Wandeling naar oude tijden

Ik wandel zonder doel, en kom precies tegen wat ik zocht. De oude tijden, landschappen van ooit, die nog steeds voor mijn netvlies hangen.

.

Terp van Hegebeintum, waar ooit de zee rond stroomde.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Soms ga je zonder doel aan de wandel, en dan kom je precies tegen wat je wilt zien. Dat overkwam mij vandaag.

Omdat ik nu drie maanden lang het koffie-uurtje met Dick moet missen, doe ik nu vaker andere dingen. Dat is eigenlijk best verfrissend. Ik raad het iedereen aan, om af en toe, op geheel eigen wijze, dingen voor jezelf te doen. Dit keer ga ik aan de wandel zonder doel. Verrassingen, daar heb ik altijd al van gehouden. Geef mij geen routebeschrijving, zet me uit in een oud bos of historische woonwijk en ik kan weer heerlijk dwalen. Wat ga ik vandaag doen? Eerst denk ik: Ik stap in de eerste beste bus die vertrekt. Maar dan komt de gedachte op waarin ik mezelf al vele jaren train: Waarom zou ik weggaan? Ik ken Leeuwarden eigenlijk amper, en ik woon hier al drie en een half jaar. Ik heb hier nog geen enkel museum bezocht, ik ken de straatnamen nauwelijks en er zijn vele hoekjes waar ik nooit heb gekeken. Ik loop weg van het station, de stad in. Er staan posters langs de weg. “Museum Prinsessehof.” staat er op. Waar zou dat zijn? Misschien wel bij de Prinsentuin. Die weet ik wel te vinden. Prinsen en Prinsessen horen immers bij elkaar. Ik associeer er vrolijk op los. Na een paar straten en het oversteken van twee bruggen, kom ik er, de Prinsentuin doemt voor me op, de hoge beuken, het kortgemaaide gras. Aan de oever van de singel onder de bomen zit een grote groep jongeren. Ze zitten dicht op elkaar. Ze praten en lachen en sommigen zingen een paar regels mee met de muziek. Er is er maar één van de vijftig die op zijn mobiel zit te kijken. Er komt een bootje voorbij, het lijkt op een varend bushokje, met op het dak zonnepanelen. Ze wuiven naar elkaar, de lui op de kant, en de schipper.

Ik loop door tot aan de vijver. In het midden zit nog altijd een meerkoet te broeden, in een groene vlakte van eendenkroos. Achter de vijver loopt het omhoog. Bovenaan is het terras. Het restaurant. Mensen met koffie en gebak. En er is nog een gebouw. Ik heb er nog nooit gekeken. Is het een museum? Kennelijk wel, want er staan beelden voor het raam. Maar de deur is gesloten. Het is donker binnen. “Piet Pander Museum” staat er boven de deur. Dus geen Prinsessehof. Dan maar verder.

Rustig kuierend loop ik het park uit. Daar kom ik bij een nieuwer gebouw, met grote ramen. Het ziet er niet erg prinsessig uit, eerder zakelijk. De twee glazen deuren staan open. Als ik naar binnen loop, zie ik links van me een wand vol boeken en folders. Recht tegenover de ingang zit een vrouw, achter een balie. “Wil je zomaar wat rondkijken?” vraagt ze rustig. Mijn blik gaat aarzelend door de ruimte. “Ja, ik dacht: Eens kijken wat dit is.” Ze glimlacht. “Dit is het historisch centrum. Het is gratis.” Verrast lach ik terug. “Je kunt hier je jas ophangen” wijst ze me, en ze staat op van haar stoel om me te helpen.

In een klein donker hok staat een kruk. Er draait een film. Het gaat over de geschiedenis van Leeuwarden. Ik zie hoe de eerste nomaden na de ijstijd hier af en toe hun kamp opsloegen. Dan komen de eerste Friezen die er hun terpen gaan bouwen. Een enorm werk, helemaal gemaakt van opgestapelde plaggen en stront. Er gaan beelden voorbij van de eindeloze vlakten met alle kleuren groen, terra, en geel, die de betoverende kwelders kunnen hebben. Ik stel me voor dat ik daar sta. Hoe het klonk, het geluid van wegtrekkend water. Hoe alles borrelde en stroomde. Al die vogels die het luchtruim vulden met hun kreten. En dan de mensen, klein en bescheiden scharrelend daar tussenin. Wat zou ik graag weer zo klein willen zijn, in die grote bewegende wereld!

De film gaat door. We zien de zee, die via een arm een stuk landinwaarts loopt. Daar liggen drie terpen. Ze zijn verbonden met elkaar, door wegen. Of boten, als het hoogwater is. Dit is het begin van wat later Leeuwarden werd. Op twee terpen wonen mensen, het derde is voor religieuze rituelen. Ik vlieg als een meeuw boven het landschap en zie zeilschepen verdwijnen naar de zee. Ze zullen Scandinavië bezoeken of Engeland. In die tijd liep al het verkeer nog over de weidse wateren en nauwelijks over land. Omstreeks het jaar 1200 begonnen de Friezen in te polderen. Vanaf dat moment was het afgelopen met de zee, de terpen liggen nu op het droge. Maar ook de magie verdween. Een proces dat steeds verder ging.

Als ik naar buiten loop, zie ik het nog steeds voor me. Wel 1700 jaar hebben de Friezen zo geleefd. Het ingepolderde land waar ik woon is nog maar 800 jaar oud. Zullen wij het nog 900 jaar volhouden? Waarschijnlijk is het dan allang weer zee. Dankzij onze moderne levensstijl. In gedachten ga ik terug. Ik zie de terpen, als eilandjes tussen de kwelders. Ik zie voor me hoe het ooit was. Een film die bijna echter is dan de werkelijkheid, die nog maar een fractie duurt van de tijd wat dit ooit was.. Al eerder werd ik gegrepen door de magie van wat hier is geweest. Ik heb er destijds een eenmalige voorstelling over gemaakt: “Beitske”. Expres vertelde ik maar één keer voor publiek. Wat ik nu zie, als verrassing van de dag, sluit daar naadloos op aan. Heel langzaam loop ik terug, naar de drukte van de stad en het station erachter. Dan schud ik de beelden van me af. Voor me uit hoor het gepiep van poortjes. Het station. Terug naar Deinum nu, waar mijn fiets staat. Steeds weer komen de beelden terug. De indrukwekkende ruimte van zee en land. Geef dat het weer terug komt: Het overweldigende grote, dat machtiger is dan wij. We hebben het nodig.

.

Compositie van kwelders en zee, ruig en wild, een bewegend landschap rond de terpen van ooit.

.

Ongezien je gang gaan

.

Mijn fiets op een duin op Schiermonnikoog bij zonsopgang

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Thuiskomen van weggeweest. Dat is wennen. Wat ik het meest mis, zijn de geluiden. Wakker worden op Schiermonnikoog, bij zonsopgang, op dezelfde kampeerboerderij waar ik altijd kom. Het gekwetter van al die scholeksters, op de weilanden rondom. Het gaat almaar door en ik vind het heerlijk. Net als het gekakel van de kippen. Om half zeven zit ik al aan mijn laptop te schrijven, terwijl één voor één de buren op staan. Mijn oren staan gespitst. Terwijl ik werk hoor ik alles. Kinderen op het erf. Gerrit, een gast die onder mij een kamer huur, praat honderduit met de tuinman. De stierkalveren loeien onderaan de muur van het woonhuis. Er is een hek gemaakt rond de voordeur, zodat ze in het halletje kunnen schuilen. De voordeur wordt nooit gebruikt, het leent zich er goed voor. Alles laat van zich horen. Verrukkelijk, al dat leven.

En nu ben ik weer thuis. Het lijkt hier nog stiller te zijn als anders. Er zijn massa’s mensen die er fors voor willen betalen, die stilte. Maar voor mij is het vreemd. Waar zijn al die scholeksters gebleven? En de eenden? Ze houden zich hier verscholen in de sloten. De weilanden zijn leeg, alleen in de verte, waar mest geïnjecteerd is, zie ik ze. Ze eten wormen, die massaal de grond ontvluchten. Een feestmaal voor meeuwen en spreeuwen. Maar ik hoor ze niet, het is te ver.

Zou ik niet altijd op het Eiland willen zijn? Op het strand waar ik al twintig jaar kom, zijn duinen ontstaan, met riet erop. Het is een heel ander gezicht, niet meer de zandvlakte, maar nieuw land. Er zijn mussen, winterkoninkjes en ik hoor een rietgors zingen. Er groeien zelfs al elsjes, waar voorheen de golven over het zand sloegen. Alles leeft en beweegt. Ik luister naar de geluiden, die steeds anders zijn. Tegelijkertijd is het allemaal zo vanzelfsprekend, hoe het gaat. Hoort het niet zo te zijn?

Hier is alles uitgestrekt en stil. De Swette stroomt rechttoe rechtaan en zo zijn ook de wegen. Nu ik weer terug ben ga ik als eerste alle hoeken af die ik onderhoud. Een bij vliegt rond van bloem naar bloem. Die is hier doordat ik er ben. Zonder mij waren deze bloemen er niet. En ook het Verhalenpad was er niet zonder mij. De bomen en struiken groeien hard, door al die regen. Ook de notenbomen, de berken en de hazelaars. In de brede sloot vliegt nog steeds hetzelfde visdiefje heen en weer, zoekend naar een prooi. Kennelijk is het daar de moeite waard. Vissers bevestigen dat rond deze plek veel vis zit. Zou het water hier zo schoon zijn? Dat heb ik me al vaker afgevraagd. Ik zoek het uit en kom terecht bij een kaart van “Atlas Leefomgeving”. We zitten hier inderdaad op een plek waar geen rondjes staan. Dat is een goed teken. Ze hebben niet alleen een kaart van de waterkwaliteit, maar ook die van de lucht, van het geluid en hoeveel sterren je er in de nacht kan zien. Eén keer per honderd jaar kunnen we een overstroming verwachten en de huizenprijs is hier gemiddeld drie ton. Eén ding bevreemd me. Ze zeggen dat er geen enkele boom staat bij onze boerderij. “Schaduwrijke bomen binnen 100 meter: 0%”. Dat is maf. Alles wat er is geplant door de boer, grote bomen al, is dus niet geregistreerd. Net zo min staat genoteerd wat ik hier doe. Ze zien me kennelijk niet.

Regelmatig hoor je: “Ik voel me niet gezien.”. Maar soms kan je juist beter niet gezien worden. Dan kan je lekker rustig je gang gaan. Ik heb hier bijvoorbeeld een kas neergezet, van 10 M2. Op Schiermonnikoog ben je drie jaar bezig om een hokje van dat formaat op het strand te mogen bouwen. Vele partijen gaan erover. Die moet je allemaal af, voor een vergunning. De vogels mogen vliegen waar ze willen, maar voor de mensen is dit geen gebied dat zich vrij mag ontwikkelen. Het natuurgebied staat onder strenge controle. Hier niet. Geen haan die ernaar kraait als ik een hutje bouw of bomen plant. Onze bomen staan doodleuk niet op de kaart. Nou mooi, dan plant ik er nog een paar. Bomen en bloemen voor meer leven op het platteland. De mooiste plekken zijn op die manier ontstaan. Ik kijk naar die ene bij die zich tussen de regendruppels door waagt, en naar het visdiefje boven de sloot. Ik tuur naar de houtduif in de verte en een buurvrouw die tussen de bomen verdwijnt. Stap voor stap, met haar stijve benen. Stil, dat wel. Maar terwijl ik werk, groeit het leven. En als ik toch eens wat anders wil, dan ga ik gewoon weer even naar Schier.

.

Hoop aan de horizon.

.

KLIK hier voor de luisterversie.

.

Kijk hier naar je eigen plek op de Atlas Leefomgeving:

https://www.atlasleefomgeving.nl/

Onder een flapperend zeil

In de storm maken we ons allemaal klein om niet weg te waaien.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er zit een vlinder in het markies. Stevig houdt hij zich vast, achter het flapperende randje van het scherm, terwijl de storm zijn tentakels om het hoekje van de wagen heen slaat. Hij laat zich niet wegblazen! Het is een Atalanta. Een vlinder die misschien wel ouder is dan één jaar. Hij heeft in elk geval een wijs plekje gevonden, om te schuilen. Alsof hij dat veel vaker gedaan heeft. Beneden hem, op de tegels, zit een vlieg. Hij drukt zich in een hoekje tegen een plank aan en maakt zich zo klein mogelijk. De wind staat er vol bovenop.
Aan de overkant van de weg hangt een hangmat in de bosjes. Het scherm dat erboven is gespannen, klappert hard heen en weer. Het is van een jongen die bij het groepje hoort, dat daar kampeert. De jongen van de hangmat is de leider, op deze onstuimige middag. Samen met de andere jongens heeft hij een windscherm gemaakt om de uren tijdens de storm toch genoeglijk door te kunnen brengen. Het waait flink maar het regent niet en regelmatig schijnt de zon. De hoge bomen maken een hoop herrie, maar toch hoor ik hun stemmen nog, die onder het zeil vandaan komen.
Ik ben nieuwsgierig, loop erheen en buk me. “Welkom” zegt de hangmatjongen, die als eerste opkijkt. Hij stelt zich voor als Thijn. Er is maar weinig ruimte onder het lichtbruine katoenen zeil. Ik kijk recht in twee vrolijke ogen. “Gezellig hier” zeg ik. “Aan de andere kant van de haag is minder wind, maar dit is net zo leuk. Mooi gedaan zeg!” De jongen knikt grijnzend.
“Knap hè,” begin ik dan “Wij doen zoveel moeite om het onszelf makkelijk te maken. Maar dat zelfs al die kleine beestjes het toch elke keer weer redden in storm en regen. Een vlieg drukt zich plat in een hoekje, een vlinder zet zich schrap en ze wachten allemaal tot het voorbij is. Ze rusten even uit van al dat geweld, en dan vliegen ze weer vrolijk weg, in de zon.” Ik kijk naar de vier anderen. Allemaal zitten we in een klein hoekje gedrukt, net als de vlieg. Het zeil staat zo schuin, dat de wind eroverheen blaast. “We kunnen veel van de natuur leren!” zegt Thijn stralend. Even blijf ik zitten, hier, tussen de anderen en kijk naar de toppen van de bomen die hard heen en weer zwaaien. Zelfs die kwetsbare vlinders weten zich te redden met dit weer. Ze nemen het zoals het is, houden zich taai en wachten tot het over is. Daarna zijn ze alles weer vergeten. De zon schijnt en ze komen weer bij. Wat zijn mensen eigenlijk zwak, dat de meesten zelfs voor een buitje al de hielen lichten. Ik zeg daar iets over en Thijn knikt nadrukkelijk. Als het aan hem ligt, dan ligt hij veel vaker in een hangmat in het bos. “Eén op de honderd vierkante meters is asfalt,” zegt hij. “Jullie mogen je hier gelukkig prijzen.” En dat doe ik. Uit dankbaarheid plant ik bomen. “We zullen ze nog hard nodig hebben in de toekomst” zeg ik. Thijn vertelt dat hij houten poppetjes maakt. Het liefst van essenhout. Een jongen naar mijn hart. Van mij mogen daar nog veel meer van komen.

.

Naar de Vlierhof en weer terug

(Deze week geen luisterversie)

.

.

Er is een huis vol mensen, en telkens zijn er weer anderen die komen en gaan. Dat is de Vlierhof in Duitsland. Ik ben er, voor even.

Er is een man, hij is dirigent, maar ook in gesprekken weet hij de aandacht goed te verdelen onder sprekers en luisteraars. Hij raadt me Emma Curby aan, een zangeres die middeleeuwse liederen zingt. Hij luistert rustig en inspireert me.

Er is een tuin vol winde, en ik probeer zoveel mogelijk weg te halen, vóór de bloemknoppen komen. Ergens anders loopt een man met een grijze krullenbos. Ik ken hem goed. Hij knipt paarse bloemen uit enorme distels. De bijen vliegen weg.

Er is een tuinvrouw die klaagt over slakken. En de schimmel tast het loof aan door de vele regen maar toch is ze wel blij met de aardappeloogst. We plukken handenvol zwarte bessen en frambozen.

Er is een jonge vrouw met een wit kanten rokje en een rode doek over het hoofd, die ik Roodkapje noem. Ze houdt van bloemen, planten en aarde en de tuinvrouw is blij met haar.

Er is een kind van negen maanden. Aan tafel zit de moeder en een vrouw met een dikke buik die dat nog wordt. In een klein huis tussen de bomen staat een schommelwieg van hout, vlak voor het raam.

Er is een man die jarenlang rondliep zonder bezit, zo vrij als een vogel. De man speelt met het kind dat op tafel zit. Terwijl hij een boek leest, houdt hij zijn blote voet tegen haar ruggetje, zodat ze niet naar beneden dondert.

Als ik terugga wacht ik op de juiste lijndienst. Er is wel een andere bus, een hele lange met een knik ertussen, als een rubberen harmonica. De buschauffeur, een vrouw met blonde krullen, leert achteruit inparkeren op de kleine bushalte. De rij-instructeur zit naast haar. Terwijl ik kijk doet ze het wel zes keer. Sommige auto’s toeteren terwijl ze moeten wachten. Ze willen er langs maar het kan niet.

Het is een lange reis, en ik val bijna om, als ik op mijn stoel in slaap val. Er hangen donkere wolken boven Leeuwarden, maar als ik uitstap is de regen voorbij. De Friese woorden op de borden zijn vertrouwd. Ik kom weer thuis.

Scheppen

.

Het lage land van het Noorden (eigen werk)

.

Kan een schilderij op tegen de ongelooflijke magie van de werkelijkheid? Ik schilder weer, drie dagen op de kunstacademie.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Nog steeds vind ik het een enorme luxe. Dagen die zich uitstrekken en ik mag kiezen. In de winter slaap ik uit en in de zomer zijn de dagen lang. Het land lokt mijn groene vingers, een tijdloos gebeuren. Er groeien bomen en struiken, en hun silhouetten steken af tegen de blauwe lucht van deze warme zomerdag. Het blad beweegt in de wind. Overige akkers hebben hun tweede snede gehad, het enige wat daar beweegt zijn de laatste trekkers die wegrijden. Een zwerm spreeuwen vliegt op en strijkt neer, steeds opnieuw. Net als ik. Opvliegen en neerstrijken.
Als ik in de vroegte over het Verhalenpad loop, verwonder ik me over de prachtige hoekjes die er ontstaan. De witte berkenbast van de koningsboom, de grootste, precies in het midden van de bult. De paarse kattestaart erachter. De kaardebollen zijn nog in knop. Verbaasd kijk ik naar de contouren van de toppen die afsteken tegen de violetblauwe hemel. Het puntige blad dat naar twee kanten uitsteekt, met drie bloemen op steeltjes in het midden. Het is als een Venetiaanse gondel met drie dansende draakjes erin.
En dit heb ik allemaal geplant, gezaaid en uitgezet. Het groeit en groeit en het wordt mooier dan het mooiste schilderij. Het verandert met de dag en zonder dat ik erbij ben. Steeds meer komt erbij, en soms verdwijnt er iets. Ik krijg er nooit genoeg van. Waarom zou je schilderen als de werkelijkheid onovertreffelijk is? En je dit ook nog eens zelf kan scheppen? Waarom dan niet veel meer scheppen met vuile handen?

Toch ben ik weer gaan schilderen. Opnieuw ben ik in de kunstacademie in Leeuwarden. Drie lange dagen. Ik was vergeten hoe het is om de hele dag les te krijgen, en om steeds te moeten schakelen in een ritme dat een ander aangeeft. Maar ik doe het. Ik schilder. Het begint moeizaam, dat ken ik goed. Zo is het altijd met mijn beste werk. Het is de kunst om niet af te haken, maar concentratie op te bouwen. Als de docent me er voor de derde keer uithaalt om iets te vertellen, zeg ik dat ik daar moeite mee heb. De anderen zijn al veel verder, ik kom er maar niet in. Ik krijg toestemming om door te schilderen, terwijl ik luister. Dan is het weer een hele poos doodstil. Alleen het ademen van een slapende hond doorbreekt de stilte, als het bewegen van de zee. De concentratie stijgt. Het werk wordt goed! Langzaam kom ik in de ban, een gepassioneerde gloed waarin de laatste kwaststreken op het paneel belanden.
Precies zo zou ik hoekjes uit het Verhalenpad kunnen schilderen. Maar tegelijkertijd vraag ik me af waarom. De werkelijkheid is immers nog veel magischer. Doe ik er niet beter aan om al mijn tijd te stoppen in planten en scheppen van deze levende wereld? Nee, toch niet. Want het schilderen brengt het Verhalenpad verder dan hier. Het brengt me bij mensen, het maakt dat ik de beelden kan delen die ik zie. Al schilderend vertel ik wat woorden niet kunnen. Ik kijk naar de anderen, en zo groeit gezamenlijkheid. Kleine ergernissen verschrompelen bij de warmte van dit gebeuren. Soms heeft de één een dip, dan de ander. Ik kijk bij de anderen en ik geniet ervan om te praten over wat we doen. Het zweten en de inspanning, het enthousiasme als iets lukt. Een levend schilderij is niet te evenaren. Maar het scheppingsproces van eigen handen heeft ook een eigen magie. En dan, naast mij, de ander, net zo hard bezig met haar eigen werk als ik met het mijne. Ik weet dat ik terug kom, de kunstacademie in Leeuwarden. Al is het een heel eind fietsen.

.

.

Bezoek

Wat een verrassingen deze week!

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Vanuit de verte gezien zijn er twee bosjes in het Friese weidelandschap hier, vanaf ver te zien, een groter en een kleiner bosje. In het grote wonen de anderen. En daar staat de boerderij. In het kleine bosje woon ik.Vaak heb ik het me voorgesteld. Hoe er voor mijn woonwagen een paar kleintjes zouden komen. Kleine woonwagentjes, lief en helemaal in harmonie met de bomen, de bloemen en het veld. Net als de mijne. En dat we met elkaar een dorpje zouden vormen. Mensen met wie ik kan lezen en schrijven en deuren kan openen naar een andere tijd. Maanden gingen voorbij, terwijl ik werkte aan de biodiversiteit. Er kwamen busjes over de weg, en ook heel veel auto’s, luxe caravans en een tiny house van vier meter hoog. Ik dacht dat ze nooit zouden komen.

Maar deze week kwamen ze. De kleine woonwagens, echt heel erg klein. Ze noemen ze fietscaravans. “Heb je ze al gezien” zei mijn buurman “Ze staan bij jou op het veld!” Ik liet de tak los, die ik wilde afknippen, stopte de snoeischaar in mijn fietstas en ging er gauw naar toe. Ze hadden zich al aangekondigd, via de mail. En daar staan ze nu. De twee fietscaravans met fietsen ernaast. Vrolijke jonge gezichten begroeten me. Net als ik, toen ik op reis ging, hebben ze hun huis achtergelaten, toen ze weggingen. De huur is opgezegd. Dit is alles wat ze hebben. Ik laat ze mijn kas zien, daar mogen ze gebruik van maken. Er staat een tafel in, twee luie stoelen en een bureaustoel. Nu gaan ze daar hun gang. Ik heb het gevoel alsof ze hier al heel lang zijn. Maar straks gaan ze ook weer weg. Een droom komt zelden in één keer uit. Het groeit als bloemen. Eerst is er eentje. Dan komen er meer.

Gaandeweg wordt duidelijk wat het betekent, wanneer iemand echt aanwezig is, zoals zij. Het is wezenlijk anders, dan wanneer mensen alleen maar op vakantie zijn. Anders ook dan bewoners, hier op de boerderij, die elk met hun eigen dingen bezig zijn.
We hebben het over thema’s die we gemeen hebben. Hoe het is om je los te maken van de snelle wereld. Wanneer je onderweg bent, je bezit niet groter dan wat je bij je hebt, lijkt de wereld een mallemolen. Jij staat stil in het midden, als in het oog van een orkaan en alles raast langs je heen. Mensen zijn druk om zich te verplaatsen van hier naar daar en jij hoeft niks. Je bent wie je bent, en waar je bent, zonder gedoe of franje. Hoe klein ben je dan! Dat kan een diep gevoel van eenzaamheid geven.
De eenzaamheid is nu vervlogen, nu wij samen op dit veldje staan. De snelweg raast door zonder ons, de vogels fluiten terwijl wij praten. Ze gaan ook weer verder, precies wanneer ze zin hebben. Ik heb gezegd dat ze terug mogen komen wanneer ze willen.
Ook zij bouwden hun ding helemaal zelf. Ze weten nu hoe het is, onderweg zijn met iets dat zo bijzonder is en helemaal van jezelf. De twee superkleine minihuisjes zijn op dezelfde wijze gebouwd, de ene is blauw, de andere groen met roze. Het is het model van een schaftkeet, met een halfrond dak en rechte wanden. In de deurtjes zitten raampjes als een halve maan en er hangt een kleurig gordijntje voor. Binnen zijn een paar ondiepe kastjes, en een bed. Er is een constructie om een tafeltje te maken. Alles wat je nodig hebt is er. Onderweg zijn met zoiets, trekt ogen. Iedereen komt naar je toe. Ze hadden niet gedacht dat dat zoveel energie zou kosten, al die kijkers die steeds dezelfde vragen stellen. Maar toch is het goed. Mensen helpen herinneren hoe het ook anders kan. Veel mensen in Vinex wijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben. Hoe kijken zij hiernaar? Een leven met zo weinig spullen? Wie van hen kan het zich voorstellen, dezelfde stap te maken? Het is moedig, om zo vol vertrouwen te zijn. De overtuiging te hebben dat je op de juiste tijd een plek vindt waar je weer kan landen. Ik weet niet hoelang ze blijven. Dat maakt niet uit. Ik ben blij met ze.

Nieuws: Wat een ondersteuning heb ik gekregen! Het is een hart onder de riem. In een paar dagen tijd is het aantal aanmeldingen voor mijn boek gegroeid van vijftien naar vijftig! Dat betekent een veel voor me. Het geeft me energie om door te gaan. Dus iedereen die zich aanmeldde: Heel hartelijk dank. En er is nog iets om blij mee te zijn.
Inmiddels heb ik eindelijk ook mijn eerste uitgever gesproken van mijn eerste boek. Ik kon hem maar steeds niet bereiken, en was dus maar naar een ander gegaan. Maar nu was hij er weer. Hij kwam net uit de lappenmand en heeft voorlopig geen tijd. Maar we hebben afgesproken dat we in november of december bij elkaar komen. Helemaal passend bij het thema: “De heilige traagheid der dingen”. Het duurt even, maar het komt! Ondertussen zie ik genoeg passages die nog beter kunnen. Dus ik werk er met veel plezier aan door, als ik dan toch de tijd heb. Dit geeft me echt een goed gevoel. Dat jullie van je hebben laten horen, als potientiële lezers en dat mijn oude trouwe uitgever weer bij positieven is. Super!

.

Steun voor het nieuwe boek

Als er genoeg mensen zijn, dan komt het er.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik had eigenlijk een ander verhaal klaar liggen, maar ik schrijf nu dit, omdat dit me nu bezighoudt. Het boek is af: “De heilige traagheid der dingen”. De eerste uitgever heeft het gelezen. Ze vindt het goed en zinvol. Maar toch doet ze het niet. Ik moet namelijk een netwerk meenemen van geïnteresseerden. Zonder netwerk is het uitgeven van een boek te riskant. Want wie gaat het kopen? Er zijn zóveel boeken! Sommigen hebben een bedrijf, een klantenkring. Dat helpt een hoop. Een bedrijf met een uitgebreid netwerk, dat had ik vroeger, maar nu niet meer. Ik ben nog steeds nieuw in Friesland. Ik hoopte dat ik via mijn blog en het Rijdende Verhalenhuis een netwerk zou opbouwen. Het netwerk dat ik heb opgebouwd blijkt magerder dan ik hoopte. Filmbeelden van de wagen en de reis waren populair op internet. Maar de verkoop van het boek loopt echter een stuk trager. Het druppelt gestaag door, dat wel. Maar hard gaat het niet. Hoewel ik van lezers toch alleen maar positieve geluiden hoor.

Het is ook een moeilijke tijd voor uitgevers, daar ben ik me van bewust. Zeker met het nieuwe BTW tarief. Dus het netwerk van geïnteresseerden dat de schrijver meeneemt, is nog belangrijker geworden voor de uitgeverij. Het eerste boek, “Langs kantelende wegen” was bovendien een verhaal dat echt opviel, de wagen, het avontuur… Dit tweede, “De heilige traagheid der dingen” is niet zo vanzelfsprekend. Het vraagt om extra inzet om het in het spotlicht te krijgen.

Meestal wacht je tot een boek er is, en dan koop je het. Maar mijn boek komt er pas als er genoeg mensen in geïnteresseerd zijn. Op mijn blog heb ik een pagina voor de inschrijving. Als je je daarop meldt, dan kan ik een lijst maken van mensen die meedoen. Dan kan ik dat laten zien aan de uitgever. Hoe meer het groeit, hoe groter de kans dat het boek er ook echt komt, en voor breder publiek beschikbaar is. Wil je het steunen? Ik ben er blij mee.

Dit is de link naar de inschrijving:

.

En dit is de knop voor de luisterversie van dit korte verhaal, met muziek en al:

Doorgaan in een omgekeerde wereld

Samenstelling van symbolen: Aarde, het groeien, de hemel. Je vindt dit bovenin de nok van mijn huis. In zijn geheel straalt het blijmoedige volharding uit.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik niks hoef, deze lente. De grond is vochtig en de bomen doen het goed. Het Verhalenpad zit vol met dieren. Als ik aan kom lopen vliegen er bijna altijd twee houtduiven weg. Ze scharrelen bij de drogende grashalmen op de grond. Ik maaide het met de zeis. In dikke bossen liggen ze daar, nog altijd. Langzaam slinken ze, door wind, regen en zon en het zaad dat eraan zat verdwijnt in de vogelmagen. Later op de dag, om twaalf uur, komen de mussen. Die komen vooral voor hun zandbad, in de losse grond onder de struiken. Ze maken kuiltjes in de grond, met hun vleugels. Van mij mogen ze. Ondertussen graaft de mol tussen de lila bladramanas en de wilgenroosjes haar gangen. De bloemen bloeien nog net zo hard, al worden de blaadjes wel wat geel van al dat gegraaf. Het wilgenroosje heeft er daarentegen geen last van. Het kan best dat de mol daar dieper onderdoor duikt, want hij kan wel tot twee meter komen, in hogere gebieden dan hier. Het is ook een goed teken, zo’n mol. Er zitten dus veel wormen in de grond. Een mol in je tuin is dus eigenlijk een compliment. Veel “rommel” in je tuin zorgt daarvoor. Maaisel niet opruimen maar laten liggen. Het snoeihout niet verbranden, maar teruggeven aan de bodem. Ook andere dieren komen daar op af. Net als iedereen heb ik ook naaktslakken. Die lust de mol ook. Ik laat hem dus lekker zijn gang gaan. Ik mag me gelukkig prijzen, met al die medewerkers. En er zijn meer eters. In de berke- en wilgebomen zitten rupsjes. Die eten alle blaadjes op. Het geeft niet, er komen vanzelf weer nieuwe. Maar soms komt er een familie pimpelmezen, om ze op te eten. De mol maakt de grond los, de mezen eten de rupsen. Er gebeurt van alles, ook buiten mijn aanwezigheid. Een gemeenschap, en alles werkt samen.

Dus ik kan het me permitteren om een tijdje lui te zijn en lig bij m’n vriend op de bank. Wat een luxe is dat. Ik denk aan al die mensen met overvolle agenda’s. Of landen waar het oorlog is en waar je nooit rustig een middagdutje kan doen. Ik denk aan defensie, waar nu meer geld naartoe moet. De energieslurpende verdediging van ons continent, Europa, ten koste van de aarde. Wat hield ons bezig? Het klimaat. Verontreiniging van water en bodem. Er moest meer natuur komen. Dat alles is nu niet belangrijk meer. “We moeten voor onszelf gaan zorgen” zeggen ze. Ik dacht dat dat over voedsel ging, en kringlooplandbouw. Streekvoeding voor levensonderhoud. Maar nee, voor jezelf zorgen betekent in eerste plaats dat je jezelf kan verdedigen. Dat er wapens zijn en een leger. Terwijl oorlog juist overal ter wereld voor voedselproblemen zorgt en dus het tegenovergestelde doet. Mensen kunnen niet meer voor zichzelf zorgen. Waar oorlog is, wordt het land verwoest. Mensen vluchten er weg of hebben voedselhulp nodig. Je kunt beter investeren in vrede dan in wapens.

Mijn vriend leest voor. “Mensen in vinexwijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben”. Het is een artikel uit Vrij Nederland. Ook vinexmensen vinden het leger en grensbewaking het belangrijkst. Dan zullen ze zich kunnen vinden in de huidige politiek. Europa voelt zich vooral verenigd door het hebben van een gezamenlijke vijand. Dus niet door elkaar, door het water dat door onze landen stroomt naar de zee, niet door samen te zorgen voor vruchtbaar land en leven. Gelukkig zijn er nog anderen. Mensen die doorgaan met zaaien, planten en vredestichten. En vertrouwen hebben en zaden delen. Al gaat het met vallen en opstaan. Er is nog veel te doen. Maar vergeet niet om lui te zijn.

.

.

Welvaart, broederschap en beschaving

Twee jongens gaan me voor in het donker, naar de veerpont over het IJ. Een dag later, wachtend bij het stationsgebouw, word ik geraakt door een beeldhouwwerk in de gevel.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Daar zit ik dan, op mijn hurken in het gras. Ik ben er speciaal voor naar Amsterdam gegaan, dit feest. Het regent al de hele avond en alle toespraken en muziek, alle mensen die ernaar luisteren zitten eensgezind onder een grote tarp. De avond is nog niet ten einde, maar ik kom toch maar overeind. Het is tijd om terug te gaan naar het hotel. Dat is aan de andere kant van het centrum en dan ook nog aan de andere kant van het IJ. Dat is nog een heel eind. Ik doe mijn regenkleding aan en pak mijn fiets. Na een paar seconden zie ik de groene broek al glimmen in het donker. Het water valt met bakken uit de lucht. Ik probeer mijn natte haar nog even tot een knotje te frummelen, zodat het niet in mijn nek druipt. Het valt steeds naar beneden. Ik laat het.
Naar de veerpont is vijf minuten fietsen. Als ik er aankom, zie ik een jongen, die in het donker onder de overkapping zit, aan tafel, met een opengeklapte laptop en een waterfles. Hij is de enige. De pont is nergens te bekennen.
“Vaart hij nog?” vraag ik.
“De laatste komt nog. Maar aan de andere kant is er nog één. Die gaat ook langer door dan deze.” Hij legt uit hoe ik er moet komen. Fietspad af, links met de bocht mee, bruggetje over.
“Okay!” zeg ik.
Er komen twee jongens aan fietsen. Grote glimmende regenjassen, hun koppen gebogen over het stuur. Ik stop en kijk wat ze gaan doen.
“Ik ga geen uur wachten”, zegt de één.
“Moeten jullie ook oversteken?” vraag ik, terwijl ik dichterbij fiets.
“Ja”, zeggen ze “Jij ook? Fiets maar met ons mee.”
We volgen het steenrode fietspad door de bosjes, langs het veldje met de liggende boomstammen. Bijna terug naar het Mandelahuisje en verder. Daar ligt de sluis met gesloten deuren. Over de sluisdeuren is een smal pad, niet breder dan de deuren zelf, met een hekje er langs. Met de fiets kan je er net overheen, maar je moet hem eerst een beetje optillen om op de sluisdeuren te komen. Onder mij klinkt het geluid van de stromende regen in het water. “Dit lijkt de middeleeuwen wel!” roept de jongen die voor me loopt. “Het heeft wel wat…”
Ik volg ze naar de veerpont. De heldere lampen verlichten een dek vol mensen. De meesten met een fiets, anderen zonder. Ik herken de vrouw naast me, met haar zoon. “Hee, Otis! Jij hebt vanavond gewonnen hè?” roep ik. Het blonde joch grijnst breed en knikt. De mensen staan geduldig te wachten. Sommigen praten met elkaar. Ik las gisteren in de krant dat er een plan ligt om een brug te maken. Dan kan de veerpont worden opgeheven. Maar de uitvoering is vreselijk ingewikkeld en de mensen willen het niet. “Hou toch op!” roepen ze. Al dat gedoe! En ze willen hun pont helemaal niet kwijt.

De veerboot vertrekt. Aan de overkant ligt het Centraal Station.

De volgende ochtend ben ik daar opnieuw, en dit keer om naar huis te gaan. Ik heb geen haast en kijk naar het prachtige stationsgebouw van onze hoofdstad. Er zijn beeldhouwwerken in gemetseld. Hele voorstellingen zijn het met een eveneens gebeeldhouwde lijst erom. Er zit gaas voor, tegen de duiven. Ik kijk naar alle afbeeldingen. Er zijn zes lijsten, en eronder staat waar ze over gaan. Drie aan de linkerkant van de ingang: Elektriciteit, Nijverheid, Stoom. Aan de rechterkant: Welvaart, broederschap, beschaving. Bij de laatste blijf ik staan. Er staan vier mensen op. Twee mannen trekken eendrachtig een visnet omhoog. Er is een vrouw, losjes en liefdevol ligt haar arm over de schouder van het kind. Met haar andere arm heeft ze een grote mand fruit vast, die balanceert op haar hoofd. Alles straalt overvloed uit en zorg voor elkaar. Dát is beschaving. Wat een prachtig beeld! Hoeveel mensen hebben hier al naar gekeken, tijdens het wachten? Het zet aan het denken. Vaak zie ik een ander begrip over beschaving, dat veel meer over technologie gaat. Ik denk aan de grote plannen voor de nieuwe brug. De zogenaamde “vooruitgang”. Alles moet sneller en makkelijker. Ik denk aan al die mensen, die zo geduldig op het dek stonden te wachten. Die helemaal geen brug hoeven. De jongens die me hielpen er te komen, over het smalle bruggetje van de sluis. Zorg voor elkaar maakt een beschaving levend. Toch is dit niet waar overheden de meeste energie in steken. Soms lijkt het wel manisch, die drang naar vernieuwing, groter, sneller en verder. Techneuten en politici zouden eens wat vaker op de fiets moeten gaan, het pontje nemen en dan naar dit prachtige beeld kijken. Maar de ontwikkelingen gaan door. Ondanks de hoge kosten en de tegenstand komt hier wellicht toch die brug, zoals overal, waar iedereen dan anoniem overheen scheurt. Waar je uit moet kijken dat je niet van de sokken wordt gereden. Terwijl het zo duidelijk is: Uiteindelijk kijken we liever naar vrolijke jongens, die rustig voor ons uit rijden, die ons lachend de weg wijzen over het smalle bruggetje van de sluis. Dàt is beschaving.

.

.

.

Het boek houdt niet van druk

Elk boek heeft zijn eigen energie. Ook “De heilige traagheid der dingen.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Na een onafgebroken tijd van blauwe luchten is het wolkendek teruggekeerd. Goddank. De felle zon wordt getemperd. Als je uit de trein vanuit Eindhoven komt, dan is de hemel boven een Friese weide een totaal andere ervaring. Zo hard is het licht. Dat komt door de schone lucht. Er is geen filter. ’s Ochtends en ’s avonds houd ik van de zon. Midden op de dag vlucht ik van haar weg. Dan verkies ik mijn koele wooncocon, met het aangename bovenlicht. Indirect licht is heerlijk om je te concentreren op het schrijfwerk.
Ik bewoon mijn huis nu zeven jaar, zorg er goed voor en dat mag van mij zo blijven.

Mijn naaste omgeving is in die zeven jaar regelmatig veranderd. Van Brabant liet ik me naar Friesland brengen, op een trailer, in 2018. De eerste negen maanden leefde ik in een beginnende ecogemeenschap, samen met mijn 350 bomen en een heleboel werk. Via via kwam ik bij deze boer terecht, aan de Swette. Ik kon meteen verder gaan met planten.

Bomen willen wortelen, en dat deden ze ook. Na de lente kwam de zomer. Ik zag ze groeien. Maar ik moest verder. Met moeite nam ik afscheid van de plek waar ik mijn thuis gevonden had en maakte me klaar om te vertrekken. Het plan was immers om een reis te maken en daar een boek over te schrijven. Wie A zegt moet ook B zeggen. Ik kon er ook niet onderuit, want ik had het aangekondigd in al mijn schrijfsels en bovendien: de televisie kwam.

Drie maanden trok ik door het Noorden van Friesland en landde in de nazomer in Rotstergaast. Opnieuw stond ik negen maanden op een plek. Het was de oprit van een vriendin. Precies de goede plek om te schrijven en de vriendin was inspirerend gezelschap. Na die negen maanden kwam het boek bij Uitgeverij Louise terecht. In nov 2020 was de boekpresentatie van “Langs kantelende wegen.” Een levendig boek, vol verrassende wendingen en ontmoetingen. Voor de boekpresentatie keerde ik terug naar de boerderij aan de Swette. Ik mocht blijven staan, met mijn huisje. Meer bomen mochten er komen op dit stukje boerenland. Inmiddels ben ik hier nu drie en een half jaar bezig, maar voor mijn gevoel is het veel en veel langer.

Mijn nieuwe boek is dan ook heel anders dan het eerste met een totaal ander tijdsgevoel: “De heilige traagheid der dingen.” Het ligt bij een uitgever. Tijdens het wachten op antwoord, laat ik het aan vijf verschillende mensen lezen. De eerste, een journaliste die ik ken van de Correspondent, zegt dat ze het inspirerend en tegelijkertijd vervreemdend vind. Hoe bedoel je, vroeg ik. Voor ze daar antwoord op geeft, leest ze eerst het boek uit. Ze is nu halverwege. De tweede leest het in de tijd dat hij niks te doen heeft. Hij heeft er plezier in en is thuis in het onderwerp. Hij is ook halverwege. De derde is druk en is het vergeten. De vierde is mijn vriend, die zich vooral stort op de stortbuien van nieuws en “De traagheid der dingen” past daar kennelijk minder goed in, want hij is nog niet verder gekomen dan hoofdstuk één. De vijfde die ik vroeg, heeft ook mijn vorige boek geredigeerd. Dat was een andere rol. Maar ook nu begon hij meteen heel actief met opmerkingen plaatsen, zonder eerst het hele boek te lezen. Dat werd hij al snel moe. Ik vermoed dan ook dat het boek van je vraagt om je te verplaatsen in het zelfde tijdsbesef als waarin het geschreven is. Als je stil bent, dagen de verbanden op, de diepere laag onder de woorden.

Het boek houdt niet van druk. Misschien moeten mensen eerst rustig worden om het te lezen en is de meerderheid er niet aan toe. Elk boek heeft zijn eigen energie. Hoe het zich openvouwt voor de verschillende lezers, dat weet niemand. Dat is de magie. Ik weet niet wanneer het zover is. Maar de publicatie komt precies op tijd. Daar ben ik van overtuigd.