Tien kleine schilderijtjes om het te vieren.
.
Om het nieuwe jaar te begroeten maakte ik in drie uur tijd zestien kleine spontane schilderijtjes. Dit zijn er tien van.
.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Tien kleine schilderijtjes om het te vieren.
.
Om het nieuwe jaar te begroeten maakte ik in drie uur tijd zestien kleine spontane schilderijtjes. Dit zijn er tien van.
.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Een soort van nieuwjaarstoespraak.
.

.
Vanwege korte winterslaap geen luisterversie.
De wind blaast steeds weer anders. Dan weer hard en dan is het weer windstil. Maar meestal waait het wel. Sommige mensen zeggen dat ze altijd wind tegen hebben, maar dat is natuurlijk niet zo. Dat is alleen maar het gevoel, het ertegenop zien. Je kunt dromen van ergens te zijn, maar hoe moet je er komen. Die weg kan lang zijn. Heel lang. Soms duurt het tientallen jaren. Maar ik train mezelf met relatief kleine stukjes.
Ik moet een heel eind naar de stad, maar het went, op de fiets. Hoe vaker je het doet, hoe korter het lijkt. Gewoon blijven doen dus. Sterk en soepel houden, dat lijf. Hoe flexibeler ik blijf, hoe makkelijker het is om in te spelen op veranderingen. Want het zal niet hetzelfde blijven. Niets. Hoe zal het weer in de toekomst zijn? In welke omstandigheden zal ik diezelfde route nog honderden malen afleggen?
Ik las het in de krant. Geafenceerde AI modellen hebben laten zien dat we over vijftien jaar al 1,5 graad opwarming hebben, van de aarde. En daarna blijft het hard gaan, mogelijk wel 3 graden opwarming vóór 2060. Dat kan allerlei effecten hebben. Het kan warmer worden, maar in sommige gebieden ook eerst kouder, door al dat gesmolten ijs in de zee. Het gaat ook vaker stormen, zeggen ze. Het zijn maar cijfers, kun je denken. Ze lullen maar raak, hoor ik sommigen zeggen. En ze zijn het lang niet altijd eens, de wetenschappers. Maar ondertussen is er wel een duidelijke ontwikkeling, waar iedereen het over eens is. Veranderingen gaan steeds sneller dan gedacht. Verontrustend? Ja. We kunnen niet meer zeggen: dat maak ik toch niet meer mee. Het is aan de gang. Het is wennen aan die gedachte. Hoe ga je daarmee om? Sommigen zullen het gevoel hebben altijd wind tegen te hebben. Anderen zullen zich beter kunnen aanpassen.
Waar kun je straks beter wonen, in de stad of op het platteland? Misschien maakt het wel weinig uit. Misschien is het het beste als je kan zeggen: Het is zoals het is. Ik woon nou eenmaal hier. Dit is de plek waarin ik heb geïnvesteerd. Ieder op zijn manier. Hier zijn de bomen die ik heb geplant, hier verbeter ik de bodem. De notenbomen groeien goed en de bessen ook. De wilgen nog beter. Veel wilgen, dat is belangrijk hier. Belangrijk ook zijn de verhalen. Die worden steeds voller en rijker, en ook de schilderijen komen als rijpe appels van de boom vallen. Ik sta klaar om ze te vangen, de appels. Sociale verbindingen groeien ook. Dat is mooi, want van voedsel alleen kan ik niet leven. Het is een tijd om aan de gang te blijven. Ritme houden, ondanks verwarring of tegenwind. Blijven planten, blijven leren en bewegen. En lekker blijven fietsen, weer of geen weer. (Onze boer is 76 en hij doet het ook.)
Mijn voornemen voor de komende jaren: Het langzaam maar gestaag laten groeien. Hier. Met elkaar. Net zoals de droom 34 jaar geleden. Geen tijd is te kort, geen mogelijkheid te beperkt. Het kan. En nu ga ik eerst een middagdutje doen.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan.
.

,
Het is een donkere dag. De kachel brandt en het is lekker warm in huis. Bijna te warm. Ik heb het te goed geïsoleerd. Maar het is goed voor mijn luchtwegen, die warmte. Ik voel het. Dus laat maar even zo. Ik trek mijn blouse uit. Nu sta ik lekker in mijn hemdje. Ik ruim mijn huis op. Het kan dan wel klein zijn, maar ik noem het een huis, want dat is het voor mij. Een huis is de plek waar je woont. Om de kachel ligt hout te drogen. Er hangt ook een handdoekje naast. Ik zie dat een klein puntje ervan zwart is geschroeid. Gauw haal ik het weg. Ik zie geen rook en ruik niks. Blijkbaar was ik er op tijd bij. Ik vouw het op en prop het bovenin het overvolle sokkenkastje.
Zo. Wat ga ik doen vandaag? Het zijn dagen om binnen te blijven, bij de kachel. Dat doe ik dan ook. Ik schrijf verder aan de 19e versie van mijn boek. Kijk even naar de vogels. Dan pak ik een leesboek en ga in mijn leeshol zitten. Het is een goed boek, ik raak er helemaal door in de ban.
Opeens ruik ik iets. Rook. Eigenlijk best wel erg. Waar komt het vandaan? Ik loop naar de kachel om te kijken of er iets tegenaan hangt. Dat is niet zo. Ondertussen neemt de rook snel toe. De lucht begint te prikken in mijn ogen en slaat tegen mijn keel. Dan zie ik het. Het is het handdoekje. Het rookt! Gauw trek ik het weg uit het propvolle kastje. Ik vouw het uit elkaar. Het gloeit en smeult. Het is al bijna helemaal zwart geworden. Ik gooi het naar buiten en het smeult door. Ik klim er achteraan, probeer het uit te stampen, maar het lukt niet. Ik blijf stampen. Tot er eindelijk geen rook en geen vonken meer vanaf komen. Dan ga ik weer naar binnen.
Ik kijk naar het kastje. Er is een plank zwart geschroeid, aan de onderkant. Het had geen vijf minuten langer moeten duren. Stel je voor dat ik bij Dick koffie was gaan drinken. Of naar Leeuwarden was gegaan om verder te werken aan mijn nieuwe schilderij. Dan was ik thuisgekomen en dan was er niks meer over van mijn huis. Dan was ik dakloos geweest. Die ellende is mij gelukkig bespaard gebleven. Maar een ding heb ik wel geleerd. Als er iets zwart schroeit, tegen de kachel aan, dan stop ik dat gelijk in een kom water. Want ik wil hier graag nog vele jaren blijven wonen. In dit huis.
.
.

.
.

.
Deze week geen luisterversie.
.
Traagheid met een deadline, bestaat dat? Het vraagt allerminst om gestage discipline om er stap voor stap naar toe te werken. Ik meen dat dit me aardig lukt. Er is een enkel vlaag van onrust, maar die laat ik niet winnen. Elke dag doe ik mijn ding, Ik schrijf en ik fiets op en neer naar Leeuwarden. Schilderen, naar de markt. Samenwerken met de mensen van het kunstatelier, eens in de twee weken zie ik ze. Een regelmatig weekritme is een grote steun. En ook mijn vriend Dick, die er van oktober tot juni is, en met wie ik de taken verdeel, het inkopen doen, eten koken. Als ik om elf uur binnen kom heeft hij het water voor de koffie al opgezet. Vaste regelmaat is een voorwaarde om nieuwe dingen op te kunnen bouwen. Zoals een boek. Of een nieuw bosje. Of een schilderij. Op dit moment ben ik met alle drie tegelijk bezig. Terwijl de dagen op zijn kortst zijn.
Het lijkt veel. Maar het is prima te doen, dankzij het leefritme. Ik loop naar mijn vriend, voer onderweg de koeien. Elke dag gaan mijn ogen langs dezelfde plekken. Steeds dezelfde zijn het, en toch is er veel te zien. Plassen in de wei die groeien en krimpen, een windvlaag die over het oppervlak strijkt. Bij Dick zijn wagen is een hele grote, naast de sloot. Daar is het land laag, en daar blijft al het water staan. Ik kijk er altijd naar, als ik er ben. Een zucht wind die over de vlakte strijkt. Ik kijk ook naar zijn huis, dat steeds schever zakt. Hij huurt het, dus doet er zelf niks aan. Heel anders dan het mijne, dat van mij is. Dat ik van binnen en buiten kan dromen, en dus altijd blijf onderhouden. Maar daar is het nu gaan tijd voor. Nu doe ik andere dingen. Het boek, de nieuwe bomen die komen, de schilderijen. Het hoort allemaal bij elkaar, en bij de boekpresentatie zal iedereen die wil dat kunnen zien. Maar zover is het nog niet. Eerst koffie. Ik loop het bordes op en ga naar binnen. Dick is er. Zoals bijna altijd.
Voor het schrijfwerk is een opmerkzame blik belangrijk. Rimpelingen in het water evengoed als gezichtsuitdrukkingen. Om herinneringen op te halen is rust nodig. December is een goeie tijd daarvoor. Ook voor “De heilige traagheid der dingen” is dat belangrijk. Mijn streven is om met nieuw jaar het boek naar Uitgeverij Zilt te sturen. Nu ik opnieuw het hele boek doorwerk, merk ik dat ik blij ben, met zulke scherpe herinneringen. Als een weefdraad verwerk ik ze door het boek, verschillende thema’s. Vooral als ik wakker word komen ze, als ik een paar dagen achter elkaar thuis ben. Het stille donkere bed is de beste plek om het te laten borrelen, verbindingen te leggen.: Dat ene stukje, daar moet iets bij. Het staat in verbinding en de ene toevoeging heeft invloed op de rest, die dan ook weer een beetje verandert. Langzaamaan verandert het boek wezenlijk. Het zijn geen losse stukken meer, doorspekt met meningen en conclusies. Die zijn er nog wel, maar alleen ter ondersteuning van het een verhaal. Het zijn niet de kralen waar ik mee rijg. Steeds meer wordt het een verhaal aan één stuk, een beleving waar de ander in zijn verbeelding mee kan gaan.
Eind december is de deadline, voor “De heilige traagheid der dingen”. Althans, het boek dan. Het komt er.
Omdat ik daar nu graag aan door wil werken, deze week geen luisterversie van dit verhaal.
Ik wil me verbinden. Maar dat gaat niet zonder slag of stoot. En soms zijn er vlagen van verstandsverbijstering.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
Het is ochtend. Ik lig nog even te dromen in mijn hangmat. De luiken heb ik zojuist geopend, en de lucht boven de horizon begint al zalmroze te kleuren. Na alle regen belooft het een mooie dag te worden. Wat ga ik doen vandaag? Nog niet het land op. Het is nog veel te nat. Dat werk komt later wel weer. Pad vrij maken, gras trekken onder de bomen. Hetzelfde als altijd. Nog even kijk ik naar de lucht die steeds blauwer wordt. Dan pak ik mijn telefoon uit de vensterbank en zet hem aan. Hé, er is een berichtje van de Doas, over lokaal 105. In het formulier had ik ingevuld dat ik belangstelling had en graag een ruimte wilde delen. Snel lees ik wat er in staat. Ik krijg hem niet. De reden is dat er anderen zijn die meer ervaring hebben met een ruimte delen. Ik dènk dat te lezen. Als een dolle stier rennen mijn gedachten vooruit. Het zal wel zijn dat ik al bijna zestig ben. Ze willen natuurlijk jong talent. Dat zij mijn gastvrouw ook al, toen ze me het lokaal liet zien. Meewarig keek ze me aan. Ze willen jong en ondernemend talent, dat is het profiel dat vanuit de gemeente wordt gevraagd. Daar ben ik mooi klaar mee. Het maakt me opstandig. “Maar ik heb wél veel vaardigheden opgedaan in mijn leven, om in te zetten voor de Doas!” zei ik. Want dat willen ze ook. Ondernemende betrokken mensen. De jonge vrouw had welwillend geknikt. “Dat is zo”. Ja, jong zijn, betrokken, ondernemend, talentvol, actief, dat is erg veel gevraagd, voor één mens.
Even later zit ik bij Dick koffie te drinken. Ik vertel erover, dat ik niet gekozen ben. “Wat stond er dan in dat mailtje?” vraagt hij. Ik open het bericht en lees het nog eens over. Tot mijn verbazing zie ik helemaal niets over een afwijzing. “De reden is dat er te weinig mensen waren die een ruimte wilden delen”. Verbaasd kijk ik naar de woorden. Het staat er echt. Hoe kan dat nou? Ben ik met zo’n gekleurde bril gaan lezen dat ik iets heel anders las? Ja dus. Dat is precies wat ik deed.
Zo werkt dat. We hebben allemaal onze overtuigingen. Geboren uit teleurstellingen, verwachtingen, mooie en minder mooie ervaringen. Het kleurt hoe we de wereld zien. Soms zo sterk, dat we vlagen van verstandsverbijstering hebben, en iets heel anders zien dan wat er is. Ik ben een open mens, neem graag initiatief en luister opgewekt naar anderen. Zonder oordeel en best slim. Dat dacht ik. Maar dat is dus lang niet altijd zo. En dan ontdek ik weer: Mogelijkheden blijven zien, dat vraagt niet alleen om een open hart, maar ook om je hoofd erbij houden. Bijzaken en vorige ervaringen even uit kunnen zetten. Kijken wat er staat. Woord voor woord lezen. Die ander heeft de moeite genomen om het op te schrijven, en dat verdient de volle aandacht. Dat zou je zelf ook willen.
En nu? Ik hoef verder niks te doen. De inschrijving blijft staan. Als er nog eens een vervolg komt is het mooi. Maar voorlopig heb ik een plek, in hetzelfde gebouw: Het buurtcontactpunt Wildewijk. “Ze waarderen het dat je er bent, en wat je doet!” schrijft Froukje in WhatsApp. Ik heb een plek, waarmee ik me kan verbinden. Er is geen reden om mijn overtuiging nog langer in stand te houden. Ook als je bijna zestig bent kan het.
Ik leg mijn telefoon neer, en neem een slok van mijn koffie. Ik lach naar Dick, die alweer met iets anders bezig is. Toch wel fijn, zo’n vent die nooit genoegen neemt met halve woorden en een oppervlakkige indruk. Die vraagt: “Wat staat er nou, in die mail.”
Ja. Daar heb je nog eens wat aan.
.
.

Bestaat er ook robuust geluk? Je maakt het, met alles wat er is. Dankzij het gloeiende kooltje dat je meekreeg van anderen.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Daar sta ik dan. Nat van de kleddersneeuw en met koude voeten. Buiten drijven dikke wolkenpakken voorbij. Het lokaal van Wilde Wijk is donker in dit schaarse winterlicht, maar niet steenkoud. Het zweet staat op mijn rug van het fietsen en de koude wind heeft me tegelijkertijd doen rillen. Maar nu ben ik binnen. In de gangen hoor ik roepende kinderen. Die levendigheid bemoedigt mij. Ik doe de verwarming aan en pak mijn schilderspullen uit de kast in de hoek. Het is maar een klein hoekje, op een plank waar nog meer dingen liggen. Het is echt donker in het lokaal. Buiten valt een dikke bui, met hagelstenen. Ik zie niks. Met een druk op de lichtknop is het duister verdreven. Ik schrijf een berichtje aan de vrouw, die dit alles beheert: “Ik ben er.” Het lokaal wordt langzaam warm en ik kan beginnen.
Het begint weer te komen. Langzaam vind ik hier weer een plek in de gemeenschap. Dat is nodig, om me gelukkig te voelen. Te zijn onder mensen die je kent en waar je een band mee hebt. Met alles wat er onderling ook mag spelen. Er waren momenten dat ik gelukkig was. Op de werf in Utrecht, tussen de jongens die allemaal houtbewerkers waren. We zaten aan de gracht onder de bomen. Ik luisterde en leerde veel van hen. We lachten, keken naar elkaars werk en dronken een biertje, aan het einde van de dag. Ik denk aan mijn man, die houtdraaier was en die ik kuste tussen de krullen. Ik werkte bij de post, gelukkig was ik, met een eigen wijk. De mensen kenden me. Ik hoorde bij hun straat en soms kreeg ik een koekje of een mandarijn. Ook mijn eigen rondvaartboot kon me heel tevreden stemmen met een vaste klantenkring. Zelfs toen mijn man er niet meer bij was. Alles verandert. De werf is nu vrijwel leeg, de ateliers en de bedrijvigheid zijn verdwenen. In de gracht mogen geen boten meer liggen. De post heeft zijn gezicht verloren en niemand kent elkaar nog. Het is een bedrijf als alle anderen, haastig en slecht betaald en de postbodes van toen bestaan niet meer.
Het is elke keer zoeken naar je plek. Alles wordt steeds weer door elkaar geschud. De redenen waarom dat is, daar zullen we het maar even niet over hebben. Vroeger was het anders. Je woonde in een dorp en je vertelde wat je vader deed. Je was de zoon dan die en de kleinzoon van die en die, en iedereen wist dat. Alles was duidelijk. Maar de wereld verandert in steeds sneller tempo. Wie weet er nog zijn plek? En net zo goed als dat doden niet terugkeren, kun je niet verlangen naar een wereld die voorbij is.
Ik denk aan mijn man, die niet meer leeft. Aan mijn moeder die ik zo vaak belde, en die me veel meegegeven heeft. De tijd dat zij er waren is voorgoed voorbij. Alles is anders nu. Het vuur dat brandt in mij dankzij het kooltje, dat wij elkaar konden doorgeven. Dankzij de dagen dat ik gelukkig was, heb ik geleerd te zien wat mij verlichting geeft en wat ik opnieuw kan scheppen. Blijmoedig ga ik door. Weer en weer. Waar dan ook. Ik schilder. Het lokaal is nu lekker warm, en ik ben niet meer verkleumd. Ik hoor het gelach van kinderen op de gang. Ik doe de deur open en meteen staat er een klein meisje. Ze kijkt recht naar binnen. Recht voor haar hangt mijn schilderwerk aan de muur. “Dat is een mooi schilderij!” zegt ze. Zij schildert ook, vertelt ze. En nog veel meer doet ze. Ze maakt van alles, met alles wat er maar is. Ik lach verheugd en ze kijkt stralend terug. Dan rent ze weer weg, de anderen achterna.
Alles wat me gelukkig maakt, vind ik hier. En ook deze dag gaat voorbij, ook dit zal weer veranderen. En ik ga verder. Wat ontbreekt dat bouw ik op. Overal, waar dan ook, steeds weer en weer. Met alles wat er is.
Klik hier om het verhaal te beluisteren.
.
Er ligt een prachtige uitdaging op je te wachten, een stoere reis naar de ongekende verten die je altijd al heb willen ontdekken. Of zijn het toch de mensen, is het de plek vlakbij, waar je hart voor klopt? Mijn verhaal.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Het duurt 15 minuten.
Vier jaar woon ik nu tussen de groene weiden van het Friese land. Ik werk aan het landschap, plant bomen en struiken. Altijd ben ik er voor het land en werk alleen. Ik voer de koeien, elke dag een hele winter lang. De boer is daar blij mee en de dieren kijken me tevreden na. Aan het eind van de dag kook ik samen met mijn vriend.
Er wonen hier nog een paar mensen bij de boerderij, aan de Swette. En toch, het is stil hier. Voor het schrijven is de plek waar ik woon perfect. Ook schilderen doe je alleen. Maar ik herinner mij de bedrijvige dagen, als rondvaartschipper in Utrecht. Ik mis dat steeds meer. Ik wil mijn leven daar opnieuw op inrichten. Dus ik vertel wat ik zoek als kunstenaar, een werkplek in de stad. Er komen tips binnen, kennissen willen me helpen.
Niet dat dit meteen iets oplevert. Als ik solliciteer op een atelier in de binnenstad val ik meteen buiten de boot. Dat zie ik als een teken. Ik kan mijn langdurige concentratie op deze stille plek nog niet onderbreken. Er moet nog iets. Het broeit al langer. Eerst is er een boek, dat erom vraagt geschreven te worden: “De heilige traagheid der dingen”. Dus ik schrijf. En omdat de uitgever ziek is, schrijf ik nog langer. Het wordt steeds beter.
Maar er komt geen afspraak. De uitgever blijft zwijgen. Dus ik besluit om tijdens het wachten schilderijen te maken die horen bij het boek. Eigenlijk is dat wel een heel goed idee! Een boek, een expositie, als één geheel. Ik zou anderen uit kunnen nodigen om de bijeenkomst te verrijken met muziek en verhalen. Maar dan kom ik weer op hetzelfde punt: De mensen moeten er zijn. Ze moeten het weten en ook nog graag willen. Als het netwerk ontbreekt, sta ik hier alsnog in mijn eentje.
Dat is een goede reden om cursussen te gaan doen. Ik ga olieverftechnieken doen op de kunstacademie. Daar hoor ik praten van een bruisplek: De Doas, in Leeuwarden. Ik laat er geen gras over groeien, meteen ga ik er heen. En zowaar: Hier word ik ontvangen. Ik vind een heel klein plekje, bij Froukje van Wilde Wijk. Het klikt. Op maandag en vrijdag kan ik daar schilderen. Het lijkt een beetje op een buurthuis. Ik ben er blij mee.
Dan komt het bericht van de uitgever. Mijn boek zal niet worden uitgegeven door Uitgeverij Louise. Hij laat weten dat hij rustiger aan wil doen. Zijn gezondheid vraagt erom. Hij moet gaan schrappen in zijn bezigheden. Het spijt hem heel erg en hij vertelt het mij persoonlijk, aan de telefoon.
Maak je niet bezorgd, ik red me wel, zeg ik.
Maar dan…. In een opwelling komt het omhoog: Als dit dan toch niet doorgaat, dan zou ik nu eindelijk eens naar Schotland kunnen gaan! Het is al tien jaar geleden dat ik de grens over ging. Ik houd me al zolang in! Het vuur vlamt op. Ik kan er zelfs fossielvrij naartoe gaan, zeilend! Dat past toch mooi bij de Heilige Traagheid der dingen! Ik zoek het uit: twee keer per jaar is er een kans. Echt zeezeilen. Wat een verhaal zou dat zijn. . . Maar eer het zover is, zal ik mer erop moeten richten. Helemaal. In alles. Bedachtzaam kijk ik op. Is dit wel wijs, nu?
Elke keer is het kiezen. Terwijl ik net in volle concentratie bezig bent, ligt tegelijkertijd het avontuur op de hoek. Stoere mannen staan klaar aan de kade. Ze verleiden je om mee te gaan en woeste baren te trotseren. Weg, naar verre kusten. Ongekende verten die je altijd al hebt willen verkennen. Verten, die nooit eindigen. De uitdaging waar je al zolang op wachtte. Soms kom je daar ineens in terecht, die oude opgespaarde behoefte, terwijl je alleen maar even het hoekje om gaat. Wat tref je daar dan aan? Precies vandaag kreeg ik dit gedicht binnen via de mail van Laurens JZ Koster:
Afscheid
Zul je voorzichtig zijn?
Ik weet wel
dat je maar een boodschap doet
hier om de hoek
en dat je niet gekleed bent
voor een lange reis
Je kus is licht
je blik gerust
en vredig zijn je hand en voet
Maar achter deze hoek
een werelddeel,
achter dit ogenblik
een zee van tijd
Zul je voorzichtig zijn?
Adriaan Moriën.
Ik zie de zee van tijd als de dood. Als je plotseling de concentratie breekt voor een wat al te spontane beslissing, zomaar om het hoekje, dan gebeuren er soms vreemde dingen.
Ik ben nu een vrouw van bijna zestig. Ik beheers me al jaren. Het is al zolang dat ik mij beheers. Dat die uitdaging als een steeds aanwezig verlangen sluimert, slaapt en soms wakker wordt. De wereld aan de andere kant van de zee is nog steeds een grote verrassing voor me. Kom op, wanneer ga ik?
Deze week sta ik naast boerin Jenneke, bij de melktap. Ze kijkt naar de fonkeling in mijn ogen. “Je bent hier alweer bijna klaar hè? En nou ga je weer weg? Hoelang ben je hier nou geweest?”
Gek om te horen. Als puntje bij paaltje komt, kost het me altijd moeite om weg te gaan. Hier wachten de bomen en de koeien op me. En de vogels. Het warme eten met Dick. Dat wil ik haar zeggen, maar ik zie twijfel in haar blik. Begrijpelijk. Een vrouw die woont in een woonwagen. Ze kwam aangereden en strandde op de camping. Voor haar, die hier al zolang woont, is dat nog maar kort geleden. Allicht dat ze denkt: dat is natuurlijk een avontuurlijk type, die ook zo weer weg is.
Het zet me aan het denken. Ik wil dat mensen weten wie ik ben, en wat ze aan me hebben. Je kan zeggen: als je dat zélf maar weet! Maar wat heb ik eraan te weten dat ik een heel communicatief mens ben, als de anderen dat niet weten? Een boeiend schilderij wat niet gezien wordt, boeit niet. En een prachtig muziekstuk vraagt om de emotie van een publiek. En een stenen pleintje vraagt om groene vingers die tegels kunnen wippen. Er is een bankje dat vraagt om thee te drinken in de pauze. Samen. Leven heeft bestendigheid nodig. En dat je elkaar kent.
En dan krijg ik dat berichtje van de Doas: “Wie belangstelling heeft voor lokaal 105, kan zich opgeven voor bezichtiging.” Gaandeweg merk ik dat het toch echt belangrijk voor me is. Niet die zeereis op zeil naar Schotland, hoezeer mijn hart daar ook naar uitgaat. Dat kan altijd nog. Want deze wens gaat dieper. De wens om gekend te worden, als mens. Een actieve rol in een gemeenschap geeft een basis, een plek om terug te komen. Ik wil dat atelier graag!
Maar dan bedenk ik me wat ik al heb. Stel dat lokaal 105 niet lukt, dan is er immers nog de plek bij Wilde Wijk. Het is klein, en ik moet steeds alles goed opruimen. Maar het is een prachtige kans die ik gekregen heb. En zo ontdek ik opnieuw: Niet grenzeloosheid maakt vrij. Je kunnen beheersen, dàt is de basis van vrijheid, zei Gandhi al, lang geleden. Ik kijk naar de mistige horizon. Morgen ga ik weer naar de Doas. Werken aan een nieuw schilderij.
.
.
.

.
Als je ergens heel graag heen wilt, maar wacht op het juiste moment.
.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Het lijkt op de huid van een oude olifant. De hoogvlakten van Schotland. Soms droom ik ervan, overdag, maar ook in mijn slaap. De ruige hoge heuvels, een waterstroom die het doorbreekt. De stenen die al heel oud zijn, rond en afgesleten. Het scherm op Google Earth kan nooit de grootsheid ervan verbeelden en de sfeer die ik daarbij voel. Ik verlang ernaar. Het is een lang uitgesteld verlangen en ik kan bijna niet geloven dat ik daar echt heen kan gaan. Ik staar naar de beelden voor me. Als een vogel vlieg ik boven het landschap. Een land met rafelranden. In dikke plooien steekt het uit, hoog boven het diepblauwe oppervlak van de zee. Scherp afstekende valleien, woest en met prachtige vergezichten. Op deze ruigtes waaien de winden nog harder en meedogenlozer dan hier. Maar ook de zon kan er fel en ongehinderd schijnen in een lucht die vele malen zuiverder is dan boven Europa. Het lijkt daarin op Friesland, hier merk je dat ook al, de schone lucht, het licht dat feller is dan in het zuiden. Er is nog een overeenkomst. De Schotten zijn even eigenwijs als de Friezen, heb ik begrepen. En net zo gesteld op hun onafhankelijkheid.
Maar het is niet alleen om zijn magische woestheid en de onafhankelijkheid van de mensen, dat het land me trekt. Er zijn daar ook verscheidene herbebossingsprojecten waar je vrijwilliger kan worden. Op die hoogvlakten kun je bomen planten waarvan je weet dat ze blijven staan. Ook als Antartica compleet afsmelt en de zeespiegel 57 meter hoger komt te staan. Dan zijn mijn boompjes in de Friese weiden allang verzopen. Misschien maak ik dat nog wel mee, als ik honderd word. Toch is het nooit zinloos, elke bijdrage aan het web van leven is belangrijk. Ik besef bij elk zaadje, elk insect en elke vogel die ik zie, dat er altijd iets is wat blijft en zich vermenigvuldigt. Hier blijven is beter, zeg ik, verstandig, tegen mezelf. En planten in eigen land nodig. In Schotland hebben ze al 20% bosoppervlak en hier maar 11%. Toch wil ik er graag heen. Ik zoek er redenen voor. Ja, daar is veel meer ruimte voor herbebossing dan in ons postzegellandje. En het kan blijven staan. Het land staat niet onder menselijke druk, en ook zal het weinig te lijden hebben onder klimaatverandering. O ja, als ik er nou eens echt naar toe ging. Dat ik mee kan werken aan dat bos, op een plek waar de rotsen en de bodem nog voor zichzelf spreken, en niet al duizend jaar zijn omgeschept en ingepolderd. Er tijd voor nemen. Veel tijd.
Die avond lig ik wakker. Ik wil er graag heen, maar het kan nog niet. Het boek en de schilderijen vragen al mijn aandacht. En de bomen. De opwinding over de reis zou al het andere doen verbleken. Tenslotte reis ik nooit, of zelden. Het is voor mij iets groots. Dit uitgestelde verlangen. Ik trek het dekbed hoog op tot in mijn nek. Mijn geweten knaagt. Schotland is een heel eind weg. Zomaar even heen en weer voor een paar weken is voor mij geen optie.
Reizen, anders dan te voet, per fiets of te paard, dat is per definitie niet duurzaam. Zeker niet omdat je een band kweekt met dat land, en er een stuk van je ziel achter laat. Daarna wil je er weer heen. En weer. Dat kost een hoop energie, in meerdere opzichten. Daar is niet tegen op te planten, hoe hard ik ook werk. Mijn verhaal dat ik hier aan het opbouwen ben, valt dan stil, voor zolang als ik er niet ben. En ook mijn eigen bomen laat ik achter. Ik zie ze voor me. De kuilen die ik graaf voor waterberging, de silhouetten van de berken, op de bult. Mijn gedachten lossen op bij het beeld van de ondergaande zon. Even dommel ik bijna in. Dan is er iets waardoor ik opschrik. Ik spits mijn oren en luister naar de geluiden buiten. Een kreet van een één of ander geschrokken beestje. Het is hier zo stil ’s nachts, je hoort alles. Ik ken de geluiden inmiddels als mijn broekzak. Ik ben ineens weer klaarwakker. Mijn gedachten gaan door op het zelfde spoor.
Als overtuigde thuisblijver is het logischer dat ik hier bomen plant. Elke plek heeft zijn eigen bodem, met alles wat daarop leeft. Thuis raken kost tijd. Het is als een goed glas wijn, dat je langzaam moet drinken om het te waarderen. Vanuit dat gevoel wil ik scheppen, leren, en planten. Maar ook de verschillen boeien me mateloos. Door te zien hoe het elders is, groeien de inzichten over de verbanden die er zijn. Zeker nu de wereld zo sterk verandert, is het nodig om dat te zien. Wat is groeizaam?
Een besluit moet rijpen. Ik ga het doen. Maar niet meteen. Ik doe het pas als ik er klaar voor ben. Als het boek er is: “De heilige traagheid der dingen.” Als de interviews en boekpresentaties gedaan zijn. Als de schilderijen die ik maakte hangen. En als de bomen die ik dit jaar plant, goed zijn aangeslagen. Niet eerder. Die gedachte geeft me rust. Als een blok val ik in slaap.
.
Luister hier naar het verhaal
.

.
De afbeeldingen zijn van het nieuwste schilderij, behorende bij het boek: “De heilige traagheid der dingen” Het is 100×120 cm en dit is een indruk, want de kleuren verschillen enigszins van het origineel.
.

.
Het is zondagochtend. Als ik eruit ga om de luiken te openen, beland ik in een sprookje. De wereld is gehuld in sluiers van mist. Spontaan besluit ik om het project te filmen, waar ik mee bezig ben. Het graafwerk voor de struiken die er komen, in het stuk achter mijn huis. Het licht is nog bescheiden, en een grote groep wulpen zit onzichtbaar, maar toch dichtbij, in het veld. Ze fluiten naar elkaar. Ik pak mijn mobiel en praat terwijl ik de beelden vastleg. Maar mijn stem is nog hees en niet wakker. Het geeft niet, het past goed bij de mist. Ik wandel van mijn huis naar de plek erachter, daar aan de andere kant van de wilgenrij. Hier staan al honderd elsjes, en nu plant ik er vuilbessen en berberissen, ofwel zuurbessen. Vuilbessen voor de insecten, en zuurbessen voor de bloemen, de bessen en en beschermende stekels, die kleine vogels kunnen beschermen. Ik graaf heel wat af! Nu is de grond mooi droog, en het is prachtig weer om alles voor te bereiden. Dit is de film, van negen minuten. Je krijgt hierin een duidelijk beeld van de plek waar ik woon, en waar het zich afspeelt.
Met groet, Alowieke
.
Elke keer ga ik op weg naar de Balg, om nooit aan te komen.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Ik sta tussen de Kobbeduinen van Schier. Mijn fiets heb ik net tegen het hek gezet, dat daarvoor bedoeld is. Er staan verscheidene andere fietsen, want het is mooi herfstweer. Voor me staat het herkenningspunt, een driehoek van houten balken, dat al van verre te zien is. Dat moet ook. Zonder dat verdwaal je hier zomaar. Er zijn er genoeg die naar de Balg wilden lopen en die de weg kwijt raakten. Vooral in de mist, dan is er geen enkel herkenningspunt meer. Als de dagen korter worden, kunnen de nevels zomaar ineens over de vlakte komen rollen. Het is aan het einde van een mooie zonnige dag, zoals vandaag. De Balg is verder dan je denkt. Al meerdere malen heb ik een poging gewaagd om er te komen, maar nooit is het gelukt. Vandaag probeer ik het weer. Ik weet niet of ik er kom. Eigenlijk is dat wel mooi. Een doel dat je wilt bereiken maar wat steeds ver weg blijft, dat krijgt iets magisch. Er zijn al te veel makkelijk bereikbare doelen. Stap in je auto en je bent er. Niks aan. De Balg is één van de weinige punten in Nederland dat nog echt omringd is door wildernis. Waar geen bordjes staan, kilometers lang, en waar je de weg kan kwijtraken. Fijn. Daarom doe ik er lang over. Daarom hoef ik er niet per se te komen, vandaag. Ik loop zonder kaart of wegbeschrijving. Dat zou zonde zijn, van deze mooie kans op avontuur.
Ik besluit om dit keer niet de binnenpaden te nemen, tussen de kwelders door, maar eerst naar het strand te lopen. Het eerste stuk loop ik over gras. De koeien en ganzen houden het kort. Bij een waterstroom is een bruggetje en vlak daarnaast is het drassig. Er zit een mantelmeeuw, die me eigenwijs aankijkt. Hij stampt in de drassige bodem en zoekt wormen. Met respect kijk ik hem aan en ga met een boog om hem heen. Achter de kleine houten brug is nog meer gras. Dan beginnen de rietvelden. Eindeloos zijn ze. Het ruist en glinstert in de wind. Ik kijk goed om me heen naar herkenningspunten. Achter me ligt het overzichtelijke gras. Er is geen mens te zien, alleen een vrouw, die een heel stuk achter me loopt. Ze is nu bij de meeuw. Nieuwsgierig blijf ik kijken. Zou ze er ook omheen lopen? Ja, warempel ze doet hetzelfde als ik. Dat vind ik nou het leuke aan dit eiland. Het is de enige plek waar ik dit tegenkom. Dat mensen dat ook doen. Mijn blik gaat verder, van het open land en de duinen achter me, naar de wildernis voor me. Hier wordt het vlakker, hier tussen de rietvelden. Nu even goed onthouden. Die bult daar, dat bosje. Als ik dat in mijn geheugen prent, vind ik straks de weg terug. Het pad is smal, het riet komt tot mijn borst. Maar de grond is droog en dat is al heel wat. Dan kom ik bij een splitsing. Ik kan drie kanten op. Je weet het nooit hier, sommige paden zijn door mensen gemaakt, maar andere door de koeien. Het verschil is moeilijk te zien. Ik kies het linkse pad, maar na een paar honderd meter loop ik tegen water aan. Het glinstert tussen het riet door. Ik kan niet zien hoe ver het water door loopt. Een heel eind verderop zie ik een zilverreiger opvliegen. Kennelijk is het daar nog steeds nat of drassig, anders zat hij daar niet. Ik besluit om terug te lopen.
Als ik terug kom op de splitsing loopt daar de vrouw, die net als ik om de mantelmeeuw heen liep. “Wil je ook naar het strand? Dit is niet het pad. Je loopt tegen water aan,” zeg ik. Ze kijkt op haar kaart, afkomstig van het VVV. “Toch zou het hier moeten zijn” zegt ze. Voor de zekerheid kijkt ze ook nog even op de telefoon. Er is ook een pad dat naar rechts loopt. “We moeten hierheen” zegt ze. “Ik bedoel, ik ga hierheen” verbetert ze zichzelf. En ze voegt daad bij woord. Ik denk ook dat dit het beste pad is. Om mijn eigen keuzes te blijven maken, loop ik vijftien meter achter haar. Anders word ik alsnog tot kaartjes en telefoon veroordeeld. En ik wil immers niet teveel weten, van hoe het zit. Dat wil ik zelf ontdekken. Alsof ik Livingstone ben. Of Freija Stark, een vrouw met de naam van de oude godin van de liefde. Alleen reisde zij de hele wereld af en ik ontdek het hier. Ik doe alsof, want alles is hier al ontdekt. Voor mij loopt de vrouw met de kaart. Af en toe kijkt ze om en roept ze iets naar me. Ik bewaak zorgvuldig de afstand. Uiteindelijk stopt het riet bij een kleine open vlakte, waar in de winter water staat. Het is nog donker van het vocht. Er achter loopt het omhoog en daar zijn de duinen, die de zee omlijsten. “Daar staat een bankje!” roept de vrouw triomfantelijk. Precies op dat moment komt er een grijs stel aanlopen. Ze lopen op de Reddingsweg, die loopt gewoon het hele eind rechtuit, tot aan de Balg toe, heb ik begrepen. Maar precies weet ik het niet. Dat wil ik ook niet weten. Ik wil alleen datgene zien wat net één stap verder is.
De vrouw gaat op het bankje zitten. Ik hoor dat ze Hermien heet en ze komt uit Houwerzijl. De mensen op de Reddingsweg lopen na een korte uitwisseling weer door. Toch bijzonder, dat we elkaar allemaal hier ontmoeten, bij dit ene bankje, terwijl er in de verste verte niemand anders te zien is. Hermien maakt een foto van me. Met haar eigen telefoon, want ik heb de mijne natuurlijk thuis gelaten. “Fijn voor mijn blog”. Ze zal hem opsturen. Maar dat heeft ze nog niet gedaan. Daarom staat er nu een foto zonder mij. Maar het is en blijft Schiermonnikoog. Het eiland waar je kan verdwalen.
.
.
Een van de bekende vrouwelijke ontdekkingsreizigers: https://nl.wikipedia.org/wiki/Freya_Stark