Met vrouwen

Een week weg met vrouwen.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan.

.

De wind trekt aan onze mutsen en mouwen. Het is nog donker, als we de dijk oplopen bij Zwarte Haan. Met mijn regenbroek en laarzen aan ploeg ik tegen de wind in. Twee vrouwen lopen naast me. Een zak met plastic zooi sleept achter ons aan. “De vuurtoren die we nu zien is van Ameland,” zegt de één. “Zie jij er nog meer?” vraagt de ander, maar we zien niets dan bewolkte duisternis over het weidse water van de Waddenzee. Groepen vogels vliegen op boven de buitendijkse kwelders. Een haas, die beschutting had gevonden in een grote berg gemaaid riet, rent weg. Ik sta stil tot ik hem niet meer zie. We kijken hem na. De wind is fris en wild, en steeds speuren mijn ogen langs de horizon waar langzaam het daglicht gloort. De lucht wordt helderder. De vuurtorens als bakens in nacht, ze moeten ergens zijn. “Kijk daar, recht voor ons uit!” roep ik. De anderen zien het ook.

Voor het eerst ben ik weer eens terug in Zwarte Haan. Het is een kort bezoek, zoals iedereen wel eens zo’n toeristische locatie bezoekt. Deze week logeer ik vlak bij, vlakbij de plek waar ik in 2019 langs trok en het verhaal van de plek en zijn bewoners zo uitgebreid beschreef in mijn boek, Langs kantelende wegen. Ook toen stormde het en het was de enige plek waar ik beschutting vond. Er is nu niemand. Niet op straat en niet bij de huizen. Ook de dijk is verlaten. Ik weet niet hoe het met ze is, de bewoners nu, bijna vijf jaar later.
We lopen terug terwijl de wind langzaam afneemt. Hij duwt ons voort, stevig in de rug, terwijl boven ons hoofd de meeuwen sierlijk zweven in de luchtstroom boven de dijk. Stralend blauw verschijnt aan de schoon geveegde hemel. De auto staat op de uitgestorven parkeerplaats. Hoewel ik er nooit meer in zit ben ik meteen alweer gewend aan de cocon die ons moeiteloos vervoert. De blauwe hemel boven me neemt plaats voor een metalen dak. De wagen brengt ons waarheen we willen. Maar we gaan niet ver. We rijden terug naar de boerderij, waar ik deze week met twaalf andere vrouwen doorbreng. Een week vol lekkernijen, warme baden, en lange wandelingen. Stromend water en gesprekken die kabbelend voortduren. Vrouwenstemmen in de keuken klinken ons tegemoet en binnen ruikt het naar pas gebakken brood. In de rode kamer wachten klankschalen, om vanavond onze nachtrust in te luiden. Maar zover is het nog niet. De wind rukt voor een laatste keer aan mijn muts, voor ik naar binnen duik, de warmte in.

.

.

Voorbij het persoonlijke

We kunnen ons focussen op onze eigen ontwikkeling, onze eigen gezondheid. Maar dan begint het pas. Want we hebben vooral elkaar hard nodig om de aarde en de samenleving gezond te maken.

.

Voorbij het persoonlijke

Ik ben bij Josie. Josie woont ook in een woonwagen. Ze is een kleurrijke vrouw en haar deur staat altijd open voor gasten. Lang geleden was ze eens bij me langs geweest, en ik besloot haar nu ook met een bezoek te vereren.
Ze schenkt me koffie in met havermelk en al snel raken we in een boeiend gesprek. “Ik ga een cursus doen,” zegt ze. “Het gaat erover dat je gezondheid van binnenuit kan creëren.” Haar ogen glimmen. “Ik ben heel benieuwd…. Je zou zelfs je eigen kanker kunnen genezen.” Dat laatste klinkt voorzichtig.
“Dat is mooi,” zeg ik en ben even stil om het op me in te laten werken. “Toch vraag ik me af, ligt de oorzaak wel altijd in jezelf? Als het Pfas verbindingen regent is het dweilen met de kraan open, lijkt mij.” Ze schrikt op. “Ja natuurlijk moeten we dat óók aanpakken.”
Ik wil haar verhaal niet meteen afbreken met mijn opmerking. Dus ik ga in op wat ze eigenlijk bedoelde. “Ik heb ooit mijn been gebroken. Het was een frontale botsing waarbij ik de dood in ogen heb gekeken. Ik was nog jong en heb daar veel van geleerd. Zou dat voor elk ongeval kunnen gelden?”
“Ik denk dat je er zelf voor kiest, wat er in je leven gebeurt” zegt ze.
“Ze zeggen wel eens, je krijgt wat je aankan. Bedoel je dat?” vraag ik haar.
“Ja, dat. Pech bestaat niet. Dat denk ik. Alles is een kans om als mens te kunnen groeien.”
Ik neem een slok van de heerlijke koffie en vind het een mooie uitkomst. We praten nog lang door. Tevreden verlaat ik uiteindelijk haar woonwagen en we zwaaien goedendag.

Ik stap de trein in, en laat het Friese land aan me voorbij glijden. Ondertussen vraag ik me af of pech echt niet bestaat. Als je van je eigen frustraties kanker krijgt is dat niet wat anders dan wanneer je het krijgt terwijl je naast een bollenveld woont? Als mijnbouw de rivier vergiftigt, de rivier waarvan je volk afhankelijk is, is dat dan ook een levensles? Als domme pech niet bestaat, bestaat goed geluk dan ook niet? Ik denk toch echt dat ik van geluk mag spreken, met mijn acht en vijftig jaar in Nederland. Al ging mijn persoonlijk leven niet over rozen, om mij heen is in elk geval geen oorlog en geweld. Er was rust om te verwerken. Die rust heeft niet iedereen. Ik heb nooit hoeven vluchten. Godzijdank.

We zwemmen en zeilen onze eigen routes. Voor de één is het spelevaren, de ander kan nauwelijks het hoofd boven water houden. Zijn we niet ook verantwoordelijk voor elkaar? Met elkaar maken we immers de wereld zoals die is.

“Mensen willen graag dat het leven maakbaar is, maar dat is het niet. Niet altijd.” zegt archeoloog Martine van den Berg. Ik las over haar in het Nederlands Dagblad. Ze deed onderzoek naar de invloed van rampen op de samenleving en kwam erachter dat er maar bar weinig wordt geleerd. “Gewoontes zijn hardnekkig, en slijten even hard als marmer” zong Herman van Veen. Water moet eerst tot de lippen staan, wil een samenleving veranderen, zegt Martine. Een kleine groep wil wel, maar vormt dan nog steeds een minderheid. Neem klimaatverandering. Of de pandemie. Inmiddels weet iedereen dat er wat moet gebeuren. Dat de groei-economie de grond onder onze voeten vandaan vreet. Maar des te fanatieker wordt er teruggegrepen naar het oude normaal. Winst, concurrentie, korte termijn denken.

Daar sta je dan, met je goede bedoelingen. En om je niet verloren te voelen, kun je altijd nog koning op de vierkante meter zijn. Jezelf ontwikkelen. Maar daarmee is het nog niet klaar, dat weten we dondersgoed. We beginnen pas. Het moet verder gaan dan het persoonlijke. Want in je eentje stop je niet de spullenstroom bij de afvalverwerker. Het gif in het grondwater, microplastics in de vissen, of het stikstofprobleem. Je stopt niet het geweld en de oorlog. Het is de les van alle mensen samen, om samen verantwoordelijk te zijn voor onze aarde. En dat wie meer heeft, de ander ondersteunt. Dat degene die meer geluk heeft, de ander helpt, die pech heeft, Dat is de grootste uitdaging van dit moment.

De trein stopt. Op het perron staat een bord met “Mantgum”. Ik stap uit en wuif naar de machinist. Hij zwaait terug. Ha! Dat is alweer mooi meegenomen.

.

Dit is een citaat uit het boek “Ontrafeld” van Martine van den Berg:

We zijn door onze technologische vermogens ongelooflijk flexibel. In theorie zouden we als mensheid in staat moeten zijn om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te beperken. Maar een mondiaal probleem kun je niet oplossen met lokale compromissen. Het vereist niet alleen technologische oplossingen, maar ook internationale samenwerking, onderlinge solidariteit en persoonlijke offers. Onze collectieve weerbaarheid zal de komende eeuwen tot het uiterste op de proef worden gesteld.

Luister nog even naar het liedje aan het einde:

Ik ben waar ik ben
en ik denk aan jou
Ik weet niet of ik je ken
of wat ik zeggen zou
Maar ik geef de boodschap door
Aan een ander luist’rend oor.

.

Na de ceremonie begint het pas

Ik zag de film: Kiva, call of wisdomkeepers. Dit is een verhaal dat meegaat in de stroom, en tegelijkertijd kritisch is.

.

Tekening van Afra Hartog

Tekening van Afra Hartog.

.

Onderaan de tekst vind je de luisterversie.

“Alles draait om energie. Elke plek en elke taal heeft een trillingsfrequentie. Met elkaar zijn we een eenheid.” Ja, dat zijn woorden waar ik me best in kan vinden. Het is als een symfonie, de lichte tonen vullen de donkere aan. Dat spreekt mij aan. Toch praten maar weinig mensen over taal. Over het algemeen zijn het de eerste vier woorden die ik overal terug hoor komen: “Alles draait om energie.” Het echoot door yogaklassen, onder moderne monnikskappen, over het alternatieve podium en het gonst bij spirituele ceremonies. Vooral in het engels. Het enthousiasme waarmee dit wordt gepresenteerd is prachtig, maar gaat vaak snel, vind ik. Moeten we niet vertragen, om er ook echt iets mee te kunnen? Vertragen, om te luisteren. Om te zien, wat er nodig is.

Ik zit in het Lewinskitheater in Sneek. Een kleine informele zaal, vol lekkere stoelen en kleine tafeltjes. Naast me zit Natasja. Ik ken haar van facebook en zij kent mij van mijn blogs. Het is toevallig dat ik haar tref. Zij was net zo verrast als ik. We kijken naar de film: “Kiva, the call of wisdomkeepers”. Kiva, de naam van een bontgekleurde, warmhartige ceremonie met zijn oorsprong in oeroude tijden. Wisdomkeepers van overal ter wereld komen er jaarlijks bij elkaar. Het houdt de moed erin, de energie van de bijeenkomsten maakt dat mensen hun eigen cultuur en hun voorouders blijven herinneren. Het is wat je bent, het is je identiteit die je met de aarde verbindt. “Met elkaar houden we de band met de aarde levend”, zeggen twee vrouwen, in het rood gekleed, zittend aan het water. “Dat geeft hoop.”
Na afloop vertelt de maakster van de film wat een eer het voor haar was, dat ze als beginnend filmster dit alles mocht vastleggen. Al bleven de ceremonies zelf grotendeels buiten beeld, de interviews maakten dat helemaal goed.

Na haar neemt een Friezin plaats op het podium. Ze zit in kleermakerszit op de houten vloer, vlak voor een grote drum. In haar lange blonde haar steekt een veer en nog iets, wat ik niet kan onderscheiden. “De stammen van onder de zeespiegel gaan een belangrijke rol spelen” citeert ze enkele wisdomkeepers. “Dus, waar blijven de Friezen?!” Ze straalt als ze haar verhaal vertelt en de woorden komen vanzelf, zegt ze. Ze praat en praat en gaat ver over de afgesproken tijd. Ik luister met plezier. Het gaat over slangen, uilen, taal, en wat er in ons is. Herkenbaar. Het is in het Fries en ik versta (bijna) alles.

Het is al laat, als de documentaire maakster weer het woord neemt. Ze houdt het kort. “Uiteindelijk moet het niet alleen bij ceremonies blijven,” eindigt ze haar verhaal. “Er is vooral actie nodig. De rivieren moeten weer schoon worden.” Dat is haar laatste zin. Ja, zo is het. En er moet nog veel meer gebeuren. Wat jammer dat het al zo laat is. Met die vraag had het gesprek met het publiek losgemaakt kunnen worden. Wat kunnen we doen? Wat is nodig en hoe zie je jouw volgende stap daarin? Wat doe je al? Daar kun je nog wel een week mee zoet zijn. Of langer. Een avond is kort.

“Ik denk dat we allemaal wisdomkeepers zijn, “elders” die anderen onderwijzen” zegt Natasja naast mij. “Jij misschien nog iets meer dan ik.” Ik zou me vereerd kunnen voelen bij die woorden maar vandaag laat het me onverschillig. De woorden komen dan ook wat stroperig uit mijn mond. “Ik denk de laatste tijd juist, wat heb ik nou eigenlijk te vertellen…” Ze is even stil. “Tja,” zegt ze.

Ik ga verder. “Er zijn momenten dat ik woorden had, en dat er inzichten stroomden als water. Maar woorden bestaan vooral als je met een ander bent. Ogen die kijken en oren die gespitst zijn. Dat inspireert. Ik kan blijven schrijven over het water waar ik naar kijk, over de rimpelingen in het ochtendlicht en alles wat er groeit, maar langzaam verdwijnt de sprankeling als er niemand naast me staat, van wie ik weet dat die luistert. We hebben elkaar nodig. Zelfs de eenzaamste kluizenaar leeft op als hij zijn inzichten kan delen met die ene ziel die hem opzoekt. Of een betekenisvolle blik kan delen met de ander. Ik kan vertellen over de aarde, onder mijn voeten. Maar mijn buren hebben het druk. Ja, ik schrijf erover. Maar ik weet niet wie het leest. Ik zie de ogen niet. Ik hoor niks. Het droogt op.”

Natasja en ik staan op. Natasja spreekt met de Friezin en loopt dan weg. Ik ga ook naar haar toe, de Friezin met haar lange hoogblonde haar. Ik vraag naar de veer, die ze er in heeft gestoken. Die is van een uil, zegt ze. Ik zeg dat ik het beeld van de uil herken. “Ja,” zegt ze “Het gaat om de energie.” Ik wil vertellen hoe mooi het is als woorden komen als een levende stroom. Maar zover komt het niet. Ze kijkt me niet aan. “O! Achter jou staan ook mensen te wachten,” abrupt breekt ze mijn zin af. “Wees kort. Wat wil je zeggen? ” Ineens weet ik het niet meer. Laat maar zitten, denk ik. Zo belangrijk was het vast niet. “Deze avond heeft me wel goed gedaan,” zeg ik nog. Ze glimlacht en nu kijkt ze me wèl aan. “Vanmiddag voelde ik me wat houterig en…” Ik kan het niet meteen uitleggen. Zeker niet als er mensen achter me staan te wachten. Ze begrijpt kennelijk meteen wat ik wil zeggen. Dat is wel makkelijk, dan kunnen we het kort houden. Beslist kijkt ze me aan. “Dat kwam omdat je wist dat je hierheen ging,” zegt ze. “Het was de energie die je voorbereidde.” Ik lach naar haar. Aardig, dat ze kennelijk precies weet wat er speelt. Maar als ik wegloop vraag ik me af wat ze daar nou eigenlijk over kan zeggen als ze me maar zo kort gesproken heeft.

Als we allemaal bewaarders zijn van de wijsheid, dan zal daar een eindeloze variatie in zijn. De een heeft wijsheid in zijn handen, de ander in de klank van haar stem. De een speelt een instrument en de ander speelt met woorden. Een oude boer kan je het verhaal van het riet vertellen, en hoe het riet hem wijsheid leert. Een goede veehouder kent zijn koeien. Er zijn mensen van het water en mensen van het land. Van de dijk en van de stad. Mensen van de vlakte en mensen van de bergen. Allemaal hebben we een eigen verhaal. Als we willen dat er iets verandert, dan zal elk verhaal gehoord moeten worden. Luisteren, luisteren, luisteren. Na de ceremonie begint het pas.

En ik sta op het Friese veld, in de vroege ochtend. En hak het riet langs het Verhalenpad. Anders groeit het dicht. Ik wacht en kijk. Ik spreek af met mensen, meestal vrouwen. In Sneek, in Menaam, in Leeuwarden. Waar gaat het verhaal verder? En hoe? Ik weet het niet. Ik hoef ook niet alles te weten. Als we maar blijven bewegen. De ontmoeting volgt. Ik luister. Ik zal weten wat er nodig is, precies op het juiste moment.

.

.

There wo’nt be english translations anymore. But now, in the end, I really like to know if there was someone who liked them. Can you give a reaction please?

Een duppie voor vrede . . . (A penny for peace)

Mijn vriend en ik rusten naast een fontein.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Ik ben altijd blij als het regenachtig weer is. Af en toe een bui, mooie wolkenluchten, niet te warm, het is dan zo heerlijk buiten! Het is vreemd dat er niet meer mensen van genieten. Dat vindt Chief Dadá ook. Hij is een van de opperhoofden die zijn leven waagt voor het Amazonewoud.Vorig jaar was hij in Nederland.

“Nederlander, ga naar buiten als het regent.”zegt hij. “Waarom ga je alleen naar buiten als de zon schijnt? Mensen die zich niet verbonden voelen met de natuur moeten beseffen dat ook zij schade berokkenen aan het klimaat en de teloorgang van de bossen. Het is om geld, dat er wordt gekapt. Geld, dat illegaliteit oproept. Geld zou geen prioriteit moeten zijn, geef juist meer liefde. Het leven komt eerste, en dat zit in de rivieren, in de bomen en in de aarde.” Dat is wat hij zei. Het zijn maar een paar zinnen. Om ze te doorleven is er meer nodig. Doorbreken van gewoontes.

Het is ook belangrijk om de elementen te voelen. De wind om je hoofd. Het gras onder de voeten. Soms word je nat, soms is het droog. Gisteren was ik in Zwolle, met mijn vriend Dick. We hebben elkaar daar ontmoet. De zon scheen.

Ik lig op het gras in een park, met Dick naast me. Een heel klein park is het, met een grote fontein in het midden van wel honderdvijftig jaar oud. Hij is opgedragen aan een burgemeester die kennelijk indruk heeft gemaakt. We liggen op onze rug en mijn vingers aaien de grassprietjes. We staren naar de toppen van de bomen in de wind en luisteren naar het geluid van stromend water. De grond is wat vochtig, mijn jas ligt uitgespreid onder me. Slaperig pak ik Dick zijn hand. Ik voel mijn voeten van het lange lopen, door de stad. Nu, zonder al die winkels met oneindig veel spullen om ons heen, voel ik me dichter bij. Dichter bij de aarde, dichter bij Dick en de stemmen die in de verte langs ons heen gaan. Het water in de fontein stroomt maar door. Stil liggen we te kijken en laten ons vermoeide lijf rusten op de altijd geduldige aarde. Dan geef ik hem een zoen en sta op. “Ik wil een wens doen bij de fontein,” zeg ik prompt en loop erheen. Dick volgt me. Ik haal mijn portemonnee uit mijn zak. “Je moet er geld in gooien en dan hardop wensen,” zeg ik. “Een wens voor iemand anders, niet alleen voor jezelf.” Dick diept als eerste een muntje uit zijn broekzak. Het valt als een dikke regendruppel in het bassin. “Wereldvrede,” zegt hij en dan is het even stil. ”Zou tien cent wel genoeg zijn voor wereldvrede?” vraagt hij aarzelend. Ik knik van ja en ondertussen pak ik de kleinste munt die heb. Geld is niet belangrijk. Het gaat om de intentie. Ik kijk naar de fontein. Het onderste bassin is het grootste. Daarboven zijn nog een paar kleinere. Het water stroomt van de één in de ander. Ik gooi mijn muntje in een van de bovenste, kleinere kommen. Met een harde tik raakt het de naam van de burgemeester die er boven staat. Dan ploept hij in het water en zinkt. “Ik wens dat alle inheemse mensen hun land terugkrijgen,” zeg ik vastbesloten. Dick knikt. “Dat gaat vast goed komen”.

Hand in hand lopen we het park uit. Nog even, voor de dag voorbij is en onze wegen scheiden. Morgen gaat het regenen. Zachte druppels op de aarde. Goed voor de paddestoelen en de schimmels. We lopen verder. Onze voeten maken een pad, met elke wens die we doen. Als sporen van funghi op vochtige aarde. Ver kunnen ze vliegen, die sporen, heel ver door de lucht. Alleen gedachten, die reiken verder. Gedachten aan de ander, aan hun wouden, hun thuis. Ik denk aan ze, met liefde.

(Beluister ook het liedje, door hieronder op de knop te drukken.)

.

Lees het artikel over Chief Dadá : https://www.vn.nl/chief-dada-amazonegebied/

.

.

.Verhaal:

Alleen het liedje, “Vredeslied van de maan”

.

A penny for peace

I am always happy when the weather is rainy. Occasionally a shower, beautiful cloudy skies, not too hot, it’s so wonderful outside! It’s strange that not many people enjoy it. Chief Dada thinks so too. He is one of the chiefs who risks his life for the Amazon forest. Last year he was in the Netherlands.

“Dutchman, go outside when it rains,” he says. Why do you only go out when the sun is shining? People who do not feel connected to nature should realize that they too are causing damage to the climate and the loss of forests. It is for money that it is cut down. Money that creates illegality. Money should not be a priority, give more love. Life comes first, and that is in the rivers, in the trees and in the earth.” That’s what he said, in just a few sentences. It takes more to live through them. Breaking habits.

It is also important to feel the elements. The wind around your head. The grass under your feet. Sometimes you get wet, sometimes it’s dry. Yesterday I was in Zwolle with my friend Dick. We met there. The sun was shining.

I’m lying on the grass in a park, with him next to me. It is a very small park, with a large fountain in the middle that is one hundred and fifty years old. It is dedicated to a mayor who has apparently made impression to the people. We lie on our backs and my fingers stroke the blades of grass. We stare at the tops of the trees in the wind and listen to the sound of running water. The ground is a bit damp, my coat is spread out beneath me. Sleepily I grab Dick’s hand. I feel my feet from the long walk through the city. Now, without all those shops with endless stuff around us, I feel closer. Closer to the earth, closer to Dick and the voices that pass us in the distance. The water in the fountain keeps flowing. We lie still and watch and let our weak bodies rest on the always patient earth. Then I kiss him and get up. “I want to make a wish at the fountain,” I say promptly and walk over. Dick follows me. I take my wallet out of my pocket. “You have to put money in and then wish out loud,” I say. “A wish for someone else, not just for yourself.” Dick is the first to dig a coin out of his pocket. It falls like a thick raindrop into the basin. “World peace,” he says and then there is a moment of silence. “Would ten cents be enough for world peace?” he asks hesitantly. I nod yes and meanwhile I take the smallest coin I have. Money is not important. It’s about the intention. I look at the fountain. The lower basin is the largest. Above that are a few smaller ones. The water flows from one to the other. I toss my coin into one of the upper, smaller bowls. With a loud tap it hits the mayor’s name above it. Then he plops into the water and sinks. “I wish all indigenous people to get their land back,” I say firmly. Dick nods. “I’m sure it will be fine”.

We walk out of the park hand in hand. It is just a little while, before the day is over and our ways part. It’s going to rain tomorrow. Gentle drops on the earth. Good for mushrooms and funghi. We walk on. Our feet make a path, with every wish we make. Like spores of funghi on moist soil. They can fly far, those spores, very far through the air. Only thoughts, they reach further. Thoughts of the other, of their forests, their home. I think of them with love.

Er is toekomst . . . (There is future)

Een verhaal over de tegenstelling tussen efficienty en verwondering, of ontzag.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the ENGLISH translation underneath.

“Als ik dan elke dag riet aan het snijden ben. . .” begin ik te vertellen. . . Naast me, op de lange bult, staat een bezoeker. Hij kwam vooral omdat hij hier bessen had gezien. Of hij die mocht plukken. Dat vond ik prima, maar dan wel met een verhaal erbij. Tenslotte is dit geen Eetpad, maar allereerst een Verhalenpad. “dan voel ik me zo klein in dit landschap” vervolg ik mijn verhaal. “Alles zou riet zijn, zonder ons. Eindeloos, tot de horizon. Sta ik daar met mijn sikkel.” Maar de man is niet gevoelig voor poëzie. “Ja.” Hij glimlacht geruststellend. “Maar dat hoeft niet meer. Daarvoor hebben we machines.” Ik schud mijn hoofd. “Dat is niet wat ik bedoel. Als je met de hand werkt, met je voeten op de klei, dan voel je je veel meer verbonden met het land.” Zijn mond hangt een beetje open. “O..” zegt hij. We lopen een stukje verder, want hij ziet een bessenstruik. Gretig begint hij te plukken. “We moeten meer bessen eten,” zegt hij kauwend. Ik kijk het een poosje aan. “Laat je nog wat over?” vraag ik dan droogjes. Hij schrikt op. “O ja”. Dan vertel ik verder over het werk. “Ik hak vooral riet met de sikkel. Dat is wel doorwerken, al die meters.” Hij kijkt me vaderlijk aan. “Je kan ook een bosmaaier gebruiken,” licht hij me voor. Maar ik ben zeer beslist in mijn antwoord. “O nee. Geen bosmaaier hier. Een bosmaaier maakt blind en doof. Op een Verhalenpad leer je juist verhalen zien. En te horen. Ik kijk liever naar een broedende vogel in plaats van per ongeluk zijn nest stuk te raggen.” Hij kijkt schuldbewust. Alsof hij het persoonlijk was, die dat deed. Alsof hij het eigenlijk niet goed mag keuren, dat door mechanisatie zoveel over het hoofd wordt gezien. Maar ja. Het moet wel. Denkt hij.

De volgende dag sta ik daar weer. Maar dan alleen. Het is nog vroeg, half acht in de ochtend. De zon is nog niet achter de sluierwolken vandaan gekomen. Ik houd van die koelte. Straks zal het vast weer broeierig worden. In mijn hand heb ik dit keer de heggenschaar. Daarmee kan ik preciezer werken. Op mijn hurken waggel ik door het gras om beginnende rietstengeltjes kort en klein te maken. Het gaat toch verrassend snel. Ik kom bij een hoger bosje, dat ik rond een stokroos gelaten heb. De lange stengels zijn omgewaaid door de storm, maar hij bloeit gewoon door, op de grond. Mooie grote bloemen, vol hommels, een zoemend bloemenbosje is het. Steeds dichter kom ik bij de stengels. Het geluid van de heggenschaar is het enige wat ik hoor. Het is windstil en zelfs de karekiet in het riet houdt zijn snavel. Tik tik, doet de schaar. Maar dan ineens krioelt het, daar waar eerst beschutting was van gras en klein riet, vlak achter de bloemen. Nu is het er kaal. Mieren lopen kris kras door elkaar, en beginnen eieren naar buiten te brengen. Een bruinoranje nachtvlinder hipt ongelukkig rond. Hij springt op mijn toegestoken vinger. Ik heb zijn linker vleugel afgeknipt. Stom. Ik wist het immers best, dit bosje moest ik zo laten. Ik ben te ver gegaan.

Ik probeer dit steeds te voorkomen. Al werkend blijf ik kijken. Ik ziet de hommel, die uit zijn hol komt en trek me respectvol terug. Er is immers genoeg werk. Dus ik ga verder bij de hazelaars, brandnetels uittrekken, gele wortels met kluiten eraan. Ik schud ze uit en gooi ze op een hoop. De brandnetels voor me bloeien nog niet. Ze zijn fris en groen, de blaadjes. Dan zie ik opnieuw die kleine zwarte bolletjes op het blad. Het zouden korrels aarde kunnen zijn, die ik daar rondgestrooid heb. Maar ze zijn perfect rond van vorm en liggen op gelijke afstand van elkaar. Dat trekt mijn aandacht. Even verderop zie ik een kleine zwart met grijs gestreepte rups. Ah, het zijn dus toch eitjes! Opnieuw stop ik. Ik heb immers al een heel stuk gedaan, de rest mag blijven voorde vlinders . Ik loop terug. Het is tijd voor pauze. Bij de entree staat een bos verdwaalde oeverplanten, die zich als lange tongen achter de haag verzamelen, in de vochtige greppel. Ik weet dat daar in die buurt een kleine hommel woont, onder het pellet dat daar ergens ligt te rotten. Ik laat het. Al betekent het meer werk, om het steeds weer te begrenzen. Op een dag zal dat steeds minder worden. Op een dag.

Even later zit ik tevreden in mijn kas koffie te drinken. Voor de deur loopt een stel meiden langs, het zijn dertigers. Hun tentjes staan hier op het veld en ze zijn op weg naar mijn buurvrouw. Glimlachend kijken ze bij mij naar binnen. Ik weet, het ziet er knus uit. Ik roep naar ze: “Denken jullie aan de vlinder??” Want natuurlijk, ik heb het ze verteld. Elke dag om dezelfde tijd zit er een Atalanta te zonnen op het zandpaadje. “Ja!” roept de een, “We lopen er steeds met een grote boog omheen!” Mijn glimlach verbreed zich tot een grijns. Glanzend kijk ik ze na. Er is toekomst.

.

.

THERE IS FUTURE.

A story about the contradiction between efficiency and wonder, or awe.

.

“When I am cutting reeds every day. . .” I start my story. Next to me, on the long hump, is a visitor. He came mainly because he had seen berries here. If he could pick it. I thought that was fine, but with a story to go with it. After all, this is not a Food Path, but first and foremost a Story Path. “I feel so small in this landscape” I continue. “Everything would be reeds without us. Endless, to the horizon. And I stand here with my sickle.” But the man is not sensitive to poetry. “Yes.” He smiles reassuringly. “But that is no longer necessary. We have machines for that.” I shake my head. “That’s not what I mean. When you work by hand, with your feet on the clay, you feel much more connected to the land.” His mouth hangs open a little. “Oh…” he says. We walk a little further, because he sees a berry bush. He eagerly begins to pick. “We need to eat more berries,” he says, chewing. I watch it for a while. “Do you leave some left?” I ask dryly. He startles. “Oh yeah”. Then I tell him more about the work. “I mainly chop reeds with the sickle. That means continuing to work, all those meters.” He looks at me paternally. “You can also use a brushcutter,” he explains. But I am very firm in my answer. “Oh no. No brushcutter here. A brushcutter makes blind and deaf. On a Story Path you learn to see stories. And to hear. I’d rather watch a nesting bird than accidentally destroy its nest.” He looks guilty. As if it was him personally who did that. As if he shouldn’t actually approve of the fact that so much is overlooked due to mechanization. But yeah. It has to, he thinks.

The next day I am there again. But then alone. It is still early, half past eight in the morning. The sun has not yet come out from behind the veil clouds. I like that coolness. Soon it will be sweltering again. In my hand I have the hedge trimmer this time. This allows me to work more precisely. On my haunches, I waddle through the grass to cut budding reed stems short and small. It goes surprisingly fast. I come to a higher bush, which I left around a hollyhock. The long stems have been blown over by the storm, but it continues to bloom on the ground. Beautiful large flowers, full of bumblebees, it is a humming bunch of flowers. I get closer and closer to the stems. The sound of the hedge trimmer is all I hear. There is no wind and even the reed warbler keeps its beak in the reeds. Tap tap, do the scissors. But then suddenly it is teeming there, where there used to be shelter of grass and small reeds, just behind the flowers. Now it is bare. Ants criss-cross each other, and begin to bring out eggs. A brown-orange moth hops around unhappily. He jumps on my stabbed finger. I cut off his left wing. Stupid. After all, I knew best, I had to leave this bush as it was. I’ve gone too far.

I always try to avoid this. I keep watching while working. I see the bumblebee coming out of its hole and respectfully withdraw. After all, there is enough work. So I move on to the hazels, pull up nettles, yellow roots with clods on them. I shake them out and toss them in a pile. The nettles in front of me haven’t bloomed yet. They are fresh and green, the leaves. Then I see those little black dots on the leaf again. It could be grains of earth that I scattered there. But they are perfectly round in shape and are equidistant from each other. That catches my attention. A little further on I see a small black and gray striped caterpillar. Ah, so they are eggs! Again I stop. After all, I’ve already done a lot, the rest can stay for the butterflies. I walk back. It’s time for a break. At the entrance there is a bunch of stray shore plants, which gather like long tongues behind the hedge, in the low moist ground. I know there’s a little bumblebee living in that neighborhood, under the pellet that’s rotting there somewhere. I leave it. Although it means more work to limit it again and again. One day it will become less and less. One day…

A little later I am satisfied in my greenhouse drinking coffee. A group of girls walk by in front of the door, they are in their thirties. Their tents are here on the field and they are on their way to my neighbor. They smile at me. I know, it looks cozy. I call out to them: “Do you remember the butterfly??” Of course, I told them. Every day at the same time there is an Atalanta sunbathing on the sandy path. “Yes!” shouts one, “We always walk around it!” My smile widened into a grin. I stare at them gleefully. There is future.

Labyrint . . . labyrinth

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the ENGLISH translation underneath

.

Vandaag ga ik naar de Vlierhof, waar mijn vriend Dick de hele zomer woont. Dat is een levendige plek. Ze hebben me graag, met mijn groene vingers en verhalen. Vooral de tuinvrouwen. Die komen handen en vooral ogen te kort. Ik heb er twee leren kennen. De een voor het grote werk, de ander richt zich op één speciale plek: Het labyrint. Ze nam het werk over van haar voorgangster. Ik herken iets in de concentratie waarmee zij bezig is. En deze dag wil zij het delen. Dus het is daar, waar wij elkander treffen. Karlijn, zes anderen en ik.

Een labyrint is geen doolhof. Het is een oude geometrische vorm, die bedoeld is om aandachtig of meditatief te bewandelen. Voor sommigen gaat dat diep, anderen wandelen met een opgeruimde glimlach. Weer anderen lopen tegen hun ongeduld aan, en willen er eigenlijk meteen alweer uit. Of je komt het allemaal tegen, één voor één.
Ik maak mijn ronde om het labyrint. Ik stap over de bakstenen heen, die als platte kantelen de cirkel omringen. Als stralen rond de maan. Net als ik weer bij de ingang kom, kraait een haan. En als er een haan kraait, dan ga ik naar binnen.
Daar loop ik dan. Dankzij de haan. Het labyrint is als het leven zelf. Ja, dat merk ik wel. Door de haan ben ik erin gekukeld. Het leven in, als een lang parcours, niet van te voren te overzien, als je ervoor staat. Net als 58 jaar geleden. Het eerste kwart van het labyrint leidt door je jeugd. Ja, dat klopt wel. Jeugd, ongeduld, impulsiviteit. Meteen wil ik akkerwindes tussen de hagen uitrukken. Die staan nog steeds overal. Vaak klein nog. Klaar om meters te maken. Maar ik kom er niet aan. Doorlopen nu. Kijken waar ik loop. “Eén twee in de maat, anders wordt de juffrouw kwaad.” Ja. Ik weet het nog. De paadjes zijn smal en strak omlijnd. Je moet goed opletten, net als vroeger op school. Ik hoor een dikke hommel, die in een noodvaart dwars over het parcours heen vliegt. Hij wel! En ik moet dat hele eind nog. Stap voor stap. Even later zie ik iets springen. Het is een vlieg met één vleugeltje. Ja, bedenk ik me. In het leven moeten we ook aandacht hebben voor de slachtoffers. Ik kniel naast hem tot hij weer op zijn gemak tussen de blaadjes kruipt, op een warm plekje in de zon. Nog steeds zie ik de akkerwinde, de razendsnelle bedekker, die alle planten omlaag trekt. Ik beheers me.
Al lopende kom ik tot rust. Het maakt me niet meer uit hoe lang het duurt. Ik zet de ene stap na de andere. Af en toe kom ik iemand tegen, net zo ingekeerd als ik. Er is weinig plek en we wentelen vlak langs elkaar heen, zonder elkaar te raken.
En terwijl ik voortga, kijk ik opnieuw naar de winde, zonder hem uit te willen trekken. En nu zie ik het wonderlijke ervan. Er zit een vast ritme in. Hij wikkelt zich twee keer om een stengel en maakt dan een bloem. Elke keer weer. Een witte kelk als een pispotje. Dat ritme! Wat een levenskracht spreekt daaruit. En dan de bloem, die je af kan plukken maar die niet verwelkt. Die gaat gewoon door met zaad maken. Is dat niet wat ik als mens ook nodig heb? Ritme, vitaliteit?
Dan kom ik langs de volgende plant. Het zijn grote saliestruiken. Ze zijn pas gesnoeid, anders kom je er niet langs. Er liggen nog wat losse takjes op de grond. Ik ga met mijn hand langs de struiken en ruik aan mijn hand. Het is een en al salie, met zijn opgeruimde en rustgevende geur. Ik raap de takjes op en maak er een bosje van. Als winde mij levenskracht geeft, dan heb ik ook flink wat salie nodig. Salie, om het parcours rustig af te kunnen maken zonder meteen al het andere te overheersen.

Met het bosje in de hand nader ik de uitgang. Vlak ervoor sta ik even stil. Als het labyrint het leven is, dan is de uitgang het einde ervan. Ik hoop dat ik net zo levenskrachtig eindig en toch vol rust. En dat onze energie, van alle mensen samen nog vele wonderen zullen verrichten.
Zo’n labyrint is een voorbeeld, van hoe een klein stukje grond veel kan bevatten. Ik kan als een hommel over de continenten scheren. Ik kan me ook beheersen, en al mijn aandacht op deze plek richten. Zo wordt een plek heilig. Zo, en niet anders.


Alle mensen komen een voor een naar buiten, de cirkel uit. We komen bij elkaar en vertellen onze verhalen. Lang of kort, met of zonder woorden. Ik drink mijn thee en kijk naar de gezichten. Hier kwam ik voor.

.

.

.

Today I’m going to the Vlierhof, where my friend Dick lives all summer. That’s a lively place. They like me, with my green fingers and stories. Especially the gardeners. They are short of hands and especially eyes. I got to know two of them. One for the big work, the other focuses on one special place: The labyrinth. She took it over from her predecessor. I recognize something in the concentration with which she is engaged. And this day she wants to share it. So that’s where we meet. Karlijn, six others and me.

A labyrinth is not a maze. It is an ancient geometric shape, which is intended to be walked attentively or meditatively. For some that goes deep, others walk with a cheerful smile. Still others run into their impatience, and actually want to get out immediately. Or you come across it all, one by one. I make my rounds around the labyrinth. I step over the bricks that surround the circle like flat battlements. Like rays around the moon. Just as I get back to the entrance, a rooster crows. And when a cock crows, I go in. There I walk. Thanks to the cock. The labyrinth is like life itself. Yes, I do notice that. The cock knocked me into it. Life in, like a long course, impossible to oversee in advance, when you stand for it. Just like 58 years ago. The first quarter of the labyrinth leads through your childhood. Yes, that’s right. Youth, impatience, impulsiveness. Immediately I want to tear out bindweeds between the hedges. They are still everywhere. Often small. Ready to measure. But I restrain myself. Continue now. Watch where I walk. “One two, one two, one foot for the other.”
The paths are narrow and well-defined. You have to pay attention, just like you used to in school. I hear a fat bumblebee flying across the course at breakneck speed. He does! And I still have to go all the way. Step-by-step. A moment later I see something jumping. It is a fly with one wing. Yes, I realize. In life we must also pay attention to the victims. I kneel next to him until he settles comfortably between the leaves again, in a warm spot in the sun. I can still see the bindweed, the lightning-fast cover plant, which pulls all the plants down. I control myself. As I walk, I relax. I don’t care how long it takes anymore. I take one step after another. Every now and then I come across someone just as introverted as I am. There is little space and we roll close to each other, without touching. And as I go on, I look again at the bindweed, not wanting to pull it off. And now I see the wonder of it. It has a fixed rhythm. It wraps itself around a stem twice and then makes a flower. Every time again. A white chalice like a piss pot. That rhythm! What a life force emanates from that. And then the flower, which you can pluck but which does not wither. It just continues to make seed. Isn’t that what I need as a human being? Rhythm, vitality? Then I pass the next plant. They are large sage bushes. They have just been pruned, otherwise you will not pass them. There are still some loose twigs on the floor. I run my hand along the bushes and smell my hand. It is all sage, with its clean and soothing scent. I pick up the twigs from the ground and make a bunch of them. If bindweed gives me life force, then I also need quite a bit of sage. Sage, to be able to finish the course quietly without immediately dominating everything else. With the bush in hand I approach the exit. Just before that, I stopped for a moment. If the labyrinth is life, then the exit is the end of it. I hope I end up just as vibrant and still full of peace. And that our energy, of all people together, will still work many miracles. This labyrinth is an example of how a small piece of ground can contain a lot. I can skim over the continents like a bumblebee. I can restrain myself too, and focus all my attention on this place. This is how a place becomes sacred. It ’s the only way.

All people come out the cirkle one by one, . We come together and tell our stories. Long or short, with or without words. I drink my tea and look at the faces. This is what I came for.

Vluchten voor de hordes . . .Run from the hordes

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the english translation underneath.

.

Aan de overkant van de sloot loopt een man. Zo te zien is het Will, de man op de motor, met het tentje. “Hoi!” roept hij en steekt zijn hand op. Ik loop over het veld naar hem toe. “Mag ik nu even bij je kijken?” vraagt hij. Dat is goed en we lopen een rondje. Ik laat hem alles zien, mijn woonwagen, de kas, de kleine wildernis eromheen. “Zo, wat een mooi stekkie heb je zeg, dit is nogal wat voor een stadse jongen als ik.” Ik lach. “Is dat zo? Waar kom je vandaan?” Hij vertelt dat hij kapper is. Hartje centrum, op een hoekje van de negen straatjes in Amsterdam. “Ik zit nu tussen de toeristen. Het zijn er 19 miljoen.” Mijn ogen vallen uit de kassen. “In heel Nederland toch zeker?” vraag ik verbijsterd, maar ik weet eigenlijk het antwoord al. “Nee, alleen in Amsterdam.”
“Meer toeristen in Amsterdam dan inwoners in heel Nederland?” stamel ik terwijl ik hem aankijk.
“Ja. Sinds corona zijn er enorm veel vreettenten bijgekomen. Daar staan nu enorme rijen voor.” Ik knik. “Ik was in Leiden, daar was het net zo. Iets minder druk dan Amsterdam waarschijnlijk.”
Hij staart over het weiland, zijn gedachten gaan naar de stad die hem zo vertrouwd is. “Om het weekend moet ik er echt uit, met de motor. Anders word ik gek. Naast mij zit nu ook een afhaaltent. Ik heb er een touw voor gespannen. Er staat soms een rij van wel vijfentwintig mensen. Ze krijgen daar een Lebanese pannekoek.” Hij maakt een gebaar met twee handen alsof hij een dikke flap in zijn mond propt. “Of ze kopen alleen een kop koffie, in karton. In de rij staan voor een bekertje koffie! Ik sta nooit in de rij.”
“Nee, ik ook haast nooit.” Zeg ik. Ik ben nog steeds verbijsterd. Ik wist er wel van, de overlast van toerisme in Amsterdam, maar nu ik het uit eerste hand hoor, maakt het wel indruk. Wat is er nou voor lol aan? Wat moeten die hordes daar? Het zijn vooral jongelui, lees ik later. Tiktok influencers maken een filmpje en dan komen ze met bakken tegelijk aanzetten. Sommige ondernemers verdienen er schatten aan. De straten liggen vol met troep. En gewone ondernemers, zoals kapper Will, dragen de lasten. “Ik doe dit al twintig jaar,” zegt hij. “Ik ben waar ik ben. Mijn huis is 150 meter lopen.”
“Zo hoort het te zijn, vind ik.” Ik kijk hem aan. “Dat je bent waar je bent, en niet almaar heen en weer hoeft. Maar het word steeds moeilijker om te zijn waar je bent. En dat je op de vlucht moet omdat het thuis niet uit te houden is, dat is bizar. Omver gelopen door toeristen! Krijg nou wat!”
“Ja, na corona is het allemaal veel erger geworden.” zegt hij.

Ik kijk over de stille wei. Hoe zal dit verder gaan? Van welke ontwikkelingen zullen we nog getuige zijn? Ik blijf toch maar waar ik ben. Beter. Ook al is dat ook niet altijd makkelijk. Er is al onrust genoeg. Kapper Will staat nog steeds naast me.
“Ik ga weer verder,” zegt hij. “Eens kijken of mijn maat al wakker is. Dat is toch zo’n langslaper! Nou tot kijk hè! Ik kom hier wel weer terug. Dat doe ik al jaren.”
“t Ga je goed!” lach ik en draai me om, om terug te lopen. Terug naar mijn stekkie.

.

Run from the hordes

A man is walking on the other side of the ditch. Looks like it’s Will, the man on the bike, with the tent. “Hi!” he shouts and raises his hand. I walk across the field to him. “Can I come to see your place now?” he asks. That’s good and we’re going for a walk. I show him everything, my very tiny house, the greenhouse, the small wilderness around it. “Well, what a nice place you have, this is quite a bit for a city boy like me.” I smile. “Is that right? Where do you come from?” He tells that he is a hairdresser. In the heart of the center, on a corner of the nine streets in Amsterdam. “I am among the tourists now. There are 19 million of them.” My eyes pop out of their sockets. “In the whole of the Netherlands, you mean?” I ask in bewilderment, but I actually already know the answer. “No, only in Amsterdam.”
“More tourists in Amsterdam than residents in the whole of the Netherlands?” I stammer as I look at him.
“Yes. And since corona, a lot of food tents have been added. There are now huge queues for that.” I nod. “I was in Leiden, it was the same there. A little less busy than Amsterdam, probably.”
He stares across the meadow, his thoughts turn to the city so familiar to him. “Every other weekend I really have to get out, with the motorcycle. Otherwise I get mad. There is also a takeaway tent next to me. I stretched a rope for it. Sometimes there is a queue of up to twenty-five people. They get a Lebanese pancake there.” He makes a two-handed gesture as if he were stuffing a fat flap in his mouth. “Or they just buy a cup of coffee, in cardboard. Standing in line for a cup of coffee! I never stand in line.”
“No, I hardly ever.” I say. I am still baffled. I knew about it, the nuisance of tourism in Amsterdam, but now that I hear it first hand, it makes an impression. What’s the fun in that? What are those hordes doing there? They are mainly young people, I read later. Tiktok influencers make a video and then they come up with buckets at the same time. Some businesspeople make money from it. The streets are full of junk. And ordinary entrepreneurs, such as hairdresser Will, bear the burden. “I’ve been doing this for twenty years,” he says. “I am where I am. My house is 150 meters away.”
“That’s how it should be, I think. That you are where you are, and don’t have to go back and forth all the time. But it’s getting harder and harder to be where you are. And that you have to flee because you can’t bear it at home, that’s bizarre. Run over by tourists! What the hell!” “Yes, after corona it all got much worse,” he says. I look across the silent meadow. How will this continue? What developments will we witness? I’ll just stay where I am. Better. Even if that is not always easy. There is already enough unrest.
Will is still standing next to me. “I’m moving on,” he says. “Let’s see if my buddy is awake yet. That’s such a long sleeper! Well see ya! I’ll be back here. I’ve been doing that for years.”
“Go well!” I laugh and turn to walk back. Back to my hideaway.

.

Foto: Dimhou van Pixabay.

Bondgenoten! …… (Allies)

.

“Neem jij maar contact met ze op.”zegt de boer. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.”

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? You can find the text underneath.

.

Met de sikkel in de hand sta ik bij de groep berkebomen. Sommigen zijn al best groot. Er is er een waarvan de stam al wit begint te worden. Dat is de koning. Koningberk, op het hoogste punt van de bult. Hij groeit, dankbaar voor mijn harde werk. Ik hurk om rond de stam beginnende rietstengels te verwijderen. Het is verbazingwekkend hoe snel riet groeit. Soms staat er in een dag een stengel van wel dertig centimeter op een plek waar gisteren nog niks te zien was. En als je het niet steeds weghaalt, dan blijft het terugkomen, voortkruipen, met rasse schreden. Tot de bomen groot genoeg zijn, dan groeit er geen riet meer. Maar nu moet ik ze helpen, de bomen. En het zijn er veel. Er is ook veel riet. Het riet rukt op.

Het is zo’n mooi gezicht, die wuivende ruisende groene zee. De verleiding is om het maar te laten gaan. Zeker als de karekiet en de rietgors je belonen met hun geroep. Maar de Friezen hier weten wel beter. De lente heet “maaitiid”. Als je niet maait, dan wordt alles riet, uiteindelijk. Vanuit de sloot rukt het op. Eerst een klein stukje. Het volgende jaar vier meter. En dan acht. En dan zestien. Tot alles riet is. Wuivend riet tot aan de horizon.

De koeien en de paarden houden het kort. Dieren die al eeuwenlang met de mensen samenwerken. Zonder hen was het land één groot karekietendecor. Dat begrijp ik nu, beter dan ooit. Soms moet je het eerst voelen, voor iets tot je doordringt. De vermoeidheid voelen in je dijen en in je armen, van het vele gehurkte hakken. Ineens zie ik het voor me. Die zee van riet, die er groeit als ik niks doe. En ik maar werken, bij dit groepje jonge bomen. Ik kijk naar de sloot en zie dat de rietkraag ongemerkt een meter of drie dichterbij is gekomen. Hè? Hoelang staat dat er? Een paar dagen geleden was het nog maar een smalle strook. Moet ik dat allemaal korthakken? En daarna weer en weer en weer? Ik kan nooit meer weggaan! Mijn jonge bomen, ze zouden aan alle kanten worden ingebed door de lieflijke groene zee, die tegelijkertijd zo verraderlijk is. Gretig zouden ze de hele bodem keihard maken met hun diepe wortelkluiten, tot alleen de sterksten er nog tussenin kunnen staan. Wat kan je dan nog beginnen, als mens? Met lichte verbijstering voel ik een vlaag van wanhoop. Waar ben ik in ’s hemelsnaam mee bezig? Het lijkt water naar de zee dragen, of op het vegen van een pleintje middenin een zandwoestijn.

Ontmoedigd loop ik terug naar huis voor een bakkie troost. Als ik op het pad aankom, tref ik boer Jochum aan. Hij is distels aan het uittrekken tussen het riet, langs de Swette. “Ha!” roept hij. “Mooi dat ik je zie. Ik had bedacht dat je bij de bouwploeg mag. Er moet vandaag een slot worden ingezet in de pipowagen.” Ik glimlach vermoeid. “Dank voor de eer,” zeg ik “Maar dat stuk land vraagt al mijn energie. Het is veel werk in mijn eentje.” Ik kijk stil voor me uit, te moe om meer te zeggen. Jochum kijkt naar me en herinnert zich iets. “O ja!” zegt hij, en haalt een stukje papier uit zijn zak. “Linde kwam hiermee aanzetten. Het komt uit de Leeuwarder Courant.” Ik pak het aan en neem het door. Twee mensen willen een biologische pluktuin beginnen voor de buurt, de bijen en de beestjes moeten er wel bij varen. Een duurzame tuin vol biodiversiteit moet het worden, er wordt gedacht aan1 tot 5 hectare met een stabiele pachtconstructie voor meerdere jaren. “Neem jij maar contact met ze op.”zegt Jochum. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.” Dankbaar neem ik het voorstel aan. Jonge tuinders rondleiden, mensen met een plan! Dat doe ik maar al te graag.

Niets van waarde komt aanwaaien. Je moet erop wachten tot je het zat bent, werken tot het je keel uithangt. En dan komt daar ineens een berichtje aanwaaien. En terwijl hoop opwelt, keren ook de goeie gedachten terug. Het riet, dat zo overvloedig groeit is niet alleen lastig, maar ook waardevol. De harde klei heeft het nodig. De gemaaide stengels kunnen de aarde bedekken tegen de hete zon. Gehakseld kan het de grond losser maken en zorgen dat het vocht beter wordt vastgehouden. Als ik niet meer alleen ben kunnen we daarover overleggen. Met de zeis kunnen we veel sneller maaien dan met de sikkel. Er zijn vast meer, die dat graag doen. En wie weet wat ik van deze tuinders kan leren. Samen weten we meer! Als dit nou door kon gaan… Glimlachend stop ik het artikel in mijn zak. Jochum is alweer aan het werk gegaan. Hij trekt de laatste distels uit, die tussen het riet staan. “Bedankt!” roep ik. “Ik ga ze bellen!” Hij knikt me toe en lacht. Wie weet, wat de toekomst brengt. Is het niet vandaag, dan morgen..

.

Alles moet rijpen, net als zaad.

.

.ALLIES

.

Sickle in hand, I stand by the group of birch trees. Some are already quite large. There is one whose trunk is already starting to turn white. That’s the king. King birch, at the highest point of the hump. He grows, thankful for my hard work. I crouch to remove budding reed stems from around the trunk. It’s amazing how fast reeds grow. Sometimes in one day a stem of up to thirty centimeters is standing in a place where nothing could be seen yesterday. And if you don’t keep removing it, it will keep coming back, crawling along, with rapid steps. Until the trees are big enough, then the reeds won t grow anymore. But now I have to help them, the trees. And there are many. There is also a lot of reeds. The reed rises. It’s such a beautiful sight, that waving rustling green sea. The temptation is to just let it go. Especially when the reed warbler and reed bunting reward you with their calls. But the Frisians here know better. Spring is called “mowing time”. If you don’t mow, everything will become thatch, eventually. It rises from the ditch. First a little piece. Four meters the following year. And then eight. And then sixteen. Until everything is reed. Swaying reeds to the horizon. ,,,,,,,,

The cows and horses keep it short. Animals that have been cooperating with humans for centuries. Without them, the country would be one great reed warbler decor. I understand that now, better than ever. Sometimes you have to feel it first before something sinks in. Feeling the tiredness in your thighs and in your arms, from the many squatting heels. Suddenly I can see it. That sea of reeds that grows when I do nothing. I see my little work, near this group of young trees. I look at the ditch and see that the border of the reed has come closer about three meters unnoticed. Hey? How long has that been there? A few days ago it was just a narrow strip. Do I have to chop all that up? And then again and again and again? I can never leave! My young trees, they would be embedded on all sides by the lovely green sea, which is so treacherous at the same time. They would eagerly make the whole soil rock hard with their deep roots, until only the strongest can stand in between. What can you do then, as a human being? With slight bewilderment I feel a fit of despair. What the hell am I doing? It seems like carrying water to the sea, or sweeping a small square in the middle of a sandy desert.

Discouraged I walk back home for a cup of coffee. When I arrive on the path, I find farmer Jochum. He is pulling up thistles among the reeds, along the Swette. “Ha!” he shouts. “Good to see you. I thought you could join the construction crew. A lock must be repaired in the gypsy wagon today.” I smile wearily. “Thanks for the honor,” I say. “But that piece of land takes all my energy. It’s a lot of work on my own.” I look ahead in silence, too tired to say more. Jochum looks at me and remembers something. “Oh yeah!” he says, taking a piece of paper out of his pocket. “Linde came up with this. It comes from the Leeuwarder Courant.” I take it and read. Two people want to start an organic picking garden for the neighborhood, the bees and the critters have to benefit. It must be a sustainable garden full of biodiversity, 1 to 5 hectares are envisaged with a stable lease construction for several years. “You just contact them,” says Jochum. “If they want something, I will see them come. I am too busy.” I gratefully accept the offer. Showing young gardeners around, people with a plan! I’m only too happy to do that.

Nothing of value just comes. You have to wait until you get tired of it, work until it hangs down your throat. And then suddenly a message arrives. And as hope wells up, good thoughts also return. The reed, which grows so abundantly, is not only troublesome, but also valuable. The hard clay needs it. The cut stems can cover the earth from the hot sun. When chopped, it can loosen the soil and ensure better moisture retention. When I’m not alone anymore, we can discuss that. With the scythe we can mow much faster than with the sickle. I’m sure there are more who would like to do that. And who knows what I can learn from these gardeners. Together we know more! If only this could go on… Smiling, I put the article in my pocket. Jochum has already gone back to work. He pulls up the last of the thistles that are among the reeds. “Thank you!” I call. “I’m going to call them!” He nods at me and smiles. Who knows what the future will bring. If not today, then tomorrow.

Zeisreis

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

English translation underneath. No podcast, only text.

.

“Wijndomein De Vier Ambachten,” staat er op het ronde bord. We rijden de inrit op, het ijzeren hek door. Het is een wijngaard waar je kan slapen in kleine houten huisjes. Daar zijn we blij mee, zo ver van huis, helemaal op de grens van Zeeland en Zuid Holland. “Fijn dat je ons tot hier hebt gebracht,” zeg ik tegen de vrouw die ons reed. “Anders hadden we nog een uur moeten lopen!” We hebben zeisles gehad. Dick en ik, en deze vrouw was een medecursist. We hebben van alles geleerd het in elkaar zetten van de zeis, maaihouding en onderhoud. We stappen uit en de vrouw opent de achterklep. Daar ligt mijn fonkelnieuwe essenhouten steel. Ze geeft me ook de tas aan met de twee handvaten die nog moeten gemonteerd. In de ene zit een bocht, als in een deurkruk. In de andere niet. Dat is niet voor niks. Het is een slimme zeis. Dan komt het grote zeisblad zelf, wel vijfenzestig centimeter lang. Het is bedoeld voor ruigtes, maar als je hem erg scherp maakt, kan je er ook gras mee doen. Daarvoor heb ik een hulzenset gekocht. Dat is een luie manier om je zeis even scherp te krijgen als met een aambeeld. Je kan er elke hamer voor gebruiken die je maar hebt.

Ik kijk naar de grote achterbak van de oude Volvo. In de auto ligt nog een zeis. Een oude. Hij ziet er anders uit dan de mijne. De vrouw slaat de klep dicht en neemt afscheid. Mijn vriend Dick en ik blijven staan bij de muur. Met de steel in de hand herhaal ik waarom deze zeis zo mooi ontworpen is. Je kan kaarsrechtop blijven staan, als je werkt, zonder bukken, zonder je armen te hoeven buigen. Het kost bijna geen kracht. Het ontwerp komt uit Oostenrijk. De baas komt aanlopen, een lange pezige man. Zijn haar begint al te grijzen. “Wat een mooie zeis!”roept hij. “Je mag er meteen mee aan de gang hier, werk zat! Het blad moet er wel aan hoor, anders kun je er niks mee.” Ik lach naar hem, en praat dan verder tegen Dick, want ik was net halverwege een zin.

We lopen verder. Het veld staat vol druiven, in lange rijen, met paden ertussen gemaaid. Boven de ranken uit tooit een witte sluier van fluitekruid. Heel veel fluitekruid. De wijngaard is compleet omgeven door populieren. Ze staan dicht op elkaar. De bomen zijn deze winter geknot, op hoogte van een meter of zeven. Daardoor heb je nog meer het gevoel dat het een wand is. We lopen langs de huisjes, zetten onze bagage neer bij nummer acht, en gaan verder met onze verkenning. Je kan helemaal rondlopen. Aan de achterzijde is een meer en een paadje door de wildernis. Ook daar valt veel te maaien. Dick waagt het er niet op, het paadje op te gaan. De begroeiing is dicht en er zijn veel overwoekerde bruggetjes. Het water ligt er schemerig tussen verborgen. Aan het eind komt ik weer uit bij het grotere pad en ga weer naast hem lopen. “Ik zou best op reis kunnen gaan met mijn zeis en mijn diensten aanbieden,” zeg ik “als ik zou willen.” Dick grijnst. “Ja, een zeisreis!” We lopen ondertussen langs een rij bloeiende appelbomen. “Toch is dat helemaal niet nieuw hè,” Ga ik door. “Een eeuw geleden deden ze dat ook. Seizoensarbeiders reisden rond met de zeis.” Dick knikt en vult me aan. “Ze kwamen ook uit Duitsland. Dat waren de Hannekemaaiers. Ze hielpen de boeren.” Het moet een mooie tijd zijn geweest. Het snijdende geluid in het lange gras, met niets anders dan vogelgeluiden. Het was wel doorwerken, elke dag weer, wekenlang. Maar toch genoten de mannen van het werk, dat lees je nog steeds terug in oude boeken. “Het handwerk moet blijven,” zeg ik. “Dat is het echte ambacht. Het mag niet vergeten worden. Nooit niet.” Dick is het ermee eens. “Wat is er nou aan om de hele dag met oordoppen op te lopen achter zo’n lawaaierige bosmaaier? Het gaat niet eens sneller.”

Je bent helemaal niet gek, met een zeis in je hand. Het wordt steeds populairder. Zeisbrigades bestaan al, in diverse plaatsen zetten ze zich in om stukken van het landschap te onderhouden. Ambachtelijk, geruisloos en sociaal.

We zijn bij ons huisje aangekomen en openen de deur. Zorgvuldig zet ik de steel in de hoek, zó, dat hij niet omvalt. Het zeisblad leg ik neer op het tafeltje. We installeren ons. Morgen gaan we terug. Een hele reis voor mooi gereedschap, dat is het. Het is het waard.

.

.

.

https://zeisles.nl/
https://www.landschapsbeheerflevoland.nl/werkvelden/dat-doen-we-samen/maaien-met-de-zeis.html
https://landschapsbeheergroningen.nl/vrijwilligerswerk/vrijwilligersbrigades/

.

https://www.domein-de-vier-ambachten.nl/

.

scythe journey

“Wine estate De Vier Ambachts,” the round sign reads. We drive up the driveway, through the iron gate. It is a vineyard where you can sleep in small wooden houses. We are happy with that, so far from home, all the way on the border of Zeeland and South Holland. “Thank you for bringing us here,” I say to the woman who drove us. “Otherwise we would have had to walk another hour!” We had sailing lessons. Dick and I, and this woman was a fellow student. We learned everything about assembling the scythe, mowing position and maintenance. We get out and the woman opens the tailgate. There lies my brand new ash wood handle. She also hands me the bag with the two handles that still need to be mounted. One has a bend, like a door handle. Not in the others. That’s not for nothing. It’s a smart scythe. Then comes the great scythe blade itself, up to two feet long. It is intended for rough areas, but if you make it very sharp, you can also do grass with it. I bought a sleeve set for that. That’s a lazy way to get your scythe as sharp as an anvil. You can use any hammer you have.
I look at the big trunk of the old Volvo. There is another scythe in the car. An old. He looks different from mine. The woman closes the door and says goodbye. My friend Dick and I stop at the wall. Handle in hand, I repeat why this scythe is so beautifully designed. You can stay upright when you work, without bending over, without having to bend your arms. It takes almost no force. The design comes from Austria. The boss approaches, a tall wiry man. His hair is already starting to turn gray. “What a beautiful scythe!” he exclaims. “You can get started right away here, plenty of work! The blade has to be attached, otherwise you can’t do anything with it.” I smile at him, and then continue talking to Dick, because I was just halfway through a sentence.
We walk on. The field is full of grapes, in long rows, with paths mown in between. Above the tendrils adorns a white veil of cow parsley. Lots of fluff. The vineyard is completely surrounded by poplars. They are close together. The trees have been pruned this winter, at a height of about seven meters. This makes you feel even more like a wall. We walk past the houses, put our luggage at number eight, and continue our exploration. You can walk all around. At the back is a lake and a path through the wilderness. There is also a lot to mow there. Dick doesn’t dare, to follow the path. The vegetation is dense and there are many overgrown bridges. The water is dimly hidden between them. At the end I reach the larger path again and walk next to him again. “I could go on a journey with my scythe and offer my services,” I say, “if I wanted to.” Dick grins. “Yes, a scythe trip!” In the meantime we walk past a row of blossoming apple trees. “That’s not new at all, is it,” I continue. “They did the same a century ago. Seasonal workers traveled with the scythe.” Dick nods and completes me. “They also came from Germany. Those were the Hannekemowers. They helped the farmers.” It must have been a good time. The cutting sound in the long grass, with nothing but birdsong. It was work, every day, for weeks. But the men still enjoyed the work, you can still read that in old books. “The manual work must remain,” I say. “That’s the real craft. It should not be forgotten. Never ever.” Dick agrees. “What’s the point of wearing earplugs all day behind such a noisy brushcutter? It’s not even faster.” You’re not crazy at all with a scythe in your hand. It’s getting more and more popular. Scythe brigades already exist, in various places they are committed to maintaining parts of the landscape. Traditional, silent and social.

We have arrived at our cottage and open the door. I carefully place the handle in the corner, so that it does not fall over. I put the scythe blade down on the table. We install ourselves. Tomorrow we go back. A whole journey for beautiful tools, that’s it. It’s worth it.

.

.

Voor je kwam, was het anders (Before you came. . .)

.

.

Ze weten niet hoe het was. Hoe het was, voor ze kwamen, de mensen. Drie grote tenten staan er, op het meest geliefde veldje van de hele streek. Het veld is maar klein maar het is een wild heiligdom, met de oude wilg aan het water. Het is geliefd, bij mensen en dieren. Het is omringd door bomen, maar je kunt tussen de stammen door kijken naar wat erachter ligt. Het ligt iets hoger ten opzichte van de weilanden. Als deze plek weer zee werd, dan was het mogelijk een eilandje. Zo heet het ook, “De Pôlle” is eiland in het Fries. Dorpelingen komen er graag even zwemmen. Heel even, er in en er uit. Ook sommige kampeerders doen het zo. Kleine tentjes, stil genieten. Die respectvolle bezoekjes vol stille bewondering, daar geniet ik van, evenveel als van de torenvalk. Die had zijn nest in de hoge populieren, aan de andere kant van het grote veld. Ik hoorde de jongen schreeuwen, heel hard. Kikikikikiki! Prachtig. Ze hebben heel wat muizen opgegeten en ze jaagden de kraaien weg.

Even bijzonder zijn de kramsvogels. Tot een week geleden waren ze er nog steeds. Je ziet ze niet meteen, maar je hoort ze. En als je dan opkijkt, vliegen ze op als een zwerm en zoeken hun toevlucht in dezelfde rij populieren als de torenvalk. Het is een stille hoek, waar niemand komt. In de vroege ochtendstond kijk ik lang uit het raam. Ik wacht met naar buiten gaan, want alles is vol leven, in de lente. De hazen lopen vlak langs mijn raam naar de Pôlle en verdwijnen onder de grote omgevallen wilg, met zijn gescheurde stam. Uit die liggende stam schiet een heel wilgenbos omhoog. Er fluiten vinken, karekieten en steeds weer hoor je het winterkoninkje. Er zitten houtduiven en andere vogels die het landschap even rustig willen bekijken zonder opgejaagd te worden.

En nu staan er die drie grote tenten. Het veld is helemaal vol en het lange gras vol fluitekruid en paarse dovenetel is plat. Verderop, op de weide, zijn drie, soms vier auto’s geparkeerd. Al op de eerste dag zijn de kramsvogels verdwenen. Ook de torenvalk kiest kennelijk het hazenpad, net als de hazen zelf. Ik hoor ze niet meer en zie ze niet meer. Maar de mensen genieten van de barbecue, en de kinderen kunnen lekker varen en ravotten in het veld. De merels fluiten in de vroege ochtend, vlak naast hun tent. Die laten zich niet wegjagen. Stil liggen de mensen in hun tenten. Ademloos liggen ze te luisteren, bij het ontwaken. Dat is het beste moment.

Het is heel gewoon. Iedereen doet het, op vakantie gaan. Of fijn met de hele familie of vriendengroep eropuit. Soms ook alleen, naar een ver eiland barstensvol natuur. Je huurt een auto of een scooter en scheurt het hele gebied af. De natuur is heerlijk om in weg te vluchten, om op adem te komen. Je komt aan op een romantisch plekje en je denkt: “Zo is het hier dus.” Maar je weet niet hoe het was voordat je kwam. Je weet niet welke dieren gevlucht zijn omdat jij hier nu bent. Vakantie breekt de sleur. Maar het breekt ook iets anders, en dat is een levende gemeenschap die daar rustig zijn gang ging. Welke paden heb je zonder te weten doorkruist? Je denkt misschien dat je de plek kent, wellicht kom je er elk jaar. Maar je bent en blijft een gast, die eigenlijk maar heel weinig weet.

Het waren best aardige mensen. Toch haal ik opgelucht adem, nu de rust is wedergekeerd. Om mijn huis scharrelen de eenden weer en merels trekken wormen uit de natte bodem. Maar de torenvalken zijn na vier dagen nog steeds niet terug, en ook de kramsvogels niet. Misschien wilden ze toch al weggaan, en was dit wel een goede reden. Misschien komen ze nog terug. De kraaien hebben de plek van de torenvalken weer ingenomen. De hazen hebben zich teruggetrokken in de meest verre rietkragen. Stil sta ik voor het raam en kijk naar buiten. Ook ik ben een passant, te gast op aarde.

.

.

PS: Nog steeds denk ik wel eens aan de rondvaarten die ik vroeger deed. Dat was toch wel heel sympathiek, ook voor de natuur. Heel rustig laat je de mensen alles zien. Versiering met ballonnen daar doen we niet aan en ook harde muziek niet. Alleen akoestisch. De dieren schrikken niet meer, ze kennen de boot. Op het land blijft het rustig. Alles kan gewoon zijn gang gaan. Je houdt de mensen dichtbij elkaar. Je hebt een korte inspirerende ontmoeting, drinkt thee op het terras en dan gaan ze weer. De parkeerplaats is helemaal aan het begin, vlak naast de theetent. De mensen hoeven niet meer helemaal het terrein op. Er is plaats voor zestien auto’s en er staat een hoge heg omheen. Zo zie ik het voor me. Dit zou ik nog steeds liever doen dan een camping runnen. Dit, met mijn schippersverleden in gedachten. Maar ja, ik ben hier te gast!

.

NEDERLANDS

ENGELS

A group arrives at a beautifull wild place, with big tents. With so many stuff, do you still enjoy what lives there? I realize again, we are guests on earth. The simpler you live, the more you see.