Speels in de boom of oud in een kar

Speels in de boom of oud in een kar

„Ik kan nu gewoon autorijles nemen! Wat leuk.” Met die gedachte word ik wakker. Raar. Ik heb nooit gedacht aan rijles en nou droom ik er van. Terwijl ik uit bed stap om me te wassen besluit ik om er maar eens rustig over na te denken. Wie weet doe ik het wel.
Een dag later kom ik een bekende tegen. Ik vertel hem er over. “O heb je dat dan nog niet? Dat is een verstandige beslissing. Nu ben je nog niet echt oud, als je straks van alles begint te mankeren, dan mag je geen rijles meer, en dan ben je blij dat je je rijbewijs hebt.” Ik zeg dat ik zo fit ben als een hoentje en zo lenig als een kat. En dat ik fietsen erg leuk vind. Ja, fietsen vindt hij ook leuk, maar het komt er eigenlijk nooit meer van… Maar een rijbewijs halen is toch echt een goed idee. Als vrouw krijg ik misschien wel eerder een no claim op de verzekering. Zeker omdat ik ook al wat ouder ben is die kans groter. Zo praat hij door. Over verzekering… papieren…no claim… En ik, ik word ineens erg moe. Ik ben nu al zolang bezig mijn bezit te verkleinen. Bijna alles is nu weg, of in andere handen. Goede handen. Ik heb alleen nog deze wagen, en dat is een opluchting. Ik moet er niet aan denken om in mijn eentje weer allerlei zaken en bezittingen aan te gaan.
Hoe langer de man door praat, hoe groter mijn vastbeslotenheid om het niet te doen. Nu in elk geval niet en ook niet om deze redenen. Zou ik een rijbewijs halen omdat ik straks oud en krakkemikkig ben? Als ik dat doe, dan geef ik mezelf de boodschap dat ik dat ook word. Zeg het maar vaak genoeg, en het gebeurt ook. Niks voor mij. Ik heb alle vertrouwen in mijn lijf en ben elke keer weer verwonderd hoe mooi het allemaal werkt. Dagelijks doe ik oefeningen, ’s ochtend en ’s avonds voor kracht en souplesse. Soms moet ik mezelf er toe zetten, maar uiteindelijk vind ik het steeds weer lekker om al mijn spieren te voelen. Fietsen is ook fijn, maakt niet uit als het ver is en als het regent doe ik mijn regenpak aan. Ook sjouwen doe ik graag, lekker in het bos, slepen met een dikke tak voor de kachel. Ik vind het allemaal leuk. Toen ik twaalf was heb ik gezegd dat ik nog steeds in bomen zou klimmen als ik 50 was. Nu word ik 48 en ik klim nog graag. Nog niet zo lang geleden klom ik voor het eerst in een hoge lantaarnpaal. Al met al voel ik me nu jonger dan toen ik zestien was. Eigenlijk heb ik jarenlang veel te weinig gelachen, en dat ben ik nu aan het inhalen. Zou ik me nu als een “verstandig” mens moeten gaan voorbereiden op de ouderdom? Ik dacht het niet!
Het is ook maar de vraag hoe de wereld er straks uit ziet. In de komende twintig jaar zal er veel veranderen. Zullen de hulpmiddelen van nu ons nog steeds ter beschikking staan? Is er tegen die tijd nog pensioen en is er nog steeds voldoende zorg voor ouderen? Ook is het maar de vraag of er nog steeds zulke goedkope brandstof is, en of de wegen worden onderhouden zoals nu. Je weet het niet. Maar één ding weet ik zeker. Ik moet het zelf doen. Ik kan er niet van uit gaan dat er mij altijd een heel pakket aan hulpmiddelen en diensten ter beschikking zal staan. Alles verandert, en gelukkig maar.
Ik zie het als een uitdaging. Waar ik kon heb ik mezelf vaardigheden geleerd om mezelf te kunnen redden. Geduld in de eerste plaats, en mezelf gezond houden. Diverse disciplines, werken met gereedschappen, en boven alles, een prettige omgang met de mensen om me heen… Al die dingen zijn voor mij oneindig veel belangrijker dan het halen van een rijbewijs. Maar ik zeg geen nooit. Misschien doe ik het nog wel eens. Zo’n papiertje halen. Als we met een stuk of wat mensen een busje aan kunnen schaffen of zo. Ergens, met wie en waar ik dan ook ben. Maar nu in elk geval niet.

Opruimen voor wat komt

 

.

.

Een troosteloze dag

.

.

Het lijkt vandaag geen dag te worden. Er hangt een wolk vlak boven de aarde met dichte fijne druppels waar je kletsnat van wordt. Ondanks die duisternis heb ik de moed bij elkaar geraapt om weer verder te gaan met een oud karwei. Voor me op de vloer ligt een wanordelijke berg spullen. Het meeste komt uit de houten kist, die ik bij aankomst even onder de wagen heb gestald omdat ik genoeg chaos aan mijn hoofd had. Hoewel de kist een klep heeft, is alles wat er in zat nat geworden. Cassettebandjes, uit alle periodes van mijn leven. Beitels van alle soorten en maten, prachtig gereedschap dat ik niet graag weg zie roesten. Er liggen ook pas gekochte mezenbollen tussen, die gaan gauw genoeg op hier. Er naast staan drie perfecte hardhouten kommetjes. Chiel, mijn man, maakte ze ooit, het is nu tien jaar geleden dat hij heenging. Er liggen ook twee naaidozen, eentje van mezelf en een van zijn eerder overleden moeder. Ik kijk ernaar met weemoed. Ik laat het maar even voor wat het is.
Kijken en moed verzamelen. Er is een onuitputtelijke voorraad supergezonde frisse en hoopgevende moed. Maar soms moet ik er even naar zoeken.
Verder ga ik met ruimte maken, nu de slotfase tegemoet. Alles moet een plek krijgen in mijn woonwagen en zo niet, dan gaat het weg. Wat er verder ook gaande is, dit moet en wil ik afmaken.

Het veld waarop mijn wagen staat, is leeg en stil en er is maar weinig wat me afleidt. Bof ik even… Er zijn zat leuke cursussen te doen en mensen die ik graag zou willen zien. Ik kan ook gaan demonstreren en petities aanbieden voor een betere wereld. Maar dit alles is voor mijzelf alleen maar uitstel. Uitstel voor wat ik werkelijk te doen heb. Opruimen. Ruimte maken in materie en geest. Hier, op dit stille veldje.
Ik voel me even mistroostig als het weer buiten en schrijf naar een vriend. Hij antwoordt onmiddellijk mijn mail en steekt me een hart onder de riem. Erg fijn is dat. Ik heb meteen meer energie om er aan te beginnen. Ik onderzoek de naaidozen en kies de handigste uit. Daar gaat alles in, en dat maakt de tweede overbodig. Ik droog de cassettebandjes en kijk welke ik nog wil houden. Het is een rustig werkje wat veel tijd kost. Aan het einde van de avond ligt alles vol met lege hoesjes en drogende papiertjes. Ik maak er een stapeltje van. Het begin is gemaakt. Mijn hoofd is leeg en ik leg me te ruste op mijn twee warme schapenvachten, naast de warme tegelkachel. Morgen is er weer een dag, dan ga ik verder.

Spullen zijn als fetishen. Alles wat in huis is, vreet een stukje van jouw energie. Of je er nou wel of niet naar omkijkt. Er zijn duizenden redenen te bedenken, waarom je iets laat staan. Het eist je ruimte op en hecht zich vast als een stuk kleefkruid op je jas, het plakt als verrot blad in de modder onder je schoenen.
En nu. Hoe gaan we verder? Er is iets aan het ontluiken, onder oude dingen die vergaan. Iedereen heeft langgekoesterde dromen en beelden. We kennen hoopvolle initiatieven die in een eerdere fase misschien weer in de kast zijn beland. We zoeken nu de jonge kiemen op die uit de grond komen, en geven ze ruimte. We maken van het oude rotte blad een bed van compost om het prille leven heen. Het is veel werk, een nieuw begin maken. Het vraagt geduld en doorzettingsvermogen. Wat een werk verzetten we, met al die mensen samen. Zo maken we een ruimere wereld om ons heen. En al die kleine stukjes gewonnen vrijheid kunnen elkaar gaan vinden en met elkaar gaan spelen. Waar ruimte is, daar kan iets nieuws groeien. Wie weet wat er mogelijk is. Ik werk door en maak mijn handen vrij.

Kijk! Het is er al!

Een eerlijke ruil

.

.

De veelbesproken dag is voorbij. Eenentwintig december tweeduizendtwaalf. Ik kijk om me heen om te zien of er iets is veranderd. Na een bewolkte dag komt de zon tevoorschijn vlak voor hij onder gaat. Ik zie een lucht met lichtblauw, oranje en violet. Een van die prachtige zonsondergangen. Verder lijkt alles hetzelfde. Maar dat zegt niet veel. Want niets is wat het lijkt, als je maar goed kijkt. Misschien zijn de dingen van buiten wel hetzelfde, maar zit het verschil van binnen. Zoals een bolletje onder de grond, die wil gaan groeien in de lente. Wie weet wat daar nog allemaal broeit onder de aarde, wat een uitweg zoekt. Ook onder de mensen broeit er iets, het gonst over voedsel en het herstellen van kringlopen. De een is er elk moment mee bezig, een ander vindt het gewoon lekker en gezellig om bij de plaatselijke tuinder zijn groenten en fruit te halen. Het lijkt soms alsof je een van de weinigen bent die met iets nieuws bezig is, of die dingen anders wil. Maar er zijn veel meer mensen mee bezig dan je weet. Verandering is net als ontkiemen, kleine groene puntjes die boven de grond uit komen, nauwelijiks te zien. Alles is nog dood en verrot en je moet het oude blad opzij schuiven om het te ontdekken. Want ze zijn er wel. Het zou best kunnen, dat dit moment, december 2012, zo ongeveer een dieptepunt is, en tegelijkertijd het einde van een lang traject. We zullen het pas kunnen zien als het geschiedenis is geworden. Dan zeggen we tegen elkaar: „Ja, vanaf die tijd begon de wereld te veranderen.”
Als deze dag een soort “mega-nieuwjaar” is, wat is dan mijn voornemen vraag ik mezelf af. Eigenlijk weet ik het al lange tijd. Er is niet veel magisch aan, en tegelijkertijd doet het wonderen, als het de juiste plek krijgt. Het zit me al jaren dwars dat ik het gewoon door de plee spoel. Poep, het bruine goud. Ik eet veel groente en fruit en geen vlees. Ook melkprodukten eet ik steeds minder. Het is niet dat ik er altijd zo bewust voor kies, ik heb er doodeenvoudig geen zin in. Als er iets is wat er nu wezenlijk verandert voor mij, dan is het dat. Mijn spijsvertering is anders dan vroeger en wat er dagelijks van mijn maaltijden overblijft is perfect voor goede compost.
Eergisteren heb ik een emmertje gemaakt. Mijn huisje is niet groot, en een complete wc met een grote compostbak eronder, dat kan ik niet bergen. Het emmertje is dus maar klein. Het staat duidelijk zichtbaar onder de bank. Wat er in zit ziet er uit als aarde en het ruikt naar aarde. We hebben geleerd dat poep vies is. Grote en kleine boodschappen worden gauw weggespoeld. Mensen die erover nadenken weten het wel. Dat het anders zou moeten. Maar ik heb geloof ik nog nooit iemand ontmoet die er gewoon op een dag mee begon. Het composteren van eigen uitwerpselen. Meestal wordt er lang over gepraat en gelezen. Er is niet altijd ruimte voor. Sommigen haken al af als ze horen dat ze evengoed rioolrechten moeten betalen. Een ander laat zich niet weerhouden en bouwt uiteindelijk het lang gewenste composttoilet. Of je koopt een Nonolet bij wat voorheen “De Twaalf Ambachten” heette. Maar ik wil niet wachten tot er een moment komt dat ik er ruimte voor heb. Ik wil niet alleen mijn keukenafval teruggeven aan de aarde, maar ook dat van mezelf. Ik zoek wel een plekje in het bos, als ik een tak meeneem voor de kachel. Dat lijkt me een eerlijke ruil. Er zijn nog steeds een hoop andere wezens op aarde en we hebben met alle leven een ding gemeen. We eten en we droppen de restanten in verteerde vorm, waaruit weer nieuw leven voortkomt. Het is een mooi ritueel, het klaarmaken van een emmertje. Er mag niet in geplast worden, alleen gepoept. De plas gaat ergens anders in. Het is even oefenen. In het emmertje komt een mengsel van zaagsel, zand en humusrijke aarde. Na elk bezoek aan het emmertje leg je er een papiertje overheen en dan weer een paar handjes zaagselaarde. ’t Ziet er prachtig uit, al zeg ik het zelf. Met deze kleine gift voeg ik daad bij woord. Natuurlijke kringlopen moeten gesloten worden, zodat alles zijn plek weer kan vinden. En ik begin bij mezelf. Het gaat over leven en laten leven. Wat voor mij afval is, is voedsel voor de aarde. Zonde om het de zee in te spoelen. Als ik hier ben, in mijn eigen wagen, dan is dit mijn gift. Mijn gift voor de aarde.

.

Staan voor de aarde

Trekkersporen met plassen in het land

Het is december, de bomen zijn kaal en het grasveld van de camping is kletsnat en vol plassen. Het jaar 2012 loopt ten einde. Een heel nieuw jaar ligt in het verschiet. Ik heb juist een mooie lijst met klussen uitgedacht, waar ik al een tijdje op heb zitten broeden. Ik verheug me erop om te beginnen. Maar kennelijk is het nog te vroeg, daarvoor. Door het raam zie ik de eigenaar van de camping. Hij komt naar me toe en vertelt zijn verhaal.
Hij gaat op vakantie, twee weken. Hij heeft hard gewerkt en is er aan toe. Ik ben de enige die over blijft op het veld. Omdat hij de boel gaat afsluiten ben ik genoodzaakt mijn heil ergens anders te zoeken. Ik begrijp het wel. Ik moet er aan wennen dat ik mijn wagen, nu achter moet laten. Het zij zo, besluit ik en stap op de fiets. Bepakt en bezakt vertrek ik. Op weg naar een appartementje in Boskant, bij St. Oedenrode.

Ik kijk uit het raam over de fietsen heen, die onder de overkapping staan. Kleine droge sneeuwvlokken waaien in vlagen over de tuin. Het dak van het kippenhok is wit en ook de plantenkas ernaast is wit. De takken van de knotwilgen zijn bedekt met een klein laagje sneeuw en steken scherp af tegen de grote donkere coniferen erachter. Af en toe waait de wind door de kruinen en vallen er grote vlokken naar beneden. In de verte zie ik grote populieren langs de bochtige weg, het beeld dat zo kenmerkend is voor deze streek. Ik heb de tafel voor een van de vier ramen gezet zodat ik naar de bomen en struiken kan kijken. Het waait flink. Hoewel de hemel bewolkt is, is het toch best licht op mijn tafel. Al het licht van buiten wordt weerkaatst door de grote witte deken. Zo stil is het, de sneeuw dempt alle geluiden. Auto’s op de weg zijn nauwelijks meer te horen, rijden langzaam, want het is glad. Vogels verstoppen zich in de haag of in het warme windstille kippenhok en laten niets van zich horen. Er is geen radio en geen CD speler die de rust verstoort. De televisie doet het niet, de internetverbinding is slecht, en ik laat het maar zo.

Het sneeuwt en het blijft sneeuwen. De klok tikt. Mijn vingers tikken op het toetsenbord. Verder is er niets. Niets. Onze wereld slaat op hol, maar waar ik ben is het stil. Ik weet dat veel mensen nu aan de aarde denken, en aan het klimaat. Nog meer mensen denken er helemaal niet aan. Maar het gaat er nu om wie er wel aan denkt. Elke middag om twaalf uur is er een moment van aandacht. Een maand lang. Ik ga er aan mee doen. Zijn voor de aarde. Om kwart voor twaalf maak ik me klaar. Ik voel me als een non in een klooster, die zich voorbereid op het gebed. Ik doe mee, en ik blijf het doen. Zolang ik hier ben.
Als de zon ondergaat brei ik een sjaal. Buiten piept een heggenmus. Steek voor steek verstrijken seconden, minuten en uren. Ik ben blij met mijn taak en het lijkt of niets me af kan brengen van de dagelijkse taak, die ik mezelf heb gesteld.

Dan kijk ik op het aanrecht en de schrik slaat me om het hart. Op de glimmende roodbruine theedoos die de gastvrouw hier heeft laten staan zie ik twee overduidelijke ronde, roze verkleuringen. Ik heb er zonder bij na te denken een nat warm pannendeksel opgelegd. Ik vraag me af of ik zo’n doos wel overal kan kopen. Ik heb geen internetverbinding om op marktplaats te kijken. Wat eerst een zegen was, is nu een kwelling. Ik wil het graag snel weer in orde maken, maar dat kan niet. Een paar uur lig ik wakker en moet tegelijkertijd om mezelf lachen. Laat ik me zó makkelijk van mijn taak afbrengen? Wint een theedoos het van de aarde? Krijgt díe nu plotsklaps al mijn aandacht? Nee hoor, theedoos of geen theedoos, ik zal er zijn, besluit ik. Helemaal.
Als ik de volgende ochtend wakker word heb ik het gevoel alsof er een dot watten in mijn hoofd zit. De zon schijnt heel even door het raam. Dat schept hoop. Ik zet mezelf ertoe om het ochtendritueel te doen zoals ik het altijd doe, lichaamsoefeningen, rustig ontbijten. Ik bouw mijn aandacht op zoals elke ochtend. Denken aan de aarde, bij elke adem in en uit. Na twaalven zal ik verder gaan met akkefietjes zoals theedozen. Wat stelt het nou voor, er zijn erger dingen. . .

Onze aardbol is een bijzondere planeet. Ze wordt misbruikt, doorgeploegd en omgeschept, gedolven en besmeurd. Maar tegelijkertijd, er is nog zoveel te ontdekken… Ik besef steeds meer hoe levend ze is en hoe alles met elkaar samenhangt. We staan aan het einde van een tijd en we staan aan een begin, al weet niemand hoe. Maar één ding weet ik zeker:  Weerstand doet de vlieger stijgen.

Een huis van leem en stro

.

Op de fiets in het donker

Op weg naar de Kleine Aarde

Op weg naar Boxtel. Vanavond is het tweede deel van de cursus strobalenbouw. Als ik mijn fiets pak, is het al donker. De maan is bijna vol maar verdwijnt regelmatig achter een wolk. De landweggetjes in Brabant zijn soms pikkedonker als er geen maan is, en ik heb geen licht. Nu is de weg naar Boxtel niet moeilijk,  gewoon rechtuit fietsen. Maar ik wil wel graag heelhuids aankomen. Ik besluit om de olielamp aan mijn stuur te hangen. Het is een prachtige antieke lamp en hij geeft veel licht. Met de grote lamp bungelend aan mijn stuur, merk ik tot mijn voldoening dat het uitstekend werkt. Auto’s rijden met een grote boog om me heen en veilig kom ik aan bij de Kleine Aarde.
De cursus is in het paveljoen, waar drie jaar aan gewerkt is. Het is nog maar net af. Wij zijn de eersten van buiten die er gebruik van maken. Langs het pad staan olielampjes en kerstverlichting om in het donker de weg te wijzen. Het paveljoen staat iets verder het terrein op. Ik zet mijn fiets neer onder het portaal bij de deur en bewonder de gemozaïekte vloer onder mijn voeten. Zonder mijn fiets op slot te zetten ga ik naar binnen en kom in een rond gebouw met veel ramen. Ik voel me er thuis. De muren zijn van leem en stro, en overdag schijnt bovenlangs het licht door allemaal gekleurde flessen. Maar nu is het donker buiten.
Er is een grote leemkachel in het midden die een heerlijke warmte geeft. De afvoer van de hete lucht loopt door een lemen bank, die rond de kachel loopt. Het vuurtje brandt al lekker. Het is een rocketstove. Een kachel die zuinig stookt en veel rendement heeft. Je kan eindeloos door fantaseren over de vormgeving ervan, en er is veel diversiteit in te vinden.
In de ronde ruimte liggen kunstig gemaakte kussens, van allerlei kleuren, in een grote cirkel onder de ramen. Ze liggen gewoon op de houten vloer, en het ziet er gezellig uit. Maar daar gaan wij niet zitten. Want we gaan aan het werk. Aan de andere kant staan de stoelen klaar en de beamer. De daaropvolgende drie uur schrijf ik me te pletter om alles wat Michel Post vertelt, bij te houden.

Voorbeeld van een flessenwand

Een flessenmuur

.

De cursus strobalenbouw

Het is een intensieve cursus, eigenlijk bedoeld voor professionals. Bij alles wat ik zie en hoor houd ik in gedachten: „Wat wil ik ermee?” De vragen die ik stel zijn zo praktisch mogelijk. Zo kom ik toch allerlei dingen te weten waar ik wat aan heb. Er komen vanavond zes bouwvormen aan bod. De bouwtekeningen vliegen in razend tempo over het beeldscherm. Alleen met opperste concentratie kan ik er de belangrijkste dingen uithalen. Gelukkig krijgen we aan het einde van de cursus het hele pakket aan drukwerk mee naar huis. Kan ik het nog eens nalezen.

Een van de eerste vragen die ik mezelf stel gaat over het fundament. Hoe maak je een begin. Er komt bijna altijd beton aan te pas en vlechtwerk met ijzer. Tenminste, hier in Nederland. Maar je kunt een fundament ook maken met ander materiaal, wat er in je buurt voor handen is. In het ronde paveljoen van Gezonde gronden in Den Haag deden ze het met stoeptegels. Ze hadden 2700 tegels nodig voor een oppervlakte van 50 M2. Die gingen een meter diep de grond in, in een cirkel van drie tegels breed. Op andere plekken hebben ze een fundament gemaakt van autobanden, die ze opvulden met grind. Isolerende schelpen en hydrokorrels worden ook vaak gebruikt in fundamenten. Het is de vraag waar je het makkelijkst aan kan komen en wat toegestaan is. Als het bouwwerk niet hoger is dan anderhalve meter, dan heb je in elk geval geen vergunning nodig en kan je zo beginnen. Maar dan mag je er niet in wonen, hier in Nederland.
Eén van de eerste dingen die ik weet over stro, is dat je moet uitkijken voor nattigheid. Stro mag nooit direct op de grond of op het beton. Dan trekt het vocht er in. Er komt altijd een houten rand onder. Die maak je van drie planken met een ruimte eronder. Daar kan je ook mooi je kabels in kwijt, tussen het isolatiemateriaal. Dat is een mooi begin. Ook iets anders heb ik onmiddellijk in mijn oren geknoopt. Dragende muren van stro, dat mag niet, hier in Nederland. Terwijl er niks mis mee is. Als je een rond strohuis bouwt , dan is een dak dat op de balen rust zelfs extra stabiliserend. Natuurlijk moet je er wel iets tussen stoppen om het gewicht van de draagbalken te verdelen.

.
Mijn conclusie in een notendop

.Als je me het op dit moment vraagt, dan zou ik graag een rond huis bouwen, met dragende stromuren. Een rond huis is sterker dan een vierkant huis, kan meer hebben. Zeker als je de balen plat neerlegt en conisch laat persen. Dan kan je ze gelijk in het rond neerleggen. Als de muren dragend zijn, dan bouw je het dak pas op het laatst, lijkt me. Dat is wel jammer, want als je het dak als eerste bouwt kun je lekker droog blijven tijdens het werk. En ook de strobalen blijven droog. Zonder dak boven je hoofd moet je gelijk het hele bouwplan aanpassen. Het tijdstip waarop je begint is dan erg belangrijk. Want als de strobalen eenmaal op het bouwterrein liggen moeten ze meteen verwerkt worden. Ze mogen nooit nat worden. Een landbouwzeil er over is ook niet zo’n goed idee. Als je het toch doet, dan zal je niet de eerste zijn die schimmel vindt op de bovenste balen. Er moet ventilatie zijn, anders komt er condens onder het zeil. Langdurige droogtes zijn misschien niet wenselijk, maar wel handig, bij het bouwen van een strohuis.

.

Ik zou graag bouwen in een land waar droge zomers zijn. Ooit. Dat is nu mijn wens.
Maar ik woon in een woonwagen. Zo is het. Wie weet hoe lang nog.

Ik schrijf me te pletter

Onrust in het uitzicht

Het is ochtend. Ik slaap nog half en hoor geluiden die van buiten komen. Een vrachtwagen rijdt achteruit en laat daarbij de eerste twee noten horen van een bekend pianostuk. Ik moet altijd aan „Für Elise” denken als ik het hoor. Roepende mannenstemmen. Het licht dat door de witte gordijnen komt is nog schaars, maar het belooft een heldere dag te worden. Gewoonlijk verheug ik me daarop, want op een zonnige dag kun je zoveel doen. Maar vandaag is het anders. Ik spits mijn oren. Zijn ze met de loods bezig? De fundamenten lagen jarenlang vergeten in het veld. Het leek er nooit van te komen, die loods, en ik hoopte dat het ook nog lang zou duren voor hij er kwam.

Ik sta op en schuif het gordijn opzij om te kijken. Ik zie mijn vermoedens bevestigd. Drie mannen zijn aan het werk. Ik kan er makkelijk overheen kijken, over de schutting. Een grote kraan houdt een enorm stalen spant in de lucht, en als je het zo ziet lijkt de schuur een behoorlijke omvang te krijgen. Als ik straks naar buiten kijk zie ik een deel van de lucht niet meer, net het mooiste stukje boven de bomenrand. Het weilandje zie ik dan ook niet, met het oude paard en de ezel. En ook de windkering er achter is dan voor een deel buiten zicht, met alle bomen en struiken. Ik vind het leuk om naar de roeken en de buizerds te kijken. Ze zijn met een hele groep, die roeken en ze zitten vaak in de uiterste hoek van het terrein, waar nooit of zelden iemand komt. Soms zit één van de buizerds er ook, en hebben ze trammelant. Ik zie hoe de buizerd eigenwijs op een takje blijft zitten terwijl de roeken in duikvlucht over hem heen scheren. Ze kunnen een hoop herrie maken, met zijn allen. Dat alles kan ik dan niet meer zien vanaf hier, alleen horen vermoed ik.

Ik loop naar buiten om te controleren of dat klopt. Ik kijk over het hek, waar de laatste spant van de schuur moet komen. Ik zie dat er nog één spant bij moet komen. Met die wetenschap loop ik terug naar mijn wagen en ga recht voor het vensterglas staan. Ik ontdek dat als ik op één plek voor het raam ga staan, ik de buizerd in de hoek net kan zien. Het andere deel van het uitzicht wordt bepaald door een rij coniferen, met een afstervende kersenboom ernaast. Ik heb er vetbollen in gehangen, en daar komen heel veel vogeltjes op af. De pauw eet vaak de restjes op die eronder liggen. Ik kijk er graag naar. Er is altijd wel íets te zien. Maar ik ben toch niet echt blij met de loods.

Ik kan om een andere plek vragen voor mijn wagen, een plek waar ik de grote schuur niet zie. Zo’n privilege krijg ik waarschijnlijk alleen als vaste kampeerder. Ben ik dat? Ik ben me gaan hechten aan deze plek, maar ik besef dat dit niet mijn eindstation is. Ik weet het niet hoelang ik hier blijf. Ik wil eerst mijn spullen een plekje geven. Daarna wordt het zoetjes aan tijd om te gaan, heb ik steeds gedacht. Maar ik weet nog steeds niet waarheen. Als ik op reis ga, dan wordt alles weer anders. Geen pauw meer, die eenmaal per dag voor mijn deur kattenbrokjes komt vragen, en ook geen zwijntje meer, dat ik mijn voorraad tamme kastanjes opvoer. Ik hou ook van de schapen die me aanstaren en met zijn allen gaan blaten als ik over het terrein loop. Het zijn allemaal dieren en geluiden waar ik in korte tijd aan gehecht ben geraakt. Ik weet niet hoelang ik nog bij ze ben. Ik besef de tijdelijkheid van alles.

Twee dagen loop ik zo rond met de vraag “Wat nu”. De eigenaar van het terrein wil me graag als vaste kampeerder en wil me een nieuw jaarcontract geven. Dat geeft op dit moment een goede basis, besluit ik. Het geeft rust. Ik kan mijn wagen het beste laten staan, besef ik. Ik moet nu niet aan reizen  denken, en de enorme voorbereiding die het kost, met een woonwagen achter je aan. Zeker met zo’n zware juf als de mijne. Hoe meer ik me in er in verdiep, hoe meer ik besef dat het niet niks is, om met zo’n lomp gevaarte achter je aan op de weg te rijden. Ik besluit om het hele reisidee voorlopig te laten voor wat het is. Eerst zal ik helpen om deze plek, waar ik nu ben, mooier te maken, te laten bloeien.
Soms is het goed dat er een streep door je uitzicht wordt getrokken. Zo kom je tot andere gedachten, en word je ertoe gezet om te bedenken wat echt belangrijk is. Voor dit moment weet ik het. Laat het nieuwe jaar maar komen.

Ps: De rij coniferen heb ik in de twee jaar hierna stukje bij beetje verwijderd. De omringende planten en bomen zijn er een stuk van opgeknapt en het uitzicht is veel beter geworden. Ik moest er voor de boom in, om het zorgvuldig te doen. Klimmen en klauteren is voor mij een groot plezier, zeker als het een doel dient.

Geheim onder de vloer

We zijn een vloer aan het leggen, een echte kurkvloer. Al de hele dag ben ik langs de lijntjes aan het zagen, zo strak mogelijk, dat is de sport. Ik maak ze zo strak, dat plinten overbodig zijn. Weer twee centimeter vloeroppervlak erbij. Al is het dan een klikvloer, het klusje vraagt toch meer tijd dan ik dacht. We hebben net de zware kachel weer op zijn plek gezet als Dick met een idee komt. Ik zou iets onder de vloer kunnen leggen, voor degene die het er ooit weer uit sloopt. Daar loop ik wel warm voor. Het is altijd leuk om iets te vinden wat uit een andere tijd komt. We vragen ons af wat het dan moet zijn en kijken het kleine stapeltje kranten door. Er staat niet veel bijzonders in. Uiteindelijk besluit ik om een bladzijde uit het NRC en eentje uit de Volkskrant met artikelen over de orkaan Sandy en de overstromingen in New York. Er staat te lezen dat de stormen toe zullen nemen door het smelten van het Noordpoolijs. De koude luchtstroom, die op tien kilometer boven het land naar het zuiden voert, kronkelt nu langzaam en veel verder weg dan ooit en ontmoet daarbij steeds vaker en heftiger de warme lucht uit het zuiden. Misschien weet de sloper van mijn vloer tegen die tijd of de voorspellingen uitgekomen zijn.
Als we net weer aan het werk zijn schiet me nog iets te binnen, wat mooi is voor onder een vloer. Het is een gedicht, dat ik ooit schreef. Het is een reactie op een gebeurtenis een aantal jaar geleden. Ik kende het uit mijn hoofd en droeg het af en toe voor in mijn boot, tijdens rondvaarten, en een keer spontaan op een symposium over stadsplannen. Een gedicht om te kennen en te koesteren. Om voor te kunnen dragen als het moment er om vraagt. En nu verdwijnt het onder de vloer.

Wie zal het zijn die het in de toekomst onder ogen krijgt? En wat zal het lezen van deze woorden dan teweeg brengen? Misschien leest nooit iemand het. Wellicht vergaat het gedicht gewoon samen met de wagen in water of vuur, of rot het ergens weg op een plek waar nooit meer iemand komt. Dan blijft het een geheim. Straks is er geen mens die er nog aan denkt….

De wensheuvel

.

.

Daar waar in stilte verbondenheid is, daar ligt de kiem van een nieuw begin.

Ik zit roerloos op de bank en luister. De vogels zijn zwijgzaam op deze grijze herfstdag. Een merel hoor ik. Even later een kraai die roept. Dan is het weer stil. De kachel tikt zachtjes, met gloeiend hout erin. Ik zit op mijn schapenvacht. Soms is de stilte bijna onverdraaglijk. Toch blijf ik zitten. En dan, als ik door de eerste weerzin heen ben, voel ik het. Ik ben verbonden. De grijze lucht lijkt lichter dan zonet, de kamer ruimer. Opgelucht haal ik diep adem. Je hebt maar een kleine plek nodig in je huis, waar je graag bent. Dat is genoeg. Bij mij is het mijn bank. Het huisje is klein maar groot genoeg.  En daar zit ik nu, op die bank.

Ik kijk door het raam boven het aanrecht, waar ik een stukje van de coniferenhaag zie. Ik hoor wat. Er komt wat aan. Een zware machine rijdt traag langs het onverharde pad, dat naar de camping leidt. Het overstemt alle geluiden. Een merel slaat alarm. Een groot gevaarte maait de berm. Ik verdraag het geluid tot het uiteindelijk in de verte verdwijnt en ik droom van een plek. Een plek waar niet geld en machines het leven op aarde domineren en manipuleren. Een plek waar alles mag zijn wat het is. Ik droom, net als  miljoenen mensen met mij van grond waar ik me mee kan verbinden en waar we samen de aarde kunnen verzorgen. Waar we onze handen vuil kunnen maken en kunnen laten groeien wat al ons leven lang onder de aarde lag te wachten. Als een woestijn, die na tientallen jaren weer tot bloei  komt. Zo wacht ik samen met anderen en werk verder aan de voorbereidingen.

In deze stilte is het of ik op een heuvel sta, en over de aarde kijk, samen met duizenden anderen. In die oeroude rust komt het beeld me steeds helderder voor ogen. Elke dag  groeit het. Tot het moment komt dat we de handen ineen kunnen slaan.. Sommigen zijn al begonnen, een  pril nieuw begin, anderen luisteren, net als ik en zullen weten wanneer het hun moment is. We zullen alles wat onder onze handen komt, laten groeien tot een weelderige tuin, en elke tuin is  verbonden met een andere. Alles is er al. Door wat groeit zijn plek te geven, geven we onszelf een plek. Bomen die vrucht dragen, kruiden die bloeien en geuren in de warme zon, en hangen te drogen op zolder. Kinderen rennen de kleine herdershond achterna op het veld. Langs de vijver drinken vogels tussen de waterkers en vliegen snel weer op. Onder een steen zie ik de staart van een salamander weg flitsen. Op deze denkbeeldige heuvel sta ik stil en zie het voor me. Laten we onze fantasie gebruiken en durven dromen. Onze beelden van wat zal zijn, rijgen zich aaneen en zo wordt het werkelijkheid. Zo kijken we uit over een aarde zoals we haar nog nooit hebben gezien. Dit is onze wensheuvel. De plek waar alles opnieuw begint.

.

Halte Toekomstweg

STAP VOOR STAP KOMT NAAR ME TOE, WAT NU NOG IN DE VERTE IS……………

Als je bus 142 neemt vanuit Tilburg of Best, stap dan uit bij Halte Toekomstweg. Daarna loop je een half uur door het bos, en dan kom je bij mij uit.

Het is herfst. De nachten kunnen nu flink koud zijn en een goeie kachel is goud waard. Ik ben blij dat ik zo’n fijne tegelkachel heb. Het vraagt tijd en aandacht om mijn stekkie warm te houden. Een groot gedeelte van de dag ben ik nu bezig met zorgen voor de dagelijkse behoeften, warmte, voedsel, schone kleren. Hout sprokkelen en zagen kost tijd. In Middelbeers hebben ze ook briketten, eco en niet-eco. Een stuk makkelijker, maar het kost ook wat. Met vijf ecobriketten kom ik de dag wel door, dat is vier euro per dag. De bruinkoolbriketten moet ik nog uitproberen, waarschijnlijk gaan die langer mee. Maar ik stook het liefst dikke takken snoeihout. Dat hoor je knappen in de kachel. Dat vind ik leuker dan de kant-en-klare briketten. Het hele ritueel van verzamelen en afkorten hoort er bij. De dunne laat ik liggen op de takkenwal, voor de beestjes, die hebben ook beschutting nodig. Eerlijk is eerlijk.
Vanochtend is het koud in mijn wagen, als ik wakker word. Onder mijn dikke schapenwollen dekbed is het warm, maar erbuiten niet… Mijn moeder maakte het van een schapenvacht, lang geleden, en nu ben ik blij dat ik het al die jaren heb bewaard. Ik zie hoe de ramen druipen van het vocht en kruip nog even diep weg in de behaaglijke warmte van mijn bed. Toch moet ik er zo uit, ik moet mijn kachel weer aansteken. Ik ben te zuinig geweest met mijn briketten, eentje is niet genoeg om hem de hele nacht warm te houden. De tegelkachel houdt de warmte lang vast, maar het duurt ook langer voor je hem weer opgewarmd hebt als hij is afgekoeld. Het effect van een warme kachel voel ik onmiddellijk. Heerlijk is het, ik voel hoe elke vezel in mijn lijf zich ontspant. Vooral op vochtige dagen voel ik mijn spieren verstrakken en ook mijn slijmvliezen en mijn keel protesteren ertegen. Dat voel ik des te beter, nadat ik jarenlang in een kelder heb gewoond. Dus ik geniet van die kachel. De moeite waard. Waarom doe je dat allemaal, zullen mensen zich afvragen, waarom ga je niet gewoon in een kurkdroog modern ,huis wonen waar een CV is, en waar alle kamers even warm zijn, zelfs de douche en de wc een verrukkelijke kamertemperatuur hebben…

Mijn wagen, Juffrouw Kolibri, is een tussenstation. Ze is bedoeld om mee te rijden, om ergens naar toe te gaan. Niet voor niets stap je uit op halte Toekomstweg, als je hierheen komt. Ik houd van de uitdaging alles opnieuw te ontdekken. Vrijheid is mooi, maar kan ook hard zijn. Dat wist ik al, dat is niet nieuw voor me. Ik heb dagenlang tussen de ijzel en regenbuien door onder mijn boten gelegen om ze kaal te maken en te teren. Onderhoud was nodig, voordat het vaarseizoen weer zou beginnen. Dan valt het hier prima te doen, in dit wagentje van mij. Door te leven in soberheid leer ik wat waardevol is en waar ik mijn energie in wil steken. Ik vang een glimp op van wat anderen meemaken, die niets hebben. En voel me rijk dat ik zelf de keus heb om dit te doen uit vrije wil. Ik voel me ook rijk als mijn huisje warm is doordat ik er zelf voor heb gezorgd. Of ik het de hele winter leuk blijf vinden? We zullen zien.
De zon staat nu op mijn dak, en de kachel is goed heet geworden. Zo meteen heb ik het weer hartstikke warm hier. Die zon is geweldig, wat fijn dat we hem hebben. Hoe maak ik optimaal gebruik van deze energie? Een huis moet in de winter warm zijn, zonnewarmte moet je op kunnen slaan. En in de zomer is het fijn als ik kan schuilen voor de brandende zon in een koel huis. De zon kan dan mijn water verwarmen, voor thee, de was en voor de douche.
Warmte is het belangrijkste van alles. Zonder warmte word je zwak en ziek en kan je ook geen voedsel zoeken of verbouwen. Als ik mijn eigen huis zou bouwen, hoe zou dat er dan uit zien?Binnenkort ga ik een vierdelige cursus strobalenbouw doen om die gedachte verder uit te werken.
Of ik zelf een heel huis kan bouwen doet er niet toe. Ik ben wel vaker aan dingen begonnen waarvan ik niet van tevoren wist hoe ik het ervan af zou brengen. En terwijl ik bezig was kwamen de oplossingen vanzelf naar me toe. Nooit geschoten altijd mis. Wie niet waagt, wie niet wint. Stap voor stap komt naar me toe, wat nu nog toekomst is.

Juffrouw Kolibri

Ik herinner me het eerste jaar dat ik in Utrecht woonde, in een rustig deel van de binnenstad. Ik lag graag op het dak om naar de gierzwaluwen te kijken, en verwonderde me hoe ze altijd maar door vlogen. De kolibri is familie van ze. Van oorsprong komen ze uit Zuid Amerika.

Het vogeltje heeft een lange snavel, die ze in de kroonbuis van de bloem kan steken. Om bij de nectar te komen moeten ze hun tong uitrollen. Ze kunnen achter uit vliegen en bijna zwevend tot stilstand komen, terwijl ze nectar verzamelen met hun lange tong. Er is geen andere vogel die dit kan.
Ze kunnen manouvrerenen als een helikopter. Niet alleen recht omhoog, maar ook naar achteren. Hun vleugelslag is niet te volgen, zo snel. Deze vliegtechniek vraagt zoveel energie dat ze altijd moeten blijven eten, en van bloem naar bloem blijven gaan. Ze houden alleen stil als het nacht is.
Toch krijgt de kleine vogel uit Zuid Amerika het voor elkaar om elk jaar van Brazilie naar Canada te vliegen en terug. En dat zonder te eten.
Ze kunnen zo snel bewegen, dat ze per seconde 385 keer hun eigen lichaamslengte afleggen. Bij het afremmen, dat met het spreiden van de vleugels gebeurt, ontstaat er een druk van negen keer de zwaartekracht. Een mens zou bij deze druk het bewustzijn verliezen.
Niemand snapt hoe het kleine dier dit alles voor elkaar krijgt. En toch doet ze het. Daarom staat de kolibri symbool voor het onmogelijke. Ze is boodschapper, brenger van berichten. Brengt verleden en toekomst bij elkaar in wijsheid. Ze is beweeglijkheid in rust.

Vele inheemse volkeren zien de kolibri als een symbool om snel tot de kern van een zaak te kunnen komen. De nectar van de bloemen is diep verborgen in het hart van de bloem. De kolibri weet erbij te komen, in een mum van tijd. De bloemen zijn helderrood en oranje, om de kolibri te lokken. Diep in de bloemkelk is veel nectar te vinden, als beloning.
De omhoogvliegende vogel en haar voorkeur voor heldere warme kleuren, symboliseert optimisme, vreugdevol leven en transformatie. Ze vliegt vanuit de diepte omhoog, het licht tegemoet en leven, waarin ze zich kan voeden met een overvloed aan zoete nectar. De extreme uitdagingen die ze weet te volbrengen, maakt dat ze nog dieper in de kelken kan komen. De verscheidenheid aan bloemen is groot, er is alle keus. Behalve als het langdurig regent en bloemkelken zich sluiten. Dan is het even afzien voor Kolibri.

.
Een juffrouw Kolibri zorgt dat ze licht is. Aan spullen bewaart ze alleen het nodige, dan is er rust en toch beweeglijkheid. Ze is waakzaam en reageert onmiddellijk als ze iets ziet wat haar nodig heeft. Rode, oranje bloemen. De bloemen hebben de Kolibri nodig, en een Juffrouw Kolibri de bloemen. Om te leven en te laten leven.