Een eiland waar je kan verdwalen

Elke keer ga ik op weg naar de Balg, om nooit aan te komen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik sta tussen de Kobbeduinen van Schier. Mijn fiets heb ik net tegen het hek gezet, dat daarvoor bedoeld is. Er staan verscheidene andere fietsen, want het is mooi herfstweer. Voor me staat het herkenningspunt, een driehoek van houten balken, dat al van verre te zien is. Dat moet ook. Zonder dat verdwaal je hier zomaar. Er zijn er genoeg die naar de Balg wilden lopen en die de weg kwijt raakten. Vooral in de mist, dan is er geen enkel herkenningspunt meer. Als de dagen korter worden, kunnen de nevels zomaar ineens over de vlakte komen rollen. Het is aan het einde van een mooie zonnige dag, zoals vandaag. De Balg is verder dan je denkt. Al meerdere malen heb ik een poging gewaagd om er te komen, maar nooit is het gelukt. Vandaag probeer ik het weer. Ik weet niet of ik er kom. Eigenlijk is dat wel mooi. Een doel dat je wilt bereiken maar wat steeds ver weg blijft, dat krijgt iets magisch. Er zijn al te veel makkelijk bereikbare doelen. Stap in je auto en je bent er. Niks aan. De Balg is één van de weinige punten in Nederland dat nog echt omringd is door wildernis. Waar geen bordjes staan, kilometers lang, en waar je de weg kan kwijtraken. Fijn. Daarom doe ik er lang over. Daarom hoef ik er niet per se te komen, vandaag. Ik loop zonder kaart of wegbeschrijving. Dat zou zonde zijn, van deze mooie kans op avontuur.

Ik besluit om dit keer niet de binnenpaden te nemen, tussen de kwelders door, maar eerst naar het strand te lopen. Het eerste stuk loop ik over gras. De koeien en ganzen houden het kort. Bij een waterstroom is een bruggetje en vlak daarnaast is het drassig. Er zit een mantelmeeuw, die me eigenwijs aankijkt. Hij stampt in de drassige bodem en zoekt wormen. Met respect kijk ik hem aan en ga met een boog om hem heen. Achter de kleine houten brug is nog meer gras. Dan beginnen de rietvelden. Eindeloos zijn ze. Het ruist en glinstert in de wind. Ik kijk goed om me heen naar herkenningspunten. Achter me ligt het overzichtelijke gras. Er is geen mens te zien, alleen een vrouw, die een heel stuk achter me loopt. Ze is nu bij de meeuw. Nieuwsgierig blijf ik kijken. Zou ze er ook omheen lopen? Ja, warempel ze doet hetzelfde als ik. Dat vind ik nou het leuke aan dit eiland. Het is de enige plek waar ik dit tegenkom. Dat mensen dat ook doen. Mijn blik gaat verder, van het open land en de duinen achter me, naar de wildernis voor me. Hier wordt het vlakker, hier tussen de rietvelden. Nu even goed onthouden. Die bult daar, dat bosje. Als ik dat in mijn geheugen prent, vind ik straks de weg terug. Het pad is smal, het riet komt tot mijn borst. Maar de grond is droog en dat is al heel wat. Dan kom ik bij een splitsing. Ik kan drie kanten op. Je weet het nooit hier, sommige paden zijn door mensen gemaakt, maar andere door de koeien. Het verschil is moeilijk te zien. Ik kies het linkse pad, maar na een paar honderd meter loop ik tegen water aan. Het glinstert tussen het riet door. Ik kan niet zien hoe ver het water door loopt. Een heel eind verderop zie ik een zilverreiger opvliegen. Kennelijk is het daar nog steeds nat of drassig, anders zat hij daar niet. Ik besluit om terug te lopen.

Als ik terug kom op de splitsing loopt daar de vrouw, die net als ik om de mantelmeeuw heen liep. “Wil je ook naar het strand? Dit is niet het pad. Je loopt tegen water aan,” zeg ik. Ze kijkt op haar kaart, afkomstig van het VVV. “Toch zou het hier moeten zijn” zegt ze. Voor de zekerheid kijkt ze ook nog even op de telefoon. Er is ook een pad dat naar rechts loopt. “We moeten hierheen” zegt ze. “Ik bedoel, ik ga hierheen” verbetert ze zichzelf. En ze voegt daad bij woord. Ik denk ook dat dit het beste pad is. Om mijn eigen keuzes te blijven maken, loop ik vijftien meter achter haar. Anders word ik alsnog tot kaartjes en telefoon veroordeeld. En ik wil immers niet teveel weten, van hoe het zit. Dat wil ik zelf ontdekken. Alsof ik Livingstone ben. Of Freija Stark, een vrouw met de naam van de oude godin van de liefde. Alleen reisde zij de hele wereld af en ik ontdek het hier. Ik doe alsof, want alles is hier al ontdekt. Voor mij loopt de vrouw met de kaart. Af en toe kijkt ze om en roept ze iets naar me. Ik bewaak zorgvuldig de afstand. Uiteindelijk stopt het riet bij een kleine open vlakte, waar in de winter water staat. Het is nog donker van het vocht. Er achter loopt het omhoog en daar zijn de duinen, die de zee omlijsten. “Daar staat een bankje!” roept de vrouw triomfantelijk. Precies op dat moment komt er een grijs stel aanlopen. Ze lopen op de Reddingsweg, die loopt gewoon het hele eind rechtuit, tot aan de Balg toe, heb ik begrepen. Maar precies weet ik het niet. Dat wil ik ook niet weten. Ik wil alleen datgene zien wat net één stap verder is.

De vrouw gaat op het bankje zitten. Ik hoor dat ze Hermien heet en ze komt uit Houwerzijl. De mensen op de Reddingsweg lopen na een korte uitwisseling weer door. Toch bijzonder, dat we elkaar allemaal hier ontmoeten, bij dit ene bankje, terwijl er in de verste verte niemand anders te zien is. Hermien maakt een foto van me. Met haar eigen telefoon, want ik heb de mijne natuurlijk thuis gelaten. “Fijn voor mijn blog”. Ze zal hem opsturen. Maar dat heeft ze nog niet gedaan. Daarom staat er nu een foto zonder mij. Maar het is en blijft Schiermonnikoog. Het eiland waar je kan verdwalen.

.

.

Een van de bekende vrouwelijke ontdekkingsreizigers: https://nl.wikipedia.org/wiki/Freya_Stark

Dat hoort eigenlijk niet

Voor het raam van mijn appartement is een zithoek. Op de stoelen ligt bagage. Van wie is dat?

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Op de kampeerboerderij op Schiermonnikoog is het rustig. “De Branding” heet de camping, en ik kom hier nu al vijfentwintig jaar. Het eiland was het tweede thuis van mijn man, voor ik hem kende. Gek genoeg ben ik er nooit samen met hem geweest. Pas na zijn dood heb ik de band met het eiland hersteld. Op de boerderij is intussen het één en ander veranderd. De oude boer is met pensioen en de jonge heeft het overgenomen. Er lopen weer kinderen rond. Alles gaat door. Ik krijg alleen geen verse melk meer. Maar het appartement is wel met meer smaak ingericht.

De twee kamers waar ik vier dagen verblijf, zijn op de begane grond. Het is alsof het plekje op mij ligt te wachten, en het is een gek idee dat er intussen al zoveel anderen hebben gelogeerd. Ik sta in de vertrouwde keukenhoek, het is ochtend, en ik ben net onder de douche uit. Een douche, helemaal voor mij alleen! Nog nagenietend loop ik naar de tafel om mijn ontbijtkom op te ruimen. Door het raam van de buitendeur zie ik de zithoek. Er staan allemaal tassen op de stoelen. Dat klopt eigenlijk niet, denk ik kritisch. Die zithoek hoort bij dit appartement. Meer nieuwsgierig dan geërgerd kijk ik door het grotere raam. Een man kijkt onbekommerd terug en zwaait vrolijk naar me. Hij heeft blauwe kinderogen. Ik zwaai terug en ga terug om mijn kom om te spoelen.

Even later zitten ze naast hun bagage. Ik zie het niet, ik hoor het, terwijl ik de warme kraan openzet. Het duurt even tot het heet is. Ik wacht en hoor ze praten, de man en een vrouw, ze zitten met hun ruggen tegen de muur aan, onder mijn aanrechtraampje. Hij zingt een liedje voor haar. Dan klinkt er gerammel. De blonde schoonmaakster komt langslopen met emmers. Ik zie nog net haar hoofd. “Waar blijft de koffie?” grapt de mannenstem. De schoonmaakster grijnst plichtmatig en loopt door. Ik draai de kraan dicht, loop naar de glazen deur en doe de schuif eraf. Als ik mijn kop om de hoek steek zie ik naast de man een jongere vrouw, met donkerblond haar in een nonchalante knot. “Willen jullie koffie?” vraag ik. Ze kijken blij verrast, vooral de jonge vrouw begint helemaal te stralen bij mijn vraag. Kan dit wel, hier zomaar gaan zitten, had ze zich afgevraagd. Ja, het kan dus. Er zijn zelfs mensen die er blij mee zijn, dat er eens iemand op hun bankje komt zitten. “Het is zo klaar!” zeg ik opgewekt. Ze hebben nog even tijd, voor de bus gaat. Ik zet de koffie en geef ze allebei een mok vol. We raken in een geanimeerd gesprek. Maar de vrouw houdt wel de tijd in de gaten. “We moeten nu echt weg, de bus gaat,” zegt ze. De bagage wordt rap op de rug gehesen, de bank is ineens weer leeg. Misschien komt er nog iemand, misschien niet. Hoe dan ook: Liever hoor ik lachen en zingen dan dat het moet zoals het hoort. Zeeën van stilte vind ik thuis wel weer terug. Thuis, aan de andere kant van de Waddenzee, tussen de groene weiden.

.

Het gaat door

Een zoektocht naar Ubuntu

.

.

Wakker liggen om een keuze te maken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is vijf uur in de ochtend. Ik lig in bed en ik ben kwaad. Maar het is op een goeie manier. Het doet me bezinnen wat dit betekent en wat ik ermee doe. Het is namelijk zo: Ongeveer een jaar geleden heb ik een bankje geplaatst, naast het pad. Ik noemde het een “Ubuntubankje”. De betekenis van het Afrikaanse Ubuntu is: Ik ben doordat wij zijn. Een bankje dus, voor iedereen. Door het grote geheel te dienen, deel ik mee in de oogst.
Het Ubuntubankje stond naast het pad, niet om in bezit te nemen, maar ten dienste van iedereen die er langs zou lopen. Ik hoopte daarmee vaker een praatje te kunnen maken, samen, op het bankje. Maar er zat nooit iemand. Auto’s reden hard voorbij. Mensen op de fiets keken recht vooruit, allemaal op weg ergens naartoe. Slechts eenmaal heb ik er op gezeten, samen met een tijdelijke buurvrouw. Die ging weer weg. En ik ging weer verder.

Alleen was ik bezig, samen met de bomen. Maar ik heb ook mensen nodig. En het Ubuntubankje werkte niet. Integendeel, zonder vragen was het twee keer verdwenen. Grote groepen kampeerders. Ze komen en gaan. Ik denk dat het anderen zijn, niet van hier. Anderen, met haast. De derde keer kwam het kapot terug. Een van de latten was gebroken, en in de kopse kanten zaten overal scheuren. Veel te zwaar belast. Het Ubuntuproject was mislukt. Kwaad was ik. En kwaad ben ik nog steeds. Ik lig in mijn hangmat en sta op scherp. Wat ga ik doen? Blijf ik nog jaren hier, werkend in hetzelfde bosje, naast een Ubuntubankje waar ik niks aan heb? Nee, dat ik in geen geval. Ik wil nu kiezen hoe ik actie onderneem. Over een week is mijn vriend er weer. Die is drie maanden weg geweest. Als hij er is wordt mijn keuze minder scherp. Het leven wordt dan te gemakkelijk. Het moet nu. De nacht is donker en de zaklamp ligt naast me. Ik doe hem aan en schijn op de wekker. Het is half zes geworden, slapen kan ik niet en wil ik niet. Dit is belangrijk.

Ineens schiet mij iets te binnen. Deze week kreeg ik een visitekaartje, van een vrouw met een deel- atelier. Ik had haar erom gevraagd, omdat ik al een tijdje aan het woekeren ben met de ruimte. Ik ben begonnen met schilderen, schilderijen voor bij mijn boek. Maar daar heb ik niet echt een plek voor. Na vier kleine, wil ik nu een heel groot schilderij maken, passend bij hetzelfde thema. En nu denk ik aan haar. Dat is het! Ik ga naar haar toe. Het bankje ruim ik op. Mijn weg leidt nu naar de stad. Daar zijn mensen. Daar moet een plek zijn waar het bruist. Waar ik kan schilderen, met mensen praten en samen dingen bedenken. Ik ga mijn focus verplaatsen. De bomen groeien ook wel door met minder zorg en aandacht. Het zijn geen jonkies meer. Blij doe ik mijn ogen dicht en slaap meteen.

Na twee uur slapen ben ik al weer wakker. Ik bel de vrouw van het kaartje. “Kom maar meteen” zegt ze. “Het is dinsdag. Ik ben er nu, en de anderen zijn er ook.” Het zijn beeldhouwers. Dat wist ik al. Als je schildert is dat stof niet handig, maar toch neem ik de uitnodiging dankbaar aan. Je weet maar nooit waar het toe leidt. Ik kijk op het kaartje. “De Doas” staat er op. Het is een bruisplek. Zowaar. Een oud bedrijfsgebouw vol creativiteit.

Die middag stap ik binnen. Het eerste wat ik zie is een restaurant, waar je goedkoop een maaltijd kan nuttigen. Ik word er meteen blij van. Na even te hebben gezocht, kom ik bij het atelier. Ze hebben net pauze. Ik heb chocoladetruffels meegenomen van de melktap. Het doosje is meteen leeg. Mooi zo, dat was de bedoeling. Ik ben van harte welkom om te komen werken in het atelier, maar voor schilderwerk kan ik hier niet terecht. “Ik kijk nog even verder in het gebouw” zeg ik en loop naar buiten. Gelijk zie ik een volgende deur. “Wildewijk.” staat er bij de deur. Binnen zitten drie vrouwen en een man. Een van de vrouwen is van rond de veertig met blond haar Ze kijk me meteen aan. Ik lach vriendelijk naar haar. “Wat is dit?” vraag ik, en wijs op het naambordje. Ze staat op en geeft bereidwillig antwoord. “Wildewijk, dat komt van Wat -wil- de- wijk. Het is een verbindingsplek. Op dinsdagmiddag hebben we inloopatelier. Nu dus. ” Mijn ogen staan wijd open. “O echt? Mag ik ook meedoen? Als iemand die niet in de wijk woont?” Ze kijkt bedenkelijk. “Eigenlijk is het wel voor mensen van onze buurt bedoelt.” Terwijl ze dat zegt gaat het als een flits door me heen. O, stel dat ik nergens terecht kan! Op de ene plek krijg je geen atelier omdat ze liever een dertiger hebben, op een andere plek hoor ik niet bij de doelgroep. Wat moet ik dan nog op dat dooie punt, aan het einde van een onverharde weg? De korte nacht doet de emotie opflakkeren tot een felle vlam. “Ik wil me verbinden!”roep ik uit. Het komt recht uit het hart en het komt aan. Haar blik wordt nieuwsgierig en hartelijk. “Okee! Je bent welkom.” Ik ga naar binnen en iedereen geeft me een hand. “Hee ben jij niet van de Swetteblom? Ik ken jou!” Het is een vrouw van zeventig. Ze heet Anneke. En ik moet de groeten doen aan de boer. Kijk, zo is de verbinding meteen gelegd. En voor mijzelf? Want daar ging het nu ten slotte om! Mijn behoefte aan mensen. Ik zal een manier vinden om samen te kunnen werken. En om mijn werk en het verhaal wat ik wil vertellen naar buiten te brengen, met anderen die hetzelfde willen. We zullen de krachten bundelen. Alle wegen leiden naar Rome, voor wie een doel heeft dat recht uit het hart komt. En dit zal er ongetwijfeld één van zijn. It giet troch!

Een week later, dus nadat ik dit verhaal schreef, bel ik met de blonde vrouw, Froukje. Ik mag een hoekje gebruiken als atelier. Werken in een gemeenschap, precies wat ik zocht.
.

.

Voor hen van wie ik leerde in liefde

Een extra lang verhaal waarin drie mensen de hoofdrol spelen, Carla: de kunstenares die mij uitnodigde, Sietse Drentje, die we allebei gekend hebben en mijn man, Michiel.

.

Blauw was Sietses lievelingskleur.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“De wind is koud” zegt de vrouw, die aan de andere kant van het tafeltje zit. “Kom naast me zitten,” wenk ik ”hier zit je in de luwte.” Ze doet het. De bank van Jonker Sikke is groot zat, hij bestrijkt de hele voorgevel en ligt vol bontgekleurde kussens. Aan de overkant zijn de weilanden en de kerk. Naast mij zit Carla, kunstenares. Het is het verleden dat ons bindt. Een man, die voor altijd jong zal blijven in onze herinnering. Voor haar was hij een vriend met wie ze intensief correspondeerde, vijf jaar lang. Voor mij was hij mijn eerste vriendje, kort maar krachtig. Hij leeft niet meer. Op zijn zeven en twintigste is hij vertrokken en niet meer teruggekomen. Het was een enorm pak brieven, die ze nog steeds van hem had. Dat lag daar maar. Ze opnieuw allemaal lezen, dat wilde ze niet. Dat maakt teveel los. Wat dan? Ze kwam op het idee om ze aan een ver familielid te geven, die radiomaker was. Hij maakte er een mooie podcast van. Dat is geworden als een monument voor hem.

Nu kunnen we het weer hebben over zijn bijzondere persoonlijkheid, de jongen die zijn laatste reis maakte, en ons geschokt achterliet. Die eenzaam stierf in een ver land.

(Luister: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis)

Onverwerkte emoties vormen een mist, die dikker wordt zodra je er in stapt. Het is als stof over je ziel. Om de mist op te lossen, moet je erin. Je kunt het ontlopen, maar het gaat ten koste van de sprankeling, de creativiteit die we nodig hebben om deze wereld te genezen. Ook spullen met emotionele lading, die jarenlang blijven liggen, doen iets met je. Het gaat ten koste van je scheppingskracht. Daar moet je op een gegeven moment wat mee, wil je niet eindigen als een stoffig type. Opruimen is goed, en het beste nemen we mee de toekomst in. Sietse Drentje was in elk geval helemaal niet stoffig. Integendeel. Hij was een dynamisch mens, vol ideeën. Sommige ideeën zwerven nog altijd ergens rond, andere zijn in rook opgegaan. Maar hoe dan ook, we waren gefascineerd door zijn beweeglijke, hartelijke en creatieve persoonlijkheid. Bij het verwerken van het verleden kiezen we voor het beste, dat gebruiken we en zetten we voort. Carla heeft de brieven die hij schreef een nieuw leven gegeven. Ze liggen niet meer bij haar in een donkere hoek, het is een verhaal geworden, gemaakt door een man van de VPRO, en iedereen kan het beluisteren, zich laten ontroeren. Het is een mooie daad geweest.
Ik wijs naar de torenspits van de kerk tegenover ons. “Zie je daar? De zwaluwen cirkelen daar rond en pikken insecten van het dak. Mooi hè…” Ze kijkt. Ze kent het. “Dat zijn vliegende mieren. Op warme dagen komen ze uit. Die gaan heel hoog de lucht in.” Ik kijk naar ze, die vliegensvlugge vogels. Prachtige nesten bouwen ze voor hun jongen. Dit zijn hun laatste weken, voor ze weer vertrekken. Laten ze hun buik maar flink vol eten. Een lange reis zal het worden. Ik bid dat ze weer terugkomen. Allemaal. En dat ik kan zijn als de zwaluw, licht, wendbaar en beweeglijk, nog vele jaren, tot de laatste dag. Licht en beweeglijk, als Sietse. Maar tegelijkertijd toegewijd. Dat de plek waar ik ben mooier mag zijn als ik weg ga. Die twee dingen, allebei.

Ik vertel Carla dat ik een keer met Sietse naar een expositie van haar ben geweest. Het was in een tijd dat ze zoekende was hoe ze verder moest, als kunstenares. “Ik kan me jou niet meer herinneren” zegt ze. “Als je creatief wilt blijven moet je ruimte hebben, dus ook dingen vergeten”. Ik knik. Dat herken ik. Het is voor mij de basis van eenvoudig leven. Het gaat niet alleen over spullen, het gaat ook over een opgeruimd gemoed. Over het verwerken van dingen. Afscheid. Denken aan de doden en wat we van ze leren.

Een en twintig was ik. Sietse was mijn allereerste officiële vriendje. Hij was zes jaar ouder, schrijver, avonturier en vrijbuiter. Zijn vertrouwen in mensen was grenzeloos. Even grenzeloos werd zijn val, later, het ongewisse in. En het begon zo mooi en vol vrolijkheid.
We ontmoetten elkaar op creatief kamp Kijkduin. Daarop volgde een weekendrelatie, hij woonde in Hilversum, ik in Leeuwarden, waar zijn zus ook woonde. We schreven over de prachtige onontgonnen gebieden tussen ons, en we geloofden daarin. We tekenden grote rode harten voor elkaar en gloeiden van geluk wanneer we elkaars brieven lazen. Maar als ik naast hem zat kreeg ik steeds meer last van een brok in mijn keel. We zaten stijf van de spanning naast elkaar, en dan kwam er niks meer uit. Voor hij vertrok maakte hij het uit. Het was een brief waarop ik nooit zou kunnen antwoorden. Hij schreef dat hij niet wist wat hij met ons aanmoest en ging op de bonnefooi naar Turkije. Het goede geluk werd hem niet gegeven. Het bericht dat hij was vermoord, leek onwerkelijk. Daarna droomde ik een intense droom, die mijn hele leven is bijgebleven. Ik had van top tot teen kippevel, toen ik wakker werd.

Er is een man in het veld, een grijze herder met een baard. Hij heeft een staf in de hand. Hij loopt op me af, recht zijn rug en kijkt me aan. Dan heft hij de staf boven zijn hoofd. De herder lijkt te groeien en de goedmoedige houten staf verandert in een glimmend scherp zwaard. De stilte is plechtig en geladen, voor hij spreekt. Drie woorden maar.
“Ik moet wel.”

Dan word ik wakker. Dit is voor het eerst dat ik mijn verhaal met hem zo volledig in het openbaar vertel. Nu dus, dankzij Mathijs Deen, die deze radiodocu maakte.
In de docu wordt mijn naam niet genoemd. Alleen: “A. Komt hier dit weekend. ” Dat ben ik. Als de maker me gevraagd had, had ik hem dit verhaal verteld. In de docu komt het over alsof het niet meer was dan een flirt, één van de velen. Maar we meenden het met elkaar, die eerste maanden. Hij schreef ook veel over de dood en dat trof me. Ik herinner me een gesprek over de dood. Dat het een muur was waar hij overheen zou willen kijken, wat er was.
Ik ging met hem naar de schrijverskring van Simon Vinkenoog. Zo onzeker nog, dat ik niet durfde voor te lezen wat ik geschreven had. Ik herkende zijn reislust, nieuwsgierigheid en grenzeloos vertrouwen. Ik stond nog maar aan het begin. Maar die droom was voor mij een waarschuwing. Het sloeg op hem, maar ook op mij. Dit is één van de gebeurtenissen geweest met invloed op de rest van mijn leven. Het heeft me niet bang gemaakt, wel behoedzamer, meer geaard en minder naïef.
Als ik dit verhaal vertel, denken veel mensen aan hun eigen jonge, naïeve reizen, nieuwsgierig, op zoek naar avontuur, of zoekende naar een doel in het leven. Ze zijn dankbaar dat het goed is afgelopen. Bij mij liep het anders. Diverse gebeurtenissen hebben mijn reislust ingetoomd. Het is er nog wel, maar ik houd het aan de teugel. Mijn enige reis als volwassene is geweest de drie maanden door Noord Friesland, vijf jaar geleden. En natuurlijk in 1997, met de boot door Nederland. Toen was ik samen met mijn lief, Michiel. (Hij stierf in 2002). Dat dagboek heb ik bewaard, als een van de weinigen. Ik ben Nederland nauwelijks uit geweest.

Michiel hoefde ook niet verder. Hij verkende land en water vanuit de plek waar hij was, in steeds grotere cirkels. Op de kaart tekende hij dat af, met trots, dikke lijnen over waterwegen die nu tot zijn wereld behoorden. Hij had een bodem van wijsheid, die Sietse nog niet had. Maar Sietse was licht en wendbaar, terwijl Michiel zich al teveel hechtte aan wat hem omringde. Dat maakte hem eigenlijk best wel een stoffig type. Zijn liefde voor mij was het enige wat hem op het laatst nog gaande hield. Zijn motor, zijn liefde, zijn alles. Ik denk aan hem in dankbaarheid daarvoor. Hij had een heel groot hart en heeft mij veel gegeven.
Door hem, en door Sietse, heb ik veel geleerd. Ik probeer licht te blijven en wendbaar, zoals Sietse, en tegelijkertijd toegewijd aan de plek waar ik ben. Zoals Michiel.

Van allebei het beste. In de geest van hen, die mij dit leerden in liefde.

Nogmaals de link voor deze radiodocu die de moeite waard is om naar te luisteren: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis

.

Dwalen tijdens het wachten

Ronddwalen in een stad die je nog niet kent, maar waar je al wel thuishoort.

.

Rode beuk, Rengerspark

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Let op, het laatste stuk ontbreekt!

.

Daar sta ik dan. Het rolluik zit dicht. Pasveer is er niet. Waar moet ik nu mijn prints laten afdrukken? Het is inspiratiemateriaal voor het schilderen. Ik ga op de stoeprand zitten in de schaduw en eet kersen die ik net heb gekocht op de markt. De pitten spuug ik zo ver mogelijk de straat op. Tot de buurvrouw langs komt lopen. Dan stop ik de kersenpit netjes terug in het bakje en sta op. “Goedemorgen, kunt u mij helpen?” Ik vraag haar of ze iets van de drukker weet. Zijn ze op vakantie? Ja, zegt ze. In de Singelstraat zit ook een drukker. Heel vroeger kwam ze daar. Ik fiets erheen maar ze hebben nu pauze. Ik moet nog anderhalf uur wachten. Verdorie, dat is best lang. Maar dan bedenk ik me dat dit een mooie gelegenheid is om weer eens rond te dwalen.

Aan het einde van de Singelstraat pronkt een statig gietijzeren hek, met grote bomen erachter. Ik heb het in het voorbijgaan wel eens gezien, maar heb er nooit aandacht aan geschonken. Nu loop ik erheen. Er blijkt een prachtig park achter het hek te liggen, het Rengerspark. Een mooie laan nodigt me uit om verder te lopen, het lommerrijke gedeelte in. Onder een schone glasplaat zie ik een foto van twee mannen. Rengers, de opdrachtgever, en zowaar, een oude bekende! Het is de oude Copijn. Hendrik Copijn, uit Groenekan! Hij is degene die dit allemaal ontworpen heeft! Ik voel me helemaal thuiskomen, bij het lezen van die naam. Zo zie je, dat dit soort dwaaltochten je pas echt thuisbrengen in een stad waar je nog geen wortels hebt. Utrecht is nog steeds mijn stad. Ik ken elke steeg, elk stukje water, en vele geschiedenissen. Zo vertrouwd zal Leeuwarden waarschijnlijk nooit worden. Of wel? Nu sta ik hier, in het park van een oude Copijn. Ik heb een tijdje bij Copijn gewerkt als assistent hovenier, en natuurlijk weet ik dat ze tot over de grenzen bekend zijn om hun boomchirurgie. Geen enkele familie in Nederland is al zolang in het tuinvak bezig als Copijn, die nog steeds vanuit Groenekan opereren. Tweehonderdzestig jaar gaat dit al door, van vader op zoon. In mijn kast ligt een inspirerend boek van boomchirurg Jorn Copijn: “Bomen laten leven”.

.

Hendrik Copijn, 1842-1923, Foto uit Rengerspark

.

Hier loop ik nu, tussen de platanen, de beuken, de taxis en de heesters. Een groen grasveld verdwijnt in de schaduw van majestueuze kruinen. Kronkelpaden leiden me daar verder het donker in. Steeds dichterbij schittert het heldergroene licht van een met eendekroos bedekte vijver. Een menigte watervogels scharrelt op de kant, met uitgestoken nekken. Ze kijken allemaal dezelfde kant op. Daar staat een vader met een zak in de hand, een klein blond joch staat naast hem eendjes te voeren. Een vertrouwd tafereel. Het zonlicht speelt tussen de bladeren en werpt blauwe schaduwen op de groene vijver die bewegen in de wind. Op het bankje ernaast zit een lange grijze man aandachtig rond te kijken. Terloops kijkt hij me aan. Ik glimlach vriendelijk naar hem. Onder de rode beuk kijk ik omhoog. Het licht in het blad is schitterend, met allerlei variaties groen en donkerrood. Ja, ik heb dit gemist, de grote bomen waar ik dagelijks langskwam in Utrecht, mijn stad. De dikke stammen die ik aan kon raken, de brede kronen van blad. Het diffuse licht onder hun aaneengesloten kruinen, op dagen dat de zon onverbiddelijk hard scheen. Hier staan ze dan, mijn lieve bomen, als oude vrienden.

Hendrik Copijn, de man die dit in 1904 ontwierp, heeft dit nooit kunnen zien. Ik ben dankbaar dat hij er was. Als enige tuinarchitect met een eenvoudig, betaalbaar plan. Ik loop terug, het park uit. Het is twee uur. Eens kijken of de deur van de drukkerij alweer open is, daar, in de Singelstraat. Wat heb ik weer lekker rondgedwaald. Wellicht wordt het nog wat, hier in Leeuwarden.

.

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

.

Ik lees zojuist dat de kinderen van Lia en Jorn Copijn het bedrijf niet wilden voortzetten, en het overgegaan is naar Arcadis. Jammer.

Wandeling naar oude tijden

Ik wandel zonder doel, en kom precies tegen wat ik zocht. De oude tijden, landschappen van ooit, die nog steeds voor mijn netvlies hangen.

.

Terp van Hegebeintum, waar ooit de zee rond stroomde.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Soms ga je zonder doel aan de wandel, en dan kom je precies tegen wat je wilt zien. Dat overkwam mij vandaag.

Omdat ik nu drie maanden lang het koffie-uurtje met Dick moet missen, doe ik nu vaker andere dingen. Dat is eigenlijk best verfrissend. Ik raad het iedereen aan, om af en toe, op geheel eigen wijze, dingen voor jezelf te doen. Dit keer ga ik aan de wandel zonder doel. Verrassingen, daar heb ik altijd al van gehouden. Geef mij geen routebeschrijving, zet me uit in een oud bos of historische woonwijk en ik kan weer heerlijk dwalen. Wat ga ik vandaag doen? Eerst denk ik: Ik stap in de eerste beste bus die vertrekt. Maar dan komt de gedachte op waarin ik mezelf al vele jaren train: Waarom zou ik weggaan? Ik ken Leeuwarden eigenlijk amper, en ik woon hier al drie en een half jaar. Ik heb hier nog geen enkel museum bezocht, ik ken de straatnamen nauwelijks en er zijn vele hoekjes waar ik nooit heb gekeken. Ik loop weg van het station, de stad in. Er staan posters langs de weg. “Museum Prinsessehof.” staat er op. Waar zou dat zijn? Misschien wel bij de Prinsentuin. Die weet ik wel te vinden. Prinsen en Prinsessen horen immers bij elkaar. Ik associeer er vrolijk op los. Na een paar straten en het oversteken van twee bruggen, kom ik er, de Prinsentuin doemt voor me op, de hoge beuken, het kortgemaaide gras. Aan de oever van de singel onder de bomen zit een grote groep jongeren. Ze zitten dicht op elkaar. Ze praten en lachen en sommigen zingen een paar regels mee met de muziek. Er is er maar één van de vijftig die op zijn mobiel zit te kijken. Er komt een bootje voorbij, het lijkt op een varend bushokje, met op het dak zonnepanelen. Ze wuiven naar elkaar, de lui op de kant, en de schipper.

Ik loop door tot aan de vijver. In het midden zit nog altijd een meerkoet te broeden, in een groene vlakte van eendenkroos. Achter de vijver loopt het omhoog. Bovenaan is het terras. Het restaurant. Mensen met koffie en gebak. En er is nog een gebouw. Ik heb er nog nooit gekeken. Is het een museum? Kennelijk wel, want er staan beelden voor het raam. Maar de deur is gesloten. Het is donker binnen. “Piet Pander Museum” staat er boven de deur. Dus geen Prinsessehof. Dan maar verder.

Rustig kuierend loop ik het park uit. Daar kom ik bij een nieuwer gebouw, met grote ramen. Het ziet er niet erg prinsessig uit, eerder zakelijk. De twee glazen deuren staan open. Als ik naar binnen loop, zie ik links van me een wand vol boeken en folders. Recht tegenover de ingang zit een vrouw, achter een balie. “Wil je zomaar wat rondkijken?” vraagt ze rustig. Mijn blik gaat aarzelend door de ruimte. “Ja, ik dacht: Eens kijken wat dit is.” Ze glimlacht. “Dit is het historisch centrum. Het is gratis.” Verrast lach ik terug. “Je kunt hier je jas ophangen” wijst ze me, en ze staat op van haar stoel om me te helpen.

In een klein donker hok staat een kruk. Er draait een film. Het gaat over de geschiedenis van Leeuwarden. Ik zie hoe de eerste nomaden na de ijstijd hier af en toe hun kamp opsloegen. Dan komen de eerste Friezen die er hun terpen gaan bouwen. Een enorm werk, helemaal gemaakt van opgestapelde plaggen en stront. Er gaan beelden voorbij van de eindeloze vlakten met alle kleuren groen, terra, en geel, die de betoverende kwelders kunnen hebben. Ik stel me voor dat ik daar sta. Hoe het klonk, het geluid van wegtrekkend water. Hoe alles borrelde en stroomde. Al die vogels die het luchtruim vulden met hun kreten. En dan de mensen, klein en bescheiden scharrelend daar tussenin. Wat zou ik graag weer zo klein willen zijn, in die grote bewegende wereld!

De film gaat door. We zien de zee, die via een arm een stuk landinwaarts loopt. Daar liggen drie terpen. Ze zijn verbonden met elkaar, door wegen. Of boten, als het hoogwater is. Dit is het begin van wat later Leeuwarden werd. Op twee terpen wonen mensen, het derde is voor religieuze rituelen. Ik vlieg als een meeuw boven het landschap en zie zeilschepen verdwijnen naar de zee. Ze zullen Scandinavië bezoeken of Engeland. In die tijd liep al het verkeer nog over de weidse wateren en nauwelijks over land. Omstreeks het jaar 1200 begonnen de Friezen in te polderen. Vanaf dat moment was het afgelopen met de zee, de terpen liggen nu op het droge. Maar ook de magie verdween. Een proces dat steeds verder ging.

Als ik naar buiten loop, zie ik het nog steeds voor me. Wel 1700 jaar hebben de Friezen zo geleefd. Het ingepolderde land waar ik woon is nog maar 800 jaar oud. Zullen wij het nog 900 jaar volhouden? Waarschijnlijk is het dan allang weer zee. Dankzij onze moderne levensstijl. In gedachten ga ik terug. Ik zie de terpen, als eilandjes tussen de kwelders. Ik zie voor me hoe het ooit was. Een film die bijna echter is dan de werkelijkheid, die nog maar een fractie duurt van de tijd wat dit ooit was.. Al eerder werd ik gegrepen door de magie van wat hier is geweest. Ik heb er destijds een eenmalige voorstelling over gemaakt: “Beitske”. Expres vertelde ik maar één keer voor publiek. Wat ik nu zie, als verrassing van de dag, sluit daar naadloos op aan. Heel langzaam loop ik terug, naar de drukte van de stad en het station erachter. Dan schud ik de beelden van me af. Voor me uit hoor het gepiep van poortjes. Het station. Terug naar Deinum nu, waar mijn fiets staat. Steeds weer komen de beelden terug. De indrukwekkende ruimte van zee en land. Geef dat het weer terug komt: Het overweldigende grote, dat machtiger is dan wij. We hebben het nodig.

.

Compositie van kwelders en zee, ruig en wild, een bewegend landschap rond de terpen van ooit.

.

Naar de Vlierhof en weer terug

(Deze week geen luisterversie)

.

.

Er is een huis vol mensen, en telkens zijn er weer anderen die komen en gaan. Dat is de Vlierhof in Duitsland. Ik ben er, voor even.

Er is een man, hij is dirigent, maar ook in gesprekken weet hij de aandacht goed te verdelen onder sprekers en luisteraars. Hij raadt me Emma Curby aan, een zangeres die middeleeuwse liederen zingt. Hij luistert rustig en inspireert me.

Er is een tuin vol winde, en ik probeer zoveel mogelijk weg te halen, vóór de bloemknoppen komen. Ergens anders loopt een man met een grijze krullenbos. Ik ken hem goed. Hij knipt paarse bloemen uit enorme distels. De bijen vliegen weg.

Er is een tuinvrouw die klaagt over slakken. En de schimmel tast het loof aan door de vele regen maar toch is ze wel blij met de aardappeloogst. We plukken handenvol zwarte bessen en frambozen.

Er is een jonge vrouw met een wit kanten rokje en een rode doek over het hoofd, die ik Roodkapje noem. Ze houdt van bloemen, planten en aarde en de tuinvrouw is blij met haar.

Er is een kind van negen maanden. Aan tafel zit de moeder en een vrouw met een dikke buik die dat nog wordt. In een klein huis tussen de bomen staat een schommelwieg van hout, vlak voor het raam.

Er is een man die jarenlang rondliep zonder bezit, zo vrij als een vogel. De man speelt met het kind dat op tafel zit. Terwijl hij een boek leest, houdt hij zijn blote voet tegen haar ruggetje, zodat ze niet naar beneden dondert.

Als ik terugga wacht ik op de juiste lijndienst. Er is wel een andere bus, een hele lange met een knik ertussen, als een rubberen harmonica. De buschauffeur, een vrouw met blonde krullen, leert achteruit inparkeren op de kleine bushalte. De rij-instructeur zit naast haar. Terwijl ik kijk doet ze het wel zes keer. Sommige auto’s toeteren terwijl ze moeten wachten. Ze willen er langs maar het kan niet.

Het is een lange reis, en ik val bijna om, als ik op mijn stoel in slaap val. Er hangen donkere wolken boven Leeuwarden, maar als ik uitstap is de regen voorbij. De Friese woorden op de borden zijn vertrouwd. Ik kom weer thuis.

Bezoek

Wat een verrassingen deze week!

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Vanuit de verte gezien zijn er twee bosjes in het Friese weidelandschap hier, vanaf ver te zien, een groter en een kleiner bosje. In het grote wonen de anderen. En daar staat de boerderij. In het kleine bosje woon ik.Vaak heb ik het me voorgesteld. Hoe er voor mijn woonwagen een paar kleintjes zouden komen. Kleine woonwagentjes, lief en helemaal in harmonie met de bomen, de bloemen en het veld. Net als de mijne. En dat we met elkaar een dorpje zouden vormen. Mensen met wie ik kan lezen en schrijven en deuren kan openen naar een andere tijd. Maanden gingen voorbij, terwijl ik werkte aan de biodiversiteit. Er kwamen busjes over de weg, en ook heel veel auto’s, luxe caravans en een tiny house van vier meter hoog. Ik dacht dat ze nooit zouden komen.

Maar deze week kwamen ze. De kleine woonwagens, echt heel erg klein. Ze noemen ze fietscaravans. “Heb je ze al gezien” zei mijn buurman “Ze staan bij jou op het veld!” Ik liet de tak los, die ik wilde afknippen, stopte de snoeischaar in mijn fietstas en ging er gauw naar toe. Ze hadden zich al aangekondigd, via de mail. En daar staan ze nu. De twee fietscaravans met fietsen ernaast. Vrolijke jonge gezichten begroeten me. Net als ik, toen ik op reis ging, hebben ze hun huis achtergelaten, toen ze weggingen. De huur is opgezegd. Dit is alles wat ze hebben. Ik laat ze mijn kas zien, daar mogen ze gebruik van maken. Er staat een tafel in, twee luie stoelen en een bureaustoel. Nu gaan ze daar hun gang. Ik heb het gevoel alsof ze hier al heel lang zijn. Maar straks gaan ze ook weer weg. Een droom komt zelden in één keer uit. Het groeit als bloemen. Eerst is er eentje. Dan komen er meer.

Gaandeweg wordt duidelijk wat het betekent, wanneer iemand echt aanwezig is, zoals zij. Het is wezenlijk anders, dan wanneer mensen alleen maar op vakantie zijn. Anders ook dan bewoners, hier op de boerderij, die elk met hun eigen dingen bezig zijn.
We hebben het over thema’s die we gemeen hebben. Hoe het is om je los te maken van de snelle wereld. Wanneer je onderweg bent, je bezit niet groter dan wat je bij je hebt, lijkt de wereld een mallemolen. Jij staat stil in het midden, als in het oog van een orkaan en alles raast langs je heen. Mensen zijn druk om zich te verplaatsen van hier naar daar en jij hoeft niks. Je bent wie je bent, en waar je bent, zonder gedoe of franje. Hoe klein ben je dan! Dat kan een diep gevoel van eenzaamheid geven.
De eenzaamheid is nu vervlogen, nu wij samen op dit veldje staan. De snelweg raast door zonder ons, de vogels fluiten terwijl wij praten. Ze gaan ook weer verder, precies wanneer ze zin hebben. Ik heb gezegd dat ze terug mogen komen wanneer ze willen.
Ook zij bouwden hun ding helemaal zelf. Ze weten nu hoe het is, onderweg zijn met iets dat zo bijzonder is en helemaal van jezelf. De twee superkleine minihuisjes zijn op dezelfde wijze gebouwd, de ene is blauw, de andere groen met roze. Het is het model van een schaftkeet, met een halfrond dak en rechte wanden. In de deurtjes zitten raampjes als een halve maan en er hangt een kleurig gordijntje voor. Binnen zijn een paar ondiepe kastjes, en een bed. Er is een constructie om een tafeltje te maken. Alles wat je nodig hebt is er. Onderweg zijn met zoiets, trekt ogen. Iedereen komt naar je toe. Ze hadden niet gedacht dat dat zoveel energie zou kosten, al die kijkers die steeds dezelfde vragen stellen. Maar toch is het goed. Mensen helpen herinneren hoe het ook anders kan. Veel mensen in Vinex wijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben. Hoe kijken zij hiernaar? Een leven met zo weinig spullen? Wie van hen kan het zich voorstellen, dezelfde stap te maken? Het is moedig, om zo vol vertrouwen te zijn. De overtuiging te hebben dat je op de juiste tijd een plek vindt waar je weer kan landen. Ik weet niet hoelang ze blijven. Dat maakt niet uit. Ik ben blij met ze.

Nieuws: Wat een ondersteuning heb ik gekregen! Het is een hart onder de riem. In een paar dagen tijd is het aantal aanmeldingen voor mijn boek gegroeid van vijftien naar vijftig! Dat betekent een veel voor me. Het geeft me energie om door te gaan. Dus iedereen die zich aanmeldde: Heel hartelijk dank. En er is nog iets om blij mee te zijn.
Inmiddels heb ik eindelijk ook mijn eerste uitgever gesproken van mijn eerste boek. Ik kon hem maar steeds niet bereiken, en was dus maar naar een ander gegaan. Maar nu was hij er weer. Hij kwam net uit de lappenmand en heeft voorlopig geen tijd. Maar we hebben afgesproken dat we in november of december bij elkaar komen. Helemaal passend bij het thema: “De heilige traagheid der dingen”. Het duurt even, maar het komt! Ondertussen zie ik genoeg passages die nog beter kunnen. Dus ik werk er met veel plezier aan door, als ik dan toch de tijd heb. Dit geeft me echt een goed gevoel. Dat jullie van je hebben laten horen, als potientiële lezers en dat mijn oude trouwe uitgever weer bij positieven is. Super!

.

Een mooie binnenkomer

.

Soms gebeurt er zomaar iets, waardoor je je meteen weer voelt alsof je tien bent. Het leven lacht je toe! Dat gevoel had ik vandaag, toen ik de kunstacademie in Leeuwarden bezocht.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“Waar kan ik terecht voor het winkeltje?” vraag ik. Na het weekend van de introductiecursus voor olieverf, wil ik nog wat spullen kopen. De ontvangsthal van de kunstacademie heeft een prettige sfeer. Hoewel het een middenruimte is met weinig ramen, doet het toch licht en ruimtelijk aan. Er staan tafels, een koffie-automaat met van alles te kiezen, en aan de witte muren hangen schilderijen. Aan diverse kanten zijn gangen en deuren, die naar elders leiden. Een groep vrouwen is bezig ruimtelijk werk neer te zetten, en in een drom staan ze om een paar keramische voorwerpen heen. “Zo mooi om te zien dat we ook elkaar beïnvloed hebben!” Hoor ik boven het geroezemoes uit. Eén van de vrouwen heeft zich losgemaakt van de groep. Ze heeft me zien binnen komen en heeft mijn vraag gehoord. “Daarvoor moet je zijn bij de administratie. Daar zit altijd iemand.” Gauw draait ze zich weer om naar de anderen.
Ik kijk om me heen, maar ik zie niet waar ik naar toe moet. Bij de tafel staat ondertussen een forse vrouw kopjes te verzamelen. Ze glimlacht hartelijk naar me. Ik herinner me de vorige keer dat ik hier was. Toen stond er ook een glimlachende vrouw naast de deur. Ze was een vrijwilliger, hoorde ik later. Ze heette me welkom en zei dat ik zelf koffie mocht pakken en koek erbij. Daar denk ik nu aan. “Bent u vrijwilliger?” vraag ik dan ook aan de kopjes opruimende vrouw. In de groep vrouwen klinkt onderdrukt gegrinnik. Dit maakt me verlegen. Heb ik iets geks gezegd? Maar de vrouw voor me glimlacht kordaat en kijkt me hartelijk aan. “Ja” zegt ze, “Ik ben vrijwilliger. En ik ben ook de directeur.” Ze doet twee stappen naar me toe en steekt haar hand uit. “Doet Boersma,” zegt ze. Ik ben meteen op mijn gemak. Ze legt uit wat de vrouwen aan het doen zijn. Ze werken aan een expositie voor het werk dat ze maakten. “En waarvoor ben jij hier?” Ik vertel over de cursus die me zo’n goed gevoel gaf. Dat ik nog iets wil kopen maar dat ik ook nieuwsgierig ben naar de rest van de activiteiten hier. Ze wijst me de deur.

Achter de deur staan twee tafels en drie stoelen. Twee ervan staan achter een bureau, de derde staat er precies tussenin. Op de ene zit een blonde vrouw. Ik steek mijn hoofd om het hoekje. “Hallo, moet ik hier zijn voor de administratie?” De vrouw staat op en geeft me net als de directeur een hand. “Ik ben Sieta” zegt ze. Ik knik haar vriendelijk toe en noem mijn naam. “Kan ik vier blanco doeken kopen?” vraag ik dan. Dat kan. Ze loopt naar het winkeltje, pakt de doeken en loopt gelijk weer terug. Maar net als we willen afrekenen gaat de telefoon. Het is iemand die zich wil opgeven voor de beroepsopleiding Beeldend Kunstenaar. Het duurt wat langer. Ik hoor het aan en ga zitten op de derde stoel, die kennelijk bedoeld is voor bezoekers als ik. Het gesprek duurt even. “Ja, ik begrijp het. U wilt een diploma,” hoor ik. Ze legt het uit en aan de andere kant van de lijn zit een gespitste luisteraar. Ze vertelt dat je twee dingen kan doen om te worden toegelaten. De vooropleiding of een toetsing laten doen van je bestaande werk. Ook ik spits mijn oren. Dit is wel interessant. Als ze even later ophangt buigt ze zich meteen over haar bureau. “We zullen eerst maar even afrekenen, dan kan je weer weg.” Maar het telefoongesprek heeft iets wakker gemaakt. “Eigenlijk wil ik wel meer weten over de opleiding.” Ze kijkt me vrolijk aan. “Dat kan hoor!” Ze kijkt naar de openstaande deur. Er komt juist een tweede vrouw binnen, die kennelijk aan het andere bureau thuis hoort. “Dan moet je bij haar zijn.“ De vrouw ziet me zitten op de stoel die pal naast de hare staat. Ze kijkt enigszins verrast maar lacht me dan hartelijk toe. “Ik ben Teasieta” zegt ze. Verbaasd kijk ik opzij naar de andere vrouw, Sieta was het toch? Glimlachend knikt ze.
“Je hebt dus interesse voor de opleiding.” gaat Teasieta verder. “Wil je een toetsing doen voor de toelating?” vraagt ze me. Ik knik grijnzend. Waarom niet. Dit is geinig. “Het kost veertig euro” zegt ze “En dan krijg je feed back.” Ik knik goedkeurend. “Ik houd van feed back.” We praten nog wat verder over wat deze keuze inhoudt, en de grijns verdwijnt niet meer van mijn gezicht. Sinds ik hier dit weekend met de olieverfcursus begon, voel ik me weer helemaal in mijn element. Volgens mij heb ik mijn volgende spoor gevonden. Opnieuw leerling worden, als gelijke tussen anderen. Met elkaar praten over ieders werk en filosoferen over het leven, de natuur en de kunst. Na alle noeste arbeid van de afgelopen jaren ben ik daar wel aan toe.
De bodem van de aarde vraagt om onze verantwoordelijkheid. Ja dat is zo. Maar vooral in je eentje wordt dat gewicht op een gegeven moment teveel. “Kijk maar uit dat je geen stugge Fries wordt!” zei de boer nog tegen me, in de nazomer, toen ik weer eens met vuile handen en vieze klompen naast hem stond. Ja. Hij had gelijk. Verantwoordelijkheid voor de aarde en creativiteit horen hand in hand te gaan. Gewicht moeten we met lichtheid vervlechten. In alles bestaat evenwicht en balans. Dit te vinden, elke keer opnieuw, dat is het avontuur. Een avontuur, dat is het!

Als ik de deur uitstap van de administratie, staat de directeur nog bij de tafels. “Wat was uw naam ook al weer?” vraag ik nieuwsgierig. “Doet!” roept ze uit. “De vervoeging van dóen!” Ik lach hardop. Ja, DOEN. Zo is het. Te gek, een directeur met zo’n naam. Dát is pas een binnenkomer!

.

PS: De opleiding bestaat uit modules. Je kan zelf kiezen hoeveel modules je doet, per jaar. Je kan het in vijf jaar afronden, maar je mag er ook vijftien jaar over doen. Ik kies voor het laatste! Als ik zover kom...

Trage technieken die het hart verwarmen

Dingen langzaam doen is het geheim van transformatie.” Over een gedenkwaardige ontmoeting in de trein en een ontmoeting met olieverf.

.

Heeee, de gordijnen open! Dat doe ik zelden in de nacht. Maar voor een fantasie is het wel heel mooi. Het werkelijke schilderij heeft trouwens meer kleuren dan mijn camera weergeeft in deze foto.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Ooit zat ik in de trein tegenover een jonge vent. Het was een lange reis, we zaten allebei wat uit het raam te staren, niet afgeleid door laptop, boek of telefoon. Op een gegeven moment raakten we aan de praat. Hij vertelde hoe hij gegrepen was door virtual reality. Gepassioneerd begon hij te vertellen en raakte almaar meer in vuur en vlam. Wat er al niet mogelijk was! Hij stelde zich voor dat we met een virtuele wereld de aarde uiteindelijk helemaal niet meer nodig hadden. Dat we dan in onze eigen bubbel de ruimte in konden. Space! Waarheen dan ook, wat maakte het dan nog uit? Ik keek hem verbaasd aan. “Dan ben je volgens mij gewoon dood”, zei ik. Leven op aarde betekent naar mijn idee dat je eet en poept. Dat we een deel uitmaken van de kringloop, die ons voedsel geeft en alle materialen die we nodig hebben om ons het leven aangenaam te maken. Niks supersonisch of flitsend. Heel gewoon en tegelijkertijd bijzonder. Hij was even stil, daarna.

Ja, ik denk dat je met techniek een hoge vlucht kan nemen. Heel hoog. Hoe ongelooflijk ver de wetenschap ons ook mag brengen, één ding is duidelijk. De grond is onze basis. En het besef dat iets maken, echt zelf maken, helemaal niet zo snel gaat. Het laten groeien van een bosje, voor voedsel, hout en beschutting alleen al, duurt jaren. Alle materialen die je nodig hebt zijn er echt niet zomaar. Doe het helemaal zelf en ontdek het. Het eigenhandig timmeren van je eigen huis of speelhut voor de kinderen kost tijd, je hebt een werkplan nodig en gereedschap.

Maar helaas, tal van oude ambachten raken vergeten. De timmerman gebruikt steeds minder schroeven. Superlijmen maken het mogelijk dat er van alles gewoon aan elkaar kan worden geplakt met supersterke tape. De kunstschilder en graficus van vroeger wordt nu verleid door de talloze mogelijkheden van digitale teken en schilderprogramma’s. Je maakt geen vieze handen en het gaat veel sneller. Een leuke aardigheid en het verzenden kost nauwelijks moeite. Maar wat mis je, door dit alles? Heel veel, volgens mij. Is het niet juist de moeite, die het de moeite waard maakt?

Het is zaterdagmorgen. Ik heb me opgegeven voor een cursus olieverf schilderen. Het gaat er dit weekend om de basistechnieken te leren. Het is een ruim licht lokaal. Er staan grote tafels, elke keer twee tegen elkaar geschoven, de hele lengte van het lokaal. Als ik binnenkom staat alles klaar. De schildersezels, het pallet met verf, mijn naam erbij. Een hele tafel voor mezelf. Dertien anderen kunnen ook aanschuiven.

De docent is een vrouw, Candice heet ze. Ik schat haar evenoud als ik. Ze heeft een rustig, vriendelijk gezicht met bruine ogen. Gedetailleerd vertelt ze ons waar we op moeten letten. Ze vertelt met warmte in haar stem over de prachtige mogelijkheden van olieverf, hoe organisch je ermee kan werken, en hoe heerlijk ze het vindt dat het niet snel droogt. Je hebt de tijd, meer nog, het vráágt om tijd. Er zijn middelen om de droogtijd te versnellen, maar waarom zou je dat doen? De tijd nemen zorgt ook dat je afstand kan nemen, dat je het telkens weer met een nieuwe blik kan bekijken.
Er zijn in onze tijd veel middelen die zorgen dat alles sneller gaat. Ook bij olieverf. Maar je kan ook je schilderij opzij zetten en tijdens het drogen met nog drie andere beginnen. Is het dan nog niet droog, neem dan een kruk en ga er maar gewoon eens naar zitten kijken. Wie weet brengt het je op goeie ideeën.

Als ze even later door het lokaal loopt, praat ik erover met haar. “Dingen langzaam doen is het geheim van transformatie” vertel ik haar. Het is de spreuk die ik deze week las op de filosofiekalender. De levensfilosofie van de Japanse kaligraaf Tanahashi. Haar ogen beginnen te glanzen. “Wat mooi!” zegt ze. “Ik heb zoveel bewondering voor de Japanse schilderkunst, de concentratie waarmee die mensen werken. Daar kunnen wij in het Westen nog veel van leren.” Haar fijne ronde gezicht is geplooid in een frons. “Mensen kunnen niet het meer laten zijn, gewoon even niks doen en kijken. En er zijn zoveel afleidingen, die ons kant en klaar worden aangeboden. Alles moet zo snel mogelijk resultaat opleveren. Ik vind het zorgelijk. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we oude trage technieken blijven doorgeven aan nieuwe generaties.” Ja, ze beseft heel goed wat haar drijft. De schoonheid, de warmte van het materiaal, maar ook de oude filosofie erachter heeft diep wortel geschoten in haar liefde voor dit vak.

Uiteindelijk zitten we allemaal te schilderen. Hoewel er vijftien mensen in het lokaal zijn, is het muisstil. Als je je ogen dicht doet, zou je zeggen dat je in je eentje in een lege zaal stond. Even laat ik het penseel werkeloos in mijn hand liggen en verbaas me erover. De concentratie van al die mensen is als een warm bad. Ik ken het resultaat nog niet van wat ik maak. Maar alleen dit al is een verademing. Dit werk, de tijdloosheid en de stilte met al die werkende mensen. Daar kan geen digitaal tekenprogramma tegenop.

.

.