Levensdraden en oude stenen

Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. En toch zijn de oude verhalen nog zichtbaar. Als je de tijd neemt.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit in de trein naar het Zuiden. De lucht is helder, de weiden wit, en de sloten zijn bevroren. Waar het land hoger wordt, in de buurt van de zandgronden en de bossen, daar zie ik het landschap letterlijk verdwijnen. Het is een dichte wolk, een mist die alles omhult. Ik zie het dichterbij komen en dan verdwijnen we zelf. Van het ene moment op het andere zien we niks meer. En terwijl ik verder reis, raken we de mist niet meer kwijt. Soms lijkt het wel of het met alles zo is. Dat alles in een mist verdwijnt. Het echte voelbare, tastbare.

Ik kom terug in Utrecht, na meer dan een jaar, de tussenpozen duren steeds langer. Ik hoor welke mensen er zijn verhuisd en doodgegaan. Grote bomen hebben plaatsgemaakt voor kleinere. Langzaam veegt de tijd zijn sporen in het bestaande. Kades liggen zonder de vertrouwde boten, want dat mag niet meer. De terrassen zijn van nog meer luxe voorzien. Ambachtelijke werkplaatsen zijn bijna niet meer te vinden. De stad wordt netter, er zijn verkeersborden bijgekomen en de rommeligheid van het bedrijvige verleden wordt stukje bij beetje uitgewist.
Maar toch blijft het bestaan. Het verleden van een stad, als een sluier over het bestaande. De verhalen in de mensen, in de oude stenen zijn er nog. Je kan de stad zien, als door de tijden heen, maar dat lukt je alleen als de stad je eigen is en als je de tijd neemt. Ik hou van Utrecht. De stad hoort bij me. Het zijn de verhalen die ik jarenlang vertelde en de vele kostbare momenten uit mijn stadse leven. Nooit in mijn leven heb ik zoveel mensen gekend als hier. Ik heb er mijn grote liefde ontmoet en verloren. Honderden rondes heb ik gevaren door de grachten, als gasten ontvangende schipper. Werven, muren, bomen en de glinstering in het water, alles heb ik uitgetekend met eindeloos veel zwarte lijntjes op papier. Maar ook de stad zelf heb ik gevonden en in mijn hart gesloten. Overal zijn hoeken en straten met een verhaal, persoonlijke verhalen, verhalen van vrienden, verhalen van de stad zelf. Als ik er rondloop borrelt het één voor één omhoog. Nu ik er niet meer woon, besef ik dat geen enkele stad me ooit zo vertrouwd zal zijn als deze. Het is als een relatie die je heel lang hebt gehad, voor je om één of andere reden toch uit elkaar gaat. Het is nooit verdwenen, het blijft deel uitmaken van wie je bent.

Het gevoel van het land, het sociale netwerk en hoe dit met elkaar verweven is. Draden die jou daarmee verbinden. Dat gaat door.

Maar de stad van toen komt nooit meer terug. Plekken en mensen veranderen en verdwijnen. Dat is niet erg, het is zoals het is. Maar het zijn niet alleen mensen die weggaan en sterven. Niet alleen dat vriendschappen verwateren en klanten die nooit meer zullen meevaren in mijn boot. Het is iets groters dan mijn persoonlijk leven. Iets wezenlijks dat verandert, overal. Met elke seconde die het leven sneller gaat, wordt het tegelijkertijd vluchtiger. En dat vind ik alarmerend. Ik koester de heilige traagheid. Daarom ben ik daar niet meer, in de stad. Mijn grote liefde hoorde ook bij het oude. Hij was als een middeleeuwer en zou zich compleet verdwaald hebben gevoeld tussen al die snelle fietsers met telefoons in de hand. Ook hij leefde in die heilige traagheid. Hij kon niet anders. Wij waren als een afdrijvende oase van wat ooit algemeen was. Werkers met vuile handen, die tijd nemen voor een praatje tussendoor.

Hier in het Noorden is het nog te vinden. Bedrijvigheid zonder overdreven haast. Dorpelingen zijn al generaties lang met elkaar vertrouwd, en hebben hun tradities. Hier zijn de gelukkigste mensen van Nederland zeggen de statistieken, hoewel ze het minste geld hebben. Ze noemen het “De Friese Paradox”. De vraag is hoelang het blijft. Er wordt gewerkt aan meer wegen, meer huizen en treinverbindingen. Het leven wordt sneller. Wat leveren we ervoor in?
Het maakt op een gegeven moment niet meer uit waar je woont, je kan overal plezier hebben en een baan vinden, je hobby’s doen en er is altijd wel ergens een vertrouwde Hema of een sportschool. Maar de anonimiteit wordt groter. Juist nu, tussen al die parkeerplaatsen, bedrijventerreinen en grote ketens, hebben we mensen nodig die eigenheid uitstralen en die levensdraden weven. Die deel uitmaken van de oude verhalen en ze kunnen uitdragen.
Wat wegzakt duikelen we op. We trekken aan de draden die losraken in het weefwerk van het leven en zetten ze vast met een persoonlijke steek. We weven er nieuwe tussendoor, glinsterend als water. Overal zijn scheppers en mensen die onderhoud plegen, op talloze manieren. Eens zal blijken wat er over is en blijft, van dat wat echt en wezenlijk is. De oude bodem van het bestaan. De bodem, die alles draagt, doorweven van wortels, de enige duurzame toekomst.

.

Contouren van een nieuw verhaal

.

Een verhaal begint met ruimte

.

De luisterversie en het liedje vind je onderaan de tekst.

Hier sta ik dan. Nog steeds woon ik in het rijdende Verhalenhuis, dat wellicht nooit meer rijden zal. Maar verhalen groeien er des te meer. In en om huis worden ze steeds talrijker. Maar ook verder gebeurt er veel. Ik sta stil en kijk. En terwijl ik luister bedenk ik me, wat is eigenlijk een goed verhaal, en hoe groeit het?

De chaos wordt steeds groter. Het oude verhaal werkt niet meer, al hopen velen nog van wel. Zoals we nu leven, kan het niet eindeloos door gaan. De Aarde raakt uitgeput. Kloven worden dieper, grenzen versterkt. De één houdt vast aan wat ooit was, de ander schreeuwt zijn buurman doof dat hij los moet laten. Aan een dood paard hoef je niet te trekken. En elkaar doof schreeuwen helpt ook niet. We hebben een nieuw verhaal nodig. Een verhaal om een vitale toekomst in te gaan. Dat geluid gaat steeds vaker op. Maar hoe? Is het een plan, dat van A tot Z uitgedacht moet worden? En door wie dan? Begin je zo eigenlijk wel een nieuw verhaal? Door het helemaal uit te denken?

Een nieuw verhaal kan alleen overleven als het van iedereen is. Dat kun je niet bedenken, dat moet groeien. Misschien is het als een kind, dat geboren wordt. Wat doet een kind als hij net een nieuwe wereld wordt ingeperst? Je zou raar opkijken, als het meteen zou opspringen, zodra de navelstreng is doorgeknipt. En dat hij zou roepen: “Waar is mijn smartphone?!” Je zou je doodschrikken van zo’n kind, dat zulke zaken opeist zodra het adem kan halen.

Ik heb nooit een geboorte meegemaakt, behalve mijn eigen. Daar weet ik weinig meer van. Maar volgens mij begint het met diep inademen en een keel opzetten. Niet om de omstanders iets duidelijk te maken, maar gewoon omdat je er opeens bent, in een volkomen andere wereld. En dan begin je je grote teen te bewegen, gaan de ogen open, is er licht en donker. Contouren beginnen langzaam duidelijk te worden, tot je steeds meer herkent. Verbaasd kijk je naar de mensen boven je wieg.

Begint elk nieuw verhaal zo? Met verwarring, schrik, en de gewaarwording? Ik zie wel een gelijkenis met hoe het nu is. We zijn in een andere wereld beland dan die we altijd gedacht of gehoopt hadden. En wat dan, na het schreeuwen. Eerst kijk je om je heen. Er is licht en er is donker. Je kijkt ernaar, zonder te oordelen. Je laat de contouren tot je doordringen. En dan ontdek je wat je kunt. Je hebt vingers en voeten. Zo begint een verhaal. De natuur kan ons daar veel in leren. Het leven, zoals het is.

Ik kijk wat ik kan. Ik plant bomen langs het Verhalenpad. Voor ik er was, stond er geen één. Ik werk eraan. Maar de Verhalen groeien vooral als ik er niet ben. Ik beweeg me stil, om niet te storen. Maar het is wel goed dat ik er ben, anders was er niemand die de verhalen kon zien en vertellen. Bovendien zouden ze er niet eens zijn, zonder mij. De verhalen worden uit mijn handen geboren. Ik schep. Ik kijk waar het droog is en waar nat. Daar houd ik rekening mee. Sommige dingen houden van droog, andere helemaal niet. In de lage stukken is het zompig. Het heeft veel geregend. De modder sopt onder mijn klompen. Vanuit het niets vliegt een vogel op. Geruisloos. Ik herken een velduil. De ruigte op de bult bevalt hem kennelijk. Hij vliegt helemaal naar achteren, ver weg van mij. Ik grijns. Het land dat ik verzorg krijgt steeds meer verhaal. Al weten weinigen ervan, ik ben er trots op. Als ik er niet geweest was, was alles riet geworden, dat één keer per jaar werd afgemaaid. Dan hadden vele verhalen die er nu zijn geen kans gehad.

Tussen het riet heb ik open stukken gemaakt. Het hele jaar door heb ik het bijgehouden. Door steeds te maaien zijn er nu open ruimtes, hier en daar beschut met opgroeiend struikgewas en riet dat ik wel gewoon laat staan. Er groeit nu veldkers tussendoor. Dat smaakt naar radijs. En in de lente komt er massaal speenkruid op. Ook lekker. Zolang je nog geen gele bloemetjes ziet, kan je er sla van maken. En het bijzondere is, tussen het gras en de kruiden is het één gatenkaas van muizenholletjes. Daarom kwam die velduil langs. En de torenvalken en de reiger. Maar er gebeurt meer. Muizen maken de grond los. Het zaad dat daar valt, komt met graagte op. Soms strooi ik zelf zaad in die losse grond. Inheemse bloemen die er nog niet zijn. Ik kijk wat er gebeurt, en pas mijn plan daar steeds op aan. Trek brandnetels uit voor ze zaad maken. Alles begint met kijken. In feite zijn de verhalen er al. Maar ze krijgen pas gestalte als je ze ziet, en er wat mee doet. Zo begint het.

Ja, een nieuw verhaal maken. Hoe doe je dat met een heel land? Begint het met protest? Keihard schreeuwen? Volgens mij hebben we dat al gedaan. Ieder op zijn manier. Wellicht is het tijd om te accepteren dat het gewoon zo is. Je kunt het totaal niet met de ander eens zijn. Dan kun je blijven roepen. Maar je kunt het ook gewoon laten zijn. En ontdekken dat je handen en voeten hebt. Het schip zal vast wel ergens stranden. Het werkt zoals het werkt. Gebruik je energie om de nieuwe contouren verkennen. Beweeg je teen, je voet, begin te lopen. Een nieuw Verhalenpad groeit ook niet in een dag. Soms ben je het zat. Maar je gaat door. Het groeit. En uiteindelijk wordt het wat. Toch.

Alles eindigt en begint
de één verliest de ander wint
de bal gaat naar de overkant
waar hij in de sloot belandt

Hé wat draag je op je rug
leg het weg en kom weer terug
haal adem en blijf heel stil staan
want straks komt de bal
er weer aan

(Maar eerst moeten we hem uit de sloot halen.)

Liedje en luisterversie:

.

.

Zo’n dompeling doet wat

Hoe je onafhankelijk en fris elke dag opnieuw kan beginnen.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Mensen hebben elkaar altijd al opgehitst. Het is niet iets specifieks van deze tijd. Maar soms twijfel ik eraan of we met elkaar wel wijzer worden. Of moet alle ellende eerst worden uitgeëtterd voor we er klaar voor zijn? Meningen knallen alle kanten op, en sommigen worden erg fanatiek. Of het nou gaat over Palestijnen, Israëli’s, of dichter bij huis, over asielzoekers, buren, of wolven. Het legt een vertroebelende sluier over alles heen. Gisteren ging ik naar huis, na zo’n emotioneel onheilsverhaal te hebben aangehoord. Het was niet dat ik er aan bleef denken, en toch bleef het onbehaaglijk kleven, als een drabbig laagje in een waterfles. Wat moet je daar nou mee?

Ik ontdek het telkens weer. Het is dezelfde plek en steeds weer anders. Je zou het heilig kunnen noemen. Het kleine veldje over tussen de oude wilgenbomen, de nieuwe steiger op. De steiger waar vele handen aan meewerkten. Deze plek aan de Swette wordt gekoesterd door velen, en goddank, het is nog steeds openbaar. Er zijn er meer, die doen als ik. Ik zie ze komen en gaan. Op de fiets, of lopend. Ze komen voor de dompeling. Even maar, dat is genoeg. Ook zij weten hoe heilzaam het is. Een ochtendbad lost alles op, ik merk het meteen. Of ik er nou helemaal in ga, of dat ik alleen mijn gezicht was. Ik zie de eenden, luister naar de mezen, golf mee met de rimpelingen in het water. Ik kijk achter me, naar de bult, waar ik zoveel struiken heb geplant. Waar ik altijd riet aan het sjouwen ben om humus te maken voor de bodem. De bult, vol muizengaten. En ik vraag me af of de velduil er nog zit, die zo hard kan schreeuwen. Ik gooi een plens van het frisse nat in mijn gezicht. Een vis springt op uit het water, in de verte hoor ik de torenvalk. Al die dingen komen samen als ik daar ben. Daar, bij het heerlijke koele water. Ik was alle sluiers van me af. Zo blijf ik authentiek en onafhankelijk. Alleen zo kan ik met liefde en energie voor deze plek blijven zorgen. En voor de Aarde. Zulke plekken zijn van levensbelang. Overal. Ze maken dat we ons steeds opnieuw kunnen inzetten voor wat er nodig is. Dat mag nooit worden onderschat. Nooit.

.

Maanfeest op eigen bodem

Sjamanen gebruiken voor hun rituelen soms hout dat traditioneel heilig is. Het zijn meestal oude tradities van indianen, die letterlijk worden overgenomen. Ook bij ons. Het hout komt van bomen die steeds meer in hun voortbestaan worden bedreigd. Maar wensen meenemen het universum in, dat kunnen onze heilige bomen toch ook? Als het van jouw liefste boom komt, dan is de wens veel sterker.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit aan tafel bij Gina. Gina is kunstenares, met net zoveel hart voor de aarde als ik. Beiden kennen we de Oerfloed, een hectare grond aan de rand van Leeuwarden. Tussen de weiden valt het ruige bosje extra op. Het vormt een schuilplaats voor vele dieren, en de vrijwilligers die er werken, komen er graag.

“Ik heb me afgemeld van de vrijwillgersapp,” zeg ik. “Die stroom aan berichten, ik vond het veel te veel. Maar nou hoor ik helemaal niks meer!” Gina kijkt verrast op. “Oh, wil je dat graag? Laatst hadden we een maanfeest. Had je daarbij willen zijn? Dan geef ik het je de volgende keer door!” Ik beaam dat ik dat graag zou willen. “Het was zo bijzonder,” vertelt ze “Er was een vrouw die een heilig ritueel met ons heeft gedaan.” Dat boeit me. Er is een groeiende behoefte aan rituelen. Er komen veel mensen op af. Het doet iets. Wat? Aandachtig volg ik wat ze vertelt. “Ze had palissanderhout meegenomen.” Ik knik opgewekt. Palissanderhout, dat ken ik goed. Mijn man, die niet meer leeft, heeft mij ooit een mes gegeven, met een heft van palissander. Zo bijzonder vind ik dat bruinrode hout met de donkere strepen, het moet wel een toverboom zijn geweest, waar zulk hout vandaan komt. “Heb je die kleur gezien??” vraag ik gepassioneerd “Nee,” zegt ze. “Het was donker en ik zat er ver vandaan. We kregen allemaal een stukje, en dat moesten we in het vuur gooien.” Verbouwereerd kijk ik haar aan. “In het vuur? Wat zonde!!” Ze haalt haar schouders op. “Ja zie je, het is nou eenmaal heilig hout. Het hoorde erbij. Het vuur neemt de wens mee het universum in. Het heilige palissander kan dat.” Haar ogen stralen. De warme herinnering komt boven, aan dat mooie ritueel, dat hen die avond samenbond. De wensen voor de toekomst die fonkelden als sterren. “Maar kan dat alleen met palissander? Hebben we hier geen heilige bomen meer?” vraag ik verbaasd.

“Ja,” zegt ze nadenkend. “Het komt wel helemaal van een ander continent. Dat is een lange weg. En zulke bomen zijn er steeds minder. En wensen meenemen, het universum in, dat kunnen onze heilige bomen ook.”

“Het is zo dringend nodig, dat we de band met onze eigen bodem herstellen. We moeten ons land weer heilig zien te maken. Hoe kun je dit ritueel ook anders doen?” Stil kijk ik naar de kat, die net binnengekomen is door het luikje, en die rollebolt over een tafel die geheel bedekt is met bruine schapenwol. Het is voor haar kunstwerk, een boom, gebouwd op een oude kinderwagen, omgetoverd tot een sprookje vol verrassingen. De bruine wol heeft allerlei tinten en is prachtig om aarde weer te geven. Aarde, die bijzondere wereld, die het bodemleven omhult. Aarde, bodemleven. Ja, Gina weet precies wat ik bedoel, als ik het heb over heilig land. Het is of ik bij haar nog sneller op ideeën kom. “Je kan iedereen vooraf een berichtje sturen,” begin ik. “En dan vragen of ze iets mee willen nemen van hun lievelingsplek.” De kunstenares tegenover me fonkelt van enthousiasme. “O ja, en dat hoeft helemaal niet veel te zijn. Het kan gewoon een eikeltje zijn of zoiets. Als het voor jou maar veel betekent!” Ik aarzel even. “Dat doet niets af aan het bijzondere van het ritueel, zoals het was, met dat mooie hout van ver. Dat die vrouw dat ritueel zo mooi kon leiden, dat is belangrijk.” Gina knikt ernstig. “Ja, het was heel magisch en mooi. En het bracht ons tot dit idee. Het was prachtig, maar hier wordt ik nóg blijer van!” Ze lacht opnieuw.

Soms moet je samenzijn om tot iets nieuws te komen. Samenzijn, voor een volgende stap, die we tegelijkertijd nemen. Je bent nooit alleen. Er zijn altijd anderen, die met hetzelfde bezig zijn. Soms ontmoet je elkaar. De volgende keer ben ik erbij, als er een maanfeest is. Zeker weten.

Meer over palissanderhout:

Braziliaans Palissander: Dalbergia Nigra. Volgens de IUCN is de populatie kwetsbaar. Braziliaans palissanderhout wordt bedreigd door illegale houtkap en verlies van leefgebied. Vandaag is er slechts 7% van zijn oorspronkelijke dekking over en de Braziliaans palissanderhout komt nu alleen nog hier en daar, in kleine populaties voor. Het groeit sowieso alleen aan de kust, het oosten van Brazilië. Hij vormt daar de hoogste boom van een van de uitgebreidste ecosystemen ter wereld. Er groeien wel 8000 plantensoorten omheen. Ondanks de hoge mate van ontbossing, wordt het Atlantische Woud nog steeds beschouwd als een van de meest voorkomende de top vijf van hotspots op het gebied van biodiversiteit ter wereld. Bomen zijn erg belangrijk in een ecosysteem. De palissander is namelijk bestand tegen een breed scala aan klimatologische omstandigheden. En stikstofbindende bacteriën en schimmels in de wortels zorgen ervoor dat de soort kan overleven in bodems met weinig voedingsstoffen. Daarmee maakt de boom ook voor andere plantensoorten leven mogelijk. Zonder deze reuzen verandert het landschap steeds sneller in een woestijn.

Een boom die zo bedreigd wordt in zijn voortbestaan, is vooral heilig op de plek waar hij groeit. Laten we onze heilige bomen zelf weer planten en ze koesteren, voor de generaties na ons.

.

Ook goed nieuws:

Een organisatie in Brazilië, bekend als Dalbergia Preservation, zet kleine plantages op voor herbebossing. Ze zijn ook bedoeld om de genetische diversiteit te beschermen. Uit de resterende bomen worden zaden geoogst, om hun voortbestaan in de toekomst te verzekeren. Hun doel op langere termijn is ook om hout van deze soort te kunnen blijven leveren. Het hout is namelijk erg populair om zijn vele toepassingen. Om dit doel te bereiken bieden ze zaden of zaailingen aan kleine gemeenschappen om op hun eigen land te groeien. De bomen zijn welkom in het agrarische landschap en voorziet gemeenschappen tegelijkertijd van wat extra inkomen. De soort heeft een beschermde status. Je mag het niet zomaar invoeren en als je het doet mag het geen commercieel belang dienen.

Ook een andere tak van de familie, de Dalbergia latifolia in India, is ernstig bedreigd, en moet worden beschermd. Ook voor deze soort heb je een vergunning nodig, als je het hout wilt invoeren.

Bron: https://www.bgci.org/wp/wp-content/uploads/2023/02/Brazilian-Rosewood-Global-Trees-PDF-version.pdf

https://www.researchgate.net/publication/331087377_In_vitro_Propagation_and_Mass_multiplication_of_Dalbergia_latifolia_Roxb_An_Vulnerable_Tree_Species_from_Eastern_Ghats_Tamil_Nadu_India

https://www.rvo.nl/onderwerpen/cites/cites-soort/dalbergia

.

.

Liefdevol handwerk maakt het af

Hoe fijn machines ook zijn, we kunnen niet zonder handwerk en oprechte aandacht voor het leven, waar we verantwoordelijk voor zijn. Er zijn veel meer mensen nodig. Mensen, voor liefdevol handwerk.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Het klimaat verandert. Als we niks doen, wordt de plek waar ik woon moerasland. Dat is niet de bedoeling. Dus komen ze de dijk ophogen. Dat moet van het Wetterskip. Op sommige plekken moet er wel 40 cm bij. Menige passant had er nog niet eens bij stil gestaan. Maar het is wel zo. De weg die naar de boerderij loopt, is een dijk. Door al die auto’s die hier rijden zakt alles in. Na al die jaren zijn dat enkele decimeters. Ook achter de boerderij moet er grond bij, anders zal het hele gebied erachter onder water komen te staan, in de toekomst. Er valt steeds vaker heel veel regen in één keer. Onze stijgers staan steeds vaker onder water. De sloten zijn nu al zo vol, dat het op sommige plekken gelijk staat aan het land. De grond is zompig.

Er moet gewerkt worden. Voor het werk zijn grote machines nodig. Een vrachtwagen, een rupsbandkraan. Het is eigenlijk helemaal geen tijd voor machines. Veel te nat. Maar er was tegenwerking op de route. Maar nu, na drie weken kon het doorgaan. Net nu de regen de grond in een zompige vlakte heeft veranderd. Lekker handig, maar niet heus.
Ze zijn ze druk bezig. Het eerst bij de boerderij. Dat is vlak voor de deur van mijn vriend, dus ik kan alles volgen. Grond wordt aangevoerd met een vrachtwagen. Er is al gauw geen grassprietje meer te bekennen. In de pauze sta ik naast ze. Ik vertel dat ik vroeger schipper was. Schepen doen goed werk. Waar vaarwegen zijn, hoef je de grond niet te verpesten. “Bewaar de oevers voor later, vervoer over ’t water,” zeg ik. “Die wijsheid heb ik niet van mezelf” voeg ik toe. De oudste van de twee mannen lacht herkennend. Een mooie spreuk, vindt hij.

.

Vele diepe bandensporen worden vlak gemaakt. Hoe meer hij zijn best doet, hoe erger het wordt. Als het wortelkleed eenmaal kapot is, raken de grondlagen door elkaar. Als je dan blijft smeren krijg je één blubbervlakte, waar het gras slechter herstelt dan waar de lagen terug op hun plek worden gelegd . . . . . . . . .

Voor het volgende stuk kan er wél een schip bij komen. Een kraan op het dek schept het natte puin in de vrachtwagen, die het op zijn beurt over de dijk kiept. Dan komt het rupsbandenkraantje, die alles glad strijkt. Net speelgoed. Ik zou zo mee gaan doen. Logisch dat jongens nauwelijks meer van hun machine zijn weg te slaan.
Vlak voor de deur van mijn vriend ligt nu een verlaten moddervlakte waar je al gauw tot je knieën in zakt. Er liggen verdronken wormen bovenop. Een oude blinde grootvaderrat struint er soms rond, snuffelend, snuivend, om zich dan behaaglijk te goed te doen aan zijn glibberige vangst. Hij houdt hem met twee pootjes vast, net als een eekhoorn. Maar dat zien de mannen in de machines niet. Die zijn alweer verder, bezig met het volgende stuk. Ik blijf achter en kijk rond. Ik trek kronkelende geulen in de drab, zodat het water weg kan lopen. Er ontstaat een heel rivierenlandschap. Ik schep blauwe bagger van het grasveld af en gooi het op een hoop.

.

Menige man zal je niet zo op de hurken zien werken. Maar Je ziet echt meer! . . . . . . .

.

De week erna is een andere klus aan de beurt. Ze komen ze de sloten opschonen, maaien, en waterplanten wegzuigen. Weer twee trekkers eroverheen. Inmiddels wordt het landschap door steeds meer moddersporen doorkruist. Ja, eigenlijk is het te laat, geeft de boer toe. Het had eerder moeten gebeuren. Maar hij vertelt wel met enige trots dat dit ecologisch beheer is. De machines zijn erop ingesteld dat ze bijna geen beestjes in de sloot kapot maken. Ook maaien ze niet alles in één keer, maar doen het in fases. Het ene jaar dit stuk, het volgende jaar dat. Dat klinkt goed.

Maar je kunt niet alles met machines doen. Nazorg is nodig, en dat is handwerk. Je weet pas echt wat je doet wanneer je er met je neus bovenop zit. Dus dat doe ik. Ik ga de sloten langs en kijk welke planten ik terug kan plaatsen. Ik gooi verdwaalde posthoornslakken en poelslakken weer terug in het water. Sommige jongens schamen zich ervoor, om op hun hurken plantjes te bekijken. Om grasplaggen terug te leggen met de hand. Op je hurken zitten is kinderachtig. Dan lijkt het net een spelletje, in plaats van werk. Maar vergis je niet, op je hurken ben je het dichtst bij de grond! Je kunt voelen, ruiken, en onderzoeken. Dat kan niet, vanuit de machine. Je mist veel.

Ik schep de blubber terug, die in dikke rillen over het veld ligt. Ik kiep de omgekeerde graszoden weer op hun plek, over de blubber heen. De wortels naar beneden, de sprietjes omhoog. Ik haal kruiwagens vol maaisel langs de sloten weg en gooi het op de kapotgereden dam. Nu kunnen we weer met schone schoenen naar de overkant. Tijdens het verzamelen van maaisel kijk ik goed wat ik in handen heb. Bijzondere oeverplanten en kleine bodembedekkers stop ik terug in de grond, langs de sloot. Ik ben de verpleegster. Verpleegster voor de aarde. Ik ga rechtop staan en kijk met genoegen naar het resultaat. En dan denk ik terug aan het gedicht dat ik schreef. Dat ene couplet.

Ergens is het misgegaan
waar slimme mannen machines wrochtten
en zich ver verheven vochten
Boven de aarde gingen staan.

Hoe fijn machines ook zijn, we kunnen niet zonder handwerk en oprechte aandacht voor het leven, waar we verantwoordelijk voor zijn. Er zijn veel meer mensen nodig. Mensen, voor liefdevol handwerk.

Ik loop over de nieuwe dijk. De mannen zijn klaar en komen niet meer terug. Er ligt donker zand langs de weg, schuin aflopend naar de wei ernaast. Ze hebben er gras en bloemenzaad op gestrooid. Met de hand. En ze hebben een trapje gemaakt, met de spade. Een trapje naar de steiger. Het is toch niet alleen maar lomp werk. Ze kunnen het best, die mannen. Nu nog al die mensen die zitten te tiktokken. Als die ook mee gaan doen, dan maken we er met elkaar wat moois van.

Ze vroeg het me

“Zou je me nog één keer kunnen vertellen wat het nou precies voor je betekent?” Ik moest haar vraag laten bezinken. Er kwam een gedicht uit voort.

.

.

Klik hier beneden voor de luisterversie.

En dan is er het moment dat ik moet vertellen waar het mij om gaat. Ze vroeg het me, een Friese vrouw. Ik was door haar gevraagd voor Nacht van de Nacht, om een verhaal te laten horen. Het werd verteltheater zonder vaste tekst, en ik noemde het “Landen”. Het gaat over mij, maar vooral gaat het over de Ander. Een inheemse man in de Amazone. Ik wilde mijn verhaal verbinden met dat van hem. Het op weg gaan, het niet-weten waar mijn nieuwe thuis is, het gevoel van eenzaamheid dat mij soms overviel, wilde ik vergelijken met het veel grotere ontheemd zijn, wat hem en zijn stamgenoten constant bedreigt. Daarom noemde ik het “Landen.” Door te landen verbinden we ons met de ander en met de aarde. Maken we ons thuis en maken we vrede. Dat wilde ik duidelijk maken. Ik weet niet of het gelukt is. Ik heb het ze niet gevraagd.

Na afloop vroeg de organisator me (diezelfde vrouw): “Zou je me nog één keer een korte tekst op kunnen sturen over wat “Landen!” nou precies voor je betekent?” Ik moest het laten bezinken.

Ik deed het. Er kwam dit gedicht uit voort.

Landen!

Ergens is het misgegaan
waar mannen machines wrochtten
zich almaar verder verheven vochten
en boven de aarde gingen staan

Ergens keert de hoop weerom
waar handen eendrachtig humus maken
en via de Aarde elkander raken
zaaien, planten, met zachte trom

Ergens is het misgegaan
waar mensen zichzelf bekroonden
en de Ander met pek beloonden
die hen met liefde voor wilde gaan

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

PS

Voor wie niet weet wat pek is: Een zwarte, brandbare vloeistof die overblijft na destillatie van houtteer. Later werd het ook van steenkool gemaakt. Als het koud is wordt het vreselijk stroperig, als het heet is kan je het gieten. Het werd gebruikt om daken en schepen waterdicht te maken. Dat laatste noemt men: “breeuwen”. Ook werd, in een ver verleden, bij oorlog brandende pek over de stadsmuur gegooid, om de vijand, die met ladders omhoog wilde klimmen, te begieten. Hoe dat is, om dat te voelen, daar ga ik nu maar niet over in detail.

.

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

.

Bankje

Ik heb een bankje neergezet. Een Ubuntubankje. Het is voor iedereen. Daar had ik een goede reden voor.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik heb een bankje neergezet, langs het pad. Een mooi uitnodigend bankje. Het is een Ubuntu bankje. Wat je geeft, komt bij je terug. Onderneem actie, doe iets voor de gemeenschap, en je zal ondervinden dat je eigen behoeftes ook worden vervuld.

Behoeftes. Wat ontbrak mij, op deze mooie plek, die ik eigenhandig leefbaar heb gemaakt? Ik heb toch alles? In de kas kan ik heerlijk zitten, een enkele zonnestraal maakt het al warm. Mijn houten huis is knus als een moederbuik en de kachel brandt. Het brandhout ligt droog opgestapeld onder het afdak van het pleehok, en het is genoeg voor de hele winter. Mijn woonwagen, de kas, ik heb alles zoveel mogelijk in de hoek geplaatst, zodat er een heel groot veld over is. Daar kunnen mensen nog steeds hun tent opzetten, als ze willen. Al is het al bijna november, gele bloemen van de Oost Indische Kers stralen je zonnig tegemoet wanneer je naar mijn stekkie loopt. De bellen van de hop beginnen bruin te worden van de regen. Iedereen mag hier komen. Ik zou het leuk vinden, eens een praatje te maken aan de deur. Maar dat doen ze nooit. Maf hè?

Het is namelijk zo: De meeste mensen denken dat het hele veld van mij is. Zo werkt dat kennelijk in deze wereld. Als er ergens een huis alleen staat, goed verzorgd, zonder anderen eromheen, met een grasveld, dan is dat van iemand. Het zit er diep in. Maar dat is niet zoals het is. Het is de cultuur van het kolonialisme, wat dit soort denken veroorzaakt heeft. Hebben, hebben. Mijnes. Grenzen!

Daarom heb ik een bankje geplaatst. Een Ubuntu bankje. Aan het pad. Het is een onverhard pad vol kuilen. Dat komt door de auto’s. Die kuilen worden steeds erger, omdat mensen al gauw te hard rijden. Door het bonken van de wielen tegen de rand van de kuil, wordt die steeds groter en dieper. En nu staat dat bankje daar, langs de weg. Het ziet er gelijk heel anders uit. Het is niet meer een weg waar auto’s snel de bocht om pezen om te komen waar ze moeten zijn, daar, bij hun eigen huis, hun eigen bezigheden. Of in gedachten bij het hooi dat ze komen halen bij de boer, terwijl de kar waar het in moet met veel geklapper en gebonk achter hen aanhobbelt. Nee, de weg is nu meer dan een weg geworden, hier in de bocht, onder de bomen. Het heeft iets van een parkpad gekregen, waar je rustig doet, omdat er ook mensen rondlopen. Als het weer lente wordt, dan ga ik op dat bankje zitten met een boek. Of met mijn gitaar, en dan zing ik een liedje. Dan ben ik niet meer alleen, om de losgeraakte stenen in de kuilen recht te leggen, de kuilen van de auto’s. En dan maakt het niet meer uit, of ze denken dat het veld van mij is. Want als ik daar zit, dan komen ze vanzelf naar me toe. Dat is Ubuntu. Door het grote geheel te dienen, word je er zelf ook gelukkiger van. Het gaat niet alleen om mijn eigen mooie plekje. Ik zou het helemaal niet willen, dat het hele veld van mij was. Alsjeblieft niet. Het gaat om alles, wat er is. Om jou en mij, en de aarde. Samen. En het begint soms zo simpel, Een Ubuntubankje, langs het pad.

.

Cirkelende woordenkracht

.

.

Schrijven is niet makkelijk. En dan bedoel ik niet schrijven om iets van je af te schrijven, waarbij je jezelf centraal stelt. Wat wil ik jou vertellen? Daar gaat het mij om. En wat gebeurt er dan bij jou, met wat ik vertel? Dat weet ik niet. Maar weinig schrijvers weten dat. Daarom gaan ze erop uit. Wellicht ga ik dat ook vaker doen.

Elf jaar lang schreef ik elke week. En nog. Ik wil de blik van de lezer verleggen naar wat er achter mij ligt. Door mijn eigen verhaal neem ik je mee. Voelen jullie de aarde waar ik in woel, zie je wat ik zie. Er is een idealistisch doel, op de achtergrond. Het is persoonlijk en algemeen, poëtisch en politiek tegelijk. Ik boetseer ermee. Ik duw er een stuk tegenaan en ik haal ergens anders weer wat weg. Mijn laatste verhaal ging over hoe we kunnen leren van rampen. Ik begin het verhaal met iets van mezelf te vertellen. Maar eigenlijk wil ik toe naar iets anders. Een diepere laag, erachter.

Ik begin in dat verhaal met een ramp die ikzelf heb meegemaakt. Het breken van een been, de dood die ik in ogen zag, toen een auto me frontaal aanreed. Ik constateer dat ik die ramp niet alleen heb overleeft, maar ook nog goed verwerkt. Hoe komt dat? Omdat ik een goed ontwikkeld, wijs en intuïtief mens ben? Kan zijn. Maar ik heb ook geluk gehad. Ik ben opgegroeid in een land waar het al sinds 1945 vrede is. Oorlog is niet iets waar je voor kiest, als mens. En het kan zomaar ineens omslaan. Dat het vrede blijft, dat is een verantwoordelijkheid van de mensen samen. Het is verrekte moeilijk soms. Zelfs één gek kan een hoop ellende brengen, als hij de kans krijgt.

Door te beginnen vanuit mezelf, wil ik je meenemen in het verhaal van een ander. Er zijn schaduwen achter het verhaal, dingen die ik wel denk, maar niet opschrijf. Mijn been wordt het been van een eenzame vrouw, ver weg. Die vrouw stapt op een mijn en haar been ontploft. Het is nergens meer. Haar been en ook nog al haar familie, allemaal weg. Verdwaald op een plek zonder artsen. Wat heb je dán te kiezen? De oorlog stopt niet omdat jij het verlies moet verwerken en een kunstbeen moet vinden. Hij dendert gewoon door, die oorlog. En terwijl ik schrijf besef ik steeds meer hoezeer ik bof. Er is tijd nodig, om een ramp te verwerken en te reflecteren. Ik prijs me gelukkig, in rust en vrede te leven en die luxe te hebben. Een luxe, die vanzelfsprekend hoort te zijn.

Dat er vrede is, dat begint bij een goede verdeling. Een goede verdeling van vruchtbare grond en een gezonde aarde. Dat we elkaar het beste gunnen. Wij gunnen anderen het beste, en zij gunnen jou het beste. We gunnen Moeder Aarde het beste, de bomen, de planten en de dieren. Door lucht en aarde zijn we wereldwijd met elkaar verbonden. Zo zou het moeten zijn. Maar er is verdomd veel storing en ruis op de lijn. Verbonden blijven is een kunst geworden. Door rust te trainen kan je beter blijven luisteren. Er is weinig rust. Ik probeer helder te blijven. Ik vertel hoe ik dat doe en ik hoop dat anderen er ook hun weg in vinden.

Soms lig ik wakker en denk aan indianen in de Amazone. Of ik denk aan die moedige vrouw in Afghanistan, met al haar kinderen. Oorlog, die steeds weer je pril opgebouwde bestaan wegvaagt. Uitputtend en pijnlijk. Er is veel. En ik schrijf. Wie noem ik wel, wie niet? Blijf ik bij mezelf of kan ik het me permitteren om verder weg te gaan? Is wat ik over die ander schrijf wel juist? Moet ik iemands naam noemen of niet? Schrijven is keuzes maken. Keuzes, zodat je de ander mee kan nemen in een verhaal. Keuzes om dichter bij de waarheid te komen, voor zover ik daar bij kan. Want waarheid verandert, net als een groeiende boom. Soms lukt het beter dan de andere keer. Soms blijft je aandacht vooral op mij gericht. Want ik ben nou eenmaal ik, degene die het ziet, op geheel eigen wijze. Maar weet, dat dit mijn belangrijkste drijfveer is:

Het gaat niet om mij, het is de wereld achter mij. Soms licht en vol leven, soms donker met een smalle streep hoop. Soms poëtisch geïnspireerd, dan weer doorspekt met feiten waarvoor ik andere bronnen raadpleegde. Ik filosofeer en denk na. Ik ben het meest blij als je daar zelf ook iets mee kan. Als je iets ontdekt wat je niet wist, dan hoor ik daar graag over. Wat jij uitvindt of ontdekt, op jouw manier. Woorden vinden hun weg bij iedereen weer anders.

Misschien zijn woorden wel net zoiets als blaadjes van een boom. Ze vallen en verteren langzaam tot aarde. Jonge groene sprietjes komen op en groeien uit tot nieuwe loten. Het ene blaadje komt hier terecht, het andere daar. Alles vergaat en wordt op een andere manier weer geboren. Vertel me welke nieuwe loten er bij jou gaan groeien. Dat vind ik erg leuk. Allicht geeft jouw ontdekking mij óók weer inspiratie. Hoor en wederhoor, vraag en antwoord. Zo groeit het. Als een cirkelend spiraal.

.

Luister naar het liedje, “Woordenkracht”

.

Het woord dat je zingt
Het woord dat je fluistert
Het woord dat je omringt
Als een wolk de lucht verduistert

Het woord dat je stoort
Het woord dat je breekt
Het woord dat je hoort
Als een kind om vrede smeekt

Het woord dat je verwarmt
Het woord dat je leeft
Het woord dat je omarmt
Als het leven dat je geeft

Voorbij het persoonlijke

We kunnen ons focussen op onze eigen ontwikkeling, onze eigen gezondheid. Maar dan begint het pas. Want we hebben vooral elkaar hard nodig om de aarde en de samenleving gezond te maken.

.

Voorbij het persoonlijke

Ik ben bij Josie. Josie woont ook in een woonwagen. Ze is een kleurrijke vrouw en haar deur staat altijd open voor gasten. Lang geleden was ze eens bij me langs geweest, en ik besloot haar nu ook met een bezoek te vereren.
Ze schenkt me koffie in met havermelk en al snel raken we in een boeiend gesprek. “Ik ga een cursus doen,” zegt ze. “Het gaat erover dat je gezondheid van binnenuit kan creëren.” Haar ogen glimmen. “Ik ben heel benieuwd…. Je zou zelfs je eigen kanker kunnen genezen.” Dat laatste klinkt voorzichtig.
“Dat is mooi,” zeg ik en ben even stil om het op me in te laten werken. “Toch vraag ik me af, ligt de oorzaak wel altijd in jezelf? Als het Pfas verbindingen regent is het dweilen met de kraan open, lijkt mij.” Ze schrikt op. “Ja natuurlijk moeten we dat óók aanpakken.”
Ik wil haar verhaal niet meteen afbreken met mijn opmerking. Dus ik ga in op wat ze eigenlijk bedoelde. “Ik heb ooit mijn been gebroken. Het was een frontale botsing waarbij ik de dood in ogen heb gekeken. Ik was nog jong en heb daar veel van geleerd. Zou dat voor elk ongeval kunnen gelden?”
“Ik denk dat je er zelf voor kiest, wat er in je leven gebeurt” zegt ze.
“Ze zeggen wel eens, je krijgt wat je aankan. Bedoel je dat?” vraag ik haar.
“Ja, dat. Pech bestaat niet. Dat denk ik. Alles is een kans om als mens te kunnen groeien.”
Ik neem een slok van de heerlijke koffie en vind het een mooie uitkomst. We praten nog lang door. Tevreden verlaat ik uiteindelijk haar woonwagen en we zwaaien goedendag.

Ik stap de trein in, en laat het Friese land aan me voorbij glijden. Ondertussen vraag ik me af of pech echt niet bestaat. Als je van je eigen frustraties kanker krijgt is dat niet wat anders dan wanneer je het krijgt terwijl je naast een bollenveld woont? Als mijnbouw de rivier vergiftigt, de rivier waarvan je volk afhankelijk is, is dat dan ook een levensles? Als domme pech niet bestaat, bestaat goed geluk dan ook niet? Ik denk toch echt dat ik van geluk mag spreken, met mijn acht en vijftig jaar in Nederland. Al ging mijn persoonlijk leven niet over rozen, om mij heen is in elk geval geen oorlog en geweld. Er was rust om te verwerken. Die rust heeft niet iedereen. Ik heb nooit hoeven vluchten. Godzijdank.

We zwemmen en zeilen onze eigen routes. Voor de één is het spelevaren, de ander kan nauwelijks het hoofd boven water houden. Zijn we niet ook verantwoordelijk voor elkaar? Met elkaar maken we immers de wereld zoals die is.

“Mensen willen graag dat het leven maakbaar is, maar dat is het niet. Niet altijd.” zegt archeoloog Martine van den Berg. Ik las over haar in het Nederlands Dagblad. Ze deed onderzoek naar de invloed van rampen op de samenleving en kwam erachter dat er maar bar weinig wordt geleerd. “Gewoontes zijn hardnekkig, en slijten even hard als marmer” zong Herman van Veen. Water moet eerst tot de lippen staan, wil een samenleving veranderen, zegt Martine. Een kleine groep wil wel, maar vormt dan nog steeds een minderheid. Neem klimaatverandering. Of de pandemie. Inmiddels weet iedereen dat er wat moet gebeuren. Dat de groei-economie de grond onder onze voeten vandaan vreet. Maar des te fanatieker wordt er teruggegrepen naar het oude normaal. Winst, concurrentie, korte termijn denken.

Daar sta je dan, met je goede bedoelingen. En om je niet verloren te voelen, kun je altijd nog koning op de vierkante meter zijn. Jezelf ontwikkelen. Maar daarmee is het nog niet klaar, dat weten we dondersgoed. We beginnen pas. Het moet verder gaan dan het persoonlijke. Want in je eentje stop je niet de spullenstroom bij de afvalverwerker. Het gif in het grondwater, microplastics in de vissen, of het stikstofprobleem. Je stopt niet het geweld en de oorlog. Het is de les van alle mensen samen, om samen verantwoordelijk te zijn voor onze aarde. En dat wie meer heeft, de ander ondersteunt. Dat degene die meer geluk heeft, de ander helpt, die pech heeft, Dat is de grootste uitdaging van dit moment.

De trein stopt. Op het perron staat een bord met “Mantgum”. Ik stap uit en wuif naar de machinist. Hij zwaait terug. Ha! Dat is alweer mooi meegenomen.

.

Dit is een citaat uit het boek “Ontrafeld” van Martine van den Berg:

We zijn door onze technologische vermogens ongelooflijk flexibel. In theorie zouden we als mensheid in staat moeten zijn om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te beperken. Maar een mondiaal probleem kun je niet oplossen met lokale compromissen. Het vereist niet alleen technologische oplossingen, maar ook internationale samenwerking, onderlinge solidariteit en persoonlijke offers. Onze collectieve weerbaarheid zal de komende eeuwen tot het uiterste op de proef worden gesteld.

Luister nog even naar het liedje aan het einde:

Ik ben waar ik ben
en ik denk aan jou
Ik weet niet of ik je ken
of wat ik zeggen zou
Maar ik geef de boodschap door
Aan een ander luist’rend oor.

.

De motor van dankbaarheid.

.

Het vuur brandt. De mensen lachen ons toe.

Tekening Afra Hartog

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan. Dan kun je ook het liedje horen, aan het einde.

.

Dick is terug, mijn vriend. Hij woont 500 meter verderop en is de hele zomer weg. De kleine woonwagen wordt dan verhuurd aan vakantiegangers. Het was voor de derde keer nu, drie-en-een-halve maand ging hij naar de Vlierhof. De Vlierhof, een leefgemeenschap, net over de Nederlandse grens bij Nijmegen. Ik haalde hem op en bleef vier dagen. Dit is een sfeerimpressie en overdenkingen daarbij.

De tafel is overvloedig gedekt, zoals elke dag. Ik schuif aan en eet heerlijke soep met verse tomaten en groenten van eigen land. “Het is weer lekker Bart!” roept iemand. Er wordt gelachen en gepraat. Elke keer als ik hier ben, heb ik het gevoel thuis te zijn. Zo vriendelijk zijn de mensen, zo belangstellend, dat ik met veel plezier mijn bijdrage lever. Ik raap noten, houd een rigoureuze wiedactie in de meest overwoekerde perken. Samen met Dick pluk ik druiven en maak er sap van. Er wordt me gevraagd een ruimte in te richten voor tweedehandskleding en dat doe ik. Dick helpt mee. Het is fijn. Alles wat er thuis niet is, vinden we hier. Het actieve leven met elkaar, de gezamenlijke maaltijden met voedsel van eigen land. Het luisteren naar de verhalen van anderen, met hun innerlijke processen. Soms loopt er iemand de hele dag te zuchten. Dat mag allemaal en er is begrip voor.
Maar ’s avonds is het gedaan met het zuchten. Er wordt een vuur gemaakt. Een afscheidsvuur voor Dick. Uitbundig klinkt het gelach, dat verstomt als mijn vriend begint te vertellen. Dick zingt de eerste liedjes die hij deze maand maakte als songwriter. Ik maak opnamen en zing tweede stem. Er trommelt iemand mee. Uitbundig wordt het refrein meegezongen. En dan, als het laatste applaus voorbij is, kijk ik naar de vlammen. De gesprekken kabbelen zachtjes door en het vuur knappert. Nu ben ik nog hier. Ik weet dat ik weer terug moet, terug met Dick naar Friesland. Dat was de bedoeling. Maar eigenlijk zou ik best langer willen blijven. De gedachte speelt, maar ik bedenk me niet. De keus is al gemaakt. Want wat ik doe is niet altijd waar ik op dat moment het liefste ben. Er is meer, wat telt.

Thuis eten we gewoon met zijn tweeën. Het voedsel komt uit de biologische winkel. We volgen het nieuws en achtergronden over wat er gebeurt in de wereld. We némen de tijd met elkaar, praten erover. Hier zijn meestal geen mensen die hun innerlijke processen voorleggen op de ontbijttafel. Bij ons gaat het over de Partij van de Dieren die onenigheid heeft of het actiekoor “Meten is weten”. Het gaat over de Friese taal, de liedjes en verhalen die we schrijven en de theatervoorstelling in het kerkje van Jellum. We zijn nooit uitgepraat. Dat komt ook omdat we allebei nieuwsgierig zijn. Niet alleen naar wat er gebeurt op de wereld, maar ook wat de ander te vertellen heeft. Het leven hier is een perfecte aanvulling op het drukke gemeenschapsleven op de Vlierhof.
Ja, het is fijn dat Dick er weer is. Maar soms denk ik, waarom ga ik ook niet de hele zomer naar de Vlierhof? Het geeft me de levendigheid waar ik soms naar snak. Ik kan kwaliteiten van mezelf uit de kast halen die maar al te vaak blijven liggen. Ik ben er meer dan welkom en toch doe ik het niet.

Waarom niet? Ach natuurlijk, ik weet het donders goed. Het zijn meerdere dingen. is het Verhalenpad waar ik voor zorg. Ik plant de kruiden, hak het riet. Ik zorg voor de bomen en bloemen. Ik zorg voor humus op het land en voor de wilde dieren en vogels.
Maar ook is het de Swetteblom zelf, waar ik een van de stabiele figuren ben waar de boer op kan bouwen. Als dat niet meer nodig was, dan ging ik wellicht vaker weg. Maar het is wél nodig. Op de boerderij gaat het ook niet over rozen, net als in de rest van de wereld. Er speelt van alles, met mensen, omstandigheden en geld. Wanneer problemen zich opstapelen, dan heeft de boer aan mij een goede luisteraar. Daar kan ik makkelijk ruimte voor maken. Ik heb geen problemen en maak ze ook liever niet. Nu op mijn 58e, heb ik het meeste wel verwerkt van mijn roerige leven vol heftige gebeurtenissen. Goddank, mijn lijf is nog altijd vitaal. Ik concentreer me op wat ik doe maar ben beschikbaar voor als het moet. Ik ben hier. Hier staat mijn huis. Je komt niet voor niks aan, op een plek. Elke plek heeft mensen nodig die voor stabiliteit zorgen. Mensen, die het dragen, wortels maken. Daar zijn er nog steeds te weinig van. Mensen die het fundament willen vormen. Jij daar, ik hier. En zo is het goed.

Ik zit aan het vuur en ben blij met het afscheid voor Dick. Ik geniet van de oprechte waardering die ze voor hem hebben. Voor zijn rust en positiviteit. Hij is als een gestage motor, zonder op te vallen doet hij veel. Hij verdient het om in het zonnetje te worden gezet. Maar ook voor mij is het een beetje een beloning. Deze samenkomst geeft me wat ik thuis vaak heb gemist. De sfeer is warm en feestelijk. We doen het met elkaar. Dit mee te maken, al is het maar heel soms, dat doet me wat. Dus dank jullie wel, mensen van de Vlierhof! Ook van mij!

Misschien zouden we dat nog veel vaker moeten doen. Elkaar bedanken. Alles bedanken. Het is een motor.

Liedje:

Ik dank voor het water
en de gouden zon
Ik klap voor het geklater
in de volle regenton

Ik zing voor de wind
die in de schoorsteen waait
de warmte die ons bindt
Mmmm mmmm, het vuur dat lachend

Oplaait.

.

Alowieke

.

.