Voor hen van wie ik leerde in liefde

Een extra lang verhaal waarin drie mensen de hoofdrol spelen, Carla: de kunstenares die mij uitnodigde, Sietse Drentje, die we allebei gekend hebben en mijn man, Michiel.

.

Blauw was Sietses lievelingskleur.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“De wind is koud” zegt de vrouw, die aan de andere kant van het tafeltje zit. “Kom naast me zitten,” wenk ik ”hier zit je in de luwte.” Ze doet het. De bank van Jonker Sikke is groot zat, hij bestrijkt de hele voorgevel en ligt vol bontgekleurde kussens. Aan de overkant zijn de weilanden en de kerk. Naast mij zit Carla, kunstenares. Het is het verleden dat ons bindt. Een man, die voor altijd jong zal blijven in onze herinnering. Voor haar was hij een vriend met wie ze intensief correspondeerde, vijf jaar lang. Voor mij was hij mijn eerste vriendje, kort maar krachtig. Hij leeft niet meer. Op zijn zeven en twintigste is hij vertrokken en niet meer teruggekomen. Het was een enorm pak brieven, die ze nog steeds van hem had. Dat lag daar maar. Ze opnieuw allemaal lezen, dat wilde ze niet. Dat maakt teveel los. Wat dan? Ze kwam op het idee om ze aan een ver familielid te geven, die radiomaker was. Hij maakte er een mooie podcast van. Dat is geworden als een monument voor hem.

Nu kunnen we het weer hebben over zijn bijzondere persoonlijkheid, de jongen die zijn laatste reis maakte, en ons geschokt achterliet. Die eenzaam stierf in een ver land.

(Luister: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis)

Onverwerkte emoties vormen een mist, die dikker wordt zodra je er in stapt. Het is als stof over je ziel. Om de mist op te lossen, moet je erin. Je kunt het ontlopen, maar het gaat ten koste van de sprankeling, de creativiteit die we nodig hebben om deze wereld te genezen. Ook spullen met emotionele lading, die jarenlang blijven liggen, doen iets met je. Het gaat ten koste van je scheppingskracht. Daar moet je op een gegeven moment wat mee, wil je niet eindigen als een stoffig type. Opruimen is goed, en het beste nemen we mee de toekomst in. Sietse Drentje was in elk geval helemaal niet stoffig. Integendeel. Hij was een dynamisch mens, vol ideeën. Sommige ideeën zwerven nog altijd ergens rond, andere zijn in rook opgegaan. Maar hoe dan ook, we waren gefascineerd door zijn beweeglijke, hartelijke en creatieve persoonlijkheid. Bij het verwerken van het verleden kiezen we voor het beste, dat gebruiken we en zetten we voort. Carla heeft de brieven die hij schreef een nieuw leven gegeven. Ze liggen niet meer bij haar in een donkere hoek, het is een verhaal geworden, gemaakt door een man van de VPRO, en iedereen kan het beluisteren, zich laten ontroeren. Het is een mooie daad geweest.
Ik wijs naar de torenspits van de kerk tegenover ons. “Zie je daar? De zwaluwen cirkelen daar rond en pikken insecten van het dak. Mooi hè…” Ze kijkt. Ze kent het. “Dat zijn vliegende mieren. Op warme dagen komen ze uit. Die gaan heel hoog de lucht in.” Ik kijk naar ze, die vliegensvlugge vogels. Prachtige nesten bouwen ze voor hun jongen. Dit zijn hun laatste weken, voor ze weer vertrekken. Laten ze hun buik maar flink vol eten. Een lange reis zal het worden. Ik bid dat ze weer terugkomen. Allemaal. En dat ik kan zijn als de zwaluw, licht, wendbaar en beweeglijk, nog vele jaren, tot de laatste dag. Licht en beweeglijk, als Sietse. Maar tegelijkertijd toegewijd. Dat de plek waar ik ben mooier mag zijn als ik weg ga. Die twee dingen, allebei.

Ik vertel Carla dat ik een keer met Sietse naar een expositie van haar ben geweest. Het was in een tijd dat ze zoekende was hoe ze verder moest, als kunstenares. “Ik kan me jou niet meer herinneren” zegt ze. “Als je creatief wilt blijven moet je ruimte hebben, dus ook dingen vergeten”. Ik knik. Dat herken ik. Het is voor mij de basis van eenvoudig leven. Het gaat niet alleen over spullen, het gaat ook over een opgeruimd gemoed. Over het verwerken van dingen. Afscheid. Denken aan de doden en wat we van ze leren.

Een en twintig was ik. Sietse was mijn allereerste officiële vriendje. Hij was zes jaar ouder, schrijver, avonturier en vrijbuiter. Zijn vertrouwen in mensen was grenzeloos. Even grenzeloos werd zijn val, later, het ongewisse in. En het begon zo mooi en vol vrolijkheid.
We ontmoetten elkaar op creatief kamp Kijkduin. Daarop volgde een weekendrelatie, hij woonde in Hilversum, ik in Leeuwarden, waar zijn zus ook woonde. We schreven over de prachtige onontgonnen gebieden tussen ons, en we geloofden daarin. We tekenden grote rode harten voor elkaar en gloeiden van geluk wanneer we elkaars brieven lazen. Maar als ik naast hem zat kreeg ik steeds meer last van een brok in mijn keel. We zaten stijf van de spanning naast elkaar, en dan kwam er niks meer uit. Voor hij vertrok maakte hij het uit. Het was een brief waarop ik nooit zou kunnen antwoorden. Hij schreef dat hij niet wist wat hij met ons aanmoest en ging op de bonnefooi naar Turkije. Het goede geluk werd hem niet gegeven. Het bericht dat hij was vermoord, leek onwerkelijk. Daarna droomde ik een intense droom, die mijn hele leven is bijgebleven. Ik had van top tot teen kippevel, toen ik wakker werd.

Er is een man in het veld, een grijze herder met een baard. Hij heeft een staf in de hand. Hij loopt op me af, recht zijn rug en kijkt me aan. Dan heft hij de staf boven zijn hoofd. De herder lijkt te groeien en de goedmoedige houten staf verandert in een glimmend scherp zwaard. De stilte is plechtig en geladen, voor hij spreekt. Drie woorden maar.
“Ik moet wel.”

Dan word ik wakker. Dit is voor het eerst dat ik mijn verhaal met hem zo volledig in het openbaar vertel. Nu dus, dankzij Mathijs Deen, die deze radiodocu maakte.
In de docu wordt mijn naam niet genoemd. Alleen: “A. Komt hier dit weekend. ” Dat ben ik. Als de maker me gevraagd had, had ik hem dit verhaal verteld. In de docu komt het over alsof het niet meer was dan een flirt, één van de velen. Maar we meenden het met elkaar, die eerste maanden. Hij schreef ook veel over de dood en dat trof me. Ik herinner me een gesprek over de dood. Dat het een muur was waar hij overheen zou willen kijken, wat er was.
Ik ging met hem naar de schrijverskring van Simon Vinkenoog. Zo onzeker nog, dat ik niet durfde voor te lezen wat ik geschreven had. Ik herkende zijn reislust, nieuwsgierigheid en grenzeloos vertrouwen. Ik stond nog maar aan het begin. Maar die droom was voor mij een waarschuwing. Het sloeg op hem, maar ook op mij. Dit is één van de gebeurtenissen geweest met invloed op de rest van mijn leven. Het heeft me niet bang gemaakt, wel behoedzamer, meer geaard en minder naïef.
Als ik dit verhaal vertel, denken veel mensen aan hun eigen jonge, naïeve reizen, nieuwsgierig, op zoek naar avontuur, of zoekende naar een doel in het leven. Ze zijn dankbaar dat het goed is afgelopen. Bij mij liep het anders. Diverse gebeurtenissen hebben mijn reislust ingetoomd. Het is er nog wel, maar ik houd het aan de teugel. Mijn enige reis als volwassene is geweest de drie maanden door Noord Friesland, vijf jaar geleden. En natuurlijk in 1997, met de boot door Nederland. Toen was ik samen met mijn lief, Michiel. (Hij stierf in 2002). Dat dagboek heb ik bewaard, als een van de weinigen. Ik ben Nederland nauwelijks uit geweest.

Michiel hoefde ook niet verder. Hij verkende land en water vanuit de plek waar hij was, in steeds grotere cirkels. Op de kaart tekende hij dat af, met trots, dikke lijnen over waterwegen die nu tot zijn wereld behoorden. Hij had een bodem van wijsheid, die Sietse nog niet had. Maar Sietse was licht en wendbaar, terwijl Michiel zich al teveel hechtte aan wat hem omringde. Dat maakte hem eigenlijk best wel een stoffig type. Zijn liefde voor mij was het enige wat hem op het laatst nog gaande hield. Zijn motor, zijn liefde, zijn alles. Ik denk aan hem in dankbaarheid daarvoor. Hij had een heel groot hart en heeft mij veel gegeven.
Door hem, en door Sietse, heb ik veel geleerd. Ik probeer licht te blijven en wendbaar, zoals Sietse, en tegelijkertijd toegewijd aan de plek waar ik ben. Zoals Michiel.

Van allebei het beste. In de geest van hen, die mij dit leerden in liefde.

Nogmaals de link voor deze radiodocu die de moeite waard is om naar te luisteren: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis

.

Ecologisch slootonderhoud

.

.

Ecologisch slootonderhoud

Het is een echte nazomer. Warme windstille dagen wisselen af met winderige wolkenluchten. Talloze spinnenwebben glinsteren in het ochtendlicht, en nevelen hangen over het vlakke land, na de regen van gisteren. Ik kijk uit over het land, ben net uit bed. Net als ik terug naar huis wil lopen, komt er een trekker langs, met een grote hark eraan. Dat is waar ook. De sloot wordt vandaag gehekkeld. Dat is vroeg. Vorig jaar was de grond zompig in november. Er kwamen dikke bandensporen in het veld. Dan moet het maar in augustus dacht de boer, dan is de grond nog hard. Ik zie hoe de machine vlak langs de ingang van het Verhalenpad indraait. Hij rijdt over de uitstekende takken van de grauwe wilg heen. De struik is flink gegroeid, vooral in de breedte. Ik moet hem snoeien of vlechten. De jongen achter het stuur laat de grote gele hark in de sloot zakken. Hij schept en kwakt een dikke laag zwarte bagger op de kant. Het is het uiterste hoekje van de sloot, dat verschillende jaren is overgeslagen. Vooral daar zitten veel kikkers. Ik maak er altijd een composthoop vlak langs het water. Daar kunnen behalve kikkers ook padden onder kruipen. Allebei eten ze slakken, óók naaktslakken.

Als de machine wegrijdt, is de sloot aan één kant gemaaid. De andere kant komt een andere keer aan de beurt. Dat heet ecologisch hekkelen: niet alles tegelijk, zodat de natuur ook een kans krijgt. Zodra de machine vertrokken is, loop ik er heen zonder eerst wat anders aan te doen of handschoenen te pakken. Een onderbroek en T-shirt, dat is vandaag de beste werkkleding. De oever ligt vol uitgetrokken lisdoddes, krabbescheer en riet. Lisdoddes kun je eten. Een laag zwarte drab ligt er alvast als een sausje overheen. Meteen al rennen er spinnetjes rond. Het zijn er heel veel. De gladde modderlaag lijkt wel een renbaan. Die moeten maar even ergens onderduiken vind ik. Want ik ga hier reddingswerk verrichten. Met grote armen vol drab en lisdodde loop ik heen en weer. De dikke vlezige stengels hebben zware modderige kluiten. Ik sjouw met de plantenresten naar de bomen. De zwarte slierten slingeren langs mijn benen. Het voelt lekker koel. Ik gooi mijn armen leeg rondom de buitenrand, onder de wilg, de els, de lijsterbes. Ik loop terug, mijn blote voeten in de modder. Opnieuw klauw ik met mijn vingers in de zwarte smurrie. Er spartelt iets in de modder. Ik raap het op. Het is een visje. Ik gooi hem met een klein boogje terug in de sloot en zie hem energiek wegzwemmen. Ergens anders duikt een duizendpoot weg. Ik zie hem net te laat en in mijn beweging raakt hij bedolven onder de derrie. Gauw speur ik hem op. Er is niet meer van hem overgebleven dan een stil zwart sliertje. Het rijtje poten is onzichtbaar en hij kan ze niet meer bewegen. Ik hou van duizendpoten. Ik vind het mooi, hoe ze overal holletjes vinden en zelfs tot diep in grond kruipen, via wormengangen. Ik was de duizendpoot met druppels, die ik van mijn vinger laat vallen. Een paar druppels is genoeg. Zodra hij weer kan lopen, krijgt hij een plek hoog op de bult, bij de berken. Daar is de klei luchtig en bros. Daar kan hij niet verzuipen. Als een haas duikt hij een kier in.

Gelijk daarna vind ik een kikker. Versuft zit hij op mijn hand. Hij lijkt sprekend op een kluitje modder. Ik haal hem een keer door het schone slootwater en zie dat hij zijn bolle ogen wagenwijd open heeft. Zijn keel klopt. Hij leeft dus. Hij mist ook twee poten. De linker voorpoot en de rechter achterpoot. Het is al genezen. Dit is al eerder gebeurd. Misschien is hij eens ontsnapt aan een kraai. Ik besluit hem ergens anders terug te zetten. Ja,in de Swette. daar is meer begroeiing. Daar kan een geamputeerd kikkertje beter schuilen dan hier in de sloot, en in de winter kan hij diep naar de bodem duiken om te slapen. Daarna raap ik nog een aantal waterslakken. Ik gooi ze terug samen met de bos waterplanten, waar ze in zitten. Ik kijk ernaar, mijn armen hangen werkeloos naast mijn modderige lijf. Het is genoeg voor vandaag. Tijd voor een duik in de Swette, de kikker achterna. Dat wordt nog flink boenen.

.

.

.

We zijn niet alleen op de wereld

Een overpeinzing over de rol van muizen.

.

Ja het is zo. We denken in eerste plaats aan onszelf. Daar is niks mis mee. Maar af en toe is een bredere blik zeer verrijkend om opnieuw je plaats in het geheel te zien. Kleine beestjes kunnen daarin heel verhelderend zijn, juist als je een hekel aan ze hebt.

Nu heb ik een grote hekel aan muizen in huis. Als ze er zijn doe ik er alles aan om ze kwijt te raken, behalve gif strooien en klemmen zetten. Maar er waren dit jaar weiniģ muizen. Eerst was ik daar blij mee. Ik hoefde geen strijd te leveren in huis. Er was geen eentje die me lastig viel. Maar langzaam aan zag ik de gevolgen. Een wereld zonder muizen loopt in het honderd. Voor anderen werd het leven zwaar. Voor de roofdieren in de eerste plaats. Een veel te groot contrast was het. Omdat het vorig jaar een droog jaar was, was het een echt muizenjaar. De hele dag zag je kraaien, eksters en valken in het veld, die zich te goed deden aan de vele veldmuisjes. Ook marters vermenigvuldigden zich door al die overvloed. Na al die regen de hele winter en dan ook nog de hele lente, waren er nauwelijks muizen meer. Maar nog wel steeds veel roofdieren, omdat vorig jaar zo overvloedig was. Die hebben zich dus maar gestort op eieren en jonge vogels. Het werd daardoor een zeer slecht jaar voor de weidevogels. Maar ook voor anderen. Ikzelf mis de winterkoninkjes. Er waren er meerdere, nu is er geen een meer. Het is heel stil geworden zonder hun triomfantelijke gefluit. Ik verdenk de kat van de buren. Die zie ik hier telkens sluipen, ’s ochtends bij schemering. Dat beest heeft nu ook weinig muizen meer om op te jagen. En jagen wil hij toch. Nee, ik houd niet van muizen in huis. Maar toch hoop ik dat er volgend jaar weer meer zijn. En dat er weer winterkoninkjes komen en heel veel gruttokuikens. En dus neem ik de strijd met die paar irritante knagers in huis ook maar voor lief. We zijn niet alleen op de wereld, zei mijn lief toen hij nog leefde. Hij was een wijs man. En bij deze staan zijn woorden zwart op wit.

.

PS Ik doe mijn best om volgende week weer te starten met de luisterversies

Fantasie over veeteelt en landbouw

Tijden een lange treinreis verdiep ik me in mest. Stadsinclusieve veeteelt en natuurinclusieve landbouw in een wereld waar alles kan. In reactie op een stuk van Harmen Endendijk.

.

.

Deze week geen luisterversie

Ik zit in de trein. Gewoonlijk kijk ik graag naar buiten, maar vandaag niet. Via een bevriende Brabantse boerenzoon lees ik een column van Harmen Endendijk. Het gaat over stikstof. Deze boer is een belangrijk kopstuk in de strijd voor boerenbelangen. Vast eentje met een hele grote trekker. Nou kan ik wel “Boeh” roepen, omdat ik meer houd van kleine boeren met kleine trekkers, mensen die vechten voor een gezonde wereld, in plaats van alleen maar handel. Maar wat schiet je daarmee op. Natuur en handel horen bij elkaar.

Harmen Endendijk blijkt de nieuwe voorzitter te zijn van de Nederlandse Melkvee Vakbond, en volgt daarin Bleeker op. Hij vindt dat een boer moet kunnen leven van het melken en pleit voor gelijke kansen op de wereldmarkt. De mestwetgeving moet eenvoudiger worden, vindt hij. “Mest is nog altijd beter voor het milieu dan kunstmest. “  Hoe kan je mest beter inzetten dan hoe het nu gebeurt? Ik denk met Harmen mee over de mestbestemming in een landschap dat multifunctioneel is.

De dieren krijgen ander voer, en maken in het vervolg gezonde vaste mest die niet stinkt, in plaats van vloeibare. Die mest is geen milieuvervuilend afvalproduct meer, maar moet bruikbaar zijn voor andere zaken. We gebruiken het vooral als bouwmateriaal en om terpen aan te leggen, zodat we ons aan  kunnen passen aan de stijgende zeespiegel. Zo deed men dat vroeger ook, en die terpen bestaan soms al tweeduizend jaar of langer. Dat is pas duurzaam! Archeologische sites kunnen je vertellen hoe te bouwen: Vaste mest stapel je op in bulten, gemengd met grasplaggen. Mest in bulten kan op deze manier het dwaze idee vervangen om vloeibare stinkmest in reusachtige plastic zakken te stoppen.
Het vee zelf vind je niet alleen in de weidegebieden, maar ook naast bedrijventerreinen en buitenwijken. Er komen scharrelwijken voor dieren. Dit zorgt er meteen voor dat de band tussen stad en boer wordt hersteld. Voor beschutting  maken we overkappingen met zonnepanelen, en op andere plekken planten we bomen, met dichte kruinen. De bomen zuiveren ook nog eens de lucht, zetten CO2 om in zuurstof. De vraag is wel hoe je op een handige manier de mest verzamelt en verwerkt.

.
De ruimte rond natuurgebieden wordt zeer kritisch bekeken. Hiervoor geldt dat alleen natuurinclusieve landbouw mag plaatsvinden. Dit wordt streng bewaakt. Dus geen aardappels, bloembollen en graszoden, zoals er nu steeds meer neigt te ontstaan, puur en alleen omdat dit het meeste oplevert. Het verdwijnen van veeboeren zorgt namelijk allereerst voor handel die wèl goed loopt. En dat zijn meestal geen gezonde teelten. Ook de ruimte rond natuurgebieden moet dus onmiddellijk worden aangepakt, anders raken we van de regen in de drup. Deze ruimte komt daarom geheel en al vrij voor natuurinclusieve landbouw. Het gaat nu niet meer om de grootste, maar om de beste en degenen die kunnen samenwerken. De hectaresubsidies worden afgeschaft en krijgen een bestemming die bij deze zaken aansluit.
In de toekomst krijgen we dus stadsinclusieve veeteelt en natuurinclusieve landbouw. En het allerbelangrijkste: er komen steeds meer boerencollectieven die met elkaar samenwerken om dit te kunnen bewerkstelligen. Financierders passen hun beleid daarop aan.

Het is een heel gepuzzel, zittend in de trein, met deze stof om op te kauwen. Een eenduidige oplossing is er niet, maar het zit hem wel in een andere omgang met de kost. Al snel is mijn eindbestemming in zicht. Laten we hopen dat deze fantasie wordt opgepikt en aangevuld met nog meer goeie ideeen.

Dwalen tijdens het wachten

Ronddwalen in een stad die je nog niet kent, maar waar je al wel thuishoort.

.

Rode beuk, Rengerspark

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Let op, het laatste stuk ontbreekt!

.

Daar sta ik dan. Het rolluik zit dicht. Pasveer is er niet. Waar moet ik nu mijn prints laten afdrukken? Het is inspiratiemateriaal voor het schilderen. Ik ga op de stoeprand zitten in de schaduw en eet kersen die ik net heb gekocht op de markt. De pitten spuug ik zo ver mogelijk de straat op. Tot de buurvrouw langs komt lopen. Dan stop ik de kersenpit netjes terug in het bakje en sta op. “Goedemorgen, kunt u mij helpen?” Ik vraag haar of ze iets van de drukker weet. Zijn ze op vakantie? Ja, zegt ze. In de Singelstraat zit ook een drukker. Heel vroeger kwam ze daar. Ik fiets erheen maar ze hebben nu pauze. Ik moet nog anderhalf uur wachten. Verdorie, dat is best lang. Maar dan bedenk ik me dat dit een mooie gelegenheid is om weer eens rond te dwalen.

Aan het einde van de Singelstraat pronkt een statig gietijzeren hek, met grote bomen erachter. Ik heb het in het voorbijgaan wel eens gezien, maar heb er nooit aandacht aan geschonken. Nu loop ik erheen. Er blijkt een prachtig park achter het hek te liggen, het Rengerspark. Een mooie laan nodigt me uit om verder te lopen, het lommerrijke gedeelte in. Onder een schone glasplaat zie ik een foto van twee mannen. Rengers, de opdrachtgever, en zowaar, een oude bekende! Het is de oude Copijn. Hendrik Copijn, uit Groenekan! Hij is degene die dit allemaal ontworpen heeft! Ik voel me helemaal thuiskomen, bij het lezen van die naam. Zo zie je, dat dit soort dwaaltochten je pas echt thuisbrengen in een stad waar je nog geen wortels hebt. Utrecht is nog steeds mijn stad. Ik ken elke steeg, elk stukje water, en vele geschiedenissen. Zo vertrouwd zal Leeuwarden waarschijnlijk nooit worden. Of wel? Nu sta ik hier, in het park van een oude Copijn. Ik heb een tijdje bij Copijn gewerkt als assistent hovenier, en natuurlijk weet ik dat ze tot over de grenzen bekend zijn om hun boomchirurgie. Geen enkele familie in Nederland is al zolang in het tuinvak bezig als Copijn, die nog steeds vanuit Groenekan opereren. Tweehonderdzestig jaar gaat dit al door, van vader op zoon. In mijn kast ligt een inspirerend boek van boomchirurg Jorn Copijn: “Bomen laten leven”.

.

Hendrik Copijn, 1842-1923, Foto uit Rengerspark

.

Hier loop ik nu, tussen de platanen, de beuken, de taxis en de heesters. Een groen grasveld verdwijnt in de schaduw van majestueuze kruinen. Kronkelpaden leiden me daar verder het donker in. Steeds dichterbij schittert het heldergroene licht van een met eendekroos bedekte vijver. Een menigte watervogels scharrelt op de kant, met uitgestoken nekken. Ze kijken allemaal dezelfde kant op. Daar staat een vader met een zak in de hand, een klein blond joch staat naast hem eendjes te voeren. Een vertrouwd tafereel. Het zonlicht speelt tussen de bladeren en werpt blauwe schaduwen op de groene vijver die bewegen in de wind. Op het bankje ernaast zit een lange grijze man aandachtig rond te kijken. Terloops kijkt hij me aan. Ik glimlach vriendelijk naar hem. Onder de rode beuk kijk ik omhoog. Het licht in het blad is schitterend, met allerlei variaties groen en donkerrood. Ja, ik heb dit gemist, de grote bomen waar ik dagelijks langskwam in Utrecht, mijn stad. De dikke stammen die ik aan kon raken, de brede kronen van blad. Het diffuse licht onder hun aaneengesloten kruinen, op dagen dat de zon onverbiddelijk hard scheen. Hier staan ze dan, mijn lieve bomen, als oude vrienden.

Hendrik Copijn, de man die dit in 1904 ontwierp, heeft dit nooit kunnen zien. Ik ben dankbaar dat hij er was. Als enige tuinarchitect met een eenvoudig, betaalbaar plan. Ik loop terug, het park uit. Het is twee uur. Eens kijken of de deur van de drukkerij alweer open is, daar, in de Singelstraat. Wat heb ik weer lekker rondgedwaald. Wellicht wordt het nog wat, hier in Leeuwarden.

.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

.

Ik lees zojuist dat de kinderen van Lia en Jorn Copijn het bedrijf niet wilden voortzetten, en het overgegaan is naar Arcadis. Jammer.

Concentratie

.

Zelfportret

.


“Je kunt je beter op één ding concentreren.“ Dat zei de stem in mijn droom vannacht, en zo is het ook. Nu. Daarom houd ik het deze week bij deze woorden.

.

.

Het beginnen is het moeilijkst. (Toch maar een hoekje gemaakt in de kas)

.

.

.

Wandeling naar oude tijden

Ik wandel zonder doel, en kom precies tegen wat ik zocht. De oude tijden, landschappen van ooit, die nog steeds voor mijn netvlies hangen.

.

Terp van Hegebeintum, waar ooit de zee rond stroomde.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Soms ga je zonder doel aan de wandel, en dan kom je precies tegen wat je wilt zien. Dat overkwam mij vandaag.

Omdat ik nu drie maanden lang het koffie-uurtje met Dick moet missen, doe ik nu vaker andere dingen. Dat is eigenlijk best verfrissend. Ik raad het iedereen aan, om af en toe, op geheel eigen wijze, dingen voor jezelf te doen. Dit keer ga ik aan de wandel zonder doel. Verrassingen, daar heb ik altijd al van gehouden. Geef mij geen routebeschrijving, zet me uit in een oud bos of historische woonwijk en ik kan weer heerlijk dwalen. Wat ga ik vandaag doen? Eerst denk ik: Ik stap in de eerste beste bus die vertrekt. Maar dan komt de gedachte op waarin ik mezelf al vele jaren train: Waarom zou ik weggaan? Ik ken Leeuwarden eigenlijk amper, en ik woon hier al drie en een half jaar. Ik heb hier nog geen enkel museum bezocht, ik ken de straatnamen nauwelijks en er zijn vele hoekjes waar ik nooit heb gekeken. Ik loop weg van het station, de stad in. Er staan posters langs de weg. “Museum Prinsessehof.” staat er op. Waar zou dat zijn? Misschien wel bij de Prinsentuin. Die weet ik wel te vinden. Prinsen en Prinsessen horen immers bij elkaar. Ik associeer er vrolijk op los. Na een paar straten en het oversteken van twee bruggen, kom ik er, de Prinsentuin doemt voor me op, de hoge beuken, het kortgemaaide gras. Aan de oever van de singel onder de bomen zit een grote groep jongeren. Ze zitten dicht op elkaar. Ze praten en lachen en sommigen zingen een paar regels mee met de muziek. Er is er maar één van de vijftig die op zijn mobiel zit te kijken. Er komt een bootje voorbij, het lijkt op een varend bushokje, met op het dak zonnepanelen. Ze wuiven naar elkaar, de lui op de kant, en de schipper.

Ik loop door tot aan de vijver. In het midden zit nog altijd een meerkoet te broeden, in een groene vlakte van eendenkroos. Achter de vijver loopt het omhoog. Bovenaan is het terras. Het restaurant. Mensen met koffie en gebak. En er is nog een gebouw. Ik heb er nog nooit gekeken. Is het een museum? Kennelijk wel, want er staan beelden voor het raam. Maar de deur is gesloten. Het is donker binnen. “Piet Pander Museum” staat er boven de deur. Dus geen Prinsessehof. Dan maar verder.

Rustig kuierend loop ik het park uit. Daar kom ik bij een nieuwer gebouw, met grote ramen. Het ziet er niet erg prinsessig uit, eerder zakelijk. De twee glazen deuren staan open. Als ik naar binnen loop, zie ik links van me een wand vol boeken en folders. Recht tegenover de ingang zit een vrouw, achter een balie. “Wil je zomaar wat rondkijken?” vraagt ze rustig. Mijn blik gaat aarzelend door de ruimte. “Ja, ik dacht: Eens kijken wat dit is.” Ze glimlacht. “Dit is het historisch centrum. Het is gratis.” Verrast lach ik terug. “Je kunt hier je jas ophangen” wijst ze me, en ze staat op van haar stoel om me te helpen.

In een klein donker hok staat een kruk. Er draait een film. Het gaat over de geschiedenis van Leeuwarden. Ik zie hoe de eerste nomaden na de ijstijd hier af en toe hun kamp opsloegen. Dan komen de eerste Friezen die er hun terpen gaan bouwen. Een enorm werk, helemaal gemaakt van opgestapelde plaggen en stront. Er gaan beelden voorbij van de eindeloze vlakten met alle kleuren groen, terra, en geel, die de betoverende kwelders kunnen hebben. Ik stel me voor dat ik daar sta. Hoe het klonk, het geluid van wegtrekkend water. Hoe alles borrelde en stroomde. Al die vogels die het luchtruim vulden met hun kreten. En dan de mensen, klein en bescheiden scharrelend daar tussenin. Wat zou ik graag weer zo klein willen zijn, in die grote bewegende wereld!

De film gaat door. We zien de zee, die via een arm een stuk landinwaarts loopt. Daar liggen drie terpen. Ze zijn verbonden met elkaar, door wegen. Of boten, als het hoogwater is. Dit is het begin van wat later Leeuwarden werd. Op twee terpen wonen mensen, het derde is voor religieuze rituelen. Ik vlieg als een meeuw boven het landschap en zie zeilschepen verdwijnen naar de zee. Ze zullen Scandinavië bezoeken of Engeland. In die tijd liep al het verkeer nog over de weidse wateren en nauwelijks over land. Omstreeks het jaar 1200 begonnen de Friezen in te polderen. Vanaf dat moment was het afgelopen met de zee, de terpen liggen nu op het droge. Maar ook de magie verdween. Een proces dat steeds verder ging.

Als ik naar buiten loop, zie ik het nog steeds voor me. Wel 1700 jaar hebben de Friezen zo geleefd. Het ingepolderde land waar ik woon is nog maar 800 jaar oud. Zullen wij het nog 900 jaar volhouden? Waarschijnlijk is het dan allang weer zee. Dankzij onze moderne levensstijl. In gedachten ga ik terug. Ik zie de terpen, als eilandjes tussen de kwelders. Ik zie voor me hoe het ooit was. Een film die bijna echter is dan de werkelijkheid, die nog maar een fractie duurt van de tijd wat dit ooit was.. Al eerder werd ik gegrepen door de magie van wat hier is geweest. Ik heb er destijds een eenmalige voorstelling over gemaakt: “Beitske”. Expres vertelde ik maar één keer voor publiek. Wat ik nu zie, als verrassing van de dag, sluit daar naadloos op aan. Heel langzaam loop ik terug, naar de drukte van de stad en het station erachter. Dan schud ik de beelden van me af. Voor me uit hoor het gepiep van poortjes. Het station. Terug naar Deinum nu, waar mijn fiets staat. Steeds weer komen de beelden terug. De indrukwekkende ruimte van zee en land. Geef dat het weer terug komt: Het overweldigende grote, dat machtiger is dan wij. We hebben het nodig.

.

Compositie van kwelders en zee, ruig en wild, een bewegend landschap rond de terpen van ooit.

.

Ongezien je gang gaan

.

Mijn fiets op een duin op Schiermonnikoog bij zonsopgang

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Thuiskomen van weggeweest. Dat is wennen. Wat ik het meest mis, zijn de geluiden. Wakker worden op Schiermonnikoog, bij zonsopgang, op dezelfde kampeerboerderij waar ik altijd kom. Het gekwetter van al die scholeksters, op de weilanden rondom. Het gaat almaar door en ik vind het heerlijk. Net als het gekakel van de kippen. Om half zeven zit ik al aan mijn laptop te schrijven, terwijl één voor één de buren op staan. Mijn oren staan gespitst. Terwijl ik werk hoor ik alles. Kinderen op het erf. Gerrit, een gast die onder mij een kamer huur, praat honderduit met de tuinman. De stierkalveren loeien onderaan de muur van het woonhuis. Er is een hek gemaakt rond de voordeur, zodat ze in het halletje kunnen schuilen. De voordeur wordt nooit gebruikt, het leent zich er goed voor. Alles laat van zich horen. Verrukkelijk, al dat leven.

En nu ben ik weer thuis. Het lijkt hier nog stiller te zijn als anders. Er zijn massa’s mensen die er fors voor willen betalen, die stilte. Maar voor mij is het vreemd. Waar zijn al die scholeksters gebleven? En de eenden? Ze houden zich hier verscholen in de sloten. De weilanden zijn leeg, alleen in de verte, waar mest geïnjecteerd is, zie ik ze. Ze eten wormen, die massaal de grond ontvluchten. Een feestmaal voor meeuwen en spreeuwen. Maar ik hoor ze niet, het is te ver.

Zou ik niet altijd op het Eiland willen zijn? Op het strand waar ik al twintig jaar kom, zijn duinen ontstaan, met riet erop. Het is een heel ander gezicht, niet meer de zandvlakte, maar nieuw land. Er zijn mussen, winterkoninkjes en ik hoor een rietgors zingen. Er groeien zelfs al elsjes, waar voorheen de golven over het zand sloegen. Alles leeft en beweegt. Ik luister naar de geluiden, die steeds anders zijn. Tegelijkertijd is het allemaal zo vanzelfsprekend, hoe het gaat. Hoort het niet zo te zijn?

Hier is alles uitgestrekt en stil. De Swette stroomt rechttoe rechtaan en zo zijn ook de wegen. Nu ik weer terug ben ga ik als eerste alle hoeken af die ik onderhoud. Een bij vliegt rond van bloem naar bloem. Die is hier doordat ik er ben. Zonder mij waren deze bloemen er niet. En ook het Verhalenpad was er niet zonder mij. De bomen en struiken groeien hard, door al die regen. Ook de notenbomen, de berken en de hazelaars. In de brede sloot vliegt nog steeds hetzelfde visdiefje heen en weer, zoekend naar een prooi. Kennelijk is het daar de moeite waard. Vissers bevestigen dat rond deze plek veel vis zit. Zou het water hier zo schoon zijn? Dat heb ik me al vaker afgevraagd. Ik zoek het uit en kom terecht bij een kaart van “Atlas Leefomgeving”. We zitten hier inderdaad op een plek waar geen rondjes staan. Dat is een goed teken. Ze hebben niet alleen een kaart van de waterkwaliteit, maar ook die van de lucht, van het geluid en hoeveel sterren je er in de nacht kan zien. Eén keer per honderd jaar kunnen we een overstroming verwachten en de huizenprijs is hier gemiddeld drie ton. Eén ding bevreemd me. Ze zeggen dat er geen enkele boom staat bij onze boerderij. “Schaduwrijke bomen binnen 100 meter: 0%”. Dat is maf. Alles wat er is geplant door de boer, grote bomen al, is dus niet geregistreerd. Net zo min staat genoteerd wat ik hier doe. Ze zien me kennelijk niet.

Regelmatig hoor je: “Ik voel me niet gezien.”. Maar soms kan je juist beter niet gezien worden. Dan kan je lekker rustig je gang gaan. Ik heb hier bijvoorbeeld een kas neergezet, van 10 M2. Op Schiermonnikoog ben je drie jaar bezig om een hokje van dat formaat op het strand te mogen bouwen. Vele partijen gaan erover. Die moet je allemaal af, voor een vergunning. De vogels mogen vliegen waar ze willen, maar voor de mensen is dit geen gebied dat zich vrij mag ontwikkelen. Het natuurgebied staat onder strenge controle. Hier niet. Geen haan die ernaar kraait als ik een hutje bouw of bomen plant. Onze bomen staan doodleuk niet op de kaart. Nou mooi, dan plant ik er nog een paar. Bomen en bloemen voor meer leven op het platteland. De mooiste plekken zijn op die manier ontstaan. Ik kijk naar die ene bij die zich tussen de regendruppels door waagt, en naar het visdiefje boven de sloot. Ik tuur naar de houtduif in de verte en een buurvrouw die tussen de bomen verdwijnt. Stap voor stap, met haar stijve benen. Stil, dat wel. Maar terwijl ik werk, groeit het leven. En als ik toch eens wat anders wil, dan ga ik gewoon weer even naar Schier.

.

Hoop aan de horizon.

.

KLIK hier voor de luisterversie.

.

Kijk hier naar je eigen plek op de Atlas Leefomgeving:

https://www.atlasleefomgeving.nl/

Onder een flapperend zeil

In de storm maken we ons allemaal klein om niet weg te waaien.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er zit een vlinder in het markies. Stevig houdt hij zich vast, achter het flapperende randje van het scherm, terwijl de storm zijn tentakels om het hoekje van de wagen heen slaat. Hij laat zich niet wegblazen! Het is een Atalanta. Een vlinder die misschien wel ouder is dan één jaar. Hij heeft in elk geval een wijs plekje gevonden, om te schuilen. Alsof hij dat veel vaker gedaan heeft. Beneden hem, op de tegels, zit een vlieg. Hij drukt zich in een hoekje tegen een plank aan en maakt zich zo klein mogelijk. De wind staat er vol bovenop.
Aan de overkant van de weg hangt een hangmat in de bosjes. Het scherm dat erboven is gespannen, klappert hard heen en weer. Het is van een jongen die bij het groepje hoort, dat daar kampeert. De jongen van de hangmat is de leider, op deze onstuimige middag. Samen met de andere jongens heeft hij een windscherm gemaakt om de uren tijdens de storm toch genoeglijk door te kunnen brengen. Het waait flink maar het regent niet en regelmatig schijnt de zon. De hoge bomen maken een hoop herrie, maar toch hoor ik hun stemmen nog, die onder het zeil vandaan komen.
Ik ben nieuwsgierig, loop erheen en buk me. “Welkom” zegt de hangmatjongen, die als eerste opkijkt. Hij stelt zich voor als Thijn. Er is maar weinig ruimte onder het lichtbruine katoenen zeil. Ik kijk recht in twee vrolijke ogen. “Gezellig hier” zeg ik. “Aan de andere kant van de haag is minder wind, maar dit is net zo leuk. Mooi gedaan zeg!” De jongen knikt grijnzend.
“Knap hè,” begin ik dan “Wij doen zoveel moeite om het onszelf makkelijk te maken. Maar dat zelfs al die kleine beestjes het toch elke keer weer redden in storm en regen. Een vlieg drukt zich plat in een hoekje, een vlinder zet zich schrap en ze wachten allemaal tot het voorbij is. Ze rusten even uit van al dat geweld, en dan vliegen ze weer vrolijk weg, in de zon.” Ik kijk naar de vier anderen. Allemaal zitten we in een klein hoekje gedrukt, net als de vlieg. Het zeil staat zo schuin, dat de wind eroverheen blaast. “We kunnen veel van de natuur leren!” zegt Thijn stralend. Even blijf ik zitten, hier, tussen de anderen en kijk naar de toppen van de bomen die hard heen en weer zwaaien. Zelfs die kwetsbare vlinders weten zich te redden met dit weer. Ze nemen het zoals het is, houden zich taai en wachten tot het over is. Daarna zijn ze alles weer vergeten. De zon schijnt en ze komen weer bij. Wat zijn mensen eigenlijk zwak, dat de meesten zelfs voor een buitje al de hielen lichten. Ik zeg daar iets over en Thijn knikt nadrukkelijk. Als het aan hem ligt, dan ligt hij veel vaker in een hangmat in het bos. “Eén op de honderd vierkante meters is asfalt,” zegt hij. “Jullie mogen je hier gelukkig prijzen.” En dat doe ik. Uit dankbaarheid plant ik bomen. “We zullen ze nog hard nodig hebben in de toekomst” zeg ik. Thijn vertelt dat hij houten poppetjes maakt. Het liefst van essenhout. Een jongen naar mijn hart. Van mij mogen daar nog veel meer van komen.

.

Naar de Vlierhof en weer terug

(Deze week geen luisterversie)

.

.

Er is een huis vol mensen, en telkens zijn er weer anderen die komen en gaan. Dat is de Vlierhof in Duitsland. Ik ben er, voor even.

Er is een man, hij is dirigent, maar ook in gesprekken weet hij de aandacht goed te verdelen onder sprekers en luisteraars. Hij raadt me Emma Curby aan, een zangeres die middeleeuwse liederen zingt. Hij luistert rustig en inspireert me.

Er is een tuin vol winde, en ik probeer zoveel mogelijk weg te halen, vóór de bloemknoppen komen. Ergens anders loopt een man met een grijze krullenbos. Ik ken hem goed. Hij knipt paarse bloemen uit enorme distels. De bijen vliegen weg.

Er is een tuinvrouw die klaagt over slakken. En de schimmel tast het loof aan door de vele regen maar toch is ze wel blij met de aardappeloogst. We plukken handenvol zwarte bessen en frambozen.

Er is een jonge vrouw met een wit kanten rokje en een rode doek over het hoofd, die ik Roodkapje noem. Ze houdt van bloemen, planten en aarde en de tuinvrouw is blij met haar.

Er is een kind van negen maanden. Aan tafel zit de moeder en een vrouw met een dikke buik die dat nog wordt. In een klein huis tussen de bomen staat een schommelwieg van hout, vlak voor het raam.

Er is een man die jarenlang rondliep zonder bezit, zo vrij als een vogel. De man speelt met het kind dat op tafel zit. Terwijl hij een boek leest, houdt hij zijn blote voet tegen haar ruggetje, zodat ze niet naar beneden dondert.

Als ik terugga wacht ik op de juiste lijndienst. Er is wel een andere bus, een hele lange met een knik ertussen, als een rubberen harmonica. De buschauffeur, een vrouw met blonde krullen, leert achteruit inparkeren op de kleine bushalte. De rij-instructeur zit naast haar. Terwijl ik kijk doet ze het wel zes keer. Sommige auto’s toeteren terwijl ze moeten wachten. Ze willen er langs maar het kan niet.

Het is een lange reis, en ik val bijna om, als ik op mijn stoel in slaap val. Er hangen donkere wolken boven Leeuwarden, maar als ik uitstap is de regen voorbij. De Friese woorden op de borden zijn vertrouwd. Ik kom weer thuis.