Kluiten gooien in de toekomst

.

.

Alles wat we nu bedenken over ons land, alles wat we fantaseren, eigenlijk is het een soort kluiten gooien in de toekomst, kluiten vol met zaad.

.

Het is stralend weer. Er zijn veel mensen gekomen, naar de opening van Frijlân. Ik sta bij een groepje van vier jonge mensen. We kijken naar mijn schilderij. “Zie je hoeveel verschillende kleuren er te zien zijn in het veld? Als je de waterstand verhoogt, verandert meteen de vegetatie.
“Vroeger was Friesland toch moerasgebied?” zegt de enige jongen in het gezelschap. “De Friezen hebben meermalen een oorlog gewonnen doordat de vijand de weg niet wist. De boeren wel. Toch zou ik niet terug willen naar die tijd.”
“Ja, als het natter is heb je wel veel meer muggen,” antwoord ik. “Maar het hoeft ook niet zo te worden als in die tijd, het kan ook anders. Ik zou ervoor kiezen om langs het Haringsmakanaal waterreservoirs te maken, waar heftige regenval kan worden opgevangen. Steltlopers kunnen daar leven en kikkers en andere vogels en dieren. Je zou de grondwaterstand die hoogte kunnen geven dat het in droge zomers nooit droogvalt. Je zou net als vroeger, wilgetenen kunnen kweken voor de bouw van leemwanden en natuurlijke daken, net als riet. Je zou kunnen en onderzoeken welk voedsel je kan kweken op grond die natter is. Ik denk dat het nodig is om anders met water om te gaan.”
“Waarom denk je dat?” vraagt een jonge vrouw met lang bruin haar en ze kijkt me nieuwsgierig aan.
“Die hoosbuien hè?” Ik kijk alle vier de luisteraars aan en ze knikken. “Dat gaan we nog veel meer krijgen. En het gaat steeds heftiger worden. Al dat water komt in één keer uit de lucht en daarna kan het lang droog zijn. Lang hebben Nederlanders gedacht, dat moeten we zo snel mogelijk afvoeren, want we willen droge voeten houden. Nu komt men er achter dat dit geen goed idee was.”
“Ik zie niet in waarom…” zegt de jongen en hij kijkt me vragend aan.
Ik ben blij met hun nieuwsgierigheid. Als voormalig schipper heb ik vaak mijn ogen te kijk gegeven en mijn oren te luisteren gelegd. Water boeit me en alles wat het doet. “Die rechte kanalen en rivieren voeren het water snel af,” begin ik, “Maar het slijt een geul uit, vooral bij de grote rivieren zie je dat, een geul, in het land. Die slijt steeds dieper en dieper. Tot het zo diep is, dat het land uitdroogt. En het droge land houdt geen water meer vast. Het land heeft de kronkelende oevers nodig. En het heeft organisch materiaal nodig, om vocht vast te houden, bomen met hun wortels en bladeren en struiken eronder. Op steeds meer plekken brengen mensen de bochten terug in het water, ook voor de boeren. Het kan dan zoveel mogelijk land kan voorzien van vocht. De rivier krijgt zijn oevers terug. Het zijn die meanderende oevers die vol van leven zijn. En niet alleen voor ons, mensen.”

Het is even stil. De vrouw met het lange bruine haar kijkt me strak aan. Er fonkelt iets in haar ogen. “Dit is boeiend hè” zegt ze. Ik knik alleen maar.

Dit lage land, het gaat me meer aan het hart dan ik wist.

Een koelhuis vol kinderen

..

Er staan vier grote auto’s op de inrit naar de geitenboer. Wat is er aan de hand? Ik zet mijn fiets neer, pak de lege melkflessen uit mijn fietstas en maak het grote hek open, net ver genoeg om erdoor te kunnen. Ik kijk het erf over. De deur naar de melkstal staat op een kier. Ik zie een flits van lang blond meisjeshaar. Ik loop er niet heen, maar ga verder naar het koelhuis, waar de volle tank staat. Als ik door de open schuurdeur naar binnen kijk, zie ik aan de andere kant een grote drom kinderen. Door de kleine deur komen ze het koelhuis binnen stromen en de kleine ruimte is in één keer vol. Verrast kijk ik om me heen. Zo druk heb ik het hier nog nooit gezien. “We krijgen een rondleiding!” roept iemand me enthousiast toe. De geitenboer sluit de stoet en concentreert zich op zijn verhaal.
“Zal ik later terug komen?” roep ik naar de boer, maar ik krijg geen reactie. Zijn rode krullenbol steekt hoog boven de kinderhoofden uit en hij begint te vertellen.

“Hier gaat de melk naartoe.” Hij wijst naar de koeltank en vertelt een verhaaltje over de melk die warm uit de geit komt. Hij vraagt de kinderen wat er gebeurt als je de warme melk niet koelt. Een  meisje zegt aarzelend dat de melk dan dik wordt, maar verder weten de kinderen niet zo goed wat er dan gebeurt. Kennelijk zorgen hun moeders er wel voor dat er nooit zure melk gedronken wordt. Een wijs jongetje stelt technische vragen, de anderen luisteren, tot de boer is uitverteld en de kinderen naar buiten hollen.
Ik kijk afwachtend naar de boer, benieuwd of hij tijd heeft om mijn flessen te vullen. Hij blijft rustig staan, neemt grijnzend de twee flessen in ontvangst en draait zich om naar de koeltank. Wanneer hij gehurkt op de grond de grote kraan opendraait, staan er drie meisjes door het open raam naar binnen te kijken. Een levendige brunette met lang krulhaar buigt zich ver voorover. Ze wil alles zien. Als de ene fles vol is vraag ik haar: ”Wil je voelen hoe koud hij is?“ Haar bruine ogen glimmen en ze voelt aan de fles. “Oh ja, koud zeg!” roept ze. Nu willen opeens een heleboel meisjes voelen en één voor één raken ze het koude glas gevuld met het witte romige geitenmelk.
“Mwwwuh.. warm!” roept een eigenwijze dreumes.
“Jij bent zeker een eskimo,” zeg ik en verlegen lacht ze. Ik trek mijn hand terug door het raam de koelruimte in, om de andere fles ook aan te pakken, die de boer inmiddels keurig tot de rand toe heeft gevuld. Als ik even later de flessen in mijn fietstas stop, zijn de kinderen de melk alweer vergeten. Het eten staat klaar. Alle kleine voeten gaan op een drafje richting het huis.

Terwijl ik op mijn fiets stap denk ik aan Frijlân, de plek waar ik straks heen ga. Ook daar zullen kinderen zijn om te spelen en te leren op de boerderij. “Leren van nature,” wordt de slogan. Wie weet kom ik vaker in zo’n kinderdrom te staan. Als ik wegfiets over het asfalt, waait een frisse wind om mijn hoofd en zonlicht schijnt over het boerenland. Nog even en het zal ander land zijn, waar ik fiets, waar ik de lente zie ontluiken, een ander land en Friese kinderen. Zou er ook een geitenboer zijn?

In de Metaal Kathedraal

.

.

“Ik ben Alowieke, Ambassadeur van de Leegte,” zeg ik tegen de man van het kabinet, die zoëven nog achter zijn bureau zat. Maar ik praat tegen zijn rug, want razendsnel heeft hij zich omgekeerd en zegt tegen iemand achter een gordijn: “Is Abel er? Hij heeft een afspraak met de Ambassadeur van de Leegte.” Ik dacht dat ik hem zou verrassen met mijn woorden, dat hij op zou kijken met een verwonderde blik. Dat hij met een mond vol tanden zou staan. Niets van dit alles. En nu ben ik degene die sprakeloos is.
Hij loopt de kille hal in van de oude kerk, die een paar jaar geleden ”De Metaal Kathedraal” is genoemd. Het nieuwe leven bruist in de stenen buik van het gebouw. De stralende nazomerzon probeert mij door de openstaande achterdeuren naar buiten te lokken, naar het terrein dat er achter ligt. Wat is daar? Ondanks mijn nieuwsgierigheid blijf ik staan.

Ik kijk de man van het kabinet zwijgend na. Boven mij hangt de zware kettinglier aan de ijzeren balk. Een bekend gezicht voor mij als ex schipper. Ik ken de slome bewegingen van het zware staal, dat gelast of gestraald moet worden. Ik voel de rust van de schipper in mij, als ik ernaar kijk.
Mijn rust staat in groot contrast met de hectiek van het moment. Ineens komt er een vrouw uit een andere deur. De weglopende man van het kabinet draait zich naar mij om en zegt: “Dit is Maureen, onze Hemelbewaarder. Ik moet nu even in gesprek met haar. Ik zal de Aalmoezenier een seintje geven dat je er bent. Abel zal vast in de buurt zijn.” De twee verdwijnen achter een deur.

Ik ga midden in de grote lege hal staan, op de zanderige stenen vloer. Hier blijf ik staan, besluit ik, net zolang tot er iemand komt aan wie ik me voor kan stellen. In mijn hand heb ik het stapeltje visitekaartjes, de afbeelding heb ik gisteren getekend en uitgeprint. Het is mooi geworden. Er staat een groot donkerblauw ei op, met een bokaal erin. Uit het bokaal stijgt een rustteken omhoog. Het is het rustteken uit de muziek.
“Alowieke, Ambassadeur van de Leegte, ” staat er op. Het beeld en de tekst, het vat alles samen waar ik voor kom. En eigenlijk is die naam helemaal niet zo vreemd, op deze plek. Als hier ook een hemelbewaarder en een aalmoezenier rondloopt, dan kan je vroeg of laat een ambassadeur van de Leegte verwachten. Ik glimlach.

Na een half uurtje komt er een vrouw uit een open deur in de hoek. “Stadsherberg” staat er boven. Ze stelt zich voor als Lotte. Ze neemt me mee naar binnen en nodigt me uit om mijn verhaal te vertellen. Ze schenkt koffie in. De suiker is zoek, maar iemand vindt een pot versuikerde honing. Ik vertel haar over mijn plannen en ze luistert aandachtig. Als we klaar zijn met onze bespreking lopen we naar buiten, de zon in. Ze laat me het hele terrein zien. Als we terug komen staat er een man bij de deur. Het is Abel.

“Sorry dat we je zolang hebben laten wachten,” zegt Abel. Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik het niet erg vind, als Ambassadeur van de Leegte. Naast hem staat Lotte, met blozende wangen. “Alowieke heeft me zojuist van alles verteld,” legt Lotte hem uit. De vrouw straalt van enthousiasme. Ze werkt hier nog maar drie weken, ontvangt vrijwilligers en voelt zich helemaal thuis. “Alowieke wil een plek maken…” begint Lotte en aarzelt om haar zin af te maken. “Nou ja, vertel het zelf maar,” lacht ze tegen mij. Ik vertel.
“Ik wil hier een plek van Leegte maken. Het wordt een ei, twee-en-een halve meter hoog en rond van binnen, zonder hoeken.” Abel kijkt me aandachtig aan. “In het ei zit een rond eivormig gat, daardoor kan je naar binnen.” Ik ben even stil en kijk nadenkend in de verte. “Het is voor één persoon, ” zeg ik dan. “Je kan ook naar buiten kijken, door het eivormige gat. Binnen is leegte en buiten is rust en er is water en er groeien bloemen.”
Verbaasd kijkt Abel me aan. “Maar waarom kom je daarvoor bij òns? Dat vind je hier toch niet.. rust, water en bloemen?” Ik kijk hem fel aan. “Juist daaròm. Juist omdat het hier zo hectisch is wil ik dit voor jullie maken!”
Abel kijkt me verrast aan, glimlacht en zegt dan langzaam, “Ja… We kunnen zo’n plek scheppen…”

De ontmoeting met Abel is kort. Abel, en ook Lotte, wordt weggeroepen. “Ik zal erover praten met Maureen,” zegt Lotte nog, “Die gaat hier eigenlijk over..”

Ik weet genoeg. Dit is een goed begin. Ik kom hier terug, op een ander moment. Ik loop door de grote hal naar voren. Naast de ingang is een houten trap. Die had ik al gezien toen ik binnenkwam, twee uur geleden. En ik weet dat daarboven iets heel bijzonders is. Dus het enige wat ik nog wil doen is dit, om in mijn eentje nog hèèl even op die prachtige zolder te gaan kijken…

.

Zo’n zolder heb ik werkelijk nog nooit van mijn leven gezien!

.

.

http://www.metaalkathedraal.nl/

 

 

Ambassadeur van de leegte

.

.

Vanuit de stilte in de stroom van de wereld stappen. Hoe doe je dat? Ik kijk om me heen en maak af en toe uitstapjes, naar plekken die me interesseren. Om te kijken of het me  boeit, wat er gebeurt. Ik wil mee doen, een bijdrage te leveren aan geluk en bloei van aarde, mens en dier, met alles wat ik in me heb.
Maar zo makkelijk is dat nog niet. Vanuit stilte en eigenheid opnieuw de stroom opzoeken, het is alsof je met een gipsbeen, net uit het ziekenhuis, een roltrap moet opstappen om naar beneden te komen. Alles gaat veel te snel en iedereen heeft haast. Er zijn plekken waar iets moois gaande is. Mensen die elkaar hebben gevonden in een doel, plannen die zich uitkristalliseren en werkelijkheid worden. Als je er in wil stappen, moet je solliciteren naar een specifieke baan of taak.

Zo ontdekte ik de Metaal Kathedraal. Toen ik ervan hoorde werd ik meteen enthousiast. Het is een prachtig project bij Utrecht, in de Meern. Voor het een metaalfabriek was, was het een kerk. De kerk stond leeg en vergeten aan de oever van de Leidse Rijn. In vervallen staat gerakend, werd het gebouw in 2011 ontdekt door Maureen, theatervrouw. Ze vond het helemaal te gek en was niet de enige. Al snel werd het een bolwerk van kunstenaars en theatermakers. Het gebouw wordt nu gerestaureerd. Er worden festiviteiten georganiseerd en lezingen gehouden.
Wat me het meeste treft, is de samenwerking met bewoners uit de naastliggende wijk. Met elkaar werken ze aan een plan om een voedselbos aan te leggen, in een nieuw te bouwen woonwijk. Het wordt wel 15 hectare groot!
Terwijl ik met open mond naar filmpjes op internet kijk, bekruipt mij het gevoel hier nooit iets anders te kunnen zijn dan een toeschouwer. Wat een boel mensen houden zich hier mee bezig! Wat kan ik hier nog aan toevoegen als opmerkzame pionier en dromende doener?

Op een goed georganiseerde plek die bulkt van initiatieven moet je vaak bij voorbaat vertellen wat je wil. Dat is hier ook zo. Ik kan me aanmelden als terreinbeheerder, vrijwilliger met groene vingers, of geïnteresseerd kunstenaar. Ik moet een naam geven aan wat ik er wil doen en daarmee is mijn richting meteen bepaald, mede door hoe anderen dat opvatten. Hoewel ik subiet jeuk krijg als ik me in een hokje te laat zetten, ga ik tòch kijken. Ik zou mezelf kunnen voorstellen in een kader dat nog niet bestaat. Zouden ze dat begrijpen?

Ik zet mijn fiets weg en ga naar binnen. Het is een kille hal. De wanden zijn verweerd, maar het is nog zichtbaar dat het een kerkmuur is. Boven mij is een houten plafond met halverwege een zware ijzeren balk met een hijslier. Aan het einde van de grote hal is een open deur naar buiten. Aan een zonnig terrastafeltje in de verte, zitten twee mannen te kletsen. Verder zie ik niemand. Er is een deur. Er staat ”Kabinet“ boven. Door het glas zie ik een man achter een bureau. Ik klop zachtjes op de ruit. De man kijkt op met een vragende blik en knikt. Ik doe nieuwsgierig de deur open.

“Bent u Abel?” vraag ik.
Hij schudt van nee.
”Je had zeker een afspraak?“
”Ja,“ zeg ik en ik twijfel even.
Toch, als ik het zeg, komen de woorden als vanzelfsprekend uit mijn mond.

”Ik ben Alowieke, ambassadeur van de leegte.”

.

.

PS: Ik heb een nieuwe pagina aangemaakt met foto’s van de woonwagen, zoals hij uiteindelijk geworden is!

https://alowieke.wordpress.com/fotos-van-de-woonwagen/

 

Wilde droom zoekt huis

.

.

Altijd onderweg zijn is als een constante stroom. Rust is nodig om alle indrukken uit te diepen tot iets wat meer omvat dan een vluchtige ontmoeting.

.

Er is een vrouw bij mij. Ze heeft een droom. Ze zoekt een klein huisje op wielen om mee te trekken. Samen lopen we over het terrein, tot ze plotseling stilstaat voor een kleine woonwagen met een groene huif. Als door een magneet aangetrokken loopt ze er heen en tuurt door het plexiglas van de deur naar binnen. “Dit is het echt helemaal!” roept ze uit en ze draait zich om, haar krullen zwaaien wild om haar heen. Stralend gaat ze op het bordes zitten en haar blauwe ogen kijken in de verte. Ze ziet zichzelf gaan, langs allerlei wegen, door Nederland en België en misschien verder. Ze wil reizen, met de trekker ervoor, van de ene plek naar de andere, onderweg verhalen vertellen aan kinderen, als Wwooffer op boerderijen werken. En nu stelt ze zichzelf de eerste vraag: ”Wat heb ik nòdig?“

Het herinnert mij aan mijn eigen begintijd. Hoe ik droomde om te trekken met paard en wagen. Wat ik nooit heb verteld, was dat ik in die tijd heel erg verliefd was en deze droom deelde met die man. Ik heb de wagen ontworpen met hem in gedachten. Maar de man kon zich niet losmaken van zijn huidige bestaan en ik heb hem laten gaan en nooit meer gezien.

Hoe pijnlijk het ook was, eigenlijk was het maar goed ook.

Want ondertussen was Dick in mijn leven gekomen en aan hem heb ik veel gehad. Het is erg fijn als je een nieuw leven begint vol dromen en er is iemand met wie je dat alles kan delen. Iemand die helpt na te denken over wat belangrijk is en met wie je tot de kern kan komen. Als ik zou gaan trekken, dan zou Dick niet meegaan. Ik zou het alleen doen. Een prachtige uitdaging, maar wilde ik dat wel? Was het ook leuk?
Ik liet de vraag een tijdje rusten en begon met het bouwen van mijn eigen huis op wielen. Dat vroeg alles van me.

.

Werken aan het ontwerp

.

Ik ben gaan ontwerpen, maakte tekeningen op schaal, zocht uit of het kon wat ik wilde. Het was een jaar werk, een jaar met veel slapeloze nachten.

Daarna begon het bouwen en dat viel ook niet mee. Elke klus vroeg veel meer tijd dan ik had ingeschat. Maar ik genoot er ook van. Ik nam de tijd ervoor. Tijdens het bouwen begreep ik ook steeds beter wat mijn behoeften waren. Een reizend bestaan leek me uiteindelijk een bron van onrust, zéker in je eentje. Je bent voornamelijk bezig met je eerste levensbehoeften, waar zet ik mijn wagen neer en hoe kom ik daar? Waar kan ik water en voedsel vinden? Is er genoeg geld om rond te komen? Ik had dan mijn spaargeld nog. Maar als je dat ook niet hebt, lijkt me het best stressvol om elke keer te moeten zoeken naar een manier om geld te verdienen en verder te kunnen.

De vrouw zit nog steeds op het bordes. Boven haar hoofd hangt een hertengewei, een kleintje. Het hangt naast de deuropening. “Het past goed bij je, deze wagen,” zeg ik. “Als je echt wilt reizen zou ik het zeker doen. Ik zou goed nadenken over hoe je je geld wil verdienen. Ik zie om me heen dat het niet zo makkelijk is de kost te verdienen. Het komt er vaak op neer dat je steeds hetzelfde doet.” De rode schoonheid volgt mijn woorden aandachtig. “Als je houtbewerker bent, willen ze kaarsenstandaards of houten armaturen. Als je tekenaar bent, willen ze snelle karikaturen. En als je geen geld hebt en verder wilt dan moet je wel, je hebt geen keus. Jij wilt verhalen vertellen. Dan is het de kunst dat de mensen al van je weten voor je aankomt. Je moet je PR goed kunnen regelen. Dan lukt het.”

Ik ken het verlangen naar de horizon, om ruimte te voelen, om samen te ontdekken wat er achter ligt. Het lijkt me geweldig, voor een periode. Maar altijd onderweg zijn is als een constante stroom. Rust is nodig om alle indrukken op te bouwen tot iets wat meer omvat dan een vluchtige ontmoeting. Je kunt het uitdiepen, uittekenen en op verhaal komen. O die rust! Ikzelf heb de eenzaamheid nu vijf jaar geproefd. Ik heb er alles uit laten groeien wat ik kon. En nu. Het is tijd om de stroom van de wereld op te zoeken. Niet door op reis te gaan, nee niet nu. Maar door rustig uit te kijken naar de plek waar mijn volgende taak ligt.

De vrouw op het bordes kijkt in de verte. Haar rode haar glanst in de zon en op haar gezicht zie ik een vastbesloten trek. Ze gaat het doen. Hoe dan ook.

.

“Talent vormt zich in eenzaamheid, maar karakter vormt zich in de stroom van de wereld.”
Goethe.

.

Deze wijsheid van Goethe hoorde ik van mijn leraar Nederlands, toen ik vijftien was. Ik ben het nooit meer vergeten. Het is  nu 37 jaar geleden..

.

Over liefde en afscheid:
https://alowieke.wordpress.com/2015/07/14/aan-de-overkant/
Wat is een Wwooffer?
http://www.wwoofnetherlands.org/

De man op het laatste perron

.

.

Aan het einde van Nederland staat een man, een man met blauwe ogen en handen als kolenschoppen. Hij staat bij het absolute eindpunt, het perron dat eindigt enkele tientallen meters voor de zee.

Als je het hele land doorkruist hebt en alle grote steden zijn gepasseerd, dan kom je bij het wijdse Friese land. Voorbij Leeuwarden leidt het spoor, met het allerlaatste boemeltje van het land. Het eindpunt is Harlingen haven. Verder kan je niet komen met de trein.

Ik sta op het perron, na een paar dagen Vlieland. Ik ben op weg naar huis. De zon staat al laag aan de hemel op deze zonnige nazomerdag. Mijn groene rugzak hangt stevig op mijn heupen en aan mijn schouders.
Ik loop naar de wachtruimte. Van het bruine glazen hok zijn vier ramen gebroken. Grote sterren zijn vastgeplakt met kit, zodat het niet verder uit elkaar kan vallen. Ik ga met mijn wijsvinger over het wittige spul. Het voelt aan als plastik.
Er komt een man naast me staan. Hij is klein en breed en hij ziet er uit als een dokwerker, onder gespierde schouders hangen zijn stevige armen, de handpalmen naar voren gericht.
“Ja, dat was een flinke baksteen,” begint hij “Die jongelui vinden dat leuk, een beetje rotzooi trappen in het donker. Ik hoop dat ze het zelf moeten betalen. Het is gehard glas, dat kost ze vier keer vierhonderd euro.”
Ik knik bedenkelijk. “Zonde hoor.”
“Ik ben hier vaak.” zegt hij. “Ik help de conducteur. Ik houd het hier in de gaten.”
Ik kijk naar hem. Hij heeft grote blauwe ogen, als van een kind, zijn blauwe trui bedekt een strakke bolle buik. Zijn ronde gezicht kijkt me vriendelijk lachend aan.
“Bent u een schipper?” vraag ik.
“Ook,” zegt hij “En ik heb een harem, met vier dames. Sinds vier weken. Kijk maar eens naar de strootjes op mijn trui.”
“Vier dames?” Ik ben even stil en denk na. “Kippen?”
“Nee, ze zijn een stukje groter.”
“Lama’s?”
“Ook niet,” grinnikt hij “maar je zit in de buurt.”
“Kangoeroes dan!”
“Nee. Ik zal het zeggen. Het zijn vier kamelen. Ze zijn van een vriendin en ik zorg voor ze. Ze krijgen oud brood en stro. Poezelig lief zijn ze! Poezelig lief.”
“Wat een eer dat je ze mag verzorgen!” roep ik uit.
“Dat is het zeker,” knikt hij tevreden.
“En wat doe je nog meer?”
“Ik ben hier,” zegt hij rustig.
“Je helpt de conducteur,” herinner ik me.
“Ik heb er voor gezorgd dat dat afdakje er gekomen is, boven de automaat. Zo lastig, je zag helemaal niks van het scherm met dat licht erin. Formulieren in vullen dan maar hè? Naar de NS. Blijven invullen, die formulieren. Dan komt het er.”
Ik knik bewonderend.
“En ik zorg dat de fietsen op de juiste plek staan. En zeg ze dat het ene deurtje het niet doet en het andere wel.”
“Ik snap het.”
Ondertussen komt de trein aanrijden. “Ik moet nu instappen.” zeg ik “Bedankt voor uw verhalen!”
“Jaja, ik sta hier al twintig jaar…” mompelt hij trots.
De deuren openen zich. Ik stap in. Op het perron staat de kleine brede man met een blauwe trui. Hij is waar hij is. “Je doet goed werk!” roep ik hem na.
Hij glundert.

Doen wat je boeit

.

Peddelen-over-het-water-kl-frm-2

 

Ik stap net mijn nieuwe woonwagen uit om wat schroefjes te pakken, als er een jongen over het pad loopt. Hij kijkt reikhalzend de heg over, een meter of tien van mijn wagen vandaan. De heg scheidt het terrein van de openbare weg en erachter is een greppel, meestal staat hij vol in deze tijd, maar nu staat hij droog. Je kan niet zomaar naar de weg. De meidoorn zit vol stekels en de greppel is diep.
„Vind je hem mooi, mijn woonwagen? Of keek je daar niet naar,” vraag ik.
De jongen staat stil. „Ik kijk zomaar even naar dit terrein hier.“
„Het is hier rustig,” zeg ik, verlangend naar een praatje. “Ik ben deze wagen aan het bouwen.“
„Fijn zeg, op zo’n plek. En word je straks een reiziger?“
„Nee. Het lijkt me een heel onrustig bestaan, alsmaar trekken. Misschien doe je dat een jaartje of zo, .“
„Ja, dat herken ik wel. Ik heb ook een half jaar getrokken en toen verlangde ik wel naar een plek. En toen kwam ik in Thailand mijn vriendin tegen. Daar woon ik nu. Maar soms bekruipt me toch weer het gevoel dat ik wil reizen.“ Hij kijkt even stil voor zich uit. Door de kale meidoornhaag kan ik hem helemaal zien staan, op het natte asfalt van het fietspad. „Ik moet het evenwicht zien te vinden,” prakkiseert hij hardop.
„Ik begrijp die reiskriebel wel. Maar dat zit er voorlopig niet in voor mij, met deze wagen. Ik heb geen rijbewijs. Ik ben schipper en gids geweest en heb weinig ervaring met paarden en de weg.”
„Zou je met paarden willen trekken dan?“ vraag hij nieuwsgierig.
„Ja, het liefst wel, maar als dat gebeurt kan het net zo goed nog tien jaar duren, voor ik misschien zover ben. Ik zie het wel. Ondertussen laat ik me gewoon trekken, en kan ik me inzetten op allerlei plekken, voor langere tijd, mijn hart volgen en gaan waar ik wil.“
„Wat kan je dan, behalve timmeren?“
„Ik schrijf, dicht, teken, maak filmpjes. Ik zing graag meerstemmig. Ik tuinier en speel met permacultuurprincipes. Eigenlijk kan ik alles doen wat me boeit. Ik verdiep me erin, en concentreer me. Dan komt de rest vanzelf.“
„Ja, dat is wel belangrijk, dat je je werk leuk vindt.“
„Ja, het is stom om werk te doen wat je niet leuk vindt.“ Mijn stem klinkt uitdagend.
„Ja….“ zegt hij weifelend. Die stilte lokt bij me een vraag uit.
„Wat doe jij?“
„Ik heb een eigen bedrijfje met software, het leuke is dat ik dat overal kan doen. Maar soms wil ik wel eens echt wat anders. Maar wat dan? Ik weet het niet.“
„Ja het moet groeien hè… en blijf je in Thailand?“
„Weet ik ook niet. Mijn vriendin is een erg leuk bedrijfje begonnen, ze verhuurt een soort surfplank waar je staande op kan peddelen. Dat is erg mooi, je gaat heel stil tussen al die eilandjes door en kan er mooi over uit kijken omdat je staat.“
„Dat lijkt me prachtig. Ik hoop voor jullie dat het wat wordt.” Ik meen het oprecht.
„Ik hoop het ook.” Hij zegt het zo zachtjes alsof hij het bijna niet durft te geloven.
Het is even stil en allebei dromen we van stille rimpelingen van water in de zon en het geluid van bewegende peddels.
„Nou, ik ga weer verder,“ zegt hij uiteindelijk.
„Ik ook. Het ga je goed,” lach ik hem toe.
„Dank je.“ Hij knikt nog even en loopt dan met ferme stap door. Ik keer me om en duik onder de wagen om het bakje met schroefjes te pakken. Eerst maar eens de luikringen vastschroeven. Grip op de zaak, dat lijkt me een goed begin.

 

 

Hoe kan het toch

.

Stille-oude wei en wij

Midden in de grootste chaos zijn wij JUIST in staat, het paradijs te scheppen, op de plek waar we werkelijk zijn.   (Alowieke)

.

Ik ben er
Ik ben waar ik moet zijn
en jij
jij bent er ook

Weet je nog
die dag,
zo lang geleden

Samen zongen wij een lied
tussen oude stenen in een wei
wie weet was het wel deze
de stenen zijn verdwenen
weggesleept door een man
die uit zijn tractor kwam
terwijl een zware ploeg
ploeterde in de verte
in stofwolken van
zijn spoor

We zongen onder de eikenboom
midden in het land
en schepten koeienstront opzij
met onze blote handen
misschien was het wel hier
waar wij gingen zitten
in het stille gras van
grondige tijdloosheid
de wei die altijd ruikt voor mij
naar
vochtige aarde en mest

En hoewel alles er al was,
en in wezen nooit verdwenen is,
verrast het ons dat wij dan toch
na al dat geploeter
en eindeloze omwegen
dan toch
ten midden van de chaos
hier mogen staan
alsof er
niks veranderd is

En hoe kan het toch
dat ons lied weer licht is
spint van tevredenheid
sprankelend jong
en het gras dat groeit
voor onze vermoeide gezichten
bij elke ademtocht voller wordt
en dat de kievietsbloem bloeit

bloeit
als nooit tevoren

.

Onder de tekening, boven het gedicht, heb ik mijn gedachten kort en krachtig samengevat. Wie kan me aanvullen? Korte overpeinzingen lees ik graag. Citaten van anderen zie ik het liefst met bronvermelding.

 

Het hart beslist

.

.

Harten-Aas-kl-frm

.

Het is bijna twee uur. De lage herfstzon schijnt door kale takken van de bomen. Er is geen wind en ik hoor alleen het opgewekte gekwinkeleer van koolmezen en een winterkoning, die in mijn buurt naar beestjes zoekt.
Ik sta op het punt om het laatste scharniergat in de deurpost uit te hakken. Met de dag word ik blijer, want o, wat wordt het mooi. Zes weken geleden begon ik met het maken van de deuren, acht in totaal, vier voordeurtjes, vier achterdeurtjes, allemaal geïsoleerd en met raampjes erin. Aanvankelijk verloor ik bijna mijn hoofd, bij het klaarmaken van de meer dan honderd onderdelen die ik allemaal precies op maat moest zien te krijgen. En dat was nog maar het begin. Mijn wagen komt tjokvol deurtjes, luiken en luikjes en het gaat allemaal piekfijn passen. Straks kijk je je ogen uit, zoveel is er te zien!
Mijn beitel is vlijmscherp geslepen, de houten klopper ligt klaar om te pakken. De zon is heerlijk. Nu ik zoveel buiten ben, besef ik de kracht er van en hoe opwekkend het is om al dat licht in me op te nemen en de frisse lucht in te ademen. Ik wilde de klopper pakken, maar halverwege de beweging draai ik me om en geniet met volle teugen van de zon in mijn gezicht. Ik knijp mijn ogen net niet dicht en kijk door een spleetje, als een kat die zich koestert.

Dan hoor ik mannenstemmen. „Hallo, is daar iemand?“
Ik kom achter de woonwagen vandaan. „Ja! Ik hier!“
„Wij zoeken Alowieke.“
„Dat ben ik!“ Vrolijk kijk ik ze aan. „Dan moeten jullie Jaap en Dennis zijn.“ Ik steek mijn hand uit ter kennismaking.
Ze wilden komen kijken. En ideeën op doen. Ze hebben taart meegenomen. Ze willen zelf óók een wagen bouwen en misschien het wonen in een huis voorgoed de rug toekeren. Jaap kan met paarden omgaan en is handig. Hij loopt meteen een rondje om mijn wagen en kan zijn ogen niet afhouden van de stalen onderkant. „Mooi onderstel!” Hij zakt door zijn knieeën om eronder te kijken en knikt nog eens vol bewondering. Zijn vriend Dennis kijkt afkeurend naar zijn kont. „Niet alleen het onderstel is mooi hoor!“ Dennis is de meest artistieke van de twee. Ik lach naar Dennis, blij met het compliment. „Ik snap het wel, dit is waar Jaap nu mee bezig is, dus dat interesseert hem het meest.“ Dennis knikt.
„We moeten een sterk onderstel hebben en sterke paarden,“ verklaart Jaap. „Dennis gaat mee op één voorwaarde. Zijn harp moet óók mee. En die weegt wat. Maar het geheel moet zo licht mogelijk worden!“
Ik help de jongens met informatie en beantwoord hun vragen. We eten taart bij de warme kachel en voor we het in de gaten hebben is het schemerig. „We moeten weg Dennis! We willen nog meer zien vandaag.“
Ze verdwijnen over het veld. Ik wuif ze na tot ik ze niet meer kan zien.

Ze zijn niet de enigen met plannen. Handen beginnen te jeuken. Fantasieën, voorheen nog als een ei in een nest, beginnen nu haarfijne scheurtjes te vertonen. Als een ongeduldig kuiken dat het krappe ei zat is, maar nu naar buiten wil en licht wil zien. Er wordt gebouwd aan kleinere huisjes om eenvoudiger te leven. In Nederland ontstaan op veel plekken buurttuinen. In steeds meer landen worden hele wouden ingepland, zoals in India en Ethiopië en er worden voedselbossen ontworpen. Er wordt hard gewerkt aan alternatieve energie en ook ik kan vol trots de panelen op mijn dak laten zien. De schaduw van de oude wereld met zijn grote verzwelgende voetafdruk is nog steeds groot. Maar de kiemen van een nieuwe wereld zijn er al. Het borrelt! Wat zullen al die geïnspireerde acties met elkaar teweeg brengen?
Ik ben heel nieuwsgierig naar het komende jaar, 2017!

.

Harten Aas

Hoe zwarter de schaduw, hoe sterker de bron
kijk waar je bent
want altijd
ergens is de zon

Vergeet voor even het verstand
en vind een hart, gezond als wat
want dat begrijpt in welk verband,
kiest zonder twijfelen haar pad

Het is niet bang en vol vertrouwen
zal het ontvangen en weer geven
en altijd kiest zij
zonder aarzelen
voor leven.

.

Het thema “Volg je hart”, komt dit jaar op allerlei plekken terug. Het is de tijd ervoor. Ook Marc Siepman geeft workshops en lezingen over dit onderwerp. Doe wat je hart je ingeeft, en werk niet alleen om geld te verdienen. Wij zijn er dankzij de planeet Aarde. Hoe kunnen wij voor haar zorgen?

https://marcsiepman.nl/workshop-voor-wat-hoort-niks/

 

Vlinder op reis

 

.

 

Vlindertrek

.

.

Met de klopper en een stuk hardhout sla ik een blokje op zijn plek. Het zit in de hoek, tussen de deurpost en de lange onderwand. Die bestaat uit twee planken die over de hele lengte van de wagen lopen. Het wiebelde daar nog ietsepietsje en dat wilde ik niet. Daarom heb ik een blokje gemaakt, dat ertussen past. Ik sla nog eens, keihard. Het blokje is zo mooi op maat gemaakt, dat ik het er met kracht in moet slaan. Het geluid draagt ver in het stille land.
Ik werk hard. Nu de woonwagen vorm heeft gekregen, een mooie lichte constructie, zoek ik naar zwakke plekken. Daar komen stevige blokken. Soms is het een hardhouten balkje, als dat zo uit komt. Ik versterk waar het nodig is. Het blokje, dat nu zo netjes op zijn plek zit, ziet eruit als een puzzelstuk. Het past precies. Dat moet ook. De basis moet goed zijn. Als de basis okee is, dan blijft de rest ook op zijn plek. Dàt is constructief bezig zijn!
De lijm kruipt uit de naden. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Dit zit in elk geval zo vast als een huis. Gelukkig maar, want het wòrdt ook mijn huis! Er komt een dag dat ik ga rijden. En een huisje op een hobbelweg heeft heel wat te verduren, reken maar.

Op het moment dat ik de houten klopper neerleg komt buurvrouw Nicole aanlopen. Ze kijkt vrolijk en opgetogen. „Weet je wat we gezien hebben? Een Koninginnepage! Hij was wel zò groot!“ Met haar handen geeft ze de maat aan. Hij moet zo groot als een winterkoninkje zijn geweest.
„Waar zag je hem?“ vraag ik met grote ogen. Nog steeds ben ik verwonderd bij elke nieuwe ontdekking.Toen ik hier kwam, vier jaar geleden, zag ik steeds vier wollige bruine hommeltjes. Die zaten op de witte en paarse dovenetel. Hier en daar stond een bloemetje. Dat was het dan. Toen er bomen in bloei stonden, eerst het fruit, een hele poos later de tamme kastanje en de linde, op dat moment waren er even hèèl veel honingbijen, maar die verdwenen gelijk weer zodra de bloei voorbij was.
Ik heb hard gewerkt in die jaren, voor meer diversiteit. Op allerlei plekken bloeien nu bloemen. Er zijn niet alleen steeds meer vogels, maar ook steeds meer hommels en vlinders. En nou een Koninginnepage!
„Hij zat daar, bij de majoraan.“ Nicole wijst naar de kruidige tuin, die vol staat met tijm, de volle donkerroze majoraan, blauwpaarse dropplant, witbloeiende appelmunt, bergsteentijm, gele klaverzuring en nog veel meer. Een paradijsje is het, nu alles geurt en bloeit. Ik kan me voorstellen dat de vlinder er een bezoekje aan bracht.
Nicole gaat weer weg. Ik kijk de hele dag uit naar de Koninginnepage, maar hij laat zich niet meer zien. Met welke bestemming is hij verder getrokken? Ze zeggen wel dat vlinders fladderige types zijn zonder doel. Maar daar geloof ik niks van. Ook vlinders weten precies wat ze zoeken. Zeker weten.

.

De Koninginnepage is vooral een trekvlinder. Ze laten zich met gunstige wind meevoeren naar plekken waar het weer beter is en waar meer voedsel is. Ook met tegenwind zijn er voorttrekkende vlinders gezien. Ze kunnen wel twee kilometer hoog vliegen als ze eenmaal onderweg zijn, maar meestal vliegen ze laag. Soms bevalt een stek zo goed dat ze niet verder gaan, op de plek blijven en zich daar voortplanten.
De rups van de Koninginnepage leeft van schermbloemigen. Wilde peen, wortel, karwij, melkeppe, en vooral knolvenkel. Een volwassen exemplaar kan wel zeven-en-een-halve centimeter breed worden. De vlinder heeft een sterke voorkeur voor roze bloemen. Daarom zat hij natuurlijk bij de majoraan en de dropplant!

.

.Als ik er een dans voor maak, dan komt hij misschien terug!

.

.

.

Bouwen

Dit is het hoekje waar ik hier mee bezig ben…

De linker deurpost.

.bouwen puzzelstuk .

.

Het puzzelstukje in de hoek bij de deurpost.

De rechter.

Puzzel op zijn plaats. kl frm.

.

.