De paardenvrouw

blogtek paardenvrouw

.

“Kijk, dit is mijn bomendans.” Het is hoogzomer 2014, en ik doe een kleine opvoering bij de buren, die tijdelijk met een huifkar op de camping staan. Gerrit de ezel staat ernaast, vastgebonden aan een touw. Een stevige pin is het midden van een cirkel met lekker vers gras. Gerrit is opgehouden met eten en kijkt nieuwsgierig toe. Het liefst wil hij overal bij zijn, zoals de meeste ezels.

Ik begin laag op de grond en kom dan met een indrukwekkende zwaai van been en armen omhoog de lucht in. De ezel springt verschrikt achteruit. Een beetje beteuterd kijk ik hem aan. “Sorry ezel,” zeg ik. Een echte bomendans gaat kennelijk toch ietsje anders. Ezels schrikken niet van bomen.

Elke ochtend oefen ik, bij de warme kachel, als ik wakker ben en mijn spieren warm zijn. De dans is in de loop der tijd veranderd. Langzamer en meer boom. Soms met trillende spieren maak ik de trage beweging vanuit de grond, eerst stijf en houtig, dan steeds sierlijker. Verder groei ik naar het licht, verbeeld de stofwisseling binnenin de boom, het maken van knoppen, blaadjes en takken, omhoog, omhoog, en weer opnieuw. De vloer is glad en mijn pantoffels neigen te glijden. Dat is best lastig. Mijn benen zijn er een stuk sterker van geworden.
Zal de ezel nog steeds van me schrikken, vraag ik me soms af. Ik heb het niet meer geprobeerd.

Ik ben buiten, doe opnieuw mijn bomendans om te kijken of de ezel nog steeds van me schrikt. Dan zie ik iemand langsrijden op een schimmel, een goedlachse vrouw met lang blond haar. Ik stop met dansen en loop naar haar toe. “Ik ben Eva, de nieuwe buurvrouw” zegt ze. “Zullen we kennismaken? Kom maar eens langs!”

“Equitherapie” staat er op het bord in de tuin. “Therapie met paarden, betekent dat,” legt ze uit, als ze me rondleidt. “Laten we naar ze toe gaan”. We lopen tussen de bomen en struiken en ze opent het hek.
We lopen haar terrein op, dat overloopt in de rand van het bos. Onder de sparren staat een schimmel en iets verderop ligt een donkerbruine IJslander. Een vredig tafereel. Ik word er stil van. De schimmel blijft rustig staan als we naar hem toelopen en betast mijn handen met zijn snoet. De IJslander, een oud paard met trillende onderlip, blijft liggen waar hij ligt, starend over het weidse, zonnige  panorama achter de zwarte stammen. “Ga maar eens naar hem toe,” stelt Eva voor. Ik twijfel niet en loop langzaam dichterbij. Als ik vlakbij ben wil hij opstaan. Ik stop. Hij zakt terug in zijn oude houding, totaal ongeïnteresseerd in mijn aanwezigheid. Terug bij Eva zegt ze: “Wat gek, ze zijn nooit zo rustig met een vreemde erbij…” Ik kijk haar aan en glim. Dan heeft de bomendans toch effect gehad!

.

http://www.stalkelpie.nl/

.

 

Vier passen voor ijsberen

Ijsberen

Eén, twee, drie, vier. Vier stappen maak ik en de laatste is een heel kleintje. De kurkvloer onder mijn voeten is niet zo koud meer als vanochtend. De kachel is warm. Na de vierde komt een halve draai, mijn armen geheven als een danser. Zo keer ik om, precies op de grens die ik afplakte op de vloer. Zwarte tape voor mijn tenen geeft het oppervlak weer van de wagen, die al lange tijd in mijn verbeelding aan het groeien is. De maten ken ik door en door. Meten is weten, zeggen ze. Ik loop. Vier passen heen, vier weer terug. Dat is hem.

Gisteravond kwam ik terug, na een paar dagen reizen. De kippen renden naar mijn voeten en de pauw stond op het bordes alsof hij me opwachtte. De ezel balkte. Verder was er geen mens te bekennen, in geen velden of wegen.
Hoeveel mensen vertelde ik mijn verhaal? Genoeg. Menigeen genoot van het beeld, de kleine woonwagen op reis. Elke lach die ik terug krijg inspireert me. Ik neem ze mee naar huis en koester ze als zonlicht.

Ik loop als een leeuwin in haar hok. Heen en weer. Loom en lenig. Niet gekooid, maar uit vrije wil en gedompeld in stilte. Een scherp contrast, de drukte van de afgelopen dagen en de diepe rust die me nu omkleed als een donkerbruine deken. Het is donker, vochtig en koud buiten. Maar hier binnen niet.
Ik heb het licht uitgedaan. Zonder kunstlicht wordt het duister iets tastbaars. De grijze schemer versterkt de schaarse geluiden en maakt de stilte stiller. Nu het licht aan doen, is als een radio aanzetten om maar iets te horen. Maar ik wil geen stemmen nu, geen schijnwerpers. Laat alles wat het is.

Ik denk aan mijn nieuwe wagen. Ik loop in de denkbeeldige kleine ruimte en strek mijn armen wijd, langs de twee rijen kleine ramen. Met mijn vingertoppen kan ik ze raken, aan weerszijden tegelijk. Ik hef mijn armen omhoog en als ik op mijn tenen sta, kan ik mijn vlakke hand tegen het hoogste punt van het plafond leggen. Ik voel de stugge katoen onder mijn vingers en de warme laag van schapenwol eronder. De dakspanten maken een ritme van ronde bogen. Vijf zijn het er, tot de bedstee. Ik raak ze boven mijn hoofd, gelijk met de passen van mijn voeten. Ik loop en de ribben van mijn cocon lopen met me mee in het ritme. Ik schrijf de maten met mijn lichaam. Eén, twee, drie, vier, langs de kachel, tot het bed en weer terug. Vier stappen om te ijsberen. Het duurt niet lang meer, dan gaat het feest beginnen. Bouwen ga ik.

Voor aanvang

breincorset creatieve 001

Na verhalen over paarden en theater zou ik opnieuw een spetterend stuk kunnen schrijven. Ik zou een kleurrijke menigte kunnen schilderen, verhalenvertellers, muzikanten. . . Ik zou op dit moment een festival kunnen bezoeken, drie dagen lang. De zon schijnt, alles nodigt uit om er aan mee te doen. Maar ik doe het niet. Ik blijf hier. Sterker nog, ik zit binnen. De witte, katoenen gordijnen zijn gesloten. Waarom?

Gefladder tussen bloem en tak lokt mijn blik naar buiten. Ik zie niet alleen vogels, ook zweefvliegen, vlinders, hommels en  bijen. Het worden er steeds meer nu het palet aan kleuren en geuren groeit. Het trekt me. “Kijk eens, ruik eens, proef eens!” lijkt het te roepen. Maar dat wil ik niet. Niet nu.  Daarom heb ik de gordijnen dicht gedaan. Anders komt er niks van.

Dit is het. Nog twee weken en dan geef ik de smid in Warnsveld definitief de opdracht. Hij zal het onderstel voor mijn nieuwe wagen bouwen. Het boek met tekeningen ligt voor me. Nog steeds dicht. Ik wil ermee verder, maar de gedetailleerde tekeningen duizelen voor mijn ogen, als ik het open doe. Dus ik heb het weer gesloten. Ik kijk voor me uit, naar de ruwe witgeschilderde planken boven mijn aanrecht. Het rolgordijntje erboven is dicht, net als de andere gordijnen. Eigenlijk is mijn huisje nu een soort breincorset. Daar moet ik eerst weer inpassen, voor ik verder kan. Anders snap ik de gortdroge en abstracte getallen en lijnen niet. Al heb ik ze ooit zelf getekend, het zit toch in een andere hersenhelft dan die waarin ik me zomers gewoonlijk bevind, als de wereld zich zo uitbundig en sensueel manifesteert.

Leger en leger wordt mijn hoofd. Af en toe zie in gedachten een beeld. Een kleine woonwagen rijdt door een gevarieerd landschap. Ik zie mezelf lopen, met  twee muildieren. Of zijn het ezels? Bouwen zal ik, deze wagen. Hout en schroeven zal ik inslaan. Grote stugge lappen katoen voor de binnenkant en dikke rollen schapenwol voor isolatie. . . Moet ik de kasten onder de vloer afwerken met een flinke rand gaas, vraag ik me af. Goede ventilatie voorkomt die hele populatie aan schimmels. Liever voorkomen dan genezen. . Dan verdwijnt de gedachte weer.

Ik neem een slok water uit het glas, dat naast me staat en staar voor me uit. Er rijst een stil vermoeden. Dit zou nog wel eens een vruchtbare tijd kunnen worden. Ik dank iedereen die het in al die jaren mogelijk heeft gemaakt, dat ik dit nu kan doen. Alleen had ik het nooit gered.

Iedereen kan me zien

Het ei uit

Vlinders moeten rupsen worden
vogels kruipen in hun ei
vliegen hoort niet in de orde
van de mensenmaatschappij
en toch is er soms een weg. . .

 

Het eten is op, de pan is leeg. We zitten op de bank uit te buiken, Dick en ik. Ik kijk naar de zwarte strepen op de kurkvloer. Haakse hoeken van ductape, die ik er drie maanden geleden op plakte. Het geeft de ruimte weer van de wagen, die ik ga bouwen. Zo krijg ik er een beetje een gevoel bij. Vanmiddag heb ik de Witte Smid in Warnsveld gebeld voor een afspraak, voor het onderstel. Het gaat nu echt gebeuren.
Stil kijk ik naar de denkbeeldige ruimte op de vloer. Best klein, eigenlijk. Ik reken. “Weet je dat mijn vloeroppervlak straks de helft is van wat ik nu heb?” zeg ik. “Dick kijkt voor zich uit en maakt mompelend dezelfde som. “Ja, minder nog. Minder dan zes vierkante meter.”
“Ik vind het spannend,” zeg ik. “Nu ik een tijdje afstand heb genomen van het plan, is het nog enger. Maar ik doe het toch.” zeg ik.
“Ja,” zegt Dick, alsof hij niets anders had verwacht.
“Al is het dan minder dan ik nu heb, het is altijd meer dan een trekkerstent.”
“Zo kan je het ook bekijken,” beaamt hij.
“Het wordt mijn eigen plekje. Dat ik altijd bij me heb. Waar ik elk moment in kan kruipen en naar buiten kan kijken. Op hele stille plekjes, middenin de ruigte. Als het regent kruip ik lekker bij de kachel.”
“Zo is het.”
“En koken kan buiten, onder de markies.”
“Als je half buiten leeft, daar wen je daar gauw genoeg aan.”
“Iedereen kan me zien en een praatje maken.”

Af en toe denk ik aan Diogenes, een filosoof die leefde zo vierhonderd voor Christus. Hij leefde in een klein houten huisje, denken ze. Misschien wel net als ik. Of in een grote aardewerken pot, daar zijn ze nog niet over uit. In elk geval, hij vond dat mensen, op zoek naar waarheid, zich los moesten kunnen maken van conventies.
Ik ben geen filosoof. Ik zeg liever niks over wat mensen zouden moeten doen. Ik doe wat ik doe en als ik iemand inspireer ben ik blij.
Laag voor laag strip ik alles wat me teveel is. Wat heb ik te verliezen? Mijn huis wordt kleiner, maar mijn hart groter. Is dat het wat de filosoof “waarheid” noemt? Het meest wezenlijke van een mens, steeds meer zichtbaar voor de buitenwereld, langs een pad van zweet en tranen? Ik denk van wel. Dan is het er. Echter nog dan echt.

 

Bovenstaande regels komen uit een tekst, gezongen door Boudewijn de Groot. Titel is “Voor de overlevenden”, geschreven in 1966, door Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. Ik heb de tekening en dit verhaal naar hem opgestuurd en zijn assistente liet weten dat hij het mooi vond.

 

De wensheuvel

.

.

Daar waar in stilte verbondenheid is, daar ligt de kiem van een nieuw begin.

Ik zit roerloos op de bank en luister. De vogels zijn zwijgzaam op deze grijze herfstdag. Een merel hoor ik. Even later een kraai die roept. Dan is het weer stil. De kachel tikt zachtjes, met gloeiend hout erin. Ik zit op mijn schapenvacht. Soms is de stilte bijna onverdraaglijk. Toch blijf ik zitten. En dan, als ik door de eerste weerzin heen ben, voel ik het. Ik ben verbonden. De grijze lucht lijkt lichter dan zonet, de kamer ruimer. Opgelucht haal ik diep adem. Je hebt maar een kleine plek nodig in je huis, waar je graag bent. Dat is genoeg. Bij mij is het mijn bank. Het huisje is klein maar groot genoeg.  En daar zit ik nu, op die bank.

Ik kijk door het raam boven het aanrecht, waar ik een stukje van de coniferenhaag zie. Ik hoor wat. Er komt wat aan. Een zware machine rijdt traag langs het onverharde pad, dat naar de camping leidt. Het overstemt alle geluiden. Een merel slaat alarm. Een groot gevaarte maait de berm. Ik verdraag het geluid tot het uiteindelijk in de verte verdwijnt en ik droom van een plek. Een plek waar niet geld en machines het leven op aarde domineren en manipuleren. Een plek waar alles mag zijn wat het is. Ik droom, net als  miljoenen mensen met mij van grond waar ik me mee kan verbinden en waar we samen de aarde kunnen verzorgen. Waar we onze handen vuil kunnen maken en kunnen laten groeien wat al ons leven lang onder de aarde lag te wachten. Als een woestijn, die na tientallen jaren weer tot bloei  komt. Zo wacht ik samen met anderen en werk verder aan de voorbereidingen.

In deze stilte is het of ik op een heuvel sta, en over de aarde kijk, samen met duizenden anderen. In die oeroude rust komt het beeld me steeds helderder voor ogen. Elke dag  groeit het. Tot het moment komt dat we de handen ineen kunnen slaan.. Sommigen zijn al begonnen, een  pril nieuw begin, anderen luisteren, net als ik en zullen weten wanneer het hun moment is. We zullen alles wat onder onze handen komt, laten groeien tot een weelderige tuin, en elke tuin is  verbonden met een andere. Alles is er al. Door wat groeit zijn plek te geven, geven we onszelf een plek. Bomen die vrucht dragen, kruiden die bloeien en geuren in de warme zon, en hangen te drogen op zolder. Kinderen rennen de kleine herdershond achterna op het veld. Langs de vijver drinken vogels tussen de waterkers en vliegen snel weer op. Onder een steen zie ik de staart van een salamander weg flitsen. Op deze denkbeeldige heuvel sta ik stil en zie het voor me. Laten we onze fantasie gebruiken en durven dromen. Onze beelden van wat zal zijn, rijgen zich aaneen en zo wordt het werkelijkheid. Zo kijken we uit over een aarde zoals we haar nog nooit hebben gezien. Dit is onze wensheuvel. De plek waar alles opnieuw begint.

.