Eindelijk, het komt er!

.

 

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 11 minuten.

.

Niets komt vanzelf. Het begint met een wens, die je voedt. Je zegt tegen jezelf dat het kan en zodra er ruimte is, begin je ermee. Een idee moet handen en voeten krijgen en een vorm. Dat kan lang duren. Er komt altijd meer bij kijken dan je denkt. Het moeilijkst zijn de momenten dat je vast zit en de juiste oplossing wegblijft. Maar je gaat door. En dan, op een dag, is het af. Het is als een voertuig, waarmee je de wereld in kan. Waaraan mensen kunnen zien wat je doet en waar je voor staat. Er is iets te zien, of te beluisteren, wat verwondering, verontwaardiging of herkenning opwekt. Dan gebeurt er iets. Dat is wat je wilt. Maar het kan ook, dat het voertuig af is, en er is niets of niemand die de aandacht deelt. Dan sta je daar. Want alleen kan je niets. Zonder luisteraar is er geen verhaal dat de wereld in rolt en zonder aandacht staat het voertuig stil. Om het in beweging te krijgen, heb je anderen nodig. Om dan de moed niet op te geven, maar het ritme in je dag te bewaren. Om tóch op te staan, al is er niemand die op je wacht en de tijd creatief te blijven besteden. Dat is moeilijk.

Zo ging het met mijn manuscript. Ik leefde als een kluizenaar. Het werk was een heel eind gevorderd, ik was er al een half jaar mee bezig, toen het me wel af leek. Ik stuurde het als een link in drive naar een uitgever. Maar bij nader inzien vond ik dat er nog veel aan kon gebeuren, ik had behoefte aan meer diepgang. Dus intussen las ik veel en werkte dagelijks verder aan verdiepende passages en het vele tekenwerk. Na vier maanden dacht ik, het duurt toch wel erg lang. Ik nam contact op met de uitgeverij. Ze verontschuldigden zich dat het zolang had geduurd. Helaas, het antwoord was nee. Toch was het niet zomaar een nee. Ik kreeg een mooi lijstje met opbouwende kritiek. Dat vond ik hoopgevend, zoiets doen ze nooit. Daar kon ik wat mee. Het stemde me hoopvol en opgewekt.
De schrijfstijl was prettig, zeiden ze, maar het was te langdradig. Dus ik hakte rigoureus en zonder moeite hele stukken uit de tekst. Het enige wat nu telde, was dat het ritme van de spanningsbogen beter werd. Ik versterkte het begin met mijn eigen geschiedenis, zodat je je als lezer beter in kon leven. Het herschrijven duurde zes weken. Ik koos een nieuwe uitgever. Deze was veel sneller dan de eerste. Twee dagen later al kreeg ik bericht, per post. Ik opende de enveloppe. „Het spijt ons maar uw manuscript past niet in ons fonds.“ Dat stond er. Balend bekeek ik de brief in mijn handen. Hoe konden ze dat nou zo snel zeggen! Ze hadden er vast geen zin in. Kwamen om in het werk, en hebben hun bureau maar eens schoongeveegd. Vast! Eerlijk gezegd vond ik dat gebrek aan aandacht erger dan die vier maanden wachten, van de eerste keer. Als ik maar een oprechte reactie kreeg.

Die behoefte groeide. Ik hield het bijna niet meer uit. Ik was al bijna een jaar met iets bezig, wat nog niemand had gelezen! Ik deed een oproep en vond vier lezers. En terwijl ik de laatste puntjes op de I zette, kwamen één voor één de reacties binnen. Die waren allemaal positief. Ik wilde het bijna niet geloven, ze zeiden dat toch niet om aardig te zijn? Maar nee, ze meenden het echt. „In één ruk uitgelezen,“ zei de één. „Ik las elke dag een stukje, want er staat veel in waar ik over na wilde denken,“ zei de ander. „Prachtige passages over de natuur,“ vond de derde. „Je bent een geboren schrijfster! En steeds weer spannend, wat de volgende ontmoeting zal zijn,“ zei de vierde. Kennelijk was het toch gelukt, met die spanningsbogen. Ik kreeg nieuwe hoop dat het toch iets zou worden.
Maar dat ik een geboren schrijfster ben, dat geloof ik niet. Het is wel een behoefte en daardoor oefen je veel en word je steeds bedrevener en ook kritischer in de loop der jaren. Maar ik was eerder een verteller dan een schrijfster. Tot mijn twaalfde lag ik met mijn zusje in één kamer. In het donker vertelde ik haar verhaaltjes. Zij deed haar kussen over haar hoofd om het niet te horen. Dat wist ik toen niet. Dat hoorde ik pas twintig jaar later. Ik moest er wel om lachen.
Toch is het ook gewoon waar. Niet altijd hebben mensen behoefte aan je verhaal. Daarom was ik erg blij om te horen dat het zo goed viel, bij de proeflezers. Soms moet het fruit eerst rijpen, voor het valt.

Ik kletste met mijn vriend Dick over de volgende stap. „Waarom ga je niet gewoon de boekhandel van Heerenveen in?“ zei hij, „Daar liggen vast ook de Friese uitgeverijen wel bij. Die zijn vast geïnteresseerd in jouw reis door `t Bildt.“ Dat heb ik gedaan. En daar op het tafeltje vond ik een paar boeken van uitgeverij Louise. Ze gingen over Schiermonnikoog, het eiland waar ik het meest van houd. Ik werd nieuwsgierig. Ik stuurde het manuscript op naar Eddy van der Noord en een paar dagen later ging de telefoon. Het was Eddy. Wat fijn. Nu al! Zo snel had ik het niet verwacht. Zijn stem klonk opgewekt en vrolijk. „Je schrijft prettig! En je hebt bijzondere dingen meegemaakt. Ik kom graag om je manuscript op te halen. Dan ga ik het helemaal lezen.“
Ik was verbaasd. Een uitgever die persoonlijk langs komt! Dat is toch veel leuker dan als één van de vele in een grote vergaarbak terecht te komen!

Eddy kwam de volgende dag al, een man van mijn leeftijd. Hij heeft ook zijn geliefde verloren, net als ik. Dat is elf jaar geleden. Louise was haar tweede naam, en dat vond hij goed passen bij de uitgeverij, die hij voor ogen had. Die bestaat nu tien jaar, en hij heeft meer dan honderd boeken uitgegeven. Hij laat me een mooie glossy zien, die uitkwam bij het tienjarig bestaan. „Dan kan je alvast meer over me lezen,“ zei hij „Ik doe alles alleen,“ sprak hij bescheiden. Opgewekt vertelde hij verder. „Er zijn drie plekken op de wereld waar ik het meest van houdt. Schiermonnikoog, Grou, want daar woon ik, en `t Bildt.“ Ik lachte. „Wat mooi, dat is het land waar ik doorheen reisde!“
Hij gaf me energieke elleboogstook bij afscheid. Wel zonder me te raken en op anderhalve meter, want er is nog steeds corona. Ik grijnsde terwijl hij met mijn manuscript in zijn auto stapte. Wat was ik benieuwd!

Dit keer duurde het wachten lang. Elke dag leek een eeuwigheid. Maar toen ging de telefoon. Ik hield mijn adem in. Het was vast weer een nee. Maar het was niet zo! Het antwoord was:

JA!

En nu verder! Ik ben vol nieuwe energie. Ik heb een uitgever die een mooi boek van mijn manuscript wil maken. Ik ben zo blij! Hij vráagt me ook dingen. Hij vraagt hoe ik het voor me zie, welk papier, hoe de omslag vorm te geven… Dat doen die grote jongens nooit! Dus ik zit helemaal goed. Want vooral het samen doen, daar verheug ik me nu op.
Dit is voertuig van mijn nieuwe leven. Ik heb er lang aan gewerkt en nu komt het in beweging. Het is een klein begin, maar voor mij is het precies zoals het moet zijn. En waar zal het me brengen? Dat weet je nooit. Het is en blijft een groot avontuur. Zoals alles in het leven. Nietwaar? Het is spoorzoeken en volhouden. Tot er komt wat er komt. Tot het er is. Dat moment. Ja.

.

.

 

Verhalen als paddestoelen

.

.

Reizen en verhaal maken is een inspannende bezigheid. Elk gesprek kan belangrijk zijn en wordt opgeslagen in het geheugen, inclusief gezichtsuitdrukkingen en omstandigheden. Soms zijn dat wel tien of twintig gesprekken per dag, kort of lang. En steeds weer moet je kiezen.

.

Luister hier naar het gesproken verhaal, met tussendoor muziek van eigen hand. (5 min)

.

De hoge haag omringt mijn woonwagen. Het is nu geen wandelhuisje meer, het is een wooncocon, en rondom went het dierenleven aan de nieuwe omstandigheden. De koolmezen weten inmiddels, dat er zaad uit de deur komt. Niet elke dag, maar af en toe. Ik geniet van hun verkenningstochten in de heg, buitelend en fladderend van tak tot tak en eronder, op de grond. Ook de mussen laten steeds weer van zich horen en een enkele roodborst fluit zijn lied dwars door het gekeuvel heen.
Binnen brandt de kachel. Ik schrijf en wanneer ik niet schrijf, wandel ik tussen de plassen en de rietvelden.

Soms word ik overmeesterd door een lome slaperigheid. Ik geef me er graag aan over, vooral in de avond doe ik het liefst helemaal niks meer. De vliegen weten inmiddels dondersgoed dat het buiten koud is en blijven alle 56 binnen.

Ik lig op de bank en voel ze. Met een stuk of wat tegelijk kriebelen ze over mijn armen. Met ogen dicht probeer ik ze te tellen, waar voel ik wat? Eigenlijk is het tantra voor gevorderden. Haha. Zal ik ze ooit dood slaan? Eigenlijk heb ik liever dat de spinnen ze opeten.

Het is heerlijk toeven in mijn huisje, nu ik even niet meer weg hoef. Het is geen wonder dat ik leeg ben, na wekenlang in een toestand te hebben verkeerd van waakzaamheid. Niet vanuit gevoel van onveiligheid of angst, nee, ik ben niet bang alleen. Het is het feit dat overal zaden voor verhalen zijn, die wortel kunnen schieten. Alles wat ik meemaak kan een schakel betekenen in het boek. Tegelijkertijd beïnvloeden mijn keuzes het verdere verloop van de reis en het verhaal.

En nu is het herfst en bladeren verschrompelen en verkleuren. In de ochtend kruipt een koude mist over de velden en langzaam maar zeker trekt het leven zich terug in zichzelf. De verhalen die ik verzamelde, verdiepen zich, maken lange draden in de aarde. Draden verbinden zich, en wat ooit begon met een gesprek of iets wat ik zag vanuit de hoek van mijn oog, groeit. Verhalen bloeien op als paddestoelen die uit de verzadigde bodem breken. Ze vormen een deel in het geheel van constante verandering. Onderwerpen verweven zich, kwetsbare volkeren, mensen in de knel, de bodem onder onze voeten, hoe alles groeit en bloeit, en dan wij, hoe wij hier zijn en onze gang gaan.

Ik schrijf en kijk naar buiten. De zon is bijna onder. Ik stop een dikke tak in de kachel en zet een keteltje water op. Tijd voor koffie.

 

Vraagje:  Hoe vinden jullie de zwart wit tekening? Dit is er een die ik voor mijn boek ga gebruiken. Ik weet nog niet of ik hem ga inkleuren met pastel, of niet. Misschien worden het zwart-wit tekeningen omdat dit makkelijker is bij het drukken, misschien ook niet, omdat kleur toch essentieel kan zijn.

De gedachte bij dit beeld: Het fundament van de samenleving zijn de mensen zelf, als het netwerk aan schimmeldraden met hun veelheid aan paddestoelen. 

.

Twee manieren om te reizen

.

Twee manieren om te reizen

.

 

De man naast mij staat met een schepje in de hand. Hij groet me vriendelijk. „Hoe is het met je nieuwe wagen,” vraagt hij. Ik kom overeind en stop een handvol dorre blaadjes in de emmer die naast me staat. Verderop in de tuin zijn anderen aan het snoeien. Het is de tuin van de Kloosterhof van Gestel in Eindhoven. Mijn vriend Dick woont daar. Hij werkt al jaren voor Omslag, werkplaats voor duurzame ontwikkeling. De tuin is voor iedereen die in het klooster zijn werk heeft gevestigd. De mensen van Omslag zorgen er voor. Vandaag is het tuindag en iedereen mag helpen.
„Met mijn nieuwe wagen is het goed.“ antwoord ik. „De bouw staat in de winter stil. Dan schrijf en teken ik, of studeer. In de lente begin ik weer met buitendingen.“
„En ga je op reis als hij af is?“
„Nee hoor. Ik heb totaal geen ervaring met trekdieren. Er zijn er genoeg die dat doen, er een paard voor zetten en gaan. Leren doe je onderweg wel, denken ze. Nou, mij niet gezien. Ik leer liever stap voor stap. Als ik dieren aanschaf zou ik eerst een goed weiland willen huren, op een plek waar ik ook kan werken voor de kost. Maar voorlopig kies ik er nog niet voor. Het is een grote zorg. Ik moet er volledig van overtuigd zijn dat ik het wil, anders doe ik het niet.”
„O.. Dat klinkt heel anders dan ik dacht..“

Een paar dagen later. Het is een zonnige dag, binnen is het warm, buiten waait een koude wind. Ik sta te schrijven aan mijn werktafel. Ik denk aan de man in de tuin.
Waarom ben ik een wagen gaan bouwen, waarom ook al weer? Ik aai met mijn hand langs een dikke plank. Het is lichtgeel hout en gezaagd in vorm van een puntig boomblad. Het zijn er twee. Ze staan naast mijn schrijftafel. De gladgeschuurde ronding voelt heerlijk zacht. Kunstige daksteunen worden het. Ze zullen straks deel uit maken van het voorportaaltje.

Ooit begon ik te bouwen met een reden. Langzaam is die verdwenen, het oude doel is niet meer dan een vage schim op de achtergrond. Ik werk. Dag in dag uit. Ik geniet. Een heerlijk huisje op wielen maak ik. En in de winter schrijf ik en maak kleurige prenten bij de warme houtkachel.
Gà ik wel op reis, vraag ik me wel eens af. Eerlijk gezegd weet ik het niet. Misschien wordt het wel een reis in de geest. Er zijn genoeg schrijvers, kunstenaars en musici die wilden reizen, maar zich uiteindelijk hebben gevonden in het grote avontuur van hun talenten. In hun kunst vonden ze een schat aan landschappen die de fysieke wereld evenaarde.

Waarom wilde ik reizen? Ik wilde mobiel zijn. Ik wilde overal kunnen werken en mijn huis bij me hebben zoals een slak. Mijn handen kunnen al spelend eetbare tuinen maken met bloemen, kruiden, struiken en bomen. Ik kan werken met aarde, hout en stenen, kijken wat zich voordoet en vandaar uit creatief zijn. Samen met anderen.

Maar werken doe je op één plek tegelijk. Daarvoor hoef ik niet persée te reizen.

Ik weet wat het wél was. Niet om te laten zien hoe stoer ik ben met een zelfgebouwde wagen en twee muildieren. Nee, ik wilde tekeningen maken en nieuwsgierig zijn. Verhalen verzamelen van mensen en de natuur die hen omringt. Mensen, dieren, bomen, planten, heuvels, bossen, zon en regen, alles voor het landschapsboek, vol tekeningen, gedichten en verhaaltjes. Maar kom ik daar wel aan toe dan? Ik zie hoe druk buurman Jan het heeft met zijn paard en ezel en dan is hij niet eens onderweg. Ik denk dat het heel veel is, alleen op weg, verantwoordelijkheid voor twee dieren en ook nog een boek maken. Zelfs als ik ervaring had, dan nog is het veel.

Voorlopig ben ik aan het bouwen en ik zie wel. Elke stap is een ontdekking.

.

LINKS
Plantenboekje met tekeningen: https://alowieke.wordpress.com/reis-en-woonwagenverhalen-met-juffrouw-kolibri/

Werken in de tuin bij Omslag in Eindhoven: http://www.omslag.nl/nieuws/00976.html

Het groeit uit het papier

Blogtek KrachtvandePen kl frm

.

De wind giert langs de schoorsteen, terwijl ik mijn pen op het papier zet. Harde windvlagen schudden de wagen zachtjes heen en weer, al dagen lang. Toch schrijf ik door met vaste hand, staande achter mijn lessenaar, letter voor letter. Ik schrijf een boek met echte inkt, bijna als een monnik. Langzaam volgt mijn hand de woorden die zich al lijken te vormen vóór ik er ben. Alsof ze langzaam uit het papier groeien, wazig nog, tot de zwarte inkt de opkomende regels bevestigt. Het regelmatige handschrift is sierlijk, maar even leesbaar als een drukletter. Ik ben één en al pen en heb mijn tong tussen de tanden.
Het boek dat straks gedrukt wordt, heet „Drakenlief,“ de koosnaam van Agremone. Ik ben nu bij hoofdstuk twee. Ze is op een plek gekomen waar geen bloemen zijn en maakt een weelderige tuin. Mensen komen en zien het. Ze willen mèèr, nog meer bloemen! En wanneer liefdevolle handen haar werk voortzetten, weet ze dat het tijd is. Het is moeilijk om afscheid te nemen. Toch, haar taak is gedaan en ze moet gaan. Want Agremone is een pionier, een vrouw die leven brengt op plekken waar niets of weinig is.

Als ik de laatste woorden heb opgeschreven staar ik voor me uit. Zou het hier nèt zo gaan als
in dit sprookje? In mijn verbeelding zie ik de camping als een groeiende oase, maar er moeten wèl handen voor zijn. Ja, er zijn mensen gekomen. An en buurman Jan kunnen het samen goed vinden. An is kruidenvrouw en Jan is handig als tuinman. En Nicole is er in de weekends. Zal het echt doorgaan als ik straks weg ben?

Ach, komt zoals het komt, besluit ik en ik kijk naar de waterpot. Ik heb dorst maar er zit geen druppel meer in.

Ik loop over het grasveld naar het wasgebouw met twee waterpotten in mijn armen. Buurman Jan dweilt de vloer en ziet me aankomen. Hij gaat rechtop staan en lacht me breed tegemoet.
„Ik ga de vorige plek van jouw wagen helemaal inzaaien met bloemen.“ zegt hij. „Het lijkt me zo mooi! Voorlopig staat daar toch niks… Dan wordt het een prachtplek, met jouw oude tuin er ook nog naast!“

Ik vul mijn potten terwijl buurman Jan verder uitweidt over zijn plannen. Even later loop ik voorzichtig, met gevulde potten terug naar mijn woonwagen. Ik glim. Misschien word ik straks uitgezwaaid door een heel stel handen, zwart van aarde, met overal bloemen. Net als in het verhaal. Maar… eerst de wagen afbouwen!

Wie het boek “Drakenlief” wil hebben kan nu al reageren, dan zet ik je op de bestellijst. Je kan ook nog even wachten. Ik laat het eerste proefdruk zien als het er is, met de prijs erbij. In het boek komt niet meer tekst, maar wel wat aanpassingen en meer illustraties dan in het verhaal op internet.
Mail naar: tt.alowieke@gmail.com.

Dit is de link naar het verhaal op internet…..https://alowieke.wordpress.com/drakenlief-het-boek/

 

Jarig!

.

Alowieke 50 jaar bosfee

“Als ik vijftig ben,
dan klim ik nog steeds in bomen.”
schreef ik toen ik twaalf was.
Nu ben ik het.

Het is echt waar.
Ik loop ik dans ik klim,
zelfs krachtiger dan toen.
Hiep hiep hoera

Leve de ruimte
met daarin heel klein en blij
nieuwe richting in de kiem
verder, groeit het, verder

Sterke voeten heb ik nu
bestemd om veel te lopen
Ik kijk, ik schrijf, heb lief, ik wentel
een wereld om haar as

Leef het leven, volle gloed
tot het stille ogenblik
wanneer de lucht warmrood kleurt
roestoranje, heel diep paars

Dan wanneer het zover is,
klim ik nog steeds in bomen
al val ik er op een dag nog uit
altijd blijf ik klimmen.

Niet totdat ik honderd ben
maar negentig toch zeker.

.

jarig.

.

Een langzaam rijpend besluit

.


`Zwanenbloem´ schrijf ik op, met zulke kleine lettertjes dat het er tussen past zonder dat het slordig wordt. `In en bij zoet water. Wortelstok schillen, koken en opeten.´ Ik heb nog nooit van een zwanenbloem gehoord. Op het plaatje zie ik een mooi blommeke, zonde om op te eten. Van de duivekervelfamilie, staat er. Ik wist ook niet dat er een duivekervelfamilie bestond. Nu wel. De bloem kan er nog net bij, in mijn boekje. Het is een tekening van nog geen vierkante centimeter en toch staat alles er op. Groene lange blaadjes en een roze bloem.  Mijn tafel ligt vol kleurpotloden, papier en plantenboeken. Ik ben al wekenlang bezig…

Alles wat ik heb bedacht aan plannen en ideeën, is voorlopig in de kast gezet. Transylvanië en reisplannen komen vast wel weer terug. Maar nu zijn ze ver weg. Ik werk. Ik werk aan één enkel ding. Het boekje over plantenfamilies in Nederland. Ik bekijk en bewonder ze en zoek uit wat ze doen en wat we ermee kunnen.
Er zijn boeken over wilde planten. Ik heb er eentje. Een prachtig modern boek waarin ik alle families kan vinden, met tekeningen er bij. Van hemelbomen tot kardinaalsmutsen, van bosliefjes tot addertongen. Het staat er in. Als ze maar inheems zijn.
Er zijn ook boeken om Europese flora te determineren. Die zijn vast nog dikker. Maar die heb ik nog niet. Ik begin klein. Gewoon in Nederland.
Ik sla het boek open en bekijk de plaatjes. Ik kan lezen waar ze groeien of bloeien en hoe groot en hoeveel. Maar er staat niet wat de plant kan doen, wat hij doet voor ons, voor de aarde, voor andere planten en de bodem.
Als het gaat over planten waar we wat aan hebben, dan gaat het meestal over voedsel en voedsel verbouwen. Dat zijn moestuin- en tuinbouwboeken. Wat als voedsel op tafel komt, is vaak al eeuwenlang door geweekt, eerst door selectie en later door planten met elkaar te kruisen.
Toch, alle planten die wij eten zijn ooit wild geweest. En nog steeds hebben ze wilde familieleden, die nog altijd in berm of bosrand zijn te vinden. Ik ben daar nieuwsgierig naar. Ik weet niet of ik er de tijd voor kan blijven nemen, zoals nu. Ik zou ze graag verenigen in mijn boek, ik wil ze zien en van ze leren. Ik wil ze uittekenen en proeven en ruiken. De doperwt, de olifantboon en de hokjespeul. De slangenkalebas en de heggerank. Alles één voor één. Ik wil hun bewegingen volgen met de toewijding van een moeder. Een moeder van het kleine, dat groeien wil. Ik zal ze bewonderen en uittekenen. Mijn pen zal het papier strelen met hun vormen. Ik zal over ze zingen en vertellen. Of het een boek wordt, een lied of een schilderij, hier ben ik en ik kan niet anders.

.

.

.