Een winkel van moeder en dochter

.

Waar ik mijn nieuwe aardewerken kom kocht…

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 6,5 minuut.

.

 

Ik loop door de winkelstraat van Heerenveen. Ik kijk naar links en naar rechts. De vele kledingwinkels hebben de deur wagenwijd open. Maar ik zoek iets anders. Ik loop naar een vrouw, die bij een etalage staat te kijken. Ze is bejaard, heeft krullen en een bloemetjesjurk. Zij weet vast wel waar ik vind, wat ik zoek. ‘Dag mevrouw, weet u een winkel waar ik een theezeefje kan kopen? vraag ik.
Ze lacht, welwillend om te helpen. ‘Bij Blokker of de Hema misschien’. Ik schud mijn hoofd.
‘Nee dat wil ik niet, ik wil een echte keukenwinkel. Die zijn meestal van kleine zelfstandigen ‘, ziet u? En ik wil ze graag steunen,’ leg ik uit.
Ze kijkt me aandachtig aan, alsof ik iets bijzonders vertel.
‘Oh jaa….Daar kom ik nooit. Ik ga altijd naar de Blokker,’ zegt ze verontschuldigend. ‘Maar ik denk dat het dáár is.’ Ze wijst. ‘Links en dan weer links.’
Ik knik glimlachend en loop verder.

Het klopt wat ze zei. Er is een keukenwinkel. ‘Terras & Cooking, staat er boven de deur. Een meisje komt naar me toe. Ze is blond en jong. ‘Is dit een keten?’ vraag ik terwijl ik verkennend rondkijk. „

‘Nee’, zegt ze alsof het een scheldwoord is. ‘Dit is van moeder en dochter.’ Ik knik tevreden. ‘Dat is mooi. Hier wil ik wezen. Heb je ook theezeefjes?’ Ja ze heeft een hele sterke. Ze verdwijnt achter een deur en komt weer terug. Ze legt hem neer op de toonbank. Een met een mooie zwarte rand. Ik loop verder rond. Er staan vier wit met grijze kommen, met spikkeltjes erop. Ik pak er één en bekijk de glazuur. ‘Mooi hè, vooral dìt,’ ik wijs op een oneffenheidje. ‘O ja, daar houd ik ook zo van,’ zegt ze glimmend. ‘Het is een foutje. Ze zijn handgedraaid.’ Ik neem ze alle vier mee. Ook een olijfhouten snijplank vindt bij mij zijn bestemming. Het lijkt wel een schilderij, zo mooi is de tekening in het hout. Diepe zwarte lijnen zijn het. Ik voel hoe glad hij is en zacht. De plank is smal genoeg voor mijn plankje, waar ik het op kan bergen. Ik kijk naar haar tengere gestalte en haar loshangende haren, terwijl ze voor me uit naar de kassa loopt. ‘Let niet op de rommel hoor, ik ben aan het opruimen.’ Achter de kassa staan allemaal dozen. ‘Maakt niet uit hoor. Ik vind dit een fijne winkel. Het is zo belangrijk om kleine zelfstandigen als jullie te steunen,’ zeg ik. „Het is jammer dat zoveel mensen automatisch voor de grote ketens kiezen.“ Ze staat inmiddels rechtop achter de toonbank en kijkt me met grote ogen aan. ‘O ja! Dat merken we wel. De mensen bestellen maar per post en denken er niet over na. Deze winkel bestaat nu tien jaar. Ik was tien, nu ben ik twintig. We zijn er nog steeds. Maar er is al zoveel detailhandel failliet gegaan!’
Ze schudt haar hoofd en kijkt me aan met droeve ernst. Haar handen scheuren een stuk grauwwit papier af, om de kommen in te pakken. Jemig, denk ik. Die is twintig en begint haar arbeidsbestaan meteen al met een fikse crisis. Hoeveel zal ze er nog meemaken?
‘De mensen graven de grond onder hun voeten vandaan,’ zeg ik. Ze knikt ‘Straks is er niks meer.’

Rustig geeft ze me de ingepakte kommen aan en het theezeefje en de plank. Ik hoef geen tas, ik neem het zo mee. Ik groet en zie nog net haar hoofd, dat boven de dozen uitsteekt. Door de grauwe winkelstraat loop ik terug naar mijn fiets. Die kommen krijgen een heel mooi plekje, straks.

.

.

Aan het einde van de melkweg

.

Geluk-van-de-levensgenieters-kl-frm

.

Geluk

In takken groeperen zich groene zinnen
popelend om alle kanten uit te lopen

Op stoeptegels een kindertekening
door regenschrift al half gewist

Achter een dakkapel begint een merel te zingen
houdt dan midden in zijn herinnering op

In mijn hoofd vertwijgt zich zijn lied – niemand
ziet iets aankomen, dat is ons geluk.

Bernlef (1937-2012)


 

Het is nog vroeg en schemerig. Half acht, zie ik op het klokje. Ik sta op en kleed me warm aan. De kachel brandt al, die heb ik om half zes al aangestoken. Zou er sneeuw liggen? Ik kijk door het gordijn. Er ligt een dun laagje, de grassprietjes steken er met hun toppen net precies boven uit.
Ik veeg de vloer met stoffer en blik en gooi het stof in de compostemmer. Als het schoon is doe een paar oefeningen, springen, strekken, balanceren op één been met de ander hoog in de lucht. Rustig adem ik door terwijl de oefeningen zich als een dans aanéénrijgen. Ik druk me vijftien keer op. De vloer is koud. De gevechtsdans duurt wat langer. Daar krijg je het lekker warm van.

Ik kijk nog even mijn mail na. Er staat weer een artikel in van de Correspondent en ik volg de discussie, die eronder staat. Iemand heeft het over “een gebrek aan vooruitgangsdenken.“ Ik vraag me af wat hij bedoelt.
„Welk vooruitgangsdenken kiezen we dan, het jouwe of het mijne?“ Dat typ ik eronder en ik klap de laptop weer dicht.

Als ik klaar ben kijk ik naar het aanrecht. Er staan drie lege flessen. Er hoort melk in, geitenmelk. Het is op, tot op de laatste druppel. Zal ik naar de boer fietsen? Dan ben ik lekker op tijd. Ik besluit daad bij woord te voegen en stop de flessen in een linnen tasje. Op het aanrecht ligt nog precies drie euro. Ik stop de koude muntstukken in mijn zak, doe een warm wollen rokje over mijn broek en ga naar buiten om mijn fiets te pakken. Het sneeuwt nog steeds. Mijn fiets staat droog onder een hutje van golfplaat. Ik heb het hutje helemaal met dakpannen bedekt en er groeit klimop overheen. Maar eigenlijk is het net iets te laag. Iets hoger zou beter zijn. Om mijn fiets te pakken moet ik een beetje bukken. Maar ach, erg is het niet. Ik stop de flessen in de fietstas en maak het eerste spoor over het witte veld, mijn voetstappen naast het slingerspoor van banden.

Ik kom aan bij het erf van de boerderij. Mijn sjaal is wit gesneeuwd. Het hek staat open, dat is een veeg teken. Als het hek openstaat, dan is de melkwagen al geweest en is de tank leeg. Ik maak rechtsomkeer. Teleurgesteld fiets ik weer weg, wuif nog even naar de boer, die achter het raam met zijn gezin zit te ontbijten. Hij wuift terug.

Thuis doe ik mijn natte sjaal af en mijn wollen beenwarmers droog ik op de kachel. Ik ga zitten. Mijn ellebogen steunen op mijn knieën, mijn hoofd rust in mijn handen, als een mislukt beeld van Rodin. Ik baal. Nou heb ik geen melk. Wat nu? Ik heb helemaal geen zin om chagrijnig te zijn omdat ik geen melk heb. Ik kan het ook wat anders doen. Ik kan thee drinken, kruiden zijn er in overvloed. Thee is ook lekker. Zelfs nu vind ik hier in de tuin nog verse munt, op de meest beschutte plekken. Zò lekker met gember! Blij spring ik op en loop naar buiten.

Als vooruitgang een rijker leven betekent, dan is dat voor mij, dat alles er is wat ik nodig heb. En als je met weinig tevreden bent, dan groeit geluk op elke hoek van het pad.

 

 

Een levensgenieter voedt niet alleen zichzelf,

maar ook het leven dat hij geniet.

(Alowieke)