Alles wat er is, is mij dierbaar

.

.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapevachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde alles weer recht. Uiteindelijk vond ik rust en sliep ik in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, alles zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

Soms zijn er van die nachten. Je bent klaarwakker en vraagt je af wat je doet, hier in je nest. Zo verging het mij vannacht in mijn hangmat en ik draaide me keer op keer om tot alle dekens en schapenvachten in hobbels en bobbels door elkaar lagen. Ik legde het weer recht, vond eindelijk vond ik rust en sliep in.

De volgende ochtend hoor ik mussen tjilpen. Is het al zo laat? Voedertijd! De klok wijst kwart over acht. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik laat me zakken uit de hangmat, nog wat wankel op mijn benen van de slaap. Dan klauter ik het bordes af om de vogels te voeren op de hoge voedertafel en hun water te verversen. Zelfs slaapwandelend kan ik dit nog doen, zo hoort het bij mijn dagelijkse routine. Ik ben toch nog helemaal niet wakker. Wazig loop ik naar de kas en ga stil op een van de twee luie stoelen zitten. Ik kijk naar de wereld buiten de deur. Het is alsof er over de bomen en het gras een slaperige sluier ligt. Het is er en toch ook weer niet, want ik ben er nog niet. Ik ben er wel, maar het zit nog binnenin. Daar voel ik het heel duidelijk, mezelf als een warme tevreden gloed in mijn borst. Ik doe mijn ogen niet dicht. Vanuit mijn ochtendsluier zie ik iets bewegen. Het is de winterkoning. Hij hipt de drempel over en zoekt tussen de potten en planten naar beestjes. Dat heeft hij duidelijk eerder gedaan. Wat een zorgvuldigheid! Hij kijkt alles wel twee keer na. Dan vindt hij de weg weer naar buiten, zonder mij te hebben opgemerkt.

Ik wil ook naar buiten. Op blote voeten loop ik naar het Verhalenpad. Daar aangekomen zie ik dat het pad zich nu definitief heeft verlegd. Van de week kon je er nog wel een beetje door, tussen de kattenstaarten. Maar vandaag heeft de paarsbloeiende weelde alles in beslag genomen. Ik knip het zijpad vrij, zodat er zich een nieuwe route vormt. Die loopt omhoog, de bult op, langs de berken, de jonge wilgenstruiken en de kruisbes. Ik heb een kommetje meegenomen voor het ontbijt om ze te plukken. Er zijn veel bessen naast gevallen en een kleine wesp gaat er verkennend overheen. Ik pluk tot er geen eentje meer aan zit. Dan richt ik me op en kijk vanaf mijn koninklijke plekje over het ontwakende veld. Nog steeds dromerig, maar toch zie ik alles wat beweegt. Een kiekendief komt langs zweven. En ik ben hier en kijk. Alles wat er is, is mij dierbaar.

.

De wortels zijn de ziel

Er zijn vluchtige verhalen bovengronds, van wat mensen denken te zien. En er er is het verhaal ondergronds: het gemeenschappelijke verhaal dat doorgaat en waarin elk mens een specifieke eigen bijdrage doet. Soms weet je daarvan, soms weinig en vaak ook helemaal niets.

.

Het laatste schilderij van van Gogh was een bodem met boomwortels, gemaakt langs een weg bij Auvers-sur-Oise bij Parijs. (Info: https://www.goedbodembeheer.nl)

Het is markt. Op het bankje bij de loempiaman zit Sietske. Ze wenkt me. “Kom je ook een loempia eten? Ze zijn zo lekker!” Ik antwoord dat ik dat soort dingen niet meer doe. Ik wil nog lang met mijn spaargeld doen en ook nog bomen kunnen planten en Treesistance blijven steunen. “Dan betaal ik het.” Daar zeg ik geen nee tegen en ik ga naast haar zitten. We hebben elkaar vaak kort gesproken maar nog nooit echt uitgebreid. “Hoe is het?” vraagt ze “Ik dacht dat je weer verder zou trekken met je wagen.”

Ik woon hier nu vier en een half jaar in Friesland, bij Leeuwarden. Beeldvorming gaat snel, het veranderen ervan veel langzamer. Het kan wel tien jaar duren of veel langer nog, weet ik uit eerdere ervaringen. “Ik wilde van begin af aan al blijven”. Ze knikt, wil verder vragen, maar we zijn afgeleid. Voor ons speelt een Iers bandje. We klappen mee met het ritme tot er een rustiger nummer volgt. Ik kijk naar de menigte mensen en de bomen die hier pas zijn geplant op het plein bij de Waag. Het doet me denken aan de bomen thuis bij de boerderij. Veel van wat ik heb geplant begint al groot te worden. Vier jaar geleden de eersten en elk jaar plant ik verder. Maar weinigen weten ervan. Maar wat vier jaar geleden in de krant stond weten ze nog wel: er is hier in Friesland een vrouw die een nomadisch leven zou leiden. Ik noemde mezelf een gewortelde nomade. Het woord “nomade” blijft hangen. Daar hebben mensen een beeld bij. Er zijn veel nomaden, met busjes en laptops. Maar dat “gewortelde” dat snappen mensen niet. Terwijl het daar juist om gaat. Sietske wil nu echt weten hoe het met me is. Het antwoord blijft uit, want het feest begint weer. De muziek wordt wilder, Sietske en ik klappen en lachen. Ik heb mijn loempia nog niet gehad, de baas is eerst maar andere klanten aan het helpen. Tot de band ophoudt met spelen. Ik kijk hoe de vier muzikanten om de hoek verdwijnen. Ik eet mijn loempia, Sietske de hare. Ze vertelt me over haar leven nu, we praten over mensen die we beiden kennen en het goede wat ze doen. Dan vraagt ze opnieuw naar wat ik nou eigenlijk doe. Net als ik uitgebreid wil antwoorden komt er iemand aan die haar nodig heeft. Ze excuseert zich en we nemen afscheid. Terwijl ik nog even blijf zitten, denk ik eraan hoe lang het duurt voor een nieuw verhaal geland is. Er gaan jaren overheen voor wat je vertelt is ingedaald. En ondertussen blijf ik planten, ver weg tussen de weiden, waar ik maandenlang niemand zie. Ik denk aan de bomen en het land, ze roepen me.

Het planten van bomen gebeurt in stilte. Terwijl iedereen wat anders aan het doen is plant ik door. De natuur is onze basis. Het is niet alleen dat ik houd van wat ik doe, ik zie het ook als verantwoordelijkheid. Eenvoudig leven hoort daar voor mij onlosmakelijk bij. Trekken met de wagen doe ik niet. Wortelen, daar gaat het nu om. Dat we dit weer leren in een mensenwereld die steeds verder ontworteld raakt.
Geplante bomen en struiken groeien. Soms is er wat mis, dan help ik ze. Met hen heb ik een band die echt is. Ze zeggen niks, ze zijn er. Ze maken me stil, zodat ik alleen nog maar oor en oog ben. Ze komen met verrassingen, dingen die ik zelf nooit bedacht heb. Zonder bijgedachten knip ik het riet, geef het leverkruid en de perenboom de ruimte. Ik wied tussen de aardappels, knip het maaisel tot losse mulch. Ik zorg ervoor. De bomen groeien dicht en sterk. De vogels komen terug en ik kom steeds weer terug. En mocht ik er ooit niet meer zijn, dan groeit alles door op geheel eigen wijze. Voor ik ooit mijn laatste adem uitblaas zal ik kijken naar mijn eeltige vingers en dan weet ik: Ik maak voor altijd deel uit van dit verhaal, een verhaal dat niet alleen van mij is. Wortels groeien opnieuw uit. Maar wat erboven groeit gaat elk jaar dood. Wortels zijn de ziel. Wat echt van belang is vindt zijn weg wel. Het gaat door, in zoekende wortels die elkaar vinden in het ondergrondse web. Het komt via mij en anderen. In welke vorm ook, het gaat door en zo wordt het hele netwerk gevoed.

Ik neem de laatste hap van mijn loempia. Sietske verdwijnt tussen de mensenmenigte.

.

Elke wortel is anders.

‘Onder de grond zijn er veel meer voedingsstoffen dan boven de grond. Voedingstoffen die bovendien in verschillende vorm voorkomen. Voor een mobiel element als stikstof is een heel andere wortel nodig dan een immobiel element als fosfaat.’ ‘Daarnaast hebben mycorrhiza-schimmels een grote invloed op het wortelstelsel’, vervolgt ze. ‘Eigenlijk kun je niet spreken van een losse wortel; schimmel en wortel(s) vormen een systeem. (Monique Weemstra, WUR)

.

Weet je al van mijn nieuwe boek: “De heilige traagheid der dingen? Ik was genoodzaakt een nieuwe uitgever te zoeken, de oude moest inkrimpen. Maar iedere keer dat iemand interesse toont krijg ik weer moed! Elke inschrijving is welkom.

Genezing voor de ontheemden

Een verhaal voor Wereldvluchtelingendag

Tekening van 2016

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het land ligt in afwachting van een nieuwe dag. De puttertjes vliegen over de hoge wilgen naar het lange gras. De spotvogel fluit alle riedels die hij in zijn repetoire heeft. De winterkoning laat merken dat hij er is. Pas geplante bomen groeien weinig door de droogte, maar zullen het overleven. Een vroege kijker loopt langs, blote voeten op het gras. De dauw bedekt hoopvol de droge grond. Alles in de vroege ochtend ademt levenslust. De enkeling kan ontmoedigd naar bed gaan, ziek worden of sterven door barre omstandigheden, maar het leven als magisch geheel hervat zich telkens weer. De ochtend is het mooiste moment om dat te zien. Die kracht is wonderlijk. Waar komt het vandaan?

Je kan moedeloos in slaap vallen, onverschillig voor de wereld. De nacht brengt genezing, het universum brengt nieuwe energie, als een eindeloze bron. Maar voor velen is de nacht nooit meer stil, en is genezing ver weg. Wakker worden met een lichaam dat warm en ontspannen is, blote voeten op het bedauwde gras, alles was er, ooit in een leven dat is weggevaagd. Het zijn de ontheemden, verjaagd van hun voorouderlijk land. Kinderen met grijze haren staren in de verte naar een vader die niet meer terugkomt. De appelbomen waar ze samen mandenvol appels plukten zijn verdwenen. Bommen blijven vallen in slapeloze nachten. Het lichaam van de jongen staat strak van spanning, zo vervuld is hij met woede om de vernedering. Er zijn gloeiende ogen, hij wil rechtvaardigheid en vechten. Geweld schept een vicieuze cirkel die leidt tot almaar meer geweld. Kapotte landschappen, ontdaan van hun liefdevolle zorg, van de mensen die bij deze aarde, hun land hoorden. Kan dit ooit weer goed komen? Misschien. De band die verbroken is kan worden geheeld, als er tijd is en rust. Als er aandacht is voor genezing.

Op 20 juni, Wereldvluchtelingendag, staan we daarbij stil. Het zou veel langer moeten zijn dan een dag. Het zou regel moeten zijn. In plaats van steeds meer geld uit te geven aan defensie, zouden we moeten denken aan de vluchtelingen, hoe we hen kunnen helpen met genezen. Als het met hen goed gaat, dan gaat het met de hele wereld goed. Als de zwaksten gelukkig zijn, is de hele samenleving gelukkig. Dit vraagt alle aandacht. Sommige mensen hebben er hun werk van gemaakt, zoals Milou, Ana en Luna in Nederland en Jonathan Ngangura in Oeganda. Het helpen van vluchtelingen, mensen met trauma’s. Schilderen, kunst, samen werken in de natuur, het maken van tuinen, gemeenschapsvorming. Haal mensen uit hun eenzaamheid, de herinneringen die in hun lijf zijn gaan zitten. Neem ze op in het grote geheel. Appels plukken in de boomgaard, samen taart maken en glimlachen naar de kuikens. Wat weg is komt niet meer terug. Er zijn gaten gevallen die gevoelloos maken. Maar verdoofde harten kun je verlichten. Een glinstering van hoopvolle dauw teruggeven. Blote voeten in het gras, handen weer laten voelen. Daaraan werken met zijn allen, dat is het enige wat echt telt. De aarde weer een paradijs te maken. Het gaat immers niet om ons. Hoe we hier leven, met elkaar. Als iedereen gelukkig is, zijn we het zelf ook.

.

Opgeschrikt in een verhaal

Luisterend naar de stem van een stervende rivier

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.



Het is zes uur in de ochtend. Om een of andere reden ben ik wakker geworden en de regen tikt op het dak. Rustige grote druppels zijn het, de wind is kennelijk gaan liggen. Ik stel me voor hoe de insecten en vlinders beschutting zoeken onder grote bladeren. Veel van die planten heb ik zelf gezaaid of uitgezet en ze breiden zich snel uit. In de tuinradijs, onder de moerasandoorn, overal schuilen libellen en vlinders. Het land, de dieren en ik, alles hoort bij elkaar.

Ik luister naar de regen maar val niet opnieuw in slaap. Wacht, ik kan het luisterboek aanzetten, dat ik gisteren geleend heb bij de online bibliotheek.

“Ik ben een berg die op me wacht” heet het. Een fascinerende titel. Nu zijn hier geen bergen. Hier in Fryslân is water. Ook de Swette, het water wat hier al eeuwen loopt, hoort daarbij. Fryslân zonder glinsterende vaarten en meren, dat kun je je toch niet voorstellen? Ik had er zelf nog niet aan gedacht, om de Swette een stem te geven in een verhaal. De schrijfster van dit boek heeft dat wel gedaan. Het is de rivier die spreekt over alles wat hij ziet. Een nomadenvolk leeft al eeuwenlang samen met de stroom. Er is een vrouw, heerlijk als de zon, die haar handen onder zijn huid dompelt. De rivier is verliefd op haar. Er is een zanger die zingt over de rivier en de bergen. En er is ook een jongen die alleen maar dode vissen verzamelt. Stil lig ik te luisteren. Het verhaal kabbelt rustig voort, net als de regen op het dak. Langzaamaan dommel ik weg. Plots word ik wakker. De stem is opeens scherp geworden. “Waarom verzamel je dode vissen?” vraagt iemand. De jongen antwoord: “Ik luister naar hun verhaal. De dode vissen hebben iets te vertellen. Ze zijn bang voor de toekomst. We zien het toch. Het ijs op de berg smelt. Er is steeds minder water.” De rivier hoort het, maar kan het zich niet voorstellen dat dit kan. Het land als een dor gerimpeld vel, zonder hem als stroom en bron van leven. Zonder rivier is er niets meer. Zonder de rivier geen vissen, geen nomadenvolk dat met hem samenleeft.

Ik ben in een keer wakker. Ik had het boek niet eens zo bewust gekozen. Maar dit! De dreiging uit dit verhaal is onlangs werkelijkheid geworden. Gisteren nog plaatste ik het bericht op Linkedin: De gletsjer in Nepal is gestorven. Hoe dramatisch dit ook is, er werd geen enkele aandacht aan gegeven. Natuurlijk hebben we verschrikkelijk veel aan ons hoofd. Maar toch is het raar. Stel je voor dat er geen water meer in de Swette was, of dat de Rijn bijna niet meer stroomde, of dat het IJsselmeer droog stond! Dan piepten we wel anders. In dit verhaal is het of de ziel van het landschap zijn stem laat horen. En wat daar gebeurt, is nog maar het begin. Als de gletsjer sterft sterft de rivier en zonder water is er geen leven.

Nu ik dit gehoord heb, denk ik niet dat ik nog in slaap ga vallen, bij het luisteren naar dit boek. Ik wil horen wat de schrijfster, Sholeh Rezazadeh, mij te vertellen heeft. Het is een noodkreet. Een verhaal van ons allemaal.

“Ik ben een berg die op me wacht.“ Zo heet het. Morgen luister ik verder. En dan met volle aandacht.

Hoe gaat het verder? Ik wist het nog niet. Maar dit is de tekst bij Ambos uitgevers.

De veertigjarige Alma die woont in een woonboot op de Amstel, een rimpelloze rivier. Ze heeft een drukke baan. Op een dag neemt ze een radicaal besluit: ze reist in haar eentje naar Iran. Daar sluit ze zich aan bij een nomadenvolk. Saray hoedt schapen en melkt geiten. Ze is verliefd op een jongen van een andere nomadenfamilie en ontmoet hem in het geheim aan de oever van de Aras, de bruisende rivier die door het ruige berglandschap dendert.

Lukt het Alma om haar jachtige bestaan achter zich te laten? De nomaden leven bij de dag en eten wat de seizoenen te bieden hebben. In plaats van constant op hun iPhone te turen zijn ze verbonden met elkaar. Maar ze worden in hun voortbestaan bedreigd. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger, Aras buldert minder en steeds meer jonge nomaden willen in de stad leven.

(Noot van mij: Is er in de stad nog wel water dan? Als er geen rivier meer is? Dit vraagt om een vervolg.)

‘Met de natuur als een echt personage en de mens als onvolmaakt wezen op zoek naar liefde en verbinding, droom je weg bij elke zin die je leest.’- JAN

.

De zompige tijd na verzending

En hoe je daar weer uit komt.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het manuscript voor “De heilige traagheid der dingen” is af en verstuurd naar de uitgevers. Het werk is gedaan. Maar het moeilijkste stuk komt nu pas. Schrijven vind ik heerlijk om te doen en het verhaal lijkt als een loper voor me uit te rollen. Toen ik klaar was met schrijven, moest er een voorwoord komen, en toen het kwam was ik blij. Er moesten zeven schilderijen komen bij het boek, en ook die zijn af.

Het manuscript is verzonden naar twee uitgevers en de eerste afwijzing is binnen. Geen botte afwijzing maar een lovende, dat scheelt. Maar hoewel ik het min of meer had verwacht word ik er toch stil van. Ik vraag me af hoe het zal gaan met de tweede uitgeverij, de grootste. Hun boeken passen beter bij mij dan die van de andere uitgeverij, dat heb ik al wel gezien. Maar het is zelden dat een onbekende schrijver een “ja” krijgt, zeker bij zo’n grote uitgeverij.
Ik werk op het Verhalenpad, trek het gras weg tussen de zilverschoon en de bessenstruiken. Het meditatieve werk is ontspannend en geeft veel voldoening. Ik kan eindeloos kijken naar alles wat er groeit, zoemt en kruipt. Maar het is of het Verhalenpad iets zijn betekenis verliest, nu het boek met de verhalen stil ligt te wachten op een grote stapel, tussen talloze andere manuscripten. De stilte is dof en in mijn hoofd komen oude gedachten op. Kom ik er wel tussen? Is mijn verhaal wel goed en helder genoeg om te stralen in een boekenkast met andere inspirerende boeken? Misschien wil geen enkele uitgever me. Aan de ene kant is dat wel makkelijk. Dan hoef ik niet vol in de publiciteit om mijn boek te promoten, want dat vind ik best spannend. Ik kan het boek ook zelf uitgeven, zonder franje eromheen. Meteen wijs ik die gedachte af. Geen sprake van dat ik daaraan toe geef. Ik denk aan die ene keer, toen ik twintig was en met mijn studiejaar op een eiland zat. De opdracht was voor mij om een liedje te maken en laten horen. Ik besteedde er een hele ochtend aan en het was geloof ik best leuk, maar ik durfde het niet te zingen. Ik kreeg op mijn kop van de mentor: “Als je je werk niet laat zien kom je nergens.” Dus dat heb ik inmiddels geleerd. Spreken en trouwens ook zingen is geen probleem meer voor me. Ook niet in het openbaar, al is het toch spannend, als je niet weet wat er gaat komen. En toch, misschien komt er wel een gesprek op gang! Maar dan lees ik een boek van een hele goeie schrijver, waar ik echt van onder de indruk ben. En dan ga ik vergelijken. Zo gaan de gedachten rond in mijn hoofd, tot ik het zat ben.

Ik klim uit de hangmat. Eerst maar eens mijn ochtendoefeningen doen. Ik volg dezelfde routine als altijd en ga dan verder met een dansje. Dan kijk ik naar het symbool in de nok. De rode cirkel van de aarde, in vieren gedeeld, het diepe blauw van het universum er om heen. Het is of ik het kleine raampje opnieuw zie, en de symboliek die ik eraan gaf in goede tijden, keert nu bij me terug. De Aarde, het universum, het groeien. Wat ik geschreven heb moest geschreven worden en zal zijn dienst bewijzen. Elk verhaal is de moeite waard om te delen, zeker als er zoveel tijd aan is besteed. Ik zie mensen over hetzelfde soort onderwerpen schrijven, elk op zijn of haar manier, met veel waardering bij publiciteit. Daar ligt het dus niet aan. De betrokkenheid groeit en ook mijn verhaal zal er komen. Sommige dingen duren lang, maar dat is geen reden om de moed te verliezen. Lichaamswerk en dans doen goed. Als het maar blijft trillen. En die negatieve bijgedachten? Ach dat stelt niets voor. Van nu af aan ben ik Oost Indisch doof daarvoor. Als er niemand luistert dan verdwijnen ze vanzelf. En nu ga ik een flink stuk fietsen.

.

.

https://alowieke.blog/inschrijving-de-heilige-traagheid-der-dingen/

Het juiste moment

Het is net als in de Kleine Prins, wat je aandacht geeft, daar ga je van houden. Met liefde en transpiratie komt de transformatie.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het gras is nat, de lucht is helder. Het wordt weer warmer. Ondanks dat het wat geregend heeft is de grond is nog steeds hard en de mol heeft zich teruggetrokken in het gebied van de wadi’s en de greppels. De zonnepomp bevochtigt het stuk waar de nieuwe boompjes staan en een kikker neemt een duik in de modder, onderin de volgelopen kuil. De zwaluwen vliegen een stuk verderop. Ik zie ze in een vaart over het water scheren. Ze vangen kilo’s muggen en eendagsvliegen. Knap hoor! Ik pak mijn graszeis, die naast de ruigtezeis staat. Het wordt al een hele collectie. Dat is nodig ook, want de gepensioneerde man die kwam maaien heeft er steeds minder zin in, en loonwerkers zijn peperduur, zeker op dat hobbelige greppelland. Mijn aanschaf is dus niet alleen een cadeautje voor mezelf, maar dient ook een algemeen doel. Ten slotte is dit land wel acht hectare groot.Aan een spijker aan de muur hangt de sikkel, die ik voor riet gebruik. Met de zeis in de hand sluit de houten deur van het kleine schuurtje en loop tussen de wilgen door. Eerst door het Voorhof, tussen de jonge elzen door, verder naar het veld waar de nieuwe boomgaard moet komen. Elke dag een stukje zeisen, dat maakt de spieren sterk, en de band met het land groter. Het verhaal van de Kleine Prins vertelt het ons, waar je aandacht aan geeft, daar ga je van houden. Liefde met transpiratie, dat doet wat. De biodiversiteit groeit met de dag. Tussen de nieuwe aanplant kom ik niet met de zeis, daar trek ik het gras uit en ik gooi het neer. De begroeiing verandert. De moerasandoorn verspreidt zich het snelst. Die hoort hier echt thuis, ik vond hem een keer tussen het riet en de brandnetels. Daarna heb ik er nog een paar bij geplant. De daslook breidt zich ook uit, maar een stuk minder snel. De kleine boompjes doen het goed. Het is nog geen bosje maar dat wordt het wel. De elzen groeien en de zuurbessen en het sporkehout lopen zonder uitzondering allemaal uit. Ze hebben al drie maanden tijd gehad om te wortelen. Dan kunnen ze de droge lente goed aan en hoef ik weinig water te geven. Overal tussen de elsjes komt veldzuring op, die de harde grond perforeert met zijn penwortel. Al het leven werkt mee, om van dit land iets moois te maken. Er gebeurt hier veel. De grond heeft me nodig, heeft óns nodig. Soms speelt de verleiding om op avontuur te gaan, op ontdekkingstocht. Een droom die mij al lokt sinds mijn jeugd. Sinds ik op mijn veertiende zes weken door Noord Amerika reisde, met mijn ouders. Sindsdien speelt dat verlangen. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over bezoek aan indianenstammen en wereldreizen. Heb je niks te vertellen als je dat niet doet? Wat je van ver haalt is lekker. Maar wat dichtbij groeit hoort bij je. Al is het minder exotisch. Het is net zoiets als zacht spelen op een saxofoon. Een luide stem opzetten is makkelijker en iedereen hoort het. Zacht spelen is veel moeilijker en je valt minder op. Net zoiets is kiezen voor je eigen verhaal, en niet het exotische van ver weg. Juist thuis te blijven. In dit land, dat het jouwe is, al zijn er 18 miljoen die dat zeggen. Met elkaar is het ons land, een lappendeken waarop je steeds verder in kan zoomen. Nogal een uitdaging, om het zachte, subtiele spel toch vol te houden, ten midden van dit alles. Het gaat ook om beheersing, denk ik.

Ik stap het veld op. De dauw hangt aan de lange halmen. Het is goed dat het nat is, dan glijdt de zeis beter door het gras. Ik maai zoals ik geleerd heb. Linker voet vooruit, zeis naar achteren, zwaai naar voren. Een mooie lange beweging, bijna halfrond om me heen. Dan een volgende stap. Even gaat het bijna mis. Ik moet de zeis wel goed horizontaal houden, anders botst hij tegen de harde klei. Maar elke dag gaat het beter en ik raak ook niet meer buiten adem. Het gras valt neer en bedekt de bodem. Het zal het vocht vasthouden, de wormen voeden. Ik help de aarde. Elke dag is er wel iets wat om me vraagt. De wei, de wormen, de bijen, de bomen. Maar ook de boer of de buren. Ik zing mijn partij, subtiel en zacht, maar toch krachtig.

Het is een uitdaging om niet het meest spectaculaire of exotische te kiezen. Om rustig te wachten tot het zover is, gewoon dichtbij huis. En tot die tijd heel rustig door te gaan. Zwoesj, zwoesj, gaat de zeis. Het wordt een warme dag. Nog even en de zon droogt het gras. Maar nu is het nog vroeg en het veld glinstert van de dauw. En ik ben er. Precies op het juiste moment.

.

.

Van Sandy van Zeisles.nl, in Zeeland

Blijven vragen

Toen dacht ik: Wat schieten we er eigenlijk mee op als ik hier “Bah” onder zet?

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Ik woon op de Friese klei en het is lente. Ik woon in een land dat als een lappendeken aan zee ligt. Wegen, water, bruggen sluizen, heel veel huizen en eigenlijk nog te weinig. Het is een onoverzichtelijk palet aan belangen. Daar is iedereen druk mee. Ik leg mijn oor te luisteren, naar wat er speelt.
De droge lente,
de eerste glyfosaat in Drenthe
De bodem moet veerkrachtig worden
En het water schoner
De overheid is log en traag
We willen veel
Maar het wachten duurt te lang
en eigenlijk is het al te laat
Shit
Maar beter laat dan nooit. Je kan overal wat van vinden en je eigen conclusies trekken. De socials staan er vol mee. Korte opmerkingen en uitroeptekens. De laatste tijd denk ik er vaker over na voor ik boe of bah roep. Of liever zeg ik het helemaal niet meer. Zelfs niet als het gaat over glyfosaat en dat soort dingen. Een jongen laat een foto zien met gele weilanden. Daar kijkt hij nu op uit, als hij achter zijn huis staat. Ik stond op het punt om mijn ongenoegen te spuien. Maar toen dacht ik: Waarom eigenlijk? Wat schieten we ermee op als ik dat doe? En misschien is er inmiddels wel iets veranderd in de wet, of zijn er mensen mee bezig. Dan staan we met zijn allen te mopperen terwijl dat helemaal niet hoeft.

Ik dacht: Ik zet er geen “Bah” onder, maar een liedje van “Meten is weten”. Dat is een actiegroep. Ik vond het liedje niet, maar wel wat anders. Een website met dezelfde naam. En wat staat er boven?

Bevestiging door Raad van State:

Gebruik van pesticiden is vergunningplichtig.

Op twee april 2025 heeft de hoogste bestuursrechter van het land, de Raad van State, bepaald dat voor het gebruik van pesticiden een natuurvergunning nodig is. Dit geldt voor alle gebruik van middelen in alle teelten, niet specifiek voor lelieteelt nabij Natura 2000.

Wauw, denk ik. Dat is goed nieuws. Meteen geef ik het door aan de jongen die naast dat platgespoten veld woont. “Misschien kunnen we als burger nu melding doen” zeg ik. Maar meteen vraag ik me af: Waar dan? Ik kan dat wel zeggen dat we melding kunnen doen, maar zo weten we nog niks. Onmiddellijk ga ik weer naar de zoekbalk. Melding doen pesticiden, vul ik in. En ja hoor, al snel vind ik een site met een kroontje van Rijksoverheid erboven, met allerlei formulieren. Er staat ook eentje bij voor bestrijdingsmiddelen. Die komt gelijk onder de link. Tevreden kijk ik ernaar. Daar zal die jongen blij mee zijn. Althans, het is in elk geval wat. Want van niks kunnen doen, en alleen maar toekijken, daar word je alleen maar ellendig van. Dat vindt die jongen waarschijnlijk ook. Ik kijk nog eens naar zijn facebookpost. Er staat een lange rij reacties onder zijn akelige foto met het gele veld. Onder alle boe’s en bah’s van zijn post heeft hij een traantje gezet. Een tranendal is het. Maar ik krijg twee hartjes, hoera! Hij schrijft er ook nog wat onder. “Zo’n strohalm geeft de burger moed” zegt hij. Ik neem me voor om het nog veel vaker te doen: vragen stellen. En niet na het eerste antwoord al te stoppen. En dan, als ik het gevonden heb, het antwoord doorgeven aan de ander. We kunnen vast veel meer dan we denken.

Zei Remco Campert niet hetzelfde?

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Een vraag, een antwoord, iets waarmee het gaat rollen. Dat.

Ondertussen plant ik een rij wilgen, naast de volgende akker. Akkers die in dit land gewoon groen zijn en niet geel. Hier op de Swetteblom. De bomen zijn goed voor het land, en de haag zal als beschutting dienen voor de kleine boomgaard die er zal komen. Ook schilder ik gestadig door en werk verder aan het boek. Het uitgeven ervan en het op poten zetten van de expositie, dit alles heeft geen haast. Het gaat immers niet om mij. Het gaat om het grote geheel. Dat het weer gezond wordt. En vragen, blijven vragen. En als jullie mij wat willen vragen, dan mag dat ook!

.

.

.

Wilgenhaag bij de nieuwe boomgaard. De teller van het aantal bomen dat ik plantte, staat nu op 810. Dit in vier jaar tijd en zo goed als zonder hulp. @Alowieke van Beusekom

Melding doen van gebruik bestrijdingsmiddelen? Doe het hier:

https://formulieren.nvwa.nl/formulier/nl-NL/Extern/sc1145_MeldingGewasbeschermingGebruik.aspx/f1145_Melding

Herstel van het wilde paradijs

.

.

Dit verhaal hoort bij het thema van mijn boek: “De heilige traagheid der dingen”, waar ook dit schilderij in thuishoort.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

“Er stond een interessant stukje in de krant” zegt mijn vriend. Hij woont een stukje verderop en om een uur of elf ga ik er altijd heen om koffie te drinken en te bespreken wat we hebben gelezen en beleefd. “Het gaat over een vrouw,” vertelt hij verder “en ze doet mee aan een onderzoek: Hoe is het om nu te eten als een jager verzamelaar. Leven van de wilde natuur dus. Het dieet is beperkt. Ze eet ook geen appels. Die zijn te ver doorgekweekt, zegt ze. Maar ze reist wel naar Schiphol om afgeschoten ganzen op te halen, en ze stopt dingen in de diepvries.” We raken erover in gesprek. “Waarom nemen die onderzoekers geen inheemse stammen voor hun onderzoek?” vraagt Dick, “Er zijn toch mensen die nog steeds op die manier leven?” Ik hoef niet lang na te denken. “Dit is interessanter,” zeg ik. “Het gaat over ons. Wat wij zouden doen, op de plek waar we leven. Als het onderzoek internationaal is, dan zijn er overal mensen die opeens na moeten denken hoe ze dat in ’s hemelsnaam moeten doen, op de plek waar ze zijn.”
Ik denk er nog de hele dag over na. Hoe zou ik het doen? Naar Schiphol reizen en een gans in de diepvries stoppen vind ik flauwekul. Hazen schieten doe ik ook niet, er zijn al anderen die dat doen en er zijn er al te weinig. Bovendien heerst er hazenmixomatose. Konijnen zijn er niet en onze kippen zijn allemaal opgegeten door steenmarters. O nee, kippen zijn niet wild, dus dat telt niet mee in het onderzoek. Tja, verder kun je nog eieren eten van weidevogels, maar die worden bedreigd door grootschalige landbouwmethoden en roofdieren. Bovendien mag dat niet meer, eieren eten van kievieten en grutto’s. Aan eetbare wilde planten vind je hier slechts een beperkt aantal soorten. Dat is dan vooral op het land van onze boerderij en bij niet al te nette woonkernen. Speenkruid voordat het bloeit is eetbaar. Ook is hier veel fluitenkruid* en heel veel brandnetel. Op dit terrein staan veel paardenbloemen, omdat het wilde nog een plek heeft. Daarbuiten stelt het weinig voor, het is hooguit hier en daar een plukje in de bermen. Veldzuring, in kleine hoeveelheden ook eetbaar, vind je ook maar weinig. Die worden selectief weggespoten. Er is dus maar weinig keus in het Friese weidegebied.
Een leven als jager verzamelaar werkt alleen opbouwend als je tegelijkertijd werkt aan een groeizaam leefgebied. Het is ongepast om alleen maar te nemen en er niet voor te zorgen. In feite verander je dan ook niks aan de mentaliteit die er nu is. Jager-verzamelaars van vroeger maakten deel uit van een groter geheel. Ze wisten precies wat en waar en hoeveel ze konden nemen. Dat kennen we niet meer. Ook een jager verzamelaar kan veeleisend zijn. Maar gaat het niet in eerste plaats om bescheidenheid en nederigheid, om je plek te kennen? Ik denk aan dieren en insecten. Werken aan het grote geheel, hier op de Swetteblom en daarbuiten. Hier werk ik, hopend dat deze bronplek zich zal uitbreiden. Steeds weer stel ik me voor hoe het eruit zal zien, een lange strook van bomen, die de snelweg in de verte verbergt. Hoe de oneindige rij auto’s langs de horizon langzaamaan steeds dunner wordt. En dat in plaats daarvan bomen zullen groeien. Langs de kilometerslange bosrand zullen mollen de grond losmaken en wilde zaden een bodem vinden en een uitnodiging vormen voor meer. Een evenwicht groeit, dat steeds meer leven aantrekt. Mijn bijdrage is maar klein, maar het is in elk geval een begin. De tien notenbomen die ik plantte zijn ook nog klein, het zal even duren voor ze noten dragen. De wind die er staat is hard, de kleine bomen hebben eronder te lijden. De omringende struiken moeten nog groeien, willen ze echt beschutting geven. Het zullen vooral de mensen na mij zijn, die ervan gaan profiteren. De kruiden en knollen moeten ook nog hun plek krijgen. Het groeit wel, maar vooralsnog valt er weinig te oogsten, veel wordt aangevreten. Alles van waarde duurt lang. Het duurt lang voor het er is. Zeker in onze tijd, waar het efficiëntydenken het gezonde evenwicht zo sterk heeft aangevreten. Gezond evenwicht en wilde natuur, het is met elkaar verbonden. We moeten het terugbrengen. Hoe eerder we daarmee beginnen hoe beter, het liefst samen en desnoods alleen.

Het leven van jager verzamelaar is zo goed als verleden tijd. Er is teveel gebeurd om dit nog te kunnen voortzetten. Eerst moeten we het paradijs herstellen.

* Fluitenkruid: niet te verwarren met het giftige dollekervel. Dollekervel is in het noorden nog nooit gevonden. Het is alleen gezien in Limburg, volgens een ecoloog.

.

.

Gelijkheid en rechtvaardigheid

Oprechte aandacht voor iedereen. Ook voor journalisten.

.

.

Zaterdag 22 maart liep ik naast een verslaggeefster van de Trouw. Het was tijdens de demonstratie in Amsterdam, tegen  rascisme en fascisme en zoals ik het zelf noem,  voor gelijkheid en rechtvaardigheid. Het was een plezier om haar geinterresseerde vragen te beantwoorden. Zelf schrijf ik ook.  Als schrijver doe je je best om op eigen wijze iets duidelijk te maken. Ook journalisten als zij doen dat, zij geven hun verslag zo objectief mogelijk maar toch op hun manier.  Elk mens zal dat anders doen. Daarom zeg ik dit:  het woord “mainstreammedia” is een vreemd woord en het spijt me het steeds vaker te horen. Het spijt me ook te horen dat een journalist als zij steeds vaker met wantrouwen bekeken wordt. “Tien jaar geleden was het nog heel anders”, zegt ze met een gepijnigde blik. “Gelukkig is er in deze demonstratie meer bereidheid om iets te vertellen”  zegt ze dan.

Mainstream bestaat niet.  De schrijvers zijn allemaal afzonderlijke mensen die hun vak uitoefenen. Niet iedereen vindt dezelfde dingen belangrijk. Dat is nou eenmaal zo.  Maar je kunt om te beginnen  gewoon luisteren naar wat iemand je wil vragen. Dan kun je daarna altijd nog beslissen of je antwoord geeft. Je zal zien: wat je van die ander denkt klopt vaker niet dan wel. Journalist of niet. Er zijn wel eens mensen die erop uit zijn om je voor gek te zetten. Dat is rot. Maar daar gaat het nu niet over.

Ik vraag nu de aandacht voor dit nieuwe, half engelse woord: “mainstreammedia”. Ik hoop dat het uitsterft. Ik pleit voor oprechte aandacht, voor elk mens afzonderlijk. Ook voor journalisten.

Deze foto is gemaakt door Irma Abelskamp.

.

Een van de hoofdreacteuren van de Trouw, Karel Smouter,  gaf zijn reactie:

Het is mij uit het hart gegrepen, je oproep. Deze term wordt gebruikt als een verdachtmaking.

Wachten op voltooiing

Het lastigste moment tijdens een scheppingsproces. Maar we zetten door. Het komt er.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er zijn veel soorten wachten. Er is een halsreikend wachten op de lente na de winter. Gespannen wachten op de uitslag van je examen. Ongeduldig wachten op je fiets die in reparatie staat. Of wachten op iets wat er al lang had moeten zijn en wat er nog steeds niet is. En dan toch geduldig door te gaan, met wachten. Zolang je wacht, ben je er nog steeds op gericht. Sommige dingen komen juist zodra je niet meer wacht. Maar dat is niet altijd zo. Er zijn zaken die echt concentratie vragen. Werken met een doel. Zoals het schrijven van een boek en het uitgeven ervan. Een boek als het bijna af is, dat is de lastigste tijd. Ik schrijf zo’n boek. Het heet: De heilige traagheid der dingen.

Het is klaar. Nou ja, nog net niet. En ik wacht. Ik wacht nog op het voorwoord, dat F.J. De Waard gaat schrijven. Maar ik wacht vooral op mijn vriend Dick, hij zal de correcties doen, maar begint nog steeds niet. Om de tijd te verdrijven plan ik andere zaken in mijn agenda. Een middag dansen, een uurtje bomen kijken anderhalf uur fietsen hiervandaan, ingaan op oproepen van de WildeWijk, helpen bij MeerBomenNu en bij de buurvrouw die een voederhaag plant voor de koeien. Ik ben nog nooit zo vaak achter elkaar weg geweest. Het lijkt allemaal leuk, maar langzaamaan drijf je dan wel weg van je doel. Het boek, dat bijna af is. Het is een riskant moment, om juist dan allemaal nieuwe dingen te beginnen, uit een soort van verveling. Juist dan zou het wachten met alle aandacht moeten gebeuren, zodat de energie zich verzamelt in plaats van verspreidt. Dat het wegvloeit in allerlei stroompjes die nergens heen leiden en verdampen in de zon.

Ik erken het. Ik zie het gebeuren en streep een paar afspraken door. Als eerste die van zondag. Ik moet een moment plannen, met Dick. Het boek moet op de eerste plaats komen en niet ergens in gaatjes tussendoor gestopt. Ik zeg het tegen mijn vriend: Zondag nemen we de eerste vijftig bladzijden door van je correcties. En dan doen we volgende week weer vijftig. Ritme. De regie nemen. Zo komt het er. En tussendoor wacht ik. Ik trek onkruid weg, maak het klusje bij de buurvrouw af, zodat haar heg een goede start krijgt. Dan ga ik weer naar huis en kijk over de velden. Over het ruige gras van de Swetteblom, een kleine boerderij aan de Swette. Hier gebeurt het. Dit is de bron vanwaaruit ik leef, vanwaaruit ik schrijf, en naar de wereld kijk. En nu is het wachten. Energie verzamelen voor wat gaat komen. De voltooiing, en alles wat daarna gebeurt. Wachten als enige echte optie. Het lastigste moment. Maar het zal lukken.

.