. Ze hebben een boerderij met koeien. Tijdens een fietstocht heb ik haar leren kennen en heb nu regelmatig contact. Zo wist ik dat ze net als ik plantgoed had besteld bij Heg en Landschap, om een voederhaag voor de koeien te maken.

.

.

Drie dagen werk ik mee om het plan te realiseren. Gaandeweg merk ik hoeveel ik er eigenlijk al van weet. Pas in samenwerking met anderen merk je goed hoeveel kennis je intussen hebt opgebouwd.

Vandaag werken we met vier vrouwen. Behalve ik zijn er nog twee komen helpen met planten. Er is al een loonwerker langs geweest. Die heeft vanochtend een geul gemaakt, dus we hoeven niet alles met de spade te doen. Dat scheelt. Naast de geul liggen bulten klei en hopen graszoden, los van elkaar, netjes geselecteerd. Verderop ligt een berg tuingrond. Er staat een roze schep in gestoken, kaarsrechtop. Het is mooi voorbereid. Ik doe het grondwerk. Dat ben ik gewend, het scheppen en kruien. De boerin woelt de tuingrond en de klei door elkaar en twee andere vrouwen planten samen de jonge bomen. Het is een heerlijke dag, de zon schijnt, en tussen de bedrijven door kletsen we over het dagelijks leven, zoals dat overal ter wereld tussen vrouwen gaat. Over vrouwen gesproken: Aan het einde van de dag sta ik plotsklaps stil. Er schiet me ineens iets te binnen. “Hee! Het is vandaag Vrouwendag!” Alle vrouwen lachen. Wat een ontdekking. Een echte vrouwendag is het. “Komen jullie eten?” roept de boerin dan “Mijn man heeft de lunch klaargemaakt!”

Na de lunch gaat ieder zijns weegs. Een week later kom ik terug om de klus af te maken. We leggen een dikke laag gemaaid riet naast de boompjes. Naast de sloot ligt er veel van. “Die grasmat is zo dik! Dat riet is echt nodig, anders raakt de plant erin verstikt. En als je straks water geeft wil je graag dat het boompje groeit, en niet het gras.” Ja, dat ziet ze wel. Vorig jaar heeft ze ook een heg aan gelegd, op een andere plek. Er groeide veel onkruid onder. Het uittrekken ervan kostte veel tijd. “Mijn man begreep er niks van, dat ik zoveel tijd stopte in het wieden, vorig jaar” begint de boerin. “Hij zei dat hij er wel even met Roundup langs wilde gaan,” zegt ze ongelukkig. Ze pakt een dikke bos riet en dumpt het zonder nadenken naast de boompjes. Ik kijk ernaar. Perfectionistisch als ik ben, trek ik het iets dichter naar de boompjes toe, zodat echt al het gras bedekt is. Ze merkt het niet op, gelukkig. Ik kijk haar aan, denkend aan wat ze zei. “Ik snap wel dat het een makkelijke gewoonte is. Veel boeren gebruiken het nog steeds in de wei, om zuring weg te krijgen.” Ze knikt, met een blik van herkenning. “Maar als je onder zo’n heg gaat spuiten ga je compleet je doel voorbij. Het gaat immers ook om het bodemleven! Op die manier zorgt de haag ook voor bodemverbetering. Denken de boeren daar niet aan?” Haar gezicht licht op wanneer ze antwoord geeft. “Jawel hoor, toch wel, steeds meer!” Ze ontmoet die mensen bij het netwerk voor Agro Forestry. Gelukkig. Er wordt aan gewerkt. Maar er moet nog veel gebeuren.

Ik hoop dat de boer ziet hoe het groeit. En hoe we het gedaan hebben. Immers: al doende leert men.

.

.

Klik hier om te luisteren: