Opdracht voor de smid

Opdracht sm 3 002

Muren van grijze steen begrenzen een kale ruimte. Door de grote ramen zie ik het pand aan de overzijde, waar de secretaresse in wit licht achter haar computer tuurt. Tegenover me zit de smid van Warnsveld. Op tafel ligt een groot vel papier met de constructie tekening van mijn nieuw te bouwen wagen. Hij gaat voor mij het onderstel maken.

„Ga je er echt in wonen of is het maar voor kort?” Hij kijkt me nieuwsgierig aan.
“Ik ga er in wonen. Het moet comfortabel worden. Ook wil ik door zand, bossen en door ruigtes kunnen rijden. Dus het moet makkelijk wendbaar zijn. En niet te groot en te hoog. Lastig kiezen, zo allemaal bij elkaar.”
“Je zal toch iets grotere wielen moeten nemen, die kleintjes schuiven het zand voor zich uit. Vroeg of laat zit je vast.”
“Ja daarom heb ik aan de achterkant een ingebouwde wielkast bedacht met grote wielen. Die steken uit boven de vloer.” Ik wijs het aan op de tekening. “De voorwielen zijn wèl erg klein. Moeten die groter? Ik hoopte de vloer zo laag mogelijk te kunnen houden. . Onder de laadruimte heb ik ook maar dertig centimeter tot de grond. Is dat te weinig, komen we dan met de onderkant vast te zitten?“
“Het is aan de krappe kant, als je door ruig gebied wilt trekken.”
Hij is even stil en kijkt door het raam.
”Ik zal je mee naar buiten nemen” zegt hij dan. “We kunnen eens kijken bij andere wagens. Dat is duidelijker dan een tekening.”
Het is fris en het waait en druppelt. Ik loop achter hem aan over het grind. Achter de gebouwen ligt een hectare grond. Verspreid over het terrein staan aanhangers, paardentrailers en een stapel pallets.
“Kijk,” zegt hij en staat stil bij een glanzend nieuwe aanhanger. “Dit is een mooi wiel.” Hij aait over het harde rubber. Ik zie een klein breed wiel, maar groter dan ik zelf had bedacht.
“Ik zal eens meten,” zegt hij en pakt de rolmaat uit zijn zak. Hij meet vanaf het zanderige grind tot de onderkant van het voertuig. “Vijfenzestig centimeter tot de vloer.”
“Dat is tien centimeter hoger dan ik bedacht had,” zeg ik. “ Twee-meter-zeventig wordt mijn nieuwe wagen dan.”
“Die paardentrailer is precies even hoog,” wijst hij.
Ik kijk en denk. Goeie wielen en genoeg ruimte in en onder de wagen, het is allemaal belangrijk. Maar dit alles wordt hoger dan ik hoopte. In een bos rijd ik snel tegen takken aan. Wat is belangrijk? Die vraag heb ik al vaak gesteld. Ik overweeg. Een tak die in de weg zit kan ik meestal wel afzagen. Maar een mul zandpad of uitstekend rotsblok in de weg, daar doe je weinig aan…
“Ik heb genoeg gezien.” zeg ik resoluut. “Dit wiel wordt hem.”
We lopen terug naar het kantoor en ik neem afscheid. De bouwtekening mag hij houden. Ik pak mijn rugzak en neem de vouwfiets. “Tot over een week of zes! “ roep ik. Hij lacht. Tevreden begin ik de terugtocht. Terug naar huis, naar Haghorst.

Expeditie naar de Millranch

Op pad om muildieren te zien.

Denk je dat we op tijd komen?” vraagt Dick. Als een ploegpaard hangt hij over zijn stuur gebogen, boven het grote pakket aan bagage, waar ons bed in zit. Zijn fiets maakt een hard tikkend geluid, want de kettingspanner is kapot. De versnelling doet het ook niet. Terwijl ik fluitend naar boven scheer, op de hoogste versnelling, worstelt hij zwaar trappend achter mij aan.
“We zijn vast precies op tijd!” beantwoord ik zijn vraag.
Om vijf voor half één rijden we onder een poort door, waar een groot plastic paard boven hangt. “The Millranch.”
In een doolhof van stallen en stegen vinden we uiteindelijk de weg naar een kantine, gebouwd van ruwe planken. In de deur zit ondoorzichtig glas en er zijn zo goed als geen ramen. Er blaft een hond. Ik doe de deur open, de hond besnuffelt me vriendelijk en aan een grote houten tafel zitten vijf mensen te eten bij lamplicht.
“Ik had een afspraak om half één, om vragen te stellen over muildieren.”
“Ja, met mij!” roept een schone brunette, vlak voor ze de lepel opnieuw in haar mond steekt. Dit zal Chantal zijn, met wie ik gesproken heb. Maar voor ze verder iets kan zeggen, neemt een stevige vent het woord over.
“Wat wil je met het muildier?”
Ik vertel dat ik langdurig wil gaan trekken met een zigeunerwagen, die ik zelf ga bouwen.
“Zorg dat het dier niet langdurig in de regen staat. Daar houden ze niet van. Paarden wel, maar ezels niet. Muildieren ook niet.”
“Hoe doe ik dat?”
“Een regendeken is genoeg,” hoor ik. En dan zegt hij: “Ga eens om het hoekje kijken, ik heb een ezeltje, zo eentje heb je nog nooit gezien!”
We laten de eters achter ons en lopen in de richting die hij ons wees. Er staan diverse paarden. Maar wat het meest in het oog valt is een enorme roodbruine ezel. Een prachtig dier, en onderzoekend steekt hij zijn grote fluwelen lippen tussen het hek door. Het is een Franse “Poitou” horen we later. Ik raak het dier nieuwsgierig aan, vol bewondering.
Als we even later terugkeren, staat Chantal op. Ze is klaar met eten. “Kom maar mee!” zegt ze. We lopen de ranch af, langs de weides met paarden. Chantal praat vol enthousiasme. “Ik vind het zo leuk dat je me dit allemaal vertelt,” zeg ik, “als kind liep ik altijd rond in de manege, maar toen mocht ik daar niks. Dit is voor het eerst dat iemand, speciaal voor mij de moeite neemt om zoveel te vertellen!”
Chantal heeft plezier in die opmerking en gaat gedreven verder. “Kijk” zegt ze. “Dit is een heel temperamentvol muildier. En deze is hier, is meer een vriendelijke lomperik. Die nemen we mee als we heel rustig willen rijden. Ik houd het meest van de lomperik. Hij is heel lief. En sterk dat ze zijn! Oersterk en nooit ziek. Maar niet teveel eten geven, dan krijgen ze hoef- of spierbevang.” zegt ze deskundig.
Langzaam lopen we weer terug naar de ranch. Ze leidt een muildier aan de teugels, wij lopen er naast. “Muildieren zijn fijne dieren. Het duurt langer voor ze naar je luisteren, ze moeten je eerst vertrouwen. Maar daarna doen ze alles voor je!”
“Dus het is echt een maatje, een makker.”
“Ja!” zegt ze volmondig. “en als ik jou was, dan zou ik eerst een poos gaan werken op een plek waar ze zijn, zodat je aan de dieren kan wennen. Niet meteen op pad gaan met een muildier wat je helemaal niet kent.”
Hoe langer ik naast Chantal tussen de dieren loop, hoe mooier ik het vind. We lopen door tot de stallen. Daar gaat Chantal verder aan het werk en wij stappen op onze fiets. Verder. En wie weet, waar de weg nu weer naartoe leidt.

. . .

Wiekies kolibri met paardje

Dit wordt hem.

Kleine verwarring na kleurrijk bezoek

Muildier voor zigeunerwagen

.

Ik sta in de deur en kijk het veld over. Ik verwacht een vriend. Leuk, het gebeurt niet vaak. Fiets langs het kanaal,” zei ik hem. “Dat is een mooie route.” Dat zou hij doen, mijn vriend Marc.

Ik zie nog niemand en keer om, naar binnen. Op dat moment hoor ik rinkelende belletjes, luider en luider. Ik draai me om en zie een echte zigeunerwagen het veld op rijden. De wagen stopt en ik loop er naar toe. Ik zie twee mensen op de bok. Ik herken ze.

Wat leuk dat jullie er zijn! We hebben elkaar al eerder ontmoet, is ’t niet?”

“Ja, dat was vorig jaar.” zegt de man van het stel. Hij ziet er uit als een ouwe hippie met lang zwartgrijs haar in een staart,  levendige bruine ogen. Naast hem zit zijn vrouw, hip gekleed in een paarse legging. Voor de wagen staat een klein muildier, prachtig opgetuigd, met glimmende riemen en rode pluimen. Het lijkt alsof ze al jaren zo de wereld doortrekken.

“Weet je nog dat ik vorig jaar zei dat ik een wagen ging bouwen?” vervolgt hij, “Nu is het klaar. Dit is onze eerste tocht.”

Hij vertelt vol enthousiasme en laat alles zien. Het is een heel kleine wagen, met ronde huif. Als je op de bok staat kan je er over heen kijken. De huif heeft geen zijramen. Er is een kleine ruimte waarin ik net kan staan, op de verlaagde vloer. Hij legt uit hoe handig het is, de ruimte op de as,  tussen de wielen te gebruiken. “Ja”, erken ik,  “Ik heb kastruimte ontworpen, op die plek.”

De man is nog lang niet uitverteld. Er is zoveel om te laten zien! Er is een bedbank, uitschuifbaar. Hij vouwt zijn handen en laat met zijn vingers zien hoe je het lattenwerk uit elkaar kan schuiven. Het idee is zo simpel en doeltreffend, dat ik verbaasd ben dat ik het nog niet eerder heb gezien of bedacht.

Hij vertelt me nog veel meer en bij vertrek zegt hij: “Kom vanavond voor een borrel en neem je schetsboek en maquette mee.”

“Neeeee!” zeg ik luidkeels. “Voor vandaag is het genoeg. Ik heb alweer zoveel gezien, anders raak ik helemaal in de war. Ik kom morgenochtend koffie drinken. Okee?”

“Dat is goed.” zegt hij tevreden, en zo gaat ieder terug naar zijn eigen stekkie.

.

De volgende ochtend kijk ik opgewekt naar buiten, waar het tentje van Marc staat. Ik zie hem nog niet. Rond de zigeunerwagen is het ook stil. Terwijl ik koffie zet komt het veld langzaam tot leven. Onder een stralende, tijdloze hemel gaat ieder zijn gang en kletsen we verder, nog urenlang. Tot ik iedereen heb uitgezwaaid en het veld leeg achterblijft.

Ik staar naar het groene gras en de lucht daarboven. Ik denk aan het ontwerp van mijn eigen zigeunerwagen, “Wiekie’s Kolibri”.  Ik vraag me af, is wat ik gemaakt heb goed? Of zal ik opnieuw beginnen? Ik loop naar de tafel, pak pen en papier. Aarzelend begin ik te tekenen. Een wagen die lager is, zodat je er overheen kan kijken. Kan ik daar wel in leven? En het is zò anders dan mijn eerste ontwerp! Trouwens, ik mis de stroom en de geestdrift. Met plezier herinner ik me de dagen die in sneltreinvaart voorbij gingen, uren die verstreken zonder besef van tijd, terwijl ik nadacht, tekende en knutselde. “Dit is niet te herhalen.” besef ik met een stelligheid die mezelf verrast. Ik leg mijn pen neer en neem ik het kleine groene wagentje in handen. “Dit is de mijne, en geen andere. Dit is wat ik ga maken.”

Opgelucht draai ik me om naar het aanrecht. Eerst thee, dan verder.

.

.

Latcho Drom

Latcho Drom”, staat er op de wagen die ik van binnen mocht bekijken. Het betekent “Goede reis”. Een bekende groet onder Roma. Er bestaat een documentairefilm met dezelfde naam van Tony Gatlif,  waarin het harde leven van zigeuners wordt getoond, in allerlei landen. Veel muziek en dans.

.

.

Links:

“Wiekie’s Kolibri” : https://alowieke.wordpress.com/2014/06/19/vanuit-de-chaos-komt-het/

“Latcho Drom”: http://vorige.nrc.nl/film/article2425783.ece/Latcho_Drom

Vanuit de chaos komt het

Vanuit de chaos

.

De anders zo schone en witte tafel, is nu een puinhoop. Stukjes ijzerdraad, dik karton, snippers, lijm, potloden, een zinkplaat, een stanleymes. Ik maak iets. En als ik echt iets maak, dan weet ik verder niks meer. Het kind in mij schittert en straalt. Niks opruimen. Gedreven voortgaan, zonder tijdsbesef. Ik drink een glas water, eet een appel en ga verder, uur na uur. En zo zie ik het voor mijn ogen ontstaan. Mijn handen maken precies dat, wat al tekenend in mijn gedachten begon te groeien. Al dagenlang. Mijn eigen zigeunerwagen. Het idee groeit niet alleen in mijn hoofd, het groeit ook in mijn vingers. “Wiekie’s Kolibri”, zo heet het.

De telefoon gaat. Het is Kees. Ik heb hem al lang niet gesproken, hij is druk en woont de helft van de tijd ergens in de Karpaten.
“Ik heb een paar van je verhalen gelezen. Je schrijft heel wat af zeg! Maar wat is nou precies je plan? Ga je weer weg daar? Maar de composthoop is pas volgend jaar klaar voor gebruik. Dat kan ik niet helemaal rijmen.”
“Nee joh!” zeg ik “Ik ben nog lang niet weg. Voor ik mijn wagen af is ben ik wel een paar jaar verder.”
“Dat is toch zo gebeurd! Als de jongens er wat vaart achter zetten…”
“Maar Kees, ik ga hem zelf bouwen! Het wordt helemaal mijn ding.”
Het is even stil aan de andere kant.
“Goh,” hoor ik dan.
“En voor het onderstel ga je naar de smid,” begrijpt mijn vriend nu.
“Zo is het. En ik verheug me er op. Ik heb jarenlang roest moeten bikken, vuil en schimmels moeten schrapen voor ik kon beginnen met iets constructiefs. Dit keer krijg ik een glanzend, nieuw begin. Een onderstel speciaal voor mij gemaakt!”
“Ja, ik kan me voorstellen dat je er zin in hebt.”
“Die wagenbouwer zit niet ver van de aardehuizen in Olst. Dan laat ik daar mijn maquette zien en kunnen we praten over bouwen en pionieren.”
“Kom maar gauw eens langs,” zegt Kees. “Ik hoor graag meer van je.”
“Doe ik!” roep ik. Want ik vind het altijd leuk om Kees te zien.

Ik leg de telefoon weer opzij, en kijk naar mijn tafel.
Toch eerst maar even opruimen.

. .

.
Wiekie's zigeunerwagen

De achterkant krijgt straks een markies. Er zijn twee deurtjes boven en onder. Achter de onderste is een klein uitschuifbaar keukentje. De ramen erboven kunnen open, en de raampjes zijn ook nog te sluiten met luikjes.

Wiekie's Kolibri in het gras

De voorkant heeft ook vier deurtjes. Ik heb vooralsnog geen luifeltje gemaakt. Het was Dick zijn idee om in plaats daar van een tafel op te hangen, boven de deur, vastgemaakt in twee of vier ogen, op de deurpost.

Wiekie's pipowagen

Hij is nu zo goed als af, alleen nog een paar details.

Wiekie's maquette

 

De ontdekkingstocht van Wiekie Kolibrie

Creatief proces bouwen zigeunerwagen

Soms gebeurt er iets, wat de vlam opnieuw ontsteekt. Een aanleiding die een pad doet oplichten, dat voorheen nog in het duister lag. Vandaag was zo’n dag.

Er is een jongen bij me op bezoek. Erik. Hij is op de bakfiets en slaapt daarin. Zijn bakfiets staat achter mijn wagen. We zitten aan tafel te praten.
“ Heb je mijn huif al gezien?” vraagt Erik. Nee, die heb ik nog niet gezien. Maar ik kan de kleine huif wel zien, vanuit het raam. “Ik ga meteen even kijken,” zeg ik. Hij loopt met me mee en ik kijk. Best ruim, vind ik. “Je kan er met zijn tweeën slapen.” zegt Erik trots. Dat interesseert me. Hoe je met zo’n kleine ruimte toch uit de voeten kan. Mijn eigen wagen is een villa, vergeleken bij dit kleine voertuig.
We praten nog de hele avond, maken muziek en laten onze eigen liedjes en gedichten horen. Heerlijk. De volgende dag nemen we afscheid. Hij pakt zijn huif weer in en fietst verder.

Ik ben aan het denken gezet. Ik wil straks ook verder, langs bossen, heide, heuvels, meren en rivieren. Planten en dieren zien en uittekenen. Vragen stellen aan voorbijgangers, over wat dan ook. Daarvoor heb ik een vervoermiddel nodig dat niet zo groot en lomp is als deze woonwagen. Ik heb ook nog steeds het naambord niet gemaakt. “Juffrouw Kolibrie.” Ik heb er van begin af aan al geen puf voor. Nou weet ik waarom. Deze wagen is een tussenstation.
Ik begin te tekenen. Het wordt een veel kleinere woonwagen, voortgetrokken door een muildier. Of twee. Ikzelf loop er naast. De wagen is smal van onderen en loopt naar boven breder uit, met schuine wanden. Net als een schip. Ik kan makkelijk om de wagen heen kijken, naar achteren.

Ik ben binnen. De tafel en twee bankjes zijn ingeklapt zodat de vloer vrij is en ik maak een heel klein dansje.
Achterin is het bed. Er ligt iemand in, een vriendin die is blijven slapen. De keuken is buiten.
Ik wil thee zetten en loop naar de achterkant, waar de markies is uitgeklapt. Daar zijn twee onderdeurtjes en twee bovendeurtjes. De bovenste zijn half open. Er achter kijkt mijn vriendin slaperig naar buiten. “Al wakker?” vraag ik. “Nog niet helemaal….” zegt ze. Ik ga verder met wat ik van plan was. Als ik de onderste twee deurtjes opendoe,  is daar een vrij diepe kast. Het is de helft van de ruimte die onder het bed zit. Aan de twee opengeslagen deurtjes zijn handige plankjes gemaakt, zoals in een koelkastdeur. Daar vind ik potjes en voorraden. Ik pak de thee er uit. In de kast zelf heb ik een kookplank aangebracht. Nu schuif ik die naar buiten. Het motregent een beetje. Ik ben blij met mijn mooie markies, die me droog houdt. Markiezen horen op woonwagens. Vroeger stonden de mensen er ook al onder te rommelen. Ik hoor een gaap van boven komen.
Verwarde blonde haren vallen over de rand van het bed. Het is een warme nacht geweest. De bovendeurtjes aan het hoofdeinde zijn de hele tijd open gebleven. Ik zet thee en ondertussen wordt ze wakker. Boven mijn kleine aanrechtje kijkt ze wat ik aan het doen ben. “Lekker geslapen?” vraag ik, en reik haar een dampend kopje aan. “Ja heerlijk, dank!” zegt ze. Wat is het leven toch verrukkelijk.

Ik fantaseer en zie het voor me. Wat is het meest essentiële wat ik nodig heb. Dan kijk ik wat de maten zijn, van mijn bedenksel. Gaandeweg komt er iets uit met magische afmetingen. De breedte en lengtematen komen me ineens erg bekend voor. Het lijkt op mijn oude rondvaartboot! Het ruim had dezelfde afmeting!

Wat heb je nou nodig in het leven?
“Vier-meter-veertig!” roep ik blij.

.

.

Wiekies kolibri met paardje

.

Wiekie's Kolibri, zigeunerwagen onderweg

.

.

Het cirkeldorp

cirkeldorp
`Ontwerp je eigen huis, op een stuk grond van 300 vierkante meter. Met tuin.` Dat is de opdracht. Ik heb een stuk papier uitgerold op tafel. Het is niet zo wit als ik zou willen en ook niet zo dik en glanzend. Maar ik doe het ermee, want papierwinkels zijn hier niet om de hoek. Ik staar naar het vel. Ik wil een ronde lap grond tekenen, geen vierkante. Hoe reken je dat uit, een cirkel van driehonderd vierkante meter? Het was geloof ik iets met Pi, en de straal in het kwadraat. Pi is drie-komma-veertien. Dus driehonderd gedeeld door drie-komma-veertien is het kwadraat van de straal. Ik maak het sommetje en kom uit op iets minder dan tien meter en een diameter van ongeveer negentien. Nu teken ik de cirkel op het papier. Met de tong tussen mijn lippen druk ik het touwtje in het midden, met mijn wijsvinger. Er zit een potlood aan vast. Ik draai de punt van het potlood in het rond. Best lastig, maar het lukt. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Een mooie regelmatige cirkel. Als ik er de eerste lijnen in zet, begint het te leven. Het is geen vel papier meer, het is echt.

Ik heb een cirkeltuin, en mijn strobalenhuis is rond. Voor de drie grote ramen ligt een vijver. Groot genoeg om in te zwemmen. Ik sta aan de rand er van, in mijn onderbroek. Heel langzaam loop ik erin, om de vogels niet te storen. Want vlakbij, op het eilandje, zit een nest. Ik kan de waterhoen nog net zien, tussen de rietpluimen. Het koude water komt tot over mijn borst. Ik haal diep adem, duik onder en maak een paar slagen. Ik word er helemaal wakker van. Als ik weer boven kom hoor ik vrolijk gelach. Het komt van achter de frambozen, waar het lange slingerpad loopt, direkt achter mijn tuin. Ik zie een paar kinderen, ze kijken naar me in het voorbij gaan. Ze vinden het heerlijk om tussen al die tuinen door te rennen, en door de wilde bosjes, die overal te vinden zijn. Soms blijven ze een poos hangen bij Toon, de beeldhouwer, en vragen hem de oren van het hoofd. Vaak gaat het over de hut. We zijn met zijn allen een grote boomhut aan het bouwen in het voeselbos. Ik werk er ook aan mee, het is altijd reuze gezellig. Ik leer de kinderen hoe je het beste in de boom kan klimmen.
De kinderstemmen verdwijnen langzaam in de verte. Ik begin het koud te krijgen. Ik ga er uit. De modder sijpelt tussen mijn tenen als ik tussen de watermunt en de waterkers de kant op klim. Ik spoel mijn voeten af in de stenen schaal, dat als vogelbadje dient. De deur staat nog op een kier en gauw glip ik naar binnen. Een zachte deken ligt klaar en ik sla hem tevreden om me heen. In de brede vensterbank voor het raam schijnt de zon vol op naar binnen. Ik heb er een bankje gemaakt. De muren zijn dik en er is de veel ruimte bij het raam. Ik koester me in het warme licht. Op dit heerlijke plekje ben ik helemaal gelukkig. De zon schijnt voor me, in het water. Rimpelingen weerspiegelen op de ronde lemen wand. Een eindeloze dans van licht. Ik kijk er lang naar. Als een kind.

Mijn knieën worden stijf. Genoeg in de vensterbank gezeten. Het is tijd om mijn schaap weer eens op te zoeken. Ik trek mijn jas en laarzen aan en struin door het voedselbos naar de weiden. De bomen beginnen uit te lopen, de laatste dagen. Ze hebben er zin in, net als ik. Ik wandel langs een paar speelse varkens. Die banjeren daar lekker in een poel. Langs het hek loop ik verder. Mijn schaap staat tussen de anderen te grazen. Ze ziet me aankomen en komt op een holletje naar me toe. Ik knuffel het dier en geef haar een van mijn laatste appels. Ik heb de kleine bruine ooi zelf gezoogd en nu zoek ik haar op zo vaak als ik kan. Ze kent me. Ze knabbelt zacht aan mijn vingers, wil nog een appel. Maar ik heb niet meer. Mijn blik gaat naar de rand van het dorp. Ik zie silhouetten van bomen en van een paar huizen, waar ik nog aan mee heb gebouwd. Het heeft lang geduurd, maar nu is het er. Alles waar we zo lang aan hebben gewerkt. Ons dorp, denk ik trots. Mijn thuis.

Als ik weer tot de werkelijkheid keer, zie ik hoe groot het dorp eigenlijk is, wat ik heb getekend. Er zijn nog zoveel plekken waar ik niet ben geweest, in dit kleine verhaal. Wat is hier nog een hoop over te vertellen…

Strobalenhuis rond

Plattegrond Strobalenhuis

Ronde tuin, rond huis in een rond dorp

Buren en burenpaadjes

Voor de tekentafel

Toch een tafel

Grenenhouten poot van de tafel
“Ik heb vier jaar niet op een stoel gezeten” zei een kennis ooit tegen mij. “Ik woonde tussen Afrikaanse stammen. Niemand had daar tafels of stoelen. We zaten gewoon op de grond.” Ik vond het leuk wat ze vertelde. Het bracht me op een idee. Toen ze weg was heb ik van een rij rieten stoelen de poten afgezaagd, en ook de rugleuningen. Het resultaat was een reeks leuke zitjes. Mensen vroegen me waar ik ze vandaan had. Dat vertelde ik met plezier.
Nu woon ik hier dik een jaar. Ik heb nog steeds geen tafel en stoelen. Ik vind het niet nodig. Er is een bank en een kurkvloer. En schapenvachtjes. Daar kun je ook lekker op zitten. Werken en eten kan ik overal. Sommige mensen stappen verbaasd mijn kleine huiskamer binnen. “Geen tafel? Dat zou het eerste zijn wat ik neer zou zetten.” Ik haal mijn schouders op.

Het is een heerlijke herfst, bijna zomers. Ik sta op het bordes van mijn woonwagen en kijk over het veld in de ochtendzon. Er hangt al dagenlang een aanstekelijke werksfeer. Ton de beheerder, werkt aan een dak voor het huis, dat achter mijn woonwagen staat. Zijn zoon maakt een dak op de loods verderop. Ik ben ook lekker bezig. De verfpot staat de hele dag klaar en ik schilder alles fris en licht. Ik verf en ik timmer. Alles wat nodig is. Tot het donker wordt.
Als ik in bed lig komen de ideeën. Ik heb een notitieboekje naast me liggen, want als ik het niet meteen opschrijf, dan slaap ik niet. Van onder mijn dekens kijk ik opzij de kamer in. In het schemerdonker zie ik de contouren. Van de nieuwe kast waar ik zo blij mee ben, de wit omlijste spiegel aan de wand er tegenover. Mijn blik blijft rusten op de lege ruimte er tussen. Ik staar naar die plek, het vraagt om iets. Daar onder de spiegel, daar hoort een tafel, besef ik. Ik sta op en doe het licht aan. Mijn besluit staat vast. Ik ga een opklap-tafel maken. Een sterke, lichte constructie. Ik pak mijn boekje, schrijf alles op en teken het uit. Daarna val ik als een blok in slaap.

Twee dagen werk was het. De tafel is af en ik vind hem mooi geworden. Hij hoort bij de wagen, net als de kast en de spiegel. Wat is dit nu een fijne plek geworden. In tien dagen tijd heeft Jufrouw Kolibri een complete metamorphose doorgemaakt.
De vraag is nu, waar gaan we op zitten? Er is een kruk. Die is van mijn vader. Hij wil hem terug. Er is ook een mooi oud kistje. Met een deksel. Er ligt nu steeds een kussen op. Als ik dat eraf haal zie ik letters. “Atlantic Amsterdam”. Het kistje is één van de weinige overblijfselen uit mijn werfkelder in Utrecht. Zo’n kistje heeft meerdere functies, dacht ik. Je kan er op zitten, je kan er wat in stoppen en hij is mooi.
Daar staat hij dan. Een zwaar ding. De letters zijn bedekt door wat er op ligt. Niemand kan het zien, dat hij mooi is. En wat zit er nou in? Het zijn papieren, die ook best in de nieuwe kast kunnen liggen. Ruimte zat. Gisteren zei nog dat ik meer kistjes wilde. Allemaal om op te zitten en overal spullen in. Maar ik wil helemaal niet meer spullen. Ik wil er juist minder. Wat bezielt me eigenlijk. Ik weet best wat ik het liefste heb. Ik wil iets om op te zitten. Geen kistjes. En dit kistje gaat ook weg. Het is hard, maar zo is het. Opklap-krukjes wil ik. Licht en simpel. In elk geval vier.

Kistje is niet meer te geef.
Kistje voor vrachtvervoer over de oceaan

De nieuwe tafel onder de spiegel.
Opklaptafel in woonwagen

Het is of het er altijd al heeft gestaan.
Uitzicht door de deur met kast en laptop op tafel.

Ingeklapt. Let op uitstekende pen. Haal die eruit en dan kun je de poot eronder weg halen. Heel simpel.

Tafel ingeklapt

Achter de blinde wand

.

Achter de blinde wand, een nieuw raam.

 

Ik kan gaan reizen om de wereld met een andere blik te bekijken. De opwinding voelen van het ontdekken. Maar ik wil ook rust, om iets op te kunnen bouwen. Dus ik heb de oplossing dichtbij gevonden. Ik heb gewoon een nieuw raam gemaakt. Nu zit ik lekker rustig een kop koffie te drinken op de bank, en kijk mijn ogen uit. Vroeger was hier een wand zonder venster. Ik zat hier ook nooit. Vanaf de andere kant van de bank, kon je nog een beetje naar buiten kijken. Het glas van de deur was de enige doorkijkje. Aan de andere kant was een dooie hoek. Nu is dit het mooiste plekje geworden. Als ik dicht tegen het raam aanzit, dan kan ik het hele grasveld over kijken. De lucht is blauw en alles is zonnig en licht, daar achter die blinde wand. En wat een boel andere dingen zie ik nu. Verderop is iemand aan het werk. Een man harkt snoeihout bijeen van coniferen en een walnotenboom. Zijn lange, grijzende haar is bijengebonden in een staart. Hij woont hier ook, in de pipowagen die verderop onder de bomen staat. Hij heeft mij gisteren geholpen, met het raam inzetten. Ik vind het leuk dat hij weer terug is. Een lange tijd was hij weg en het was de vraag of hij terug zou komen. Hij heet Reik. Reik is timmerman en muzikant. Gisteren had hij het erover dat hij wil beginnen met workshops geven. Instrumenten maken. Reik heeft nog veel meer dromen over wat we allemaal kunnen doen op dit mooie terrein.
Mijn gedachten dwalen af, tot ik een reiger zie overvliegen, en een groep kauwtjes. Ze vliegen verder, voorbij de bomenrij, die het einde van het terrein omsluit. Ik kan eindelijk zien wat er is, achter die blinde wand! En dan de warme zon erbij, het lijkt de hemel wel.
Ik vraag me af wat ik nog meer te zien zal krijgen, door dit raam. Zullen het altijd dezelfde bomen zijn, dezelfde mensen en dezelfde horizon? Ik denk het niet. Ten slotte heeft mijn wagen wielen. Maar lang fantaseer ik er niet over. Want zover is het nog niet. Er is werk aan de winkel. Ik drink de laatste slok van mijn koffie en zet de mok op het aanrecht. De pauze is voorbij.

De ene verandering lokt de andere uit. Er is nu ook een kast op mijn pad gekomen. Een echte pipowagen-kast. Gebracht tot voor de deur, zonder dat ik er naar op zoek was.
Ik doop de punt van de kwast in het blik. Ik schilder hem wit. Dat oogt veel ruimer in mijn kleine huiskamertje. De laatste jaren had ik een hekel gekregen aan dat eindeloze geverf. Tot mijn verrassing is die weerzin nu helemaal weg. Wat ik nu te onderhouden heb is te overzien en het komt ook af. En als het af is, dan kan ik gaan zitten, ernaar kijken en genieten. Vroeger was er nooit iets af. Ik zat ook nooit echt lekker. Er was altijd een hele berg onderhoud te plegen. Een rijstebrijberg tot over de nok, dat was het. Niks uitzicht. Die tijd is nu voorbij. Ik ben er klaar mee. Ik ben erg blij met wat ik nu heb. Niet teveel, niet te weinig, precies genoeg voor mij. En ik heb een raam. Een echt venster. Eindelijk.

.

Gerestaureerde pipowagen-kast .

Ik heb de kast niet zonder ongelukken af gekregen. Toen ik even weg was, begon het ineens hard te waaien. Hij is omgevallen, boven op een pot. Deuren ontzet, overal splinters. De ene deur was er ernstig aan toe. Ik heb hem onmiddellijk gerestaureerd. Het is geen sjieke kast meer, maar eigenlijk is hij nou mooier. Ik heb hem meteen vastgeschroefd aan de muur.

.

 

Boom geveld
Heb twee coniferen omgezaagd, die pal naast de kersenboom stonden en nogal nadrukkelijk aanwezig waren.

.

Uitzicht
Dit is het uitzicht vanuit mijn nieuwe raam, als ik er recht doorheen kijk. Je ziet de scheefgegroeide kersenboom. Zonder de twee coniferen. Er is weer lucht en licht te zien. Fijn!

Een huis van leem en stro

.

Op de fiets in het donker

Op weg naar de Kleine Aarde

Op weg naar Boxtel. Vanavond is het tweede deel van de cursus strobalenbouw. Als ik mijn fiets pak, is het al donker. De maan is bijna vol maar verdwijnt regelmatig achter een wolk. De landweggetjes in Brabant zijn soms pikkedonker als er geen maan is, en ik heb geen licht. Nu is de weg naar Boxtel niet moeilijk,  gewoon rechtuit fietsen. Maar ik wil wel graag heelhuids aankomen. Ik besluit om de olielamp aan mijn stuur te hangen. Het is een prachtige antieke lamp en hij geeft veel licht. Met de grote lamp bungelend aan mijn stuur, merk ik tot mijn voldoening dat het uitstekend werkt. Auto’s rijden met een grote boog om me heen en veilig kom ik aan bij de Kleine Aarde.
De cursus is in het paveljoen, waar drie jaar aan gewerkt is. Het is nog maar net af. Wij zijn de eersten van buiten die er gebruik van maken. Langs het pad staan olielampjes en kerstverlichting om in het donker de weg te wijzen. Het paveljoen staat iets verder het terrein op. Ik zet mijn fiets neer onder het portaal bij de deur en bewonder de gemozaïekte vloer onder mijn voeten. Zonder mijn fiets op slot te zetten ga ik naar binnen en kom in een rond gebouw met veel ramen. Ik voel me er thuis. De muren zijn van leem en stro, en overdag schijnt bovenlangs het licht door allemaal gekleurde flessen. Maar nu is het donker buiten.
Er is een grote leemkachel in het midden die een heerlijke warmte geeft. De afvoer van de hete lucht loopt door een lemen bank, die rond de kachel loopt. Het vuurtje brandt al lekker. Het is een rocketstove. Een kachel die zuinig stookt en veel rendement heeft. Je kan eindeloos door fantaseren over de vormgeving ervan, en er is veel diversiteit in te vinden.
In de ronde ruimte liggen kunstig gemaakte kussens, van allerlei kleuren, in een grote cirkel onder de ramen. Ze liggen gewoon op de houten vloer, en het ziet er gezellig uit. Maar daar gaan wij niet zitten. Want we gaan aan het werk. Aan de andere kant staan de stoelen klaar en de beamer. De daaropvolgende drie uur schrijf ik me te pletter om alles wat Michel Post vertelt, bij te houden.

Voorbeeld van een flessenwand

Een flessenmuur

.

De cursus strobalenbouw

Het is een intensieve cursus, eigenlijk bedoeld voor professionals. Bij alles wat ik zie en hoor houd ik in gedachten: „Wat wil ik ermee?” De vragen die ik stel zijn zo praktisch mogelijk. Zo kom ik toch allerlei dingen te weten waar ik wat aan heb. Er komen vanavond zes bouwvormen aan bod. De bouwtekeningen vliegen in razend tempo over het beeldscherm. Alleen met opperste concentratie kan ik er de belangrijkste dingen uithalen. Gelukkig krijgen we aan het einde van de cursus het hele pakket aan drukwerk mee naar huis. Kan ik het nog eens nalezen.

Een van de eerste vragen die ik mezelf stel gaat over het fundament. Hoe maak je een begin. Er komt bijna altijd beton aan te pas en vlechtwerk met ijzer. Tenminste, hier in Nederland. Maar je kunt een fundament ook maken met ander materiaal, wat er in je buurt voor handen is. In het ronde paveljoen van Gezonde gronden in Den Haag deden ze het met stoeptegels. Ze hadden 2700 tegels nodig voor een oppervlakte van 50 M2. Die gingen een meter diep de grond in, in een cirkel van drie tegels breed. Op andere plekken hebben ze een fundament gemaakt van autobanden, die ze opvulden met grind. Isolerende schelpen en hydrokorrels worden ook vaak gebruikt in fundamenten. Het is de vraag waar je het makkelijkst aan kan komen en wat toegestaan is. Als het bouwwerk niet hoger is dan anderhalve meter, dan heb je in elk geval geen vergunning nodig en kan je zo beginnen. Maar dan mag je er niet in wonen, hier in Nederland.
Eén van de eerste dingen die ik weet over stro, is dat je moet uitkijken voor nattigheid. Stro mag nooit direct op de grond of op het beton. Dan trekt het vocht er in. Er komt altijd een houten rand onder. Die maak je van drie planken met een ruimte eronder. Daar kan je ook mooi je kabels in kwijt, tussen het isolatiemateriaal. Dat is een mooi begin. Ook iets anders heb ik onmiddellijk in mijn oren geknoopt. Dragende muren van stro, dat mag niet, hier in Nederland. Terwijl er niks mis mee is. Als je een rond strohuis bouwt , dan is een dak dat op de balen rust zelfs extra stabiliserend. Natuurlijk moet je er wel iets tussen stoppen om het gewicht van de draagbalken te verdelen.

.
Mijn conclusie in een notendop

.Als je me het op dit moment vraagt, dan zou ik graag een rond huis bouwen, met dragende stromuren. Een rond huis is sterker dan een vierkant huis, kan meer hebben. Zeker als je de balen plat neerlegt en conisch laat persen. Dan kan je ze gelijk in het rond neerleggen. Als de muren dragend zijn, dan bouw je het dak pas op het laatst, lijkt me. Dat is wel jammer, want als je het dak als eerste bouwt kun je lekker droog blijven tijdens het werk. En ook de strobalen blijven droog. Zonder dak boven je hoofd moet je gelijk het hele bouwplan aanpassen. Het tijdstip waarop je begint is dan erg belangrijk. Want als de strobalen eenmaal op het bouwterrein liggen moeten ze meteen verwerkt worden. Ze mogen nooit nat worden. Een landbouwzeil er over is ook niet zo’n goed idee. Als je het toch doet, dan zal je niet de eerste zijn die schimmel vindt op de bovenste balen. Er moet ventilatie zijn, anders komt er condens onder het zeil. Langdurige droogtes zijn misschien niet wenselijk, maar wel handig, bij het bouwen van een strohuis.

.

Ik zou graag bouwen in een land waar droge zomers zijn. Ooit. Dat is nu mijn wens.
Maar ik woon in een woonwagen. Zo is het. Wie weet hoe lang nog.

Ik schrijf me te pletter

Geheim onder de vloer

We zijn een vloer aan het leggen, een echte kurkvloer. Al de hele dag ben ik langs de lijntjes aan het zagen, zo strak mogelijk, dat is de sport. Ik maak ze zo strak, dat plinten overbodig zijn. Weer twee centimeter vloeroppervlak erbij. Al is het dan een klikvloer, het klusje vraagt toch meer tijd dan ik dacht. We hebben net de zware kachel weer op zijn plek gezet als Dick met een idee komt. Ik zou iets onder de vloer kunnen leggen, voor degene die het er ooit weer uit sloopt. Daar loop ik wel warm voor. Het is altijd leuk om iets te vinden wat uit een andere tijd komt. We vragen ons af wat het dan moet zijn en kijken het kleine stapeltje kranten door. Er staat niet veel bijzonders in. Uiteindelijk besluit ik om een bladzijde uit het NRC en eentje uit de Volkskrant met artikelen over de orkaan Sandy en de overstromingen in New York. Er staat te lezen dat de stormen toe zullen nemen door het smelten van het Noordpoolijs. De koude luchtstroom, die op tien kilometer boven het land naar het zuiden voert, kronkelt nu langzaam en veel verder weg dan ooit en ontmoet daarbij steeds vaker en heftiger de warme lucht uit het zuiden. Misschien weet de sloper van mijn vloer tegen die tijd of de voorspellingen uitgekomen zijn.
Als we net weer aan het werk zijn schiet me nog iets te binnen, wat mooi is voor onder een vloer. Het is een gedicht, dat ik ooit schreef. Het is een reactie op een gebeurtenis een aantal jaar geleden. Ik kende het uit mijn hoofd en droeg het af en toe voor in mijn boot, tijdens rondvaarten, en een keer spontaan op een symposium over stadsplannen. Een gedicht om te kennen en te koesteren. Om voor te kunnen dragen als het moment er om vraagt. En nu verdwijnt het onder de vloer.

Wie zal het zijn die het in de toekomst onder ogen krijgt? En wat zal het lezen van deze woorden dan teweeg brengen? Misschien leest nooit iemand het. Wellicht vergaat het gedicht gewoon samen met de wagen in water of vuur, of rot het ergens weg op een plek waar nooit meer iemand komt. Dan blijft het een geheim. Straks is er geen mens die er nog aan denkt….