De luistertuin

.

 

Ik volg het nieuws
niet op de voet
Ik ben ermee gestopt
De storm, de veelheid
maakt me doof
voor wat al lang
mijn aandacht roept

Piepend, zoemend en krioelend
Een schuilplaats
in een stille stronk
bijen, hommels en springstaartjes
Mijn huis dat is mijn honk

Elke plek
een web van leven
verweven met
nog heel veel meer

Hier sta ik dan
met open mond
en kijk zo vaak ik kan
naar wat er opgroeit
uit de grond
En wat er is
daarboven

.

Vijftien jaar

Deze boom is ontsproten uit mijn verbeelding maar blijkt echt te bestaan.  Dit is de boom die ik voor me zie, wat ik heb later groeien door mijn aanwezigheid.
Deze boom is ontsproten uit mijn verbeelding maar blijkt echt te bestaan. Het is de boom van “Zijn”.

.

Vijftien jaar leefde ik in het hartje van een oude stad. Het leek een eeuwigheid. Mijn leven in Utrecht. Vorig jaar heb ik dit grootste project van mijn leven afgerond.
Toen ik twee-en-dertig was, ben ik terechtgekomen op een bijzondere plek. Een middeleeuwse werfkelder in Utrecht aan de gracht. Ik woonde er met mijn vriend, hij was hier al lang bezig als houtdraaier, en iedereen kende hem. Het was een rustige plek, eeuwenoud en daar, onder grote platanen en kastanjes gebeurde het. Ik woonde en werkte er, ik was er altijd en mensen om mij heen dachten dat ik nooit meer weg zou gaan. Ik voer rond in de oude boot met gasten, jaar in jaar uit, dezelfde route. Ik kende elk nest langs de oever en kende vele verhalen. Ik kluste aan schuiten, vertelde over de plek en de stad. Er kwamen vaak wandelaars langs. Soms werd ik verrast door boeiende gesprekken. Ik zorgde voor de plek, en voor het huis met een aandacht die tot in de diepste poriën ging. Ik ben met mijn vriend getrouwd en ik heb gerouwd. Ik ben alleen verdergegaan toen hij stierf. Dat was zwaar en dikwijls wilde ik alleen maar de stad uit, in de natuur leven. Maar dat kon niet. Ik moest hier zijn, ik moest het afmaken.

Ik wil vanuit die geschiedenis vertellen wat er kan groeien als je vijftien jaar lang bijna al je energie op één plek investeert. In de permacultuur worden er vijf zones benoemd rond je huis. Zone vijf is de wildernis. Er was de kleine gezellige winkelstraat om de hoek waar ik voor alles terecht kon, en waar mensen waren. Maar niet minder was het de wilde natuur in de stad, die mij kracht en voedsel gaf. Alleen al de winterkoning met zijn heldere gefluit, die voor zijn nest op zoek was naar spinnenwebben in mijn boot. Zijn nest was een prachtig rond bouwseltje verborgen in de klimop van de oude kastanjeboom. Ik werd vrolijk als ik ernaar keek.
Iedereen kende de geschiedenis van deze plek, iedereen kende mijn overleden vriend, de schipper en de houtdraaier. De wortels ervan gingen door heel de buurt. Toen ik tien jaar na zijn dood afscheid nam, zei een buurman: „Dat jij nou weggaat, het is alsof de boom voor mijn huis wordt omgekapt.”

Ik was daar, waar ik moest zijn. Mijn energie concentreerde zich op die ene plek. Wat belangrijk voor je is, hoort dichtbij. Op een plek die vruchtbaar is voor dat, wat je wil laten groeien. Als je iets of iemand nodig hebt, dan kan je er makkelijk bij. Alle zones dichtbij huis.
Met veel geduld en toewijding kan er iets moois uit komen. De vruchten worden vol en sappig, en iedereen wil ze hebben. Als je van hot naar her moet, om te kunnen doen wat je wilt, dan zijn de vruchten ook kleiner en droger. En soms zijn er zaken die dringend vragen om afronding, om opnieuw vruchtbare grond te maken.
Ik heb gekozen, keer op keer. Dat, waar ik zwaar en moe van werd, en wat niets meer aan mijn leven toevoegde, haalde ik weg en maakte ik tot voeding voor wat nodig was. Steeds weer heb ik gekozen om hier te zijn en daarvoor te gaan. Al wilde ik dikwijls vluchten. Weg, naar de wildernis. Maar ik deed het niet. Ik bleef.

Wat ik hielp groeien was als een boom. De vruchten waren groot, de takken hingen zwaar over. Ik wist dat mijn tijd hier bijna voorbij was. Het was tijd om het over te dragen aan een ander. Al mijn energie had ik er geïnvesteerd. Ik was één met de plek. Zelfs als ik even weg was, dan was een deel van mij nog thuis. Ik wist instinctief wanneer ik terug moest, om wat voor reden dan ook. Ook op het moment dat er twee mannen voor de deur stonden. Het bord dat mijn huis te koop was, stond net een uur in de tuin. Ze hadden het gezien. Ze kwamen van ver en het leken me aardige lui. Ik parkeerde mijn fiets tegen de reling en liep de trap af, de werf op, naar ze toe. Ik liet ze binnen. Een paar uur later was het feit daar. Het bord in de tuin kon ik weghalen.
Lang heb ik verlangd naar een plek met meer ruimte om me heen en waar ik rustig en eenvoudig kon leven met minder spullen. Ik had me er bij neergelegd dat het nog best een tijdje kon duren, voor de mogelijkheid zich zou openen. En dan is het opeens zover. Het gaat om energie, over dingen laten rijpen, zo dicht mogelijk bij jezelf. Laten rijpen en groeien. Alle zones dichtbij huis.

Scheppend werk

.

.

Ik graaf en schep. Wat een stuk van de schapeweide was, wordt nu een tuin. Alleen al het maken ervan is een spel. De vogels om me heen zingen om het hardst, en ik werk door want de lente komt er aan. Ik schep aarde en staal mijn spieren. Her en der ontstaat een heuveltje en daarna verdwijnt het weer naar elders. Het is nog niet direct te zien wat het moet gaan worden, maar ikzelf zie het helder voor me. Het beeld verandert en past zich aan, terwijl ik werk.
Ik scheid zorgvuldig het onderliggende zand van de vruchtbare bovenlaag. Die bovenlaag moet straks ook weer boven komen, alles heeft zijn plek en dat is niet voor niets. De aarde onder het gras is hard en platgestampt door de schapen. Het is zandgrond. Er hebben ook koeien gelopen, een geel oormerk diep onder de grond herinnert aan vervlogen tijden.
Liever schep ik helemaal niet in aarde, want je kunt het maar beter zoveel mogelijk met rust laten. Vooral geen grondlagen door elkaar gaan gooien. De bodem zit tjokvol micro-organismen. En dat wordt danig verstoord door al dat gegraaf. Maar ik doe het wel, één maal, om de grond los te maken en een wal te maken. Er is een hoop wat ik niet kan zien, maar wormen zie ik wel. Ik ben op elke beweging gespitst. Als ik een wurm zie spartelen, of bewegingloos zie lijden in de droge buitenlucht, dan stop ik hem onder een omgekeerde grasplag. Ik weet niet of hij daar zelf ook naar toe wilde, maar het lijkt me beter dan uitdrogen of opgegeten worden. Daarna pak ik mijn soldatenschep en graaf weer verder.
Ik bouw een kleine dijk met takken er binnen in, uit het boek van Holzer. Het is erg leuk om te maken. De takken onder de aarde zorgen voor heel wat jaren voeding, ze zullen langzaam verteren tot humus.
Terwijl ik ernaar kijk, zie ik dat het de vorm van een oorschelp heeft gekregen. De open kant is naar het zuiden gericht, om zoveel mogelijk zon op te vangen. In de schelp is de luwte. In het midden heb ik een klein vennetje gemaakt, een speelse ven op de plek van de gehoorgang. Eigenlijk is het een luistertuin. Een luistertuin in de vorm van een oor. Dat klopt wel, want ik luister veel. Naar de vogels, en naar de mensen hier.
Nu staat het vennetje droog. Je kunt goed de verschillende grondlagen zien, als je in de kuil kijkt. De aarde is donker, soms pikzwart. Diep daaronder zie je geel zand. Waarschijnlijk is er hier voor de ontginning een ven geweest. Die was waarschijnlijk een stuk groter dan mijn kleine kuil. Ik hoop dat het een poosje veel gaat regenen. Ik wil zien wat er gebeurt. Ik wil water zien in de ven, zaaien en wilde planten ontdekken, kijken wat er groeit. Mijn handen zijn stijf van het vele scheppen, vanochtend werd ik wakker met slapende vingers. Even wat zwaaien en strekken. Dan weer verder. Nog maar een klein stukje. Dan is het scheppen klaar.

PS: Vannacht heeft het zoveel geregend dat er water in mijn vijvertje stond!

Aarde, zweet en hamerslagen

.

.

Het is weekend. Paasweekend. Ik ben een paar dagen ergens anders, Dick is ook mee. Een plek waar mensen zijn, en waar wordt gebouwd. We zijn net aangekomen in Olst. Langzaam verrijst daar, aan de rand van het dorp, iets bijzonders. Grenzend aan boerenakkers wordt de ene na de andere wand gebouwd. Dikke wanden, gemaakt van autobanden. Een heel rijtje mensen staat met hamers de ene na de andere band vol te stampen met aarde. Het worden aardehuizen.
We lopen over het terrein. Een vriendelijke man laat ons alles zien. Verderop zijn de eerste huizen al klaar. De voorgevels zijn geïsoleerd met stro en bestreken met leemstuk. We mogen binnen kijken, in een van de huizen. Het is een aangename verrassing. Het is lekker warm binnen en het zonlicht schijnt overvloedig door de grote ramen. Ik zie een oud boerenvenster in een lemen binnenwand en een prachtig mozaïek met parelmoer. Het licht wordt erdoor weerkaatst en ik word er rustig van als ik ernaar kijk. De bewoners hebben er met passie aan gewerkt, dat zie je zo. Dit soort details kiezen de mensen zelf, voor hun huis. Dat zijn de leukste dingen, zegt onze gids opgewekt. Dan gaan we weer verder, naar de kast met werkschoenen. Het is tijd om te beginnen.

Een paar uur later hebben we onze spieren flink gebruikt. We zitten in de loods. Hier is een gezellige zit- en eetruimte gemaakt. De tafel staat vol met leeg gegeten borden. We hebben hard meegewerkt en de lekkere soep smaakt er nog beter door. Het werk bestaat op dit moment vooral uit aarde in banden stampen, tot een zwaar stabiel geheel. Van afgedankte autobanden worden dikke muren gemaakt. Ze worden in lange rijen opgestapeld, en moeten stijf en keihard opgevuld worden met zand. Achter de bandenwanden komt straks een heuvel. Maar zover is het nog lang niet. Er ligt nog veel werk te doen. In totaal worden er 23 huizen gebouwd, voornamelijk met vrijwilligers, en de toekomstige bewoners zelf. Ik vind het leuk en interessant om hier te zijn. Gezellig ook.
Tegen de wand aan is een rocketstove gebouwd, een soort leemkachel, met een bank eraan vast, die een heerlijk warmte afgeeft. Op de warme lemen bank zit een man met een stuk of wat kinderen om zich heen. Hij speelt gitaar, terwijl hij ook nog een dreumes op schoot heeft.
Ik praat met Ruurdje, een van de initiatiefneemsters. Net vertelde ik over mijn woonwagen en de tuin waarmee ik begonnen ben. We hebben het over het verschil tussen het woord verplichting, een taak die van buiten af wordt opgelegd, en het engelse woord “commitment”. Je maakt met jezelf een afspraak om ergens mee door te gaan, om iets waar te maken, zegt Ruurdje. Voor mij gaat het over toewijding, besef ik. Ik ben me ervan bewust hoe klein mijn projectje is vergeleken bij het hunne. En hoe overzichtelijk. Ruurdje vertelt over de tegenslagen die ze moesten verwerken terwijl ze hun droom wilden realiseren, en al de concessies die ze moesten doen. En nog steeds. Alles wat gebouwd wordt, gebeurt uit naam van de vereniging, die bestaat uit de toekomstige bewoners. Er moet over veel zaken vergaderd worden. Ik heb bewondering voor ze. Voor haar en de mensen die hier al die jaren aan werken en zullen werken. Ik kom graag een keer terug.
Ik ben hier maar even. Straks ga ik weer naar mijn eigen stekkie. Mijn woonwagen in Brabant. De tuin roept me. Mijn eigen kleine project. Ik ben er al druk zat mee. En wie weet wat hier mijn rol is. Soms groeit iets wat klein bedoeld is onverwacht groot, soms ben je daar blij mee, soms minder. Daar hebben we lang niet altijd iets over te beslissen. Het gebeurt. Als zaad goed terecht komt. Wie zal het zeggen. Het is maar goed dat we het niet allemaal van te voren weten.

.

Een werker op weg over bandenwand in aanleg.