De toekomst is begonnen

.

Toen ik mijn huisje kleur gaf, liet ik me inspireren door de kunst van een vriend. Hij woonde in Rotstergaast. Op het moment dat ik de kwast ter hand nam, stierf hij. Hij was met hart en ziel natuurliefhebber en droeg dat in alles uit. En nu begint mijn nieuwe leven in het land dat hij achterliet. Friesland, groene weiden, wijde luchten.

 

.

Het is hier zes graden kouder dan waar ik was. We hebben heimwee, de boompjes en ik. De harde koude noordenwind waait de opgeschoten loten bijna om. De blaadjes bewegen wild in de wind. Ik krijg medelijden met ze. Gelijk als ik de eerste dag wakker word, begin ik met sjouwen. Alle boompjes naar de enige windstille hoek, aan de zuidkant van de boerderij. In de kruiwagen kunnen precies drie potten. Ik ben er lang mee bezig. Achter de berg hooibalen is ook een rustige plek. Het hooi is lekker warm. Goed voor ze.

De tweede dag waait het nog steeds. Ik word wakker en open de luiken. Achter de luiken is het uitzicht totaal veranderd. Geen bomen meer met vinken, mezen, spechten, geen grasveld vol madelieven en merels, nee, nu zie ik een uitgestrekte weide van 85 hectare groot! Eindeloos is het. Een groep kauwtjes trotseert de harde wind en scharrelt in het groene raaigras.

Als ik naar de boerderij loop, komt Irma mij tegemoet. Haar blonde haar val los over haar brede schouders. Die schouders hebben al heel wat voorwerk gedaan, lang voordat dit project van start ging. Al tien jaar is ze aan het praten geweest.
Irma komt regelrecht naar me toe lopen. “Hé, Alowieke, kun je de potten die voor de deur staan even verplaatsen? Ze staan in de weg.” Ik weet van geen deur. Ze loopt met me mee. Er is inderdaad een grote schuurdeur die nu openstaat en iemand heeft de potten al verplaatst.

De dag erna staat ze weer voor mijn neus. “Kom je,” vraagt ze, “Elbrecht is jarig en er is taart.” Samen lopen we naar de grote yurt van Elbrecht en haar twee dochters. Terwijl we er heen lopen, nodigt Irma me uit voor een ontwerpsessie, die moet gaan over de grond die ons omringt, in deze tijd van klimaatverandering. Er zijn een heel aantal kopstukken uitgenodigd en ook een dichter, die een poëziepad wil maken. Het boeit me. Ik snak ernaar om mijn horizon te verbreden en naar een filosofisch gesprek over concrete dingen.

De volgende middag fiets ik al naar Leeuwarden, en loop de oude gevangenis binnen. Hier is de bijeenkomst. Het is een mooi oud gebouw, dat aan het water ligt. In de zaal zie ik vooral mannen. Ik ben na Irma en José, ook van Frijlân, de derde vrouw. We willen allemaal een gezond gebied te creëren in een veranderende wereld, wat ook nog economische rendabel moet zijn. De werk-en-denk sessie duurt de hele middag. Ik luister en draag mijn steentje bij. Ik heb een idee voor wat ik wil doen. Het past mooi bij het poëziepad, van de dichter. Ik ben benieuwd wat hier uit voortkomt. Dat ik na drie dagen Friesland hier al sta, op deze bijeenkomst, tussen deze mensen, wat gaat dit snel!

Hier sta ik, op het weidse vlakke land, het land dat ik in gedachten had, toen ik mijn woonwagen zijn kleuren gaf, het groen van de wei en een uitgestrekte horizon met de lucht erboven. Ik ben waar ik wezen moet. Alles is er klaar voor. Ik heb minicamping de Ontginner achter gelaten, ik hoef niet meer uit te stappen bij bushalte “Toekomstweg‘. De toekomst is begonnen.

.

Nacht van wording

.

.

Ik zit beroerd en misselijk op de bank. Zelden ben ik ziek, maar nu heeft het me toch te pakken. Af en toe probeer ik kokhalzend een hap waterige haverpap met lijnzaad naar binnen te werken. Je moet toch wat. Lijnzaad doen ze ook door het voer van paarden als ze iets hebben. Dus moet het bij mij ook werken. Als ik mezelf zielig begin te voelen dan denk ik aan een zwerver. Die zit in een kartonnen doos onder een brug. Ik woon in een fijn zelfgebouwd huisje. Met die gedachte leg ik mijn hoofd berustend in het kussen en slaap weer in.
Ik slaap de hele nacht en ook overdag. Ik laat me weg zinken, dompel er in onder. Elke keer als ik mijn ogen opendoe, voel ik me weer een stukje beter. De ene dag na de andere gaat voorbij. Tot er vier dagen om zijn en de vijfde nacht aanbreekt. Die nacht gebeurt er iets bijzonders.

Ik sta bij een poort. Binnen hoor ik muziek. Het is feest. Overal zijn mensen, er binnen en hier buiten. Verlangend kijk ik door de openstaande deuren. Ik heb mijn handen nog vol bouten en moeren van het bouwen.
Een forse vrouw met een lange rok ziet me staan weifelen en begrijpt me direct. “Gooi hier maar neer. Wij sorteren ze wel,” Er liggen er al veel meer, schroeven, bouten, moeren, netjes gesorteerd in bakjes. Ik gooi alles erbij en daarna voel ik me een stuk lichter. Blij ga ik naar binnen.

Meteen beland ik middenin een zaal met wervelende danseressen. Daar om heen spelen muzikanten. Ik kijk ademloos naar het schouwspel. Dan fluistert iemand mij iets toe. Hij staat in de schemering, achter de coulissen. “Het is jouw tijd nog niet, jij komt straks pas. Je hoort dáár.” Hij wappert met zijn hand en ik kijk opzij. Er zit een rij jongetjes op een gymbank. Ze hebben bruine pijen aan. Ik ga bij ze zitten, aan het einde van de rij. Nu pas zie ik dat ik ook een bruine pij aan heb, die niet eens zoveel verschilt van de hunne. Hij is gemaakt van de stof van het dekbed waar ik altijd onder slaap. Vlak naast me zit een hèèl klein jongetje. “Nu moet ik op!” roept hij opeens met heldere stem. Hij springt overeind.
Ik geniet van de wervelende energie van de dansers. Ik geniet van de jongens die geconcentreerd en vol spanning toekijken. Iedereen heeft zijn eigen plek. De voorstelling lijkt eindeloos veelzijdig. Met glimmende ogen kijk ik het kleine jochie na. Daar gaat hij, met ferme passen het toneel op.

Ik wacht nog even, voor ik mijn ogen open doe. “Zou ik straks òòk op mogen, ” vraag ik me slaperig af. “En wat leuk dat ik tussen die jongetjes zat in mijn bruine pij. Eigenlijk is dat ik ben, een levendig jochie en een monnik tegelijk. Maar ik ben ook de forse vrouw, die bouten en moeren sorteert en mensen verwelkomt. Ik ben als de dansers, die dansen tot de dag begint. Ik ben het allemaal.

Ik kijk tussen mijn wimpers door naar het lage ochtendlicht dat door de deur schijnt. Ik neem een slok water en voel hoe het frisse vocht mijn slokdarm in glijdt, rechtstreeks mijn arme maag in, die al vier dagen voelde alsof er een klomp ranzig vet in zat. Ik drink het glas helemaal leeg en zet het neer op de plank. Het prille licht door de deur maakt mijn huisje goudgeel en oudroze. Alles verandert in een ander licht. Misschien is het wel nodig, ziek zijn en herboren worden. De zon stijgt hoger en verdwijnt achter de dichte luiken, die voor mijn ramen zitten. Ik strek me een paar keer en klim opgewekt mijn bed uit. Het wordt een heerlijke nieuwe dag.

.

.

 

 

 

 

Achter de vermolmde schatten

Agremoner werkelijkheid kl frm

Er leeft een slak in mij, vlijtiger dan een mier.

.

Agremone liep onopvallend tussen de dichte stroom mensen. Een meisje in een goudgeel jurkje. Niemand zag haar, de blikken gingen naar glanzende etalageruiten. Ze keek om zich heen, zag gezichten van mensen die keurden en zochten. Zij zocht niet meer, ze hoefde niks, had niets te verliezen en genoot van de zwoele nazomerlucht.
Toen zag ze hem, omringd door een kleine kring van mensen. Een kleine groene draak. De meesten deinsden voor hem terug, niet omdat hij gevaarlijk was, maar omdat hij bij iedereen het hoofd op de borst legde en het daar soms minutenlang liet rusten. Een groepje muzikanten ontdekte hem, vond hem leuk, en volgde zijn gang met vrolijke dansmuziek. Een jongen met grote blauwe ogen lachte, aaide hem over zijn bol en ging verder.
Maar de draak was moe en oud en verlangde naar echte liefde, trouw en tederheid. Dus gaf hij alles wat hij in zich had en keek uit naar zijn liefste. Oude tengere vrouwtjes duwden hem lachend weg. Lange mannen in nette jassen bleven verschrikt staan, als ze het zware groene drakenhoofd op hun smalle borstkas voelden. Ze staarden verstijfd omlaag, terwijl de viool, de fluit en de trekzak maar door speelden. Opgelucht haalden ze adem toen hij eindelijk weg ging en het stel tussen de massa hoorde verdwijnen.

Op een grote kei op een hoek zat Agremone. Ze stond op toen hij haar naderde,  keek hem aan. De wereld stond stil en de muzikanten hielden op met spelen. Haar hart smolt en liep over. Ze omarmde hem, nam hem bij zijn zachte klauw met gouden dons bedekt, en ging mee naar het hol.
Langs de brede rivier was een hoge oever. Daarin had de draak al lang geleden zijn aardehuis gegraven. Vijf lange jaren duurde hun leven samen. De draak vertelde verhalen en zong zachtjes. Zij luisterde, elke dag.Tot hij niet meer kon. Stil liet hij zijn hoofd rusten in de schoot van Agremone en stierf, op een nazomerdag die even zwoel was als de dag van hun ontmoeting. Ze begroef hem naast de rivier en keek verdrietig naar het omgewoelde zand, dat zijn lichaam verborg.

 

.

Blogtek lieve draak kl frm

.

Het hol van de draak lag vol hout en ijzer en vermolmde schatten. Het meisje keek wezenloos om zich heen. Ze keek en keek nog eens. Ze liep van voor naar achter en weer naar voren. Ze keerde alles ondersteboven en binnenstebuiten. Ze poetste, schroefde en schilderde. Ze deed er jaren over om de stoffige bergen op te ruimen, die de draak had verzameld. Ze verjaagde torren en houtwormen en legde het mooiste opzij.
Toen was ze eindelijk klaar. Ze kon het bijna niet geloven, maar het grote hol was zo goed als leeg. Het was er licht en ruim geworden. Verwonderd keek ze om zich heen. Maar hoe mooi het ook geworden was, ze voelde zich leeg. Deze plek was niet meer de hare, zij had haar taak gedaan. Hoe moest ze hier nu weg komen? Ach, moe van al het werk staarde ze naar haar voeten en dacht nergens meer aan.
Maar wat was dat nu, het leek wel of ze muziek hoorde. Het kwam van buiten. Het was snel, vrolijk en wild en het deed haar verlangen naar verre oorden. Gauw rende ze naar buiten. “Neem me mee!” riep ze. Maar de muzikanten speelden onverstoorbaar door en waren al bijna verdwenen. Langzaam liep ze terug.

Het was of de muziek haar iets wilde vertellen. Ze liep het oude hol in, dat nu zoveel lichter was, ging in het midden zitten van de grote lege ruimte. De klanken echoden in haar gedachten. In de hoek stonden nog steeds de mooiste materialen, die ze had uitgezocht. Ze keek ernaar en zag haar lieve draak voor zich. `Poets tot het glimt ` zei hij. `Hier begint jouw nieuwe wereld. Maak iets waarmee je op weg kan. Ikzelf en iedereen zal je helpen.` Ze luisterde verheugd naar hem en begon te tekenen, zwarte lijnen op wit papier. Een kleine wagen tekende ze. Ze fantaseerde, piekerde en peinsde. Het moest warm zijn in de winter en koel in de zomer, ramen aan weerszijden en groot genoeg om in te leven. De vrucht van haar verbeelding werd stralender, kleurrijker, terwijl ze al schetsend de details vervolmaakte.

.

Vermolmde schatten kl frm.

.

Agremone bouwde. De stoffige oude dingen die tot nog toe als dood in de hoek lagen, kregen in haar handen een nieuw leven. Het leek wel of ze kon toveren en de tekening werd werkelijkheid. Ze bouwde langzaam maar gestaag, en tot verbazing van haarzelf en iedereen groeide er iets, dat alle verwachtingen overtrof. Een kleine knusse wagen werd het, lichtblauw en groen geschilderd, het kleurde als bossen onder een heldere hemel en er waren  glanzende ramen aan weerszijden. Het meisje, inmiddels vrouw geworden, zette haar wonderwagen op de smalle weg. Twee jonge draken boden zich aan, en met plezier spande ze het stel voor de wagen.

Zo vertrok ze en niemand, zelfs zijzelf niet, weet waarheen. Naast haar geliefde draken loopt ze, verder en verder. Haar voetstappen fonkelen in de plassen, haar haren glanzen in de zon, stralender dan voorheen. Velen hebben de kleine wagen voorbij zien komen, met het vrolijke stel. Zelfs de somberste harten ontlokt ze een glimlach. Alsof een frisse bries de deur op een kier waait en een nieuwe gedachte komt bij hen op. Het lijkt wel een begin, een begin naar iets heel anders.

.

Blogtek drakenwagen kl frm

.

Hier onder staat het gedicht, dat mij inspireerde tot dit verhaal. Het komt uit het nieuwste boek van Toon Tellegen ’De werkelijkheid’. Ik hoorde het op de radio. (Passaggio, NPO4)

Wat ik wil

Ik wou dat de werkelijkheid een ding was,
dat ik haar kon aanraken, optillen en weggooien

en dat ik haar weer terugvond, wanneer het mij zo uitkwam,
en haar oppoetste
tot zij schitterde als een rivier in de zon

ik wou dat de waarheid een vergissing was
en dat iedereen dat inzag en zich voor haar verontschuldigde

er leeft een mier in mij, luier dan een leeuw,
dommer dan een slak

ik wou dat er iets anders was, het begin van iets anders.

.

.

AGRIMONIE

Het is leuk om naderhand in verschillende bronnen te lezen hoezeer de naam klopt, die ik voor de hoofdpersoon heb gekozen. Hoe kwam ik aan de naam? Ik trok de plant blindelings uit een hele verzameling en wist dat het de goede was omdat het met een nieuw begin te maken had.

Nu lees ik dit. Agrimonie komt waarschijnlijk van agros(veld) en monos(eenzaam). Het is een plant die vaak alleen op het veld staat, maar soms ook in groepjes of bij de rivier. Agrimonie is genezend voor tal van kwalen. Het karakter van de plant maakt je los, en werkt bevrijdend. Je kan weer dansen en vol goede zin opnieuw beginnen. Behalve dat het bevrijdend, reinigend en opbeurend werkt, heeft  agrimonie nog een heel plezierige bijwerking. Het drinken en gorgelen van de thee zuivert de stem. Schorheid lost zich op en keelpijn wordt minder.

Gewone agrimonie werd ook niet voor niks Zangerskruid genoemd. Andere volksnamen zijn Noordse thee, Bosthee, Avermonie, Drakenbloed (!), Verkeerde klis en Kerktoren.  Als de bloemen zijn afgevallen krijgt de plant een slanke vorm die tot de verbeelding spreekt. Churchsteepless , zeggen ook de engelsen. In de klokvormige schijnvruchtjes zien ze een carillion uit de kerktoren. Ik zie het ook!

.

 

Agrimonie kl frm 004

.

.

Tot slot wil ik verklappen dat dit sprookje geheel en al is gebaseerd op mijn eigen levensloop en ik ben werkelijk een draak  tegengekomen op straat en heb jarenlang in zijn hol geleefd. In de drakenhuid zat een jongen verstopt van wie ik in 2002 afscheid heb genomen, maar die voor altijd indruk op mij heeft gemaakt.

Klik hier voor een natuurblog waar ik enthousiast van werd. (Bijvoettegemoet)

.

 

.

.

Plankenkoorts

Blogtek plankenkoorts

O.. wat zullen het er veel zijn! Hoe bijt ik de spits af? . . . .

.
De lucht is grijs. Het motregent. Niet veel, voor de struiken die ik
vorige week heb geplant. Mijn cadeautje voor de camping. Een
afscheidscadeau. Want het is het laatste wat ik aan energie in deze
grond stop. Weg ben ik nog niet. Maar het bouwen begint, en dat is het
begin van een langzaam vertrek. Lange tijd was het een idee, deze plek
te verlaten, het leek ver weg. Maar nu voel ik het, tot in mijn
vingertoppen. Het is tijd.
Voor mij ligt een briefje. Heb ik voorlopig alles, vraag ik me af. Ik
kijk het lijstje nog eens na, latten en planken van allerlei maten. Ik
heb het besteld bij de timmerman in Esbeek en hij komt het
allemaal in èèn keer brengen. Volgende week, zei hij. Wat een berg
zal dat zijn. De spits afbijten, hoe doe ik dat? Eerst maar eens overal
opschrijven waar het voor is. Mijn schouders ontspannen
bij de gedachte. Het geeft me het gevoel dat het goed komt. Ordenen
geeft rust en overzicht en ik weet dat het werkt.

Ik kijk naar buiten. Het regent nog steeds, heel zachtjes.
De wind steekt op. Een koolmees fluit hard, recht voor de deur op een tak.
Wat nu. Dit wachten duurt me eigenlijk iets te lang. Er komen vragen
in me op. Wanneer zal ik aan de slag kunnen? Zal mijn geïmproviseerde
werkplaats voldoen? Hopelijk wordt het gauw mooi, rustig lenteweer,
dat het zeil niet meer zo flappert… Ga ik dit echt allemaal doen,
ga ìk dit mooie wagentje maken, wat ik al zolang voor me zie? Zo spannend
is het. Pure plankenkoorts. Maar als de planken er eenmaal zijn zal het
vast en zeker lukken. Wat te doen ondertussen…
Ik ga maar weer eens ijsberen.

Haaks beginnen

blogtek winkelhaak zelf maken

.

Ik zit op de drempel. De zon schijnt en het is al best lekker, uit de wind. Naast de wagen klinkt driftig geklop en getik van een snaveltje op hout. Als ik vooroverbuig kan ik net precies zien waar het vandaan komt. Er komt iets uit het nestkastje vliegen, dat ik tussen de takken hing. Een geel met blauw vogeltje strijkt neer en kijkt parmantig om zich heen. Het is de pimpelmees.

Ikzelf ben ook begonnen met mijn nieuwe nest. Vanochtend haalde ik de eerste houtplaten uit de schuur. Ik heb ze op het onderstel gelegd. Ik wil ze voorlopig als grote tekentafel benutten, om mallen te maken van onderdelen. Daarna maak ik ze passend voor de vloer. Voor de bodem vastgezet wordt, moeten de spanten klaar zijn, want die worden er van onderaf aan geschroefd en met lijm versterkt. Ik wil ook dat alles goed haaks is. Straks eerst maar eens een grote winkelhaak maken. Hoe was dat ook al weer, de stelling van Pythagoras… Ik kijk in mijn werkboek. Alles wat ik kon bedenken staat er in, zorgvuldig uitgewerkt. Pythagoras staat er niet in. Maar andere dingen wel. Bouwtekeningen en volgorde van werken, materiaalkeuze en waar ik het vandaan wil halen, en veel meer.

Ik blader tussen de bouwtekeningen en denk na over de vloer. Ik heb nu een kurkvloer. Dat is mooi en warm. Maar er staan gauw krassen in en het bolt op bij vochtigheid. Nee, dat wil ik niet meer. Ik kan ook een stoere plankenvloer maken. Maar planken kunnen blijven uitzetten en krimpen en dan zit er stof tussen de kieren. Dat komt dan allemaal in de isolatie terecht, de schapenwol die eronder zit. Er is nog een optie. Linoleum is een mooi natuurproduct, strak, glad en oersterk. Zal ik dat nemen? Ja, ik doe het, ik kies linoleum.
Na dit besluit doe ik even mijn ogen dicht en luister naar het getjip van een luidruchtige koolmees. Even later hoor ik de bescheiden heggemus. Verder weg, maar niet minder aanwezig, het kukelen van de haan en gekwebbel van kippen.
De zon schijnt op mijn blote benen, en ik voel nieuwe energie in mijn aderen stromen. Voor de bouw begint, wil ik dat alle accu’s vol zijn. Vooral die van mezelf. Straks weer verder. Eerst die grote winkelhaak maken.

.

haaks 006

De stelling van Pythagoras: a2 + b2 = c2. Neem fijn of homogeen hout voor een winkelhaak, zodat de schroeven precies daar kunnen komen waar je ze hebben wil. Kijk van tevoren of de latten echt goed recht zijn.

Uitproberen

blogtek uitproberen 003

.

“Ik vind het zo leuk dat we hem nu kunnen testen!” Ik kijk naar Dick, naast me. Hij staat uit te hijgen. Mijn superdeluxe kar staat midden op het karrenpad, vol beladen met stalen profielen en golfplaten. Die zijn voor de overkapping, die we gaan bouwen, een werkplek voor de wagen. We konden ze nog net tussen groeigrage stammen en kronkelende takken uittrekken, zonder te moeten kappen. Het lag er vast al een tijdje, daar achter de camping.
“Ik ben benieuwd of we de wagen zo meteen het veld op krijgen. Het is daar zó nat!”
“Dat lukt vast ook wel. Zullen we weer?” Dick zet zijn grote handen op het koude staal. Op de verharding van het brede pad rolt het lekker door. Aan het einde is de bocht naar de parkeerplaats. Ik trek de dissel naar links. Ik kan de voorwielen er helemaal dwars onder draaien, zodat de wagen extra korte bochten kan maken.  “Straks kantelt hij nog!” roept Dick een beetje bezorgd. “Nee hoor,” stel ik hem gerust. Ik heb veel vertrouwen in mijn solide kar met de korte, brede wielen. Die kantelen niet zomaar. Ik glimlach. Achter me hoor ik harde banden door de plassen gaan.

Het begin van het veld is een modderpoel. “Vaart maken!” roep ik. Bij een diepe plas staan we ineens stil. “Ik ga kijken of Paul er is.” Ik loop naar de grote woonwagen en klop op de deur. Niemand. Ik loop terug.
“Nog een keer proberen dan maar,” zegt Dick en haalt adem. “Eén twee drie! Eén twee drie!” Bij elke drie gaan de wielen twintig centimeter vooruit. Rondom het harde rubber borrelt het zompige gras zijn nattigheid er uit. Achter de wielen is de grond platgereden, maar het spoor is niet diep. Daar ben ik blij om.
“Mijn klompen glijden steeds uit over het natte gras,” klaag ik.
“Ja mijn laarzen ook.”
“Laten we maar stoppen dan. Hier staat hij ook prima, voor nu.” Ik laat de dissel los. “Okee.” Hij kijkt bedenkelijk naar de zware vracht. “Zou een paard dat wèl kunnen trekken?” “Vast wel. Een paard is veel sterker dan jij. En een muildier is nòg sterker.” Ik kijk naar mijn blauwe klompen die zich vastzuigen in de modderige bodem van een plas. “Ik zal liever niet met ze door een zompig grasveld heen rijden. Er zullen vast betere wegen zijn om te gaan.”

Ik geef Dick het touw en pak zelf een sterke spanband. Het gaat flink waaien morgen. Maar de harde zuidwestenwind zal er geen vat op krijgen, is mijn voornemen. Stevig trek ik  tot de band strak staat en de wind niet onder de golfplaten kan komen. Ik sta en kijk. Dit voertuig hoort bij me, zoals mijn boot vroeger bij me hoorde. Het wordt meer dan alleen mijn huis, het beweegt met me mee en ik mag er voor zorgen. Even ben ik vol van diepe tevredenheid. Mijn vriend is al vooruit gelopen om koffie te zetten. Hij kijkt naar me over zijn schouder. “Kom je?”

.

.

Opdracht voor de smid

Opdracht sm 3 002

Muren van grijze steen begrenzen een kale ruimte. Door de grote ramen zie ik het pand aan de overzijde, waar de secretaresse in wit licht achter haar computer tuurt. Tegenover me zit de smid van Warnsveld. Op tafel ligt een groot vel papier met de constructie tekening van mijn nieuw te bouwen wagen. Hij gaat voor mij het onderstel maken.

„Ga je er echt in wonen of is het maar voor kort?” Hij kijkt me nieuwsgierig aan.
“Ik ga er in wonen. Het moet comfortabel worden. Ook wil ik door zand, bossen en door ruigtes kunnen rijden. Dus het moet makkelijk wendbaar zijn. En niet te groot en te hoog. Lastig kiezen, zo allemaal bij elkaar.”
“Je zal toch iets grotere wielen moeten nemen, die kleintjes schuiven het zand voor zich uit. Vroeg of laat zit je vast.”
“Ja daarom heb ik aan de achterkant een ingebouwde wielkast bedacht met grote wielen. Die steken uit boven de vloer.” Ik wijs het aan op de tekening. “De voorwielen zijn wèl erg klein. Moeten die groter? Ik hoopte de vloer zo laag mogelijk te kunnen houden. . Onder de laadruimte heb ik ook maar dertig centimeter tot de grond. Is dat te weinig, komen we dan met de onderkant vast te zitten?“
“Het is aan de krappe kant, als je door ruig gebied wilt trekken.”
Hij is even stil en kijkt door het raam.
”Ik zal je mee naar buiten nemen” zegt hij dan. “We kunnen eens kijken bij andere wagens. Dat is duidelijker dan een tekening.”
Het is fris en het waait en druppelt. Ik loop achter hem aan over het grind. Achter de gebouwen ligt een hectare grond. Verspreid over het terrein staan aanhangers, paardentrailers en een stapel pallets.
“Kijk,” zegt hij en staat stil bij een glanzend nieuwe aanhanger. “Dit is een mooi wiel.” Hij aait over het harde rubber. Ik zie een klein breed wiel, maar groter dan ik zelf had bedacht.
“Ik zal eens meten,” zegt hij en pakt de rolmaat uit zijn zak. Hij meet vanaf het zanderige grind tot de onderkant van het voertuig. “Vijfenzestig centimeter tot de vloer.”
“Dat is tien centimeter hoger dan ik bedacht had,” zeg ik. “ Twee-meter-zeventig wordt mijn nieuwe wagen dan.”
“Die paardentrailer is precies even hoog,” wijst hij.
Ik kijk en denk. Goeie wielen en genoeg ruimte in en onder de wagen, het is allemaal belangrijk. Maar dit alles wordt hoger dan ik hoopte. In een bos rijd ik snel tegen takken aan. Wat is belangrijk? Die vraag heb ik al vaak gesteld. Ik overweeg. Een tak die in de weg zit kan ik meestal wel afzagen. Maar een mul zandpad of uitstekend rotsblok in de weg, daar doe je weinig aan…
“Ik heb genoeg gezien.” zeg ik resoluut. “Dit wiel wordt hem.”
We lopen terug naar het kantoor en ik neem afscheid. De bouwtekening mag hij houden. Ik pak mijn rugzak en neem de vouwfiets. “Tot over een week of zes! “ roep ik. Hij lacht. Tevreden begin ik de terugtocht. Terug naar huis, naar Haghorst.

Voor aanvang

breincorset creatieve 001

Na verhalen over paarden en theater zou ik opnieuw een spetterend stuk kunnen schrijven. Ik zou een kleurrijke menigte kunnen schilderen, verhalenvertellers, muzikanten. . . Ik zou op dit moment een festival kunnen bezoeken, drie dagen lang. De zon schijnt, alles nodigt uit om er aan mee te doen. Maar ik doe het niet. Ik blijf hier. Sterker nog, ik zit binnen. De witte, katoenen gordijnen zijn gesloten. Waarom?

Gefladder tussen bloem en tak lokt mijn blik naar buiten. Ik zie niet alleen vogels, ook zweefvliegen, vlinders, hommels en  bijen. Het worden er steeds meer nu het palet aan kleuren en geuren groeit. Het trekt me. “Kijk eens, ruik eens, proef eens!” lijkt het te roepen. Maar dat wil ik niet. Niet nu.  Daarom heb ik de gordijnen dicht gedaan. Anders komt er niks van.

Dit is het. Nog twee weken en dan geef ik de smid in Warnsveld definitief de opdracht. Hij zal het onderstel voor mijn nieuwe wagen bouwen. Het boek met tekeningen ligt voor me. Nog steeds dicht. Ik wil ermee verder, maar de gedetailleerde tekeningen duizelen voor mijn ogen, als ik het open doe. Dus ik heb het weer gesloten. Ik kijk voor me uit, naar de ruwe witgeschilderde planken boven mijn aanrecht. Het rolgordijntje erboven is dicht, net als de andere gordijnen. Eigenlijk is mijn huisje nu een soort breincorset. Daar moet ik eerst weer inpassen, voor ik verder kan. Anders snap ik de gortdroge en abstracte getallen en lijnen niet. Al heb ik ze ooit zelf getekend, het zit toch in een andere hersenhelft dan die waarin ik me zomers gewoonlijk bevind, als de wereld zich zo uitbundig en sensueel manifesteert.

Leger en leger wordt mijn hoofd. Af en toe zie in gedachten een beeld. Een kleine woonwagen rijdt door een gevarieerd landschap. Ik zie mezelf lopen, met  twee muildieren. Of zijn het ezels? Bouwen zal ik, deze wagen. Hout en schroeven zal ik inslaan. Grote stugge lappen katoen voor de binnenkant en dikke rollen schapenwol voor isolatie. . . Moet ik de kasten onder de vloer afwerken met een flinke rand gaas, vraag ik me af. Goede ventilatie voorkomt die hele populatie aan schimmels. Liever voorkomen dan genezen. . Dan verdwijnt de gedachte weer.

Ik neem een slok water uit het glas, dat naast me staat en staar voor me uit. Er rijst een stil vermoeden. Dit zou nog wel eens een vruchtbare tijd kunnen worden. Ik dank iedereen die het in al die jaren mogelijk heeft gemaakt, dat ik dit nu kan doen. Alleen had ik het nooit gered.

De wensheuvel

.

.

Daar waar in stilte verbondenheid is, daar ligt de kiem van een nieuw begin.

Ik zit roerloos op de bank en luister. De vogels zijn zwijgzaam op deze grijze herfstdag. Een merel hoor ik. Even later een kraai die roept. Dan is het weer stil. De kachel tikt zachtjes, met gloeiend hout erin. Ik zit op mijn schapenvacht. Soms is de stilte bijna onverdraaglijk. Toch blijf ik zitten. En dan, als ik door de eerste weerzin heen ben, voel ik het. Ik ben verbonden. De grijze lucht lijkt lichter dan zonet, de kamer ruimer. Opgelucht haal ik diep adem. Je hebt maar een kleine plek nodig in je huis, waar je graag bent. Dat is genoeg. Bij mij is het mijn bank. Het huisje is klein maar groot genoeg.  En daar zit ik nu, op die bank.

Ik kijk door het raam boven het aanrecht, waar ik een stukje van de coniferenhaag zie. Ik hoor wat. Er komt wat aan. Een zware machine rijdt traag langs het onverharde pad, dat naar de camping leidt. Het overstemt alle geluiden. Een merel slaat alarm. Een groot gevaarte maait de berm. Ik verdraag het geluid tot het uiteindelijk in de verte verdwijnt en ik droom van een plek. Een plek waar niet geld en machines het leven op aarde domineren en manipuleren. Een plek waar alles mag zijn wat het is. Ik droom, net als  miljoenen mensen met mij van grond waar ik me mee kan verbinden en waar we samen de aarde kunnen verzorgen. Waar we onze handen vuil kunnen maken en kunnen laten groeien wat al ons leven lang onder de aarde lag te wachten. Als een woestijn, die na tientallen jaren weer tot bloei  komt. Zo wacht ik samen met anderen en werk verder aan de voorbereidingen.

In deze stilte is het of ik op een heuvel sta, en over de aarde kijk, samen met duizenden anderen. In die oeroude rust komt het beeld me steeds helderder voor ogen. Elke dag  groeit het. Tot het moment komt dat we de handen ineen kunnen slaan.. Sommigen zijn al begonnen, een  pril nieuw begin, anderen luisteren, net als ik en zullen weten wanneer het hun moment is. We zullen alles wat onder onze handen komt, laten groeien tot een weelderige tuin, en elke tuin is  verbonden met een andere. Alles is er al. Door wat groeit zijn plek te geven, geven we onszelf een plek. Bomen die vrucht dragen, kruiden die bloeien en geuren in de warme zon, en hangen te drogen op zolder. Kinderen rennen de kleine herdershond achterna op het veld. Langs de vijver drinken vogels tussen de waterkers en vliegen snel weer op. Onder een steen zie ik de staart van een salamander weg flitsen. Op deze denkbeeldige heuvel sta ik stil en zie het voor me. Laten we onze fantasie gebruiken en durven dromen. Onze beelden van wat zal zijn, rijgen zich aaneen en zo wordt het werkelijkheid. Zo kijken we uit over een aarde zoals we haar nog nooit hebben gezien. Dit is onze wensheuvel. De plek waar alles opnieuw begint.

.