De komst van een vagebond

Blogtek reiziger met tinker kl 001

.

Ik kom thuis en ineens staat er een paard in de wei. Zwart met wit en sokken om de benen. Het is een Tinker. Ik herken hem. Het is hetzelfde paard dat ik weken geleden zag, die keer dat ik  langs het Wilhelminakanaal fietste. De ezel balkt van opwinding en rent naar het hek als het dier hem nadert, maar het paard aan de andere kant graast rustig door. Achter de heg staat het woonwagentje verscholen. Een jongensachtige man met blond en halflang  haar zit achter een bord macaroni. Hij steekt zijn hand uit. “Jan,” stelt hij zich voor “Wij hebben elkaar eerder ontmoet”. “Ja,” lach ik. “Ik ben Alowieke.. ” Ik kijk het weiland in. “Leuk voor de ezel”, wijs ik, “nieuw gezelschap.” Hij lacht en zegt dat zijn paard toch niet reageert. Naast het kleine wagentje staan twee honden. Het touw waarmee ze vastzitten staat strak en hun neuzen steken allebei in mijn richting. Ik laat ze snuffelen aan mijn hand.
“Ik blijf tot februari,” zegt Jan resoluut.  ” Dan wil ik naar Portugal reizen, om daar te gaan wonen.”
“Reis je alleen?”
“Ja, met Dorus en de twee honden.
“Is dat niet zwaar, in je eentje?”
“Ja het is heel hard werken. Ik ben nog maar een jaar geleden begonnen met paarden en heb nu één grote tocht gemaakt met de wagen, in Nederland. Ik dacht, daar rij ik gewoon mee weg, net als een auto. Dat viel flink tegen. Het is ook een beetje dubbel. Ik zie er best tegen op, om weer op pad te gaan. Maar ik hoop toch dat ik straks weg kan. Eerst moet de wagen opgeknapt. De bok is er af gebeukt bij een ongeluk. Kijk maar.” Ik zie een rafelige dakrand en de bok is spoorloos.
“Ongeluk? Hoe kwam dat?”
Hij vertelt. “Ik stond met mijn wagentje bij een boer. Mijn merrie had net een veulen gezoogd, was aan het verspenen en niet in haar  normale doen. Toch ben ik een ritje gaan maken, mèt wagen. De boer zei: Dat kan je best, en het dier moet bewegen. Het liep fataal af. Ze stond zomaar opeens stil, dronk vermoeid en dorstig uit een grote plas. De wielen zakten weg en uit alle macht spoorde ik het dier aan. Dorus trok, de wagen schoot met een ruk naar voren, tegen haar kont. Dorus maakte van gekkigheid een rare sprong. In een poging een greppel te ontwijken knalde ik tegen een boom…. En eigenlijk wist ik het,” zegt Jan bedachtzaam, “Ik moet dit nu niet doen. Maar die boer wist zòveel van paarden….”
Jan vertelt hoeveel hij van zijn paard is gaan houden. Terwijl we praten komt de Tinker naar me toe, besnuffelt me en gaat verder met grazen. De honden zijn gaan liggen. “Je hebt al een hoop geleerd,” merk ik op. “Ja,” antwoordt hij. “Dat kan prima in korte tijd. Ik heb alles over paarden in me opgezogen als een spons. Toch, zoals jij het doet is denk ik beter. Eerst  bouwen. Maar daar ben ik veel te ongeduldig voor. En zo kan het ook.” Ik knik. “Ja, jij hebt al een mooie band opgebouwd met je paard. Maar ik ga nu koken. We praten later verder,” zeg ik. Hij kijkt naar zijn koud geworden bord macaroni. “Ik ga mijn prakkie maar eens opwarmen”.

Ik loop terug naar mijn wagen. De verhalen van Jan laten mij niet koud. Bij elke stap die ik doe, zie ik het scherper. Ik hoef voorlopig nergens heen. Dit is een goede plek. Alles op z’n tijd. Zeker weten.

.

Jan en zijn dieren kl

Jan en zijn dieren

Eng ding

blogtek eng ding (tractor)

.

Mijn benen bewegen de trappers en de wielen brengen me naar waar ik wil zijn. De lange smalle asfaltweg is stoffig en verlaten. De zon brandt op mijn blote schouders. Ik moet boodschappen doen, kaas halen op de markt. Ik heb gewacht tot de zon niet meer zo hoog stond. Voort ga ik en mijn voeten draaien maar, de trappers rond en rond. Warme wind waait om mijn hals. Het brengt me in een aangename trance. Ik fiets de lange weg naar Middelbeers, recht door akkerlanden,langs pas gemaaide bermen…
Opeens schrik ik op van een zwaar grommend geluid achter me. Het klinkt hard en het komt snel dichter bij. Instinctief duik ik in elkaar en draai zo dicht mogelijk naar de berm. Een grote groene trekker passeert met een ruime bocht. De bestuurder is een jongen, hij kijkt me kort aan over zijn schouder, terwijl hij verder rijdt.” “Eng ding,” hoor ik mezelf zeggen. Oei, denk ik daarna. Dit kan straks niet meer, zo’n schrikreactie. Als ik met paarden op de weg loop, springen ze zomaar mèt mij de berm in en verder nog dan dat. Met ezels zal dat minder zijn, maar toch..

De oplossing is helder. Groot maken. Alsof ik zelf net zo’n dikzak ben als die trekker. Jarenlang maakte ik tochten over de wateren van Utrecht. Ik was één met mijn boot op de grachten. Daar schrok ik nergens meer van. Zelfs dieventuig pakte ik in de kraag, samen met mijn scheepje. De weg is anders. Stille smalle landwegen zonder bochtjes, die zijn het verraderlijkst. Wat er wél rijdt, scheurt keihard langs je heen, trekkers en auto’s.
Ik heb mijn wagen aardig smal gemaakt. Dan kan ik krappe bochtjes om en smalle paadjes in.  Ik kan ook makkelijk aan de kant. Nu weet ik beter. Hoe maak ik mezelf breed, dáar gaat het om. De zijkant vol hangen met bewegende emmers.  In de emmers zitten rammelende harde dingen, die akelig uitsteken over het randje. Daar zijn automobilisten bang voor. En als ze dan toch langzaam mijn brede rammelende wagen passeren, dan zal ik vriendelijk groeten.
Paard-en-wagens krijgen jammer genoeg geen voorrang in Nederland. Mensen zijn er niet aan gewend. Dan moet je toch maatregelen nemen.

.
Ik ga vast oefenen. Ik maak mijn blik ruim, zodat ik alles zie. De berm is om te grazen, de weg is om te gaan. Koers houden, dat is het.

.

De paardenvrouw

blogtek paardenvrouw

.

“Kijk, dit is mijn bomendans.” Het is hoogzomer 2014, en ik doe een kleine opvoering bij de buren, die tijdelijk met een huifkar op de camping staan. Gerrit de ezel staat ernaast, vastgebonden aan een touw. Een stevige pin is het midden van een cirkel met lekker vers gras. Gerrit is opgehouden met eten en kijkt nieuwsgierig toe. Het liefst wil hij overal bij zijn, zoals de meeste ezels.

Ik begin laag op de grond en kom dan met een indrukwekkende zwaai van been en armen omhoog de lucht in. De ezel springt verschrikt achteruit. Een beetje beteuterd kijk ik hem aan. “Sorry ezel,” zeg ik. Een echte bomendans gaat kennelijk toch ietsje anders. Ezels schrikken niet van bomen.

Elke ochtend oefen ik, bij de warme kachel, als ik wakker ben en mijn spieren warm zijn. De dans is in de loop der tijd veranderd. Langzamer en meer boom. Soms met trillende spieren maak ik de trage beweging vanuit de grond, eerst stijf en houtig, dan steeds sierlijker. Verder groei ik naar het licht, verbeeld de stofwisseling binnenin de boom, het maken van knoppen, blaadjes en takken, omhoog, omhoog, en weer opnieuw. De vloer is glad en mijn pantoffels neigen te glijden. Dat is best lastig. Mijn benen zijn er een stuk sterker van geworden.
Zal de ezel nog steeds van me schrikken, vraag ik me soms af. Ik heb het niet meer geprobeerd.

Ik ben buiten, doe opnieuw mijn bomendans om te kijken of de ezel nog steeds van me schrikt. Dan zie ik iemand langsrijden op een schimmel, een goedlachse vrouw met lang blond haar. Ik stop met dansen en loop naar haar toe. “Ik ben Eva, de nieuwe buurvrouw” zegt ze. “Zullen we kennismaken? Kom maar eens langs!”

“Equitherapie” staat er op het bord in de tuin. “Therapie met paarden, betekent dat,” legt ze uit, als ze me rondleidt. “Laten we naar ze toe gaan”. We lopen tussen de bomen en struiken en ze opent het hek.
We lopen haar terrein op, dat overloopt in de rand van het bos. Onder de sparren staat een schimmel en iets verderop ligt een donkerbruine IJslander. Een vredig tafereel. Ik word er stil van. De schimmel blijft rustig staan als we naar hem toelopen en betast mijn handen met zijn snoet. De IJslander, een oud paard met trillende onderlip, blijft liggen waar hij ligt, starend over het weidse, zonnige  panorama achter de zwarte stammen. “Ga maar eens naar hem toe,” stelt Eva voor. Ik twijfel niet en loop langzaam dichterbij. Als ik vlakbij ben wil hij opstaan. Ik stop. Hij zakt terug in zijn oude houding, totaal ongeïnteresseerd in mijn aanwezigheid. Terug bij Eva zegt ze: “Wat gek, ze zijn nooit zo rustig met een vreemde erbij…” Ik kijk haar aan en glim. Dan heeft de bomendans toch effect gehad!

.

http://www.stalkelpie.nl/

.

 

Uitproberen

blogtek uitproberen 003

.

“Ik vind het zo leuk dat we hem nu kunnen testen!” Ik kijk naar Dick, naast me. Hij staat uit te hijgen. Mijn superdeluxe kar staat midden op het karrenpad, vol beladen met stalen profielen en golfplaten. Die zijn voor de overkapping, die we gaan bouwen, een werkplek voor de wagen. We konden ze nog net tussen groeigrage stammen en kronkelende takken uittrekken, zonder te moeten kappen. Het lag er vast al een tijdje, daar achter de camping.
“Ik ben benieuwd of we de wagen zo meteen het veld op krijgen. Het is daar zó nat!”
“Dat lukt vast ook wel. Zullen we weer?” Dick zet zijn grote handen op het koude staal. Op de verharding van het brede pad rolt het lekker door. Aan het einde is de bocht naar de parkeerplaats. Ik trek de dissel naar links. Ik kan de voorwielen er helemaal dwars onder draaien, zodat de wagen extra korte bochten kan maken.  “Straks kantelt hij nog!” roept Dick een beetje bezorgd. “Nee hoor,” stel ik hem gerust. Ik heb veel vertrouwen in mijn solide kar met de korte, brede wielen. Die kantelen niet zomaar. Ik glimlach. Achter me hoor ik harde banden door de plassen gaan.

Het begin van het veld is een modderpoel. “Vaart maken!” roep ik. Bij een diepe plas staan we ineens stil. “Ik ga kijken of Paul er is.” Ik loop naar de grote woonwagen en klop op de deur. Niemand. Ik loop terug.
“Nog een keer proberen dan maar,” zegt Dick en haalt adem. “Eén twee drie! Eén twee drie!” Bij elke drie gaan de wielen twintig centimeter vooruit. Rondom het harde rubber borrelt het zompige gras zijn nattigheid er uit. Achter de wielen is de grond platgereden, maar het spoor is niet diep. Daar ben ik blij om.
“Mijn klompen glijden steeds uit over het natte gras,” klaag ik.
“Ja mijn laarzen ook.”
“Laten we maar stoppen dan. Hier staat hij ook prima, voor nu.” Ik laat de dissel los. “Okee.” Hij kijkt bedenkelijk naar de zware vracht. “Zou een paard dat wèl kunnen trekken?” “Vast wel. Een paard is veel sterker dan jij. En een muildier is nòg sterker.” Ik kijk naar mijn blauwe klompen die zich vastzuigen in de modderige bodem van een plas. “Ik zal liever niet met ze door een zompig grasveld heen rijden. Er zullen vast betere wegen zijn om te gaan.”

Ik geef Dick het touw en pak zelf een sterke spanband. Het gaat flink waaien morgen. Maar de harde zuidwestenwind zal er geen vat op krijgen, is mijn voornemen. Stevig trek ik  tot de band strak staat en de wind niet onder de golfplaten kan komen. Ik sta en kijk. Dit voertuig hoort bij me, zoals mijn boot vroeger bij me hoorde. Het wordt meer dan alleen mijn huis, het beweegt met me mee en ik mag er voor zorgen. Even ben ik vol van diepe tevredenheid. Mijn vriend is al vooruit gelopen om koffie te zetten. Hij kijkt naar me over zijn schouder. “Kom je?”

.

.

Volhouden!

paardenwelkom 001

„Ze probeert je naar achteren te duwen, hou vast! Blijf vasthouden!” roept Aniek. Het is menens. Merrie Fipor probeert me uit. Ik vroeg er zelf om. Als totale beginner meteen een training Natural Horsemanship doen, is niet normaal. In elk geval ben ik de eerste hier, als beginneling. Het paard snapt dat ook. Volhouden nu! Ik luister naar Aniek haar heldere stem, terwijl mijn hand stevig de neus van de merrie vasthoudt. Ik voel het harde bot in het midden, een stuk onder de ogen. Duim aan de linkerkant, andere vingers rechts. Ik gooi mijn hele gewicht erin en duw uit alle macht. Plotseling geeft Fipor toe en stapt naar achteren. Ik duikel voor over in het zand. Verrast kijk ik omhoog naar het paard. De merrie staat er nu rustig bij. Aniek lacht. “Maar ze is wél voor je naar achteren gegaan!” zegt ze.
We gaan verder. Aniek loopt rond in het mulle zand van de buitenbak en geeft opdrachten. Haar blonde staart wappert onder het bruine petje terwijl ze rondkijkt. Er zijn nog drie paarden, met vrouwen die leiden. Ze let op allemaal. Ook op mij. Ik heb het gevoel alsof ik aan het jongleren ben. Elke nieuwe taak is als een bal die ik moet vangen, terwijl ik de vorige nog maar net in balans heb. De hele middag sta ik op scherp. Ik doe het. Welliswaar niet altijd zoals de bedoeling is, maar toch. Ik gebruik mijn hele lichaam. De stick en het touw, waarmee ik aanwijzingen moet geven, hangen soms vergeten in mijn hand, tot ik er weer aan denk. Maar het paard begrijpt me aardig. En het gaat steeds beter.
Drie dagen duurt het. Ik leer veel van de taal en het karakter van het dier. Ik leer het touw en de stick te gebruiken, rustig en subtiel, als een verlengstuk van mijn lichaam. Ik ben verrast, dat het in zo’n korte tijd mogelijk is om iets op te bouwen. We kunnen ontspannen samenwerken, Fipor en ik. Gezellig en speels. Tussendoor leid ik haar naar de smakelijke kruidige grasrand, langs het hek, net als een leiderspaard dat doet, met zijn kudde. Daar blijven we even staan. Mijn gedachten drijven even weg, terwijl Fipor graast.
Wie weet, zal ik dit straks veel vaker doen. Straks, als ik ga trekken. . . Wat zal het worden? Geen paard, denk ik. Hoewel ik geniet van deze dagen, heb ik toch het liefst een ezel of een muildier, geloof ik. Ik vind grote fluwelen lippen leuk, die alles willen aanraken en onderzoeken. Ezels hebben dat. Muildieren ook? Ze zijn allebei rustiger, taaier, en stellen minder eisen aan het voedsel. Misschien worden het er wel twee, als het past. Een stel dat samen is opgegroeid. . .

Zo sta ik te dromen terwijl ik zijdelings naar Fipor kijk. Ze graast geconcentreerd en is nu bij de grote rode klaver. Het bosje bloemen is in enkele ogenblikken verdwenen in een bek vol grote tanden. Nu ze even de vrijheid heeft, neemt ze die ook. Ze beslist wat ze wel en niet eet en ik kijk tevreden toe. Zij en ik zijn nu vriendinnen en spelen het spel van geven en nemen, ontspannen en vanzelfsprekend. Ik heb niets meer te wensen vandaag.