De handen van mijn moeder

.

.

Alles beweegt. Wat ooit vol was, is nu leeg. Huizen zijn gesloopt, bloementuinen omgespit over overwoekerd. Kruideniers zijn verdwenen, oude bomen gekapt en vervangen door jonge. Kasten zijn leeg geruimd, huiskamers ontspuld. Maar iets in die stromen van tijd en materie, is nog steeds zoals het is.
De kamer waar ik sliep, samen met mijn zusje.
.
Ik ben weer terug in mijn ouderlijk huis. Het is ochtend en ik ben net wakker. Vanuit mijn bed kijk ik naar het hare, een ombouwbed, de planken erboven krom gezakt door het gewicht van jaren. Al vijfenveertig jaar woont daar, op de bovenste plank, een kleine gemeenschap van poppen, poppen van mijn zusje en mij.Het stof is keurig afgenomen, maar de poppen liggen achteloos door elkaar en lachen me niet meer toe. Ik mis iets. Het is de hand van mijn moeder. Ik stap uit bed, pak ze één voor één en geef ze een nieuwe plek. De grote pop met een kleine op schoot, de kikker bij de andere kikker. Door de schemering van tijd zie ik haar handen bezig, zoals de mijne nu en een speelse glimlach op haar gezicht, mijn moeder, zoals ze was.
.
Het is een bijzondere plek. Nu mijn vader bijna negentig wordt, besef ik steeds meer de tijdelijkheid van dit alles. Ik hoop dat er meer plekken zijn zoals deze, waar alles jaar na jaar mag zijn wat het is, vergeten verhalen, scheef zakkend tot een bekende hand het aanraakt, zich herinnert en terugkerende ogen het steeds opnieuw ontdekken. Zacht gloeit het stilleven, als in een eeuwigheid.

.

.

 

Uitnodiging:

Van 28 oktober tot 1 november exposeer ik met de beste tekeningen uit mijn blog in de boerderij van Frijlan, Boksumerdijk 5, Leeuwarden. Je bent welkom van 14.00 tot 17.00!

.

 

Huisje in de sneeuw

.

.

Het is snijdend koud en het sneeuwt al urenlang. Er staat een keiharde oostenwind. De vlokken waaien horizontaal tegen mijn voordeur. Die bestaat uit vier kleinere deurtjes. Ik heb ze met veel zorg precies passend gemaakt. Dat duurde lang. De naden heb ik bedekt met afwerklatten. Mooi werk, vond ik, de wind kon er vast niet doorheen. Dat dacht ik. Maar mooi niet. Vandaag waait de wind medogeloos. Het is een robuuste jongen. Hij laat zich door niets weerhouden en geen kiertje is te klein. Ik kijk er naar en voel de tocht langs mijn handen. Ik weet maar één oplossing, dichtplakken.

En nu is alles dicht. De tocht is weg. Ik kan er niet meer door. Ik ben waar ik ben. Ik heb het bed niet opgeruimd en omgetoverd tot zithoek, zoals anders. Ik heb het bed het bed gelaten en dat is nu mijn leefhol. Ik schrijf, bewerk mijn foto’s. Af en toe sta ik op en kijk naar de vogels. Het zijn er een heleboel. Ze eten van vetbollen en zaad. Zelfs als het stormt.

.

.

Ik kan nog wèl door de achterdeur. Zo fijn dat ik die heb! Er zitten òòk vier deurtjes, net als voor. De bovenste twee zitten bij mijn bed. Als ik de twee deurtjes open doe, waait er geen koude wind naar binnen. De achterdeur zit nu in de luwte. Dat scheelt! Ik glimlach tevreden. Vanuit het bed klauter ik op mijn sokken naar beneden, de buitenkeuken in. Daar staan mijn klompen. Ze voelen koud aan mijn voeten. Zo kan ik het netjes doen, zonder het bed vies te maken. Het is een hele organisatie, om alles via deze omweg te doen. Water halen, kaas uit de keuken meenemen, schillen naar buiten gooien, plasflessen legen, hout voor de kachel naar binnen sjouwen, de asla van de kachel legen. O ja, ook nog mijn composttoilet, dat moet ook nog naar buiten. Ik ben er zowat twee uur zoet mee.

.

.

Als ik klaar ben voel ik me zo voldaan, dat ik er de hele dag tevreden over ben. Het uitzicht is adembenemend. Een rukwind waait de sneeuw van de takken. De wind rukt aan de dichtgeplakte voordeur en ik hoor het plakband knisperen. Toch blijft alles op zijn plek. Dan is het weer stil. En onmiddellijk zijn daar de vogels weer. De krulwilg, nog niet eens al zijn blaadjes kwijt, is één groot fladderballet van vleugels en wappersneeuw.

.

.

Ik geniet met volle teugen. Dit uitzicht is uniek. Straks is het er niet meer. Ik wil een tuinkas om mijn wagen hebben. Dan hoef ik de voordeur niet meer dicht te plakken. Dan kan ik gewoon naar buiten stappen, midden in de ergste sneeuwstorm, om iets buiten mijn wagen te doen. Superhandig, zo’n tuinkas. In de lente kan mijn huis eruit en kunnen de plantjes erin.

.

.

Als ik zo beschermd sta, dan is het ruige romantiek er wel een beetje af. Dan wiebelt mijn huis niet meer bij rukwinden, dan heb ik de mezen niet meer in mijn keuken. Geen pimpelmees die er nog schuilt, in een achteloos opgehangen broodzak, pal achter het raam. Dan zijn er weer andere dingen om naar te kijken.
Dus ik geniet van hoe het is. Elk moment opnieuw.

.

.

 

Dit is speciaal voor Herma van radio 4, die gezorgd heeft voor zoveel kristalheldere muziekmomenten en die nu weggaat.

.

 

.

 

In de Metaal Kathedraal

.

.

“Ik ben Alowieke, Ambassadeur van de Leegte,” zeg ik tegen de man van het kabinet, die zoëven nog achter zijn bureau zat. Maar ik praat tegen zijn rug, want razendsnel heeft hij zich omgekeerd en zegt tegen iemand achter een gordijn: “Is Abel er? Hij heeft een afspraak met de Ambassadeur van de Leegte.” Ik dacht dat ik hem zou verrassen met mijn woorden, dat hij op zou kijken met een verwonderde blik. Dat hij met een mond vol tanden zou staan. Niets van dit alles. En nu ben ik degene die sprakeloos is.
Hij loopt de kille hal in van de oude kerk, die een paar jaar geleden ”De Metaal Kathedraal” is genoemd. Het nieuwe leven bruist in de stenen buik van het gebouw. De stralende nazomerzon probeert mij door de openstaande achterdeuren naar buiten te lokken, naar het terrein dat er achter ligt. Wat is daar? Ondanks mijn nieuwsgierigheid blijf ik staan.

Ik kijk de man van het kabinet zwijgend na. Boven mij hangt de zware kettinglier aan de ijzeren balk. Een bekend gezicht voor mij als ex schipper. Ik ken de slome bewegingen van het zware staal, dat gelast of gestraald moet worden. Ik voel de rust van de schipper in mij, als ik ernaar kijk.
Mijn rust staat in groot contrast met de hectiek van het moment. Ineens komt er een vrouw uit een andere deur. De weglopende man van het kabinet draait zich naar mij om en zegt: “Dit is Maureen, onze Hemelbewaarder. Ik moet nu even in gesprek met haar. Ik zal de Aalmoezenier een seintje geven dat je er bent. Abel zal vast in de buurt zijn.” De twee verdwijnen achter een deur.

Ik ga midden in de grote lege hal staan, op de zanderige stenen vloer. Hier blijf ik staan, besluit ik, net zolang tot er iemand komt aan wie ik me voor kan stellen. In mijn hand heb ik het stapeltje visitekaartjes, de afbeelding heb ik gisteren getekend en uitgeprint. Het is mooi geworden. Er staat een groot donkerblauw ei op, met een bokaal erin. Uit het bokaal stijgt een rustteken omhoog. Het is het rustteken uit de muziek.
“Alowieke, Ambassadeur van de Leegte, ” staat er op. Het beeld en de tekst, het vat alles samen waar ik voor kom. En eigenlijk is die naam helemaal niet zo vreemd, op deze plek. Als hier ook een hemelbewaarder en een aalmoezenier rondloopt, dan kan je vroeg of laat een ambassadeur van de Leegte verwachten. Ik glimlach.

Na een half uurtje komt er een vrouw uit een open deur in de hoek. “Stadsherberg” staat er boven. Ze stelt zich voor als Lotte. Ze neemt me mee naar binnen en nodigt me uit om mijn verhaal te vertellen. Ze schenkt koffie in. De suiker is zoek, maar iemand vindt een pot versuikerde honing. Ik vertel haar over mijn plannen en ze luistert aandachtig. Als we klaar zijn met onze bespreking lopen we naar buiten, de zon in. Ze laat me het hele terrein zien. Als we terug komen staat er een man bij de deur. Het is Abel.

“Sorry dat we je zolang hebben laten wachten,” zegt Abel. Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik het niet erg vind, als Ambassadeur van de Leegte. Naast hem staat Lotte, met blozende wangen. “Alowieke heeft me zojuist van alles verteld,” legt Lotte hem uit. De vrouw straalt van enthousiasme. Ze werkt hier nog maar drie weken, ontvangt vrijwilligers en voelt zich helemaal thuis. “Alowieke wil een plek maken…” begint Lotte en aarzelt om haar zin af te maken. “Nou ja, vertel het zelf maar,” lacht ze tegen mij. Ik vertel.
“Ik wil hier een plek van Leegte maken. Het wordt een ei, twee-en-een halve meter hoog en rond van binnen, zonder hoeken.” Abel kijkt me aandachtig aan. “In het ei zit een rond eivormig gat, daardoor kan je naar binnen.” Ik ben even stil en kijk nadenkend in de verte. “Het is voor één persoon, ” zeg ik dan. “Je kan ook naar buiten kijken, door het eivormige gat. Binnen is leegte en buiten is rust en er is water en er groeien bloemen.”
Verbaasd kijkt Abel me aan. “Maar waarom kom je daarvoor bij òns? Dat vind je hier toch niet.. rust, water en bloemen?” Ik kijk hem fel aan. “Juist daaròm. Juist omdat het hier zo hectisch is wil ik dit voor jullie maken!”
Abel kijkt me verrast aan, glimlacht en zegt dan langzaam, “Ja… We kunnen zo’n plek scheppen…”

De ontmoeting met Abel is kort. Abel, en ook Lotte, wordt weggeroepen. “Ik zal erover praten met Maureen,” zegt Lotte nog, “Die gaat hier eigenlijk over..”

Ik weet genoeg. Dit is een goed begin. Ik kom hier terug, op een ander moment. Ik loop door de grote hal naar voren. Naast de ingang is een houten trap. Die had ik al gezien toen ik binnenkwam, twee uur geleden. En ik weet dat daarboven iets heel bijzonders is. Dus het enige wat ik nog wil doen is dit, om in mijn eentje nog hèèl even op die prachtige zolder te gaan kijken…

.

Zo’n zolder heb ik werkelijk nog nooit van mijn leven gezien!

.

.

http://www.metaalkathedraal.nl/

 

 

Een hele verschijning

.

.

bouwen-eindfase-woonwagen

.

.

Dinsdag elf oktober. Als ik wakker word, schijnt de zon met goud licht door het witte gordijn van het keukenraampje. Ik draai me om in bed, om ernaar te kijken. De lakens zijn koud en klam, waar ik niet lig. Gauw trek ik het dekbed op zijn plaats, zodat ik weer onder het warme stuk lig. Ik staar naar boven. Drie vliegen zitten roerloos op het plafond. In de hoek van het bed ligt een zakdoek. Die is Dick zeker vergeten, toen hij gisteren weer terug fietste naar Eindhoven. Over tien dagen is hij er weer.
Hoewel ik weer alleen ben op het veld, voel ik me tevreden. Het is fijn om thuis te zijn. Het was heerlijk op Schiermonnikoog en ik heb genoten van de ruimte en het ongerepte landschap. Ik heb gedanst op stille plekken in de duinen.
Terugkomen was lastig. Het veld was verlaten, zoals bijna altijd. Ik zei wazig gedag tegen de kippen. Er zijn vele zingende roodborstjes, koolmezen die me begroeten in de ochtend, en er zijn muizen die wegschieten tussen de struiken. Er is zelfs een uil, ’s avonds in de schemering. Maar als ik ben weggeweest, dan is dat allemaal niet meer genoeg, dan zie ik het ineens niet meer. Er is iets wilds in mij, dat wil uitbreken en ik vraag me af: „Wat dòe ik hier?! Ga ik hier voor de vijfde maal de winter in mijn eentje doorbrengen? Moet dat nou echt?“

Maar ik weet dondersgoed wat ik hier doe. Ik bouw een wagen. Daar draait het om. Afmaken, tot het rolt. Hoe rustiger ik de dingen aanpak, hoe grondiger en hoe groter de kans van slagen. Het krijgt steeds meer de vorm die ik twee jaar geleden uitgetekend heb.
De wagen staat op een andere plek, en ik heb alles eromheen opgeruimd voor een frisse nieuwe start. Mijn nieuwe huisje straalt in de najaarszon. Nu kan je haar ook van afstand kan bekijken. Soms komt er iemand. „Het is echt een verschijning, ik ben onder de indruk“ zegt èèn van de buren genietend. Ik word warm van het compliment. Het geeft nog mèèr energie dan mijn favoriete kom havermout.

De laatste loodjes kunnen zwaar zijn. Er is veel werk aan de wanden, het dak, de luifel en de twee goten. En natuurlijk werken we aan het verplaatsbare systeem van zonnepanelen. Veel is boven het hoofd.

Om met het dak bezig te gaan, ga je binnen op de werktafel staan. En dan moet je jezelf tussen de dakspanten door zien te wurmen, tot je er met je borst en schouders boven uitsteekt. Je staat dan klem en je kan je niet meer omdraaien. Als je dat wilt, dan moet je eerst weer terug.
Of je neemt de trap. Er is een uitklaptrap die altijd wiebelt. Die ga ik op en af, soms dag na dag. Nu en dan laat ik iets vallen. Dan klauter ik naar beneden en weer naar boven. Maar ik heb het er allemaal voor over. Want o, wat wordt het mooi! Het wordt mooier dan ik had kunnen bedenken…

Ik ga nu eerst de ramen erin zetten, voor het gaat regenen. En zo blijven we keuzes maken, de ene na de andere…

 

.

.

Wachten tot de bui voorbij is

.

.

Als de regen even ophoudt....

.

Even houdt het op met regenen. Geduldig en verstild, bijna als een beeld, zo wacht ik het moment af. Ik verzamel energie om dadelijk weer in actie te komen. Het beeld maakte ik als zeventienjarige op de lerarenopleiding handvaardigheid/tekenen. Het is geïnspireerd door vruchtbaarheidsbeelden uit oude culturen. Vruchtbaarheid, aarde. Ik ben altijd geboeid geweest door aarde. Op de middelbare school wilde ik biologische landbouw gaan doen, in ontwikkelingslanden. Het liep anders. En toch, meer en meer kom ik er achter dat, wat landbouw betreft, ons eigen land een ontwikkelingsland aan het worden is. Althans, mijn beeld van gezonde gronden ziet er heel anders uit dan wat ik nu om me heen zie ontstaan. Ben ik dan toch op mijn plek? Wie kent de bewegingen van het lot?

.

Het is maandag. Ik kijk door het raam naar buiten. Het regent pijpestelen. Overal in bosjes en stuiken weet ik kletsnatte kleine vogeltjes. Ook achter mijn wagen, in de coniferen zit een vinkennest. Zouden papa of mama de kleintjes beschermen en warmhouden? Terwijl ik me het afvraag ben ik blij dat ik lekker binnen zit. Ik luister naar het gekletter op het zeil van mijn dak. Het geluid gaat in golfbewegingen, van zacht naar hard en weer zacht. En juist als ik denk dat de bui ophoudt, komt er ineens een knetterharde donderslag, van heel dichtbij. De pauw antwoordt met luide langgerekte kreet. Probeert hij nog harder te schreeuwen dan de woeste god Thor? Ik weet dat hij warm en droog zit, de pauw. Met zijn lange staart past hij net in het kleine stenen hutje, hier vlakbij.

Voor mijn deur zie ik de plassen groeien, in het gras. Eén en al beweging is het, tientallen kringetjes van vallende druppels weerkaatsen de lichte lucht. Terwijl ik geboeid naar het schouwspel kijk, worden het er steeds minder. Ik zie de afnemende stroom van druppels, die van het dak langs het raam naar beneden vallen. Langzaam verandert het geweld boven mijn hoofd in een spel van kleine tikjes. Een merel begint te zingen en een vink. Vink’s riedel eindigt met de bekende toon, die klinkt als een vraag. Een tweede antwoordt van ver. “Ik zit hier, ik zit hier!“ lijken ze tegen elkaar te roepen. “Als je dàt maar weet! Ik heb de slag van de donder overleeft!”
“Ik ook, ik ook!”
Als het waterconcert een einde vindt, hoor ik in de verte de tjiftjaf. Ik denk dat hij tussen de bomen zit, bij de vijver. De zwart-grijze kauw vliegt met gespreide vleugels naar de dakrand van de loods. De kleine kauwtjes beginnen luidkeels te krijsen, als één van hun ouders het nest in duikt. En dan, uiteindelijk, komt de pauw aangelopen met trage voorzichtige stappen. Zijn prachtige staart sleept nat door de plassen. Ik sta op en pak een snee Brabants roggebrood. Dat lust hij wel.

Het is al twaalf uur geweest. Hij lijkt droog te zijn en ik hoop dat het zo blijft. Dan kan ik weer verder met bouwen. Ik ben bezig met de deurposten, zodat ik voor- en achtergevel dicht kan timmeren. De hele middag heb ik voor me en ook de rest van de week. Ik wil een fijne spurt maken. O, als ik eenmaal het ritme heb, dan gaat het lekker! Zo fijn hoe alles dan glashelder in mijn kop zit. Ik hoop die concentratie deze week te bereiken, en iedereen die nu wat van me wil, daar zeg ik “nee” tegen. Alleen de grote god Donar, met zijn stort- en donderbuien, die gaat zijn eigen gang. Daar zeg ik niks tegen.

Het is ook prettig dat het niet al te snel gaat. Zo blijft het bouwen leuk en bijzonder. Ik kan erover vertellen en het hele proces vastleggen. De deurpost is nu bijna klaar. Het is een feest om door een echt poortje naar binnen te kunnen gaan. Meer en meer is het een huisje. Een echte woonwagen, dat wordt het.

.

Ik was net een tijdje aan het werk, toen het heel donker werd en de regen met bakken uit de lucht viel. Pal naast mijn wagen sloeg ergens de bliksem in. Ik schrok me een hoedje. De schapenwol die er net in zat, is hier en daar nat geworden. Ik heb alle lekkages zo goed als verholpen en ben door de stromende regen naar mijn warme huisje gelopen. Daar stak ik de kachel aan en maakte dit filmpje.

.

.

Aan mijn wagen zitten een heleboel deurtjes. Terwijl ik schuilde voor de grote bui, heb ik het pakketje uitgepakt, dat de postbode me bracht vandaag. Een hele schat is het, vierentwintig messing scharniertjes. Ik heb voor en achter dubbele deuren, onder en bovendeuren. Vier per kant dus. En dan nog de luiken, die voor de ramen zitten aan weerszijden. Een hele hoop bij elkaar.

Scharnieren

.

.

 

De vochtige bodem van stilte

.

.

Vochtige stilte

.

.
Het veld is verlaten. An en Jan zijn vertrokken naar onbestemde verten. Ik ben opnieuw alleen, maar toch ook niet. Er zijn steeds meer vogels, hoe langer ik hier woon. Ik geniet van hun gezang en leer ze goed kennen. Ik kijk door het open raam naar buiten. Maar dan zie ik wat anders. Vanuit een ooghoek beweegt iets, hier binnen, niet ver van mij af. Het muisje dat onder de vloer woont, komt onder het aanrecht vandaan. Rustig wandelt hij de kurkvloer op. Het is een mooi rond muisje, met kleine oortjes. Ik ken hem. Hij is alleen, net als ik. Razendsnel beweegt het puntje van zijn neus. Sneller dan ik ziet hij gemorste zaadjes op de vloer liggen. Hij pakt ze met twee pootjes beet, en peuzelt het op, net als een eekhoorntje. Als ik beweeg om hem beter te zien, richt hij zich op. Waakzaam, om daarna  rustig verder te scharrelen.

Het muisje is weer weg. Het is stil. De stilte is anders, als je weet dat je alleen bent. Anders dan wanneer verderop ook een schoorsteen brandt, of wanneer ik af en toe een heldere meisjeslach hoor. Erg? Nee, erg is het niet.

Ik hang uit het open raam. Het is avond en hier op het terrein is geen zuchtje wind. Het is of de wolkenlucht nu dichterbij is. Alsof ik zo mee kan rijden op hun zachte rondingen. Een tochtje langs het zwerk. O, dat zou fijn zijn. Zacht vallen de druppels van een lichte lenteregen op het natte groene gras, en op de witgetooide pruimenbomen. De rode bloesems van de ribes lijken nog roder dan ze zijn. Een donkerblauwe wolk rolt in gekrulde vegen over een zonnige avondlucht. Ik adem de vochtige lucht in. Het is als een glas geurige donkerrode wijn, of een muziekstuk dat me steeds weer onbekend is, en me telkens weer verrast.

Ik heb de stilte nodig. Deze winter heb ik mezelf helemaal gegeven aan het boek, Drakenlief. Nu ben ik moe. Ik hoef even niks meer. Helemaal niks. Zelfs de voortgang van de bouw kan wachten. Ik heb toch al een lekker huisje en een fijne kachel! Geen haast. De nieuwe wagen kan best even zonder mij.
Ik werp een blik door het achterraampje. Het gewapende plastic dat de wagen bedekt, zit nog steeds op zijn plek. Ik zie de contouren, het houten skelet voor wanden en dak. Alles is klaar voor de start. Straks is het zover. Straks, als de lentezon me weer helemaal opgeladen heeft. Het is bijna donker nu, de contouren vervagen en een laatste merel zingt in de verte.

De nieuwe wagen wacht op mij. Dit jaar komt het af. Ik ben verwonderd. Hoe kan het? Zoveel moois wat er achter elkaar uit mijn handen komt. Waar komt het vandaan? Ik denk dat het niet van mij is.  Niet vàn mij, wel dóór mij. Door mij gemaakt. Maar ik kan het niet alleen. Ik heb er mijn liefste vriend bij nodig. Hij komt als hem de gelegenheid wordt gegeven. Zoals een schuw dier dat bij je komt als je hem laat zijn. In rust laat hij zich vinden.

„Karakter en talent vormen zich in stilte“, heeft Goethe ooit gezegd. Ik hoorde deze uitspraak op mijn vijftiende en ik ben het nooit vergeten. Ik weet nu hoe waar het is. De stilte is mijn vriend. En ik waak voor hem. Want bescheiden gast als hij is snel verdwenen.

Werk aan de winkel

 

.

Drakenlief op de bank kl frm.

.

De hele tafel ligt vol velletjes papier. De bank is ook al vol en het aanrecht, dat ik heel zorgvuldig schoon en droog heb gemaakt. Want één spatje kan een hoop verpesten aan een mooie prent. Buiten waait een gure oostenwind. Terwijl talloze daklozen en vluchtelingen zich maar moeten zien te redden, zit ik in een huisje op wielen dat wiegt in de wind, terwijl de kachel zachtjes brandt.
Ik werk. Omdat ik rust heb, kan ik iets moois maken en het laten zien. Dat is nodig, rust. Al is het nog zo shockerend, grensverleggend of baanbrekend wat je naar buiten brengt, als de grond onder je voeten vandaan wordt gehaald sta je sprakeloos tussen de puinhopen en is de meest getalenteerde professor, schrijver of kunstenaar gelijk aan een vuilnisman.

Wat een voorrecht, te kunnen werken in stilte. Hoewel er van alles is dat mijn aandacht kan afleiden, laat ik het niet toe. Ik koester de rust als een vruchtbare bodem en voed die met aandacht en discipline.
Mijn boek is bijna af, “Drakenlief“. De velletjes liggen overal, twee bij twee. Van elke linker is er een rechter pagina die erbij hoort. De hele wagen is gevuld met het regelmatige handschrift en kleurrijke tekeningen. Hoe zal het zijn om het boek straks in handen te hebben, gedrukt en wel? Het is vast een bijzonder moment, dat ik zeker zal vieren. Ik laat het zien als het er is. Ik ben zo benieuwd!

Ondertussen is er meer werk, dat wacht. Als het boek klaar is, komt ook de bouw in de slotfase. De prille lente is een mooi moment om lijstjes te maken. Dit is die van mijn nieuwe woonwagen.

Wanden
plafond
ramen
deuren
isolatie
het bed
kastjes
de markies en
energiesysteem bouwen
met zonnenpanelen.
Kortom, nog heel wat te doen!

Straks, als de lente losbarst, dan komt de kwast en de zaag weer tevoorschijn! Ik verheug me er op.

Wat hier groeit is de oogst van een rijk leven en een paar jaar werk in stilte. Een eigen gebouwd huisje zal glimmen in de zomerzon. En een boek vol verhalen en platen ligt er, op de nieuwe vensterbank. Straks. Ik wil er met volle teugen van genieten, elke hamerslag, elke kwast- of pennestreek. Zeker weten.

Uitslapen en rokjes aan

blogtek

Mijn oogleden voelen zwaar en loom. De slaap ligt nog als een dikke wollen deken over me heen. Steeds weer doe ik mijn ogen open, steeds ietsje langer. De kamer is schemerig. Ik heb de ramen extra bedekt met allerlei doeken en kledingstukken. Langzaam word ik wakker. Ik kijk op de wekker. Het is alweer half tien.

Ik doe rustig aan. Het eerste en het zwaarste stuk heb ik nu gehad. De tornado van het creatieve brein. Ik heb gezien dat mensen hun wagen bouwden, en tijdens het bouwen bedachten hoe ze verder gingen. Ik doe het andersom. Ik teken alles uit. Daarna komt het verzamelen van het materiaal. Het boek met bouwtekeningen komt steeds opnieuw op tafel. Want één enkele verandering kan invloed hebben op al het andere.
Het bed moest bijvoorbeeld lager. Er was niet genoeg hoogte boven. Dat is wel nodig, want ik wil het ook als zithoek kunnen gebruiken. Tegelijkertijd wil ik dat het bed óók breed genoeg blijft en dat de wagen niet te hoog wordt. Het schuine stuk van de wand moest dus sneller breed worden dan ik had bedacht. Het maakt de totale vorm van de wagen gelijk anders. Eigenlijk is het een soort boetseren. Het enige verschil is dat boetseren puur op gevoel kan, en dit kan alleen maar met maten, lijnen en getallen. Als ik het simpel wilde houden, dan had ik een vierkant hok moeten bouwen.
Maar nu… de vloer ligt er in, zacht glanzend. Ik heb de dikke planken eerst geïmpregneerd met olie, zodat een eerste laag lak gelijk dekte. De twee onderwanden staan overeind, zodat het al een indruk geeft van de woonruimte. De spanten van de wand zijn in elkaar gezet, die het geraamte zullen vormen, bepalend voor alles wat er verder gebeurt. Ik heb ze netjes afgewerkt en ze liggen nu klaar op hun beurt te wachten. Het materiaal voor de rest van de bouw is aanwezig en zelfs de kachel met kachelpijp is besteld, zodat ik bij het maken van het dak gelijk de doorvoer van de schoorsteen kan maken. Ik ben trots op mezelf dat ik zover gekomen ben. Maar nu eerst een weekje uitslapen. Even niks, dan roze rust.

.

tekening van wiekies woonwagen

Op deze tekening kun je links en rechts de vorm van de spanten zien voor de zijwanden. Er zitten twee hoeken in, waar de wand twee keer de bocht om gaat. Bij die hoeken zijn perfect uitgelijnde blokjes geplaatst, waar vuren latjes tegenaan geschroefd zijn. Daar tussen zijn de spanten hol, zodat het licht blijft, en er isolatie tussen kan. In onderstaand filmpje werk ik de spanten af.

.

De paardenvrouw

blogtek paardenvrouw

.

“Kijk, dit is mijn bomendans.” Het is hoogzomer 2014, en ik doe een kleine opvoering bij de buren, die tijdelijk met een huifkar op de camping staan. Gerrit de ezel staat ernaast, vastgebonden aan een touw. Een stevige pin is het midden van een cirkel met lekker vers gras. Gerrit is opgehouden met eten en kijkt nieuwsgierig toe. Het liefst wil hij overal bij zijn, zoals de meeste ezels.

Ik begin laag op de grond en kom dan met een indrukwekkende zwaai van been en armen omhoog de lucht in. De ezel springt verschrikt achteruit. Een beetje beteuterd kijk ik hem aan. “Sorry ezel,” zeg ik. Een echte bomendans gaat kennelijk toch ietsje anders. Ezels schrikken niet van bomen.

Elke ochtend oefen ik, bij de warme kachel, als ik wakker ben en mijn spieren warm zijn. De dans is in de loop der tijd veranderd. Langzamer en meer boom. Soms met trillende spieren maak ik de trage beweging vanuit de grond, eerst stijf en houtig, dan steeds sierlijker. Verder groei ik naar het licht, verbeeld de stofwisseling binnenin de boom, het maken van knoppen, blaadjes en takken, omhoog, omhoog, en weer opnieuw. De vloer is glad en mijn pantoffels neigen te glijden. Dat is best lastig. Mijn benen zijn er een stuk sterker van geworden.
Zal de ezel nog steeds van me schrikken, vraag ik me soms af. Ik heb het niet meer geprobeerd.

Ik ben buiten, doe opnieuw mijn bomendans om te kijken of de ezel nog steeds van me schrikt. Dan zie ik iemand langsrijden op een schimmel, een goedlachse vrouw met lang blond haar. Ik stop met dansen en loop naar haar toe. “Ik ben Eva, de nieuwe buurvrouw” zegt ze. “Zullen we kennismaken? Kom maar eens langs!”

“Equitherapie” staat er op het bord in de tuin. “Therapie met paarden, betekent dat,” legt ze uit, als ze me rondleidt. “Laten we naar ze toe gaan”. We lopen tussen de bomen en struiken en ze opent het hek.
We lopen haar terrein op, dat overloopt in de rand van het bos. Onder de sparren staat een schimmel en iets verderop ligt een donkerbruine IJslander. Een vredig tafereel. Ik word er stil van. De schimmel blijft rustig staan als we naar hem toelopen en betast mijn handen met zijn snoet. De IJslander, een oud paard met trillende onderlip, blijft liggen waar hij ligt, starend over het weidse, zonnige  panorama achter de zwarte stammen. “Ga maar eens naar hem toe,” stelt Eva voor. Ik twijfel niet en loop langzaam dichterbij. Als ik vlakbij ben wil hij opstaan. Ik stop. Hij zakt terug in zijn oude houding, totaal ongeïnteresseerd in mijn aanwezigheid. Terug bij Eva zegt ze: “Wat gek, ze zijn nooit zo rustig met een vreemde erbij…” Ik kijk haar aan en glim. Dan heeft de bomendans toch effect gehad!

.

http://www.stalkelpie.nl/

.

 

Vier passen voor ijsberen

Ijsberen

Eén, twee, drie, vier. Vier stappen maak ik en de laatste is een heel kleintje. De kurkvloer onder mijn voeten is niet zo koud meer als vanochtend. De kachel is warm. Na de vierde komt een halve draai, mijn armen geheven als een danser. Zo keer ik om, precies op de grens die ik afplakte op de vloer. Zwarte tape voor mijn tenen geeft het oppervlak weer van de wagen, die al lange tijd in mijn verbeelding aan het groeien is. De maten ken ik door en door. Meten is weten, zeggen ze. Ik loop. Vier passen heen, vier weer terug. Dat is hem.

Gisteravond kwam ik terug, na een paar dagen reizen. De kippen renden naar mijn voeten en de pauw stond op het bordes alsof hij me opwachtte. De ezel balkte. Verder was er geen mens te bekennen, in geen velden of wegen.
Hoeveel mensen vertelde ik mijn verhaal? Genoeg. Menigeen genoot van het beeld, de kleine woonwagen op reis. Elke lach die ik terug krijg inspireert me. Ik neem ze mee naar huis en koester ze als zonlicht.

Ik loop als een leeuwin in haar hok. Heen en weer. Loom en lenig. Niet gekooid, maar uit vrije wil en gedompeld in stilte. Een scherp contrast, de drukte van de afgelopen dagen en de diepe rust die me nu omkleed als een donkerbruine deken. Het is donker, vochtig en koud buiten. Maar hier binnen niet.
Ik heb het licht uitgedaan. Zonder kunstlicht wordt het duister iets tastbaars. De grijze schemer versterkt de schaarse geluiden en maakt de stilte stiller. Nu het licht aan doen, is als een radio aanzetten om maar iets te horen. Maar ik wil geen stemmen nu, geen schijnwerpers. Laat alles wat het is.

Ik denk aan mijn nieuwe wagen. Ik loop in de denkbeeldige kleine ruimte en strek mijn armen wijd, langs de twee rijen kleine ramen. Met mijn vingertoppen kan ik ze raken, aan weerszijden tegelijk. Ik hef mijn armen omhoog en als ik op mijn tenen sta, kan ik mijn vlakke hand tegen het hoogste punt van het plafond leggen. Ik voel de stugge katoen onder mijn vingers en de warme laag van schapenwol eronder. De dakspanten maken een ritme van ronde bogen. Vijf zijn het er, tot de bedstee. Ik raak ze boven mijn hoofd, gelijk met de passen van mijn voeten. Ik loop en de ribben van mijn cocon lopen met me mee in het ritme. Ik schrijf de maten met mijn lichaam. Eén, twee, drie, vier, langs de kachel, tot het bed en weer terug. Vier stappen om te ijsberen. Het duurt niet lang meer, dan gaat het feest beginnen. Bouwen ga ik.