Ik heb een plek achter me gelaten, die ik mijn thuis noemde. Een eeuwenoude plek onder de bomen aan de gracht van de Domstad. Ik nam afscheid van mijn oude leven. Ik deed afstand van de laatste spullen van mijn lief, die stierf in 2002. De Wereld van Veel maakte plaats voor de Weelde van Eenvoud. Ik woon op een veldje in het platteland, eerst in Brabant, en nu in Friesland. Ik creëer waar ik mijn wortels in de grond zet. Ik bouwde mijn eigen huis, een kleine wagen op wielen. Ik woon er in sinds 2017 en geniet van de comfort die deze kleine ruimte me biedt.
Ik schrijf, ik teken, ik kijk en luister. De aarde boeit me, en wat ons voedt en hoe we hier met elkaar mee omgaan.
Ik heb een bankje neergezet. Een Ubuntubankje. Het is voor iedereen. Daar had ik een goede reden voor.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Ik heb een bankje neergezet, langs het pad. Een mooi uitnodigend bankje. Het is een Ubuntu bankje. Wat je geeft, komt bij je terug. Onderneem actie, doe iets voor de gemeenschap, en je zal ondervinden dat je eigen behoeftes ook worden vervuld.
Behoeftes. Wat ontbrak mij, op deze mooie plek, die ik eigenhandig leefbaar heb gemaakt? Ik heb toch alles? In de kas kan ik heerlijk zitten, een enkele zonnestraal maakt het al warm. Mijn houten huis is knus als een moederbuik en de kachel brandt. Het brandhout ligt droog opgestapeld onder het afdak van het pleehok, en het is genoeg voor de hele winter. Mijn woonwagen, de kas, ik heb alles zoveel mogelijk in de hoek geplaatst, zodat er een heel groot veld over is. Daar kunnen mensen nog steeds hun tent opzetten, als ze willen. Al is het al bijna november, gele bloemen van de Oost Indische Kers stralen je zonnig tegemoet wanneer je naar mijn stekkie loopt. De bellen van de hop beginnen bruin te worden van de regen. Iedereen mag hier komen. Ik zou het leuk vinden, eens een praatje te maken aan de deur. Maar dat doen ze nooit. Maf hè?
Het is namelijk zo: De meeste mensen denken dat het hele veld van mij is. Zo werkt dat kennelijk in deze wereld. Als er ergens een huis alleen staat, goed verzorgd, zonder anderen eromheen, met een grasveld, dan is dat van iemand. Het zit er diep in. Maar dat is niet zoals het is. Het is de cultuur van het kolonialisme, wat dit soort denken veroorzaakt heeft. Hebben, hebben. Mijnes. Grenzen!
Daarom heb ik een bankje geplaatst. Een Ubuntu bankje. Aan het pad. Het is een onverhard pad vol kuilen. Dat komt door de auto’s. Die kuilen worden steeds erger, omdat mensen al gauw te hard rijden. Door het bonken van de wielen tegen de rand van de kuil, wordt die steeds groter en dieper. En nu staat dat bankje daar, langs de weg. Het ziet er gelijk heel anders uit. Het is niet meer een weg waar auto’s snel de bocht om pezen om te komen waar ze moeten zijn, daar, bij hun eigen huis, hun eigen bezigheden. Of in gedachten bij het hooi dat ze komen halen bij de boer, terwijl de kar waar het in moet met veel geklapper en gebonk achter hen aanhobbelt. Nee, de weg is nu meer dan een weg geworden, hier in de bocht, onder de bomen. Het heeft iets van een parkpad gekregen, waar je rustig doet, omdat er ook mensen rondlopen. Als het weer lente wordt, dan ga ik op dat bankje zitten met een boek. Of met mijn gitaar, en dan zing ik een liedje. Dan ben ik niet meer alleen, om de losgeraakte stenen in de kuilen recht te leggen, de kuilen van de auto’s. En dan maakt het niet meer uit, of ze denken dat het veld van mij is. Want als ik daar zit, dan komen ze vanzelf naar me toe. Dat is Ubuntu. Door het grote geheel te dienen, word je er zelf ook gelukkiger van. Het gaat niet alleen om mijn eigen mooie plekje. Ik zou het helemaal niet willen, dat het hele veld van mij was. Alsjeblieft niet. Het gaat om alles, wat er is. Om jou en mij, en de aarde. Samen. En het begint soms zo simpel, Een Ubuntubankje, langs het pad.
Schrijven is niet makkelijk. En dan bedoel ik niet schrijven om iets van je af te schrijven, waarbij je jezelf centraal stelt. Wat wil ik jou vertellen? Daar gaat het mij om. En wat gebeurt er dan bij jou, met wat ik vertel? Dat weet ik niet. Maar weinig schrijvers weten dat. Daarom gaan ze erop uit. Wellicht ga ik dat ook vaker doen.
Elf jaar lang schreef ik elke week. En nog. Ik wil de blik van de lezer verleggen naar wat er achter mij ligt. Door mijn eigen verhaal neem ik je mee. Voelen jullie de aarde waar ik in woel, zie je wat ik zie. Er is een idealistisch doel, op de achtergrond. Het is persoonlijk en algemeen, poëtisch en politiek tegelijk. Ik boetseer ermee. Ik duw er een stuk tegenaan en ik haal ergens anders weer wat weg. Mijn laatste verhaal ging over hoe we kunnen leren van rampen. Ik begin het verhaal met iets van mezelf te vertellen. Maar eigenlijk wil ik toe naar iets anders. Een diepere laag, erachter.
Ik begin in dat verhaal met een ramp die ikzelf heb meegemaakt. Het breken van een been, de dood die ik in ogen zag, toen een auto me frontaal aanreed. Ik constateer dat ik die ramp niet alleen heb overleeft, maar ook nog goed verwerkt. Hoe komt dat? Omdat ik een goed ontwikkeld, wijs en intuïtief mens ben? Kan zijn. Maar ik heb ook geluk gehad. Ik ben opgegroeid in een land waar het al sinds 1945 vrede is. Oorlog is niet iets waar je voor kiest, als mens. En het kan zomaar ineens omslaan. Dat het vrede blijft, dat is een verantwoordelijkheid van de mensen samen. Het is verrekte moeilijk soms. Zelfs één gek kan een hoop ellende brengen, als hij de kans krijgt.
Door te beginnen vanuit mezelf, wil ik je meenemen in het verhaal van een ander. Er zijn schaduwen achter het verhaal, dingen die ik wel denk, maar niet opschrijf. Mijn been wordt het been van een eenzame vrouw, ver weg. Die vrouw stapt op een mijn en haar been ontploft. Het is nergens meer. Haar been en ook nog al haar familie, allemaal weg. Verdwaald op een plek zonder artsen. Wat heb je dán te kiezen? De oorlog stopt niet omdat jij het verlies moet verwerken en een kunstbeen moet vinden. Hij dendert gewoon door, die oorlog. En terwijl ik schrijf besef ik steeds meer hoezeer ik bof. Er is tijd nodig, om een ramp te verwerken en te reflecteren. Ik prijs me gelukkig, in rust en vrede te leven en die luxe te hebben. Een luxe, die vanzelfsprekend hoort te zijn.
Dat er vrede is, dat begint bij een goede verdeling. Een goede verdeling van vruchtbare grond en een gezonde aarde. Dat we elkaar het beste gunnen. Wij gunnen anderen het beste, en zij gunnen jou het beste. We gunnen Moeder Aarde het beste, de bomen, de planten en de dieren. Door lucht en aarde zijn we wereldwijd met elkaar verbonden. Zo zou het moeten zijn. Maar er is verdomd veel storing en ruis op de lijn. Verbonden blijven is een kunst geworden. Door rust te trainen kan je beter blijven luisteren. Er is weinig rust. Ik probeer helder te blijven. Ik vertel hoe ik dat doe en ik hoop dat anderen er ook hun weg in vinden.
Soms lig ik wakker en denk aan indianen in de Amazone. Of ik denk aan die moedige vrouw in Afghanistan, met al haar kinderen. Oorlog, die steeds weer je pril opgebouwde bestaan wegvaagt. Uitputtend en pijnlijk. Er is veel. En ik schrijf. Wie noem ik wel, wie niet? Blijf ik bij mezelf of kan ik het me permitteren om verder weg te gaan? Is wat ik over die ander schrijf wel juist? Moet ik iemands naam noemen of niet? Schrijven is keuzes maken. Keuzes, zodat je de ander mee kan nemen in een verhaal. Keuzes om dichter bij de waarheid te komen, voor zover ik daar bij kan. Want waarheid verandert, net als een groeiende boom. Soms lukt het beter dan de andere keer. Soms blijft je aandacht vooral op mij gericht. Want ik ben nou eenmaal ik, degene die het ziet, op geheel eigen wijze. Maar weet, dat dit mijn belangrijkste drijfveer is:
Het gaat niet om mij, het is de wereld achter mij. Soms licht en vol leven, soms donker met een smalle streep hoop. Soms poëtisch geïnspireerd, dan weer doorspekt met feiten waarvoor ik andere bronnen raadpleegde. Ik filosofeer en denk na. Ik ben het meest blij als je daar zelf ook iets mee kan. Als je iets ontdekt wat je niet wist, dan hoor ik daar graag over. Wat jij uitvindt of ontdekt, op jouw manier. Woorden vinden hun weg bij iedereen weer anders.
Misschien zijn woorden wel net zoiets als blaadjes van een boom. Ze vallen en verteren langzaam tot aarde. Jonge groene sprietjes komen op en groeien uit tot nieuwe loten. Het ene blaadje komt hier terecht, het andere daar. Alles vergaat en wordt op een andere manier weer geboren. Vertel me welke nieuwe loten er bij jou gaan groeien. Dat vind ik erg leuk. Allicht geeft jouw ontdekking mij óók weer inspiratie. Hoor en wederhoor, vraag en antwoord. Zo groeit het. Als een cirkelend spiraal.
.
Luister naar het liedje, “Woordenkracht”
.
Het woord dat je zingt Het woord dat je fluistert Het woord dat je omringt Als een wolk de lucht verduistert
Het woord dat je stoort Het woord dat je breekt Het woord dat je hoort Als een kind om vrede smeekt
Het woord dat je verwarmt Het woord dat je leeft Het woord dat je omarmt Als het leven dat je geeft
We kunnen ons focussen op onze eigen ontwikkeling, onze eigen gezondheid. Maar dan begint het pas. Want we hebben vooral elkaar hard nodig om de aarde en de samenleving gezond te maken.
.
Voorbij het persoonlijke
Ik ben bij Josie. Josie woont ook in een woonwagen. Ze is een kleurrijke vrouw en haar deur staat altijd open voor gasten. Lang geleden was ze eens bij me langs geweest, en ik besloot haar nu ook met een bezoek te vereren. Ze schenkt me koffie in met havermelk en al snel raken we in een boeiend gesprek. “Ik ga een cursus doen,” zegt ze. “Het gaat erover dat je gezondheid van binnenuit kan creëren.” Haar ogen glimmen. “Ik ben heel benieuwd…. Je zou zelfs je eigen kanker kunnen genezen.” Dat laatste klinkt voorzichtig. “Dat is mooi,” zeg ik en ben even stil om het op me in te laten werken. “Toch vraag ik me af, ligt de oorzaak wel altijd in jezelf? Als het Pfas verbindingen regent is het dweilen met de kraan open, lijkt mij.” Ze schrikt op. “Ja natuurlijk moeten we dat óók aanpakken.” Ik wil haar verhaal niet meteen afbreken met mijn opmerking. Dus ik ga in op wat ze eigenlijk bedoelde. “Ik heb ooit mijn been gebroken. Het was een frontale botsing waarbij ik de dood in ogen heb gekeken. Ik was nog jong en heb daar veel van geleerd. Zou dat voor elk ongeval kunnen gelden?” “Ik denk dat je er zelf voor kiest, wat er in je leven gebeurt” zegt ze. “Ze zeggen wel eens, je krijgt wat je aankan. Bedoel je dat?” vraag ik haar. “Ja, dat. Pech bestaat niet. Dat denk ik. Alles is een kans om als mens te kunnen groeien.” Ik neem een slok van de heerlijke koffie en vind het een mooie uitkomst. We praten nog lang door. Tevreden verlaat ik uiteindelijk haar woonwagen en we zwaaien goedendag.
Ik stap de trein in, en laat het Friese land aan me voorbij glijden. Ondertussen vraag ik me af of pech echt niet bestaat. Als je van je eigen frustraties kanker krijgt is dat niet wat anders dan wanneer je het krijgt terwijl je naast een bollenveld woont? Als mijnbouw de rivier vergiftigt, de rivier waarvan je volk afhankelijk is, is dat dan ook een levensles? Als domme pech niet bestaat, bestaat goed geluk dan ook niet? Ik denk toch echt dat ik van geluk mag spreken, met mijn acht en vijftig jaar in Nederland. Al ging mijn persoonlijk leven niet over rozen, om mij heen is in elk geval geen oorlog en geweld. Er was rust om te verwerken. Die rust heeft niet iedereen. Ik heb nooit hoeven vluchten. Godzijdank.
We zwemmen en zeilen onze eigen routes. Voor de één is het spelevaren, de ander kan nauwelijks het hoofd boven water houden. Zijn we niet ook verantwoordelijk voor elkaar? Met elkaar maken we immers de wereld zoals die is.
“Mensen willen graag dat het leven maakbaar is, maar dat is het niet. Niet altijd.” zegt archeoloog Martine van den Berg. Ik las over haar in het Nederlands Dagblad. Ze deed onderzoek naar de invloed van rampen op de samenleving en kwam erachter dat er maar bar weinig wordt geleerd. “Gewoontes zijn hardnekkig, en slijten even hard als marmer” zong Herman van Veen. Water moet eerst tot de lippen staan, wil een samenleving veranderen, zegt Martine. Een kleine groep wil wel, maar vormt dan nog steeds een minderheid. Neem klimaatverandering. Of de pandemie. Inmiddels weet iedereen dat er wat moet gebeuren. Dat de groei-economie de grond onder onze voeten vandaan vreet. Maar des te fanatieker wordt er teruggegrepen naar het oude normaal. Winst, concurrentie, korte termijn denken.
Daar sta je dan, met je goede bedoelingen. En om je niet verloren te voelen, kun je altijd nog koning op de vierkante meter zijn. Jezelf ontwikkelen. Maar daarmee is het nog niet klaar, dat weten we dondersgoed. We beginnen pas. Het moet verder gaan dan het persoonlijke. Want in je eentje stop je niet de spullenstroom bij de afvalverwerker. Het gif in het grondwater, microplastics in de vissen, of het stikstofprobleem. Je stopt niet het geweld en de oorlog. Het is de les van alle mensen samen, om samen verantwoordelijk te zijn voor onze aarde. En dat wie meer heeft, de ander ondersteunt. Dat degene die meer geluk heeft, de ander helpt, die pech heeft, Dat is de grootste uitdaging van dit moment.
De trein stopt. Op het perron staat een bord met “Mantgum”. Ik stap uit en wuif naar de machinist. Hij zwaait terug. Ha! Dat is alweer mooi meegenomen.
We zijn door onze technologische vermogens ongelooflijk flexibel. In theorie zouden we als mensheid in staat moeten zijn om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te beperken. Maar een mondiaal probleem kun je niet oplossen met lokale compromissen. Het vereist niet alleen technologische oplossingen, maar ook internationale samenwerking, onderlinge solidariteit en persoonlijke offers. Onze collectieve weerbaarheid zal de komende eeuwen tot het uiterste op de proef worden gesteld.
Luister nog even naar het liedje aan het einde:
Ik ben waar ik ben en ik denk aan jou Ik weet niet of ik je ken of wat ik zeggen zou Maar ik geef de boodschap door Aan een ander luist’rend oor.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan. Dan kun je ook het liedje horen, aan het einde.
.
Dick is terug, mijn vriend. Hij woont 500 meter verderop en is de hele zomer weg. De kleine woonwagen wordt dan verhuurd aan vakantiegangers. Het was voor de derde keer nu, drie-en-een-halve maand ging hij naar de Vlierhof. De Vlierhof, een leefgemeenschap, net over de Nederlandse grens bij Nijmegen. Ik haalde hem op en bleef vier dagen. Dit is een sfeerimpressie en overdenkingen daarbij.
De tafel is overvloedig gedekt, zoals elke dag. Ik schuif aan en eet heerlijke soep met verse tomaten en groenten van eigen land. “Het is weer lekker Bart!” roept iemand. Er wordt gelachen en gepraat. Elke keer als ik hier ben, heb ik het gevoel thuis te zijn. Zo vriendelijk zijn de mensen, zo belangstellend, dat ik met veel plezier mijn bijdrage lever. Ik raap noten, houd een rigoureuze wiedactie in de meest overwoekerde perken. Samen met Dick pluk ik druiven en maak er sap van. Er wordt me gevraagd een ruimte in te richten voor tweedehandskleding en dat doe ik. Dick helpt mee. Het is fijn. Alles wat er thuis niet is, vinden we hier. Het actieve leven met elkaar, de gezamenlijke maaltijden met voedsel van eigen land. Het luisteren naar de verhalen van anderen, met hun innerlijke processen. Soms loopt er iemand de hele dag te zuchten. Dat mag allemaal en er is begrip voor. Maar ’s avonds is het gedaan met het zuchten. Er wordt een vuur gemaakt. Een afscheidsvuur voor Dick. Uitbundig klinkt het gelach, dat verstomt als mijn vriend begint te vertellen. Dick zingt de eerste liedjes die hij deze maand maakte als songwriter. Ik maak opnamen en zing tweede stem. Er trommelt iemand mee. Uitbundig wordt het refrein meegezongen. En dan, als het laatste applaus voorbij is, kijk ik naar de vlammen. De gesprekken kabbelen zachtjes door en het vuur knappert. Nu ben ik nog hier. Ik weet dat ik weer terug moet, terug met Dick naar Friesland. Dat was de bedoeling. Maar eigenlijk zou ik best langer willen blijven. De gedachte speelt, maar ik bedenk me niet. De keus is al gemaakt. Want wat ik doe is niet altijd waar ik op dat moment het liefste ben. Er is meer, wat telt.
Thuis eten we gewoon met zijn tweeën. Het voedsel komt uit de biologische winkel. We volgen het nieuws en achtergronden over wat er gebeurt in de wereld. We némen de tijd met elkaar, praten erover. Hier zijn meestal geen mensen die hun innerlijke processen voorleggen op de ontbijttafel. Bij ons gaat het over de Partij van de Dieren die onenigheid heeft of het actiekoor “Meten is weten”. Het gaat over de Friese taal, de liedjes en verhalen die we schrijven en de theatervoorstelling in het kerkje van Jellum. We zijn nooit uitgepraat. Dat komt ook omdat we allebei nieuwsgierig zijn. Niet alleen naar wat er gebeurt op de wereld, maar ook wat de ander te vertellen heeft. Het leven hier is een perfecte aanvulling op het drukke gemeenschapsleven op de Vlierhof. Ja, het is fijn dat Dick er weer is. Maar soms denk ik, waarom ga ik ook niet de hele zomer naar de Vlierhof? Het geeft me de levendigheid waar ik soms naar snak. Ik kan kwaliteiten van mezelf uit de kast halen die maar al te vaak blijven liggen. Ik ben er meer dan welkom en toch doe ik het niet.
Waarom niet? Ach natuurlijk, ik weet het donders goed. Het zijn meerdere dingen. is het Verhalenpad waar ik voor zorg. Ik plant de kruiden, hak het riet. Ik zorg voor de bomen en bloemen. Ik zorg voor humus op het land en voor de wilde dieren en vogels. Maar ook is het de Swetteblom zelf, waar ik een van de stabiele figuren ben waar de boer op kan bouwen. Als dat niet meer nodig was, dan ging ik wellicht vaker weg. Maar het is wél nodig. Op de boerderij gaat het ook niet over rozen, net als in de rest van de wereld. Er speelt van alles, met mensen, omstandigheden en geld. Wanneer problemen zich opstapelen, dan heeft de boer aan mij een goede luisteraar. Daar kan ik makkelijk ruimte voor maken. Ik heb geen problemen en maak ze ook liever niet. Nu op mijn 58e, heb ik het meeste wel verwerkt van mijn roerige leven vol heftige gebeurtenissen. Goddank, mijn lijf is nog altijd vitaal. Ik concentreer me op wat ik doe maar ben beschikbaar voor als het moet. Ik ben hier. Hier staat mijn huis. Je komt niet voor niks aan, op een plek. Elke plek heeft mensen nodig die voor stabiliteit zorgen. Mensen, die het dragen, wortels maken. Daar zijn er nog steeds te weinig van. Mensen die het fundament willen vormen. Jij daar, ik hier. En zo is het goed.
Ik zit aan het vuur en ben blij met het afscheid voor Dick. Ik geniet van de oprechte waardering die ze voor hem hebben. Voor zijn rust en positiviteit. Hij is als een gestage motor, zonder op te vallen doet hij veel. Hij verdient het om in het zonnetje te worden gezet. Maar ook voor mij is het een beetje een beloning. Deze samenkomst geeft me wat ik thuis vaak heb gemist. De sfeer is warm en feestelijk. We doen het met elkaar. Dit mee te maken, al is het maar heel soms, dat doet me wat. Dus dank jullie wel, mensen van de Vlierhof! Ook van mij!
Misschien zouden we dat nog veel vaker moeten doen. Elkaar bedanken. Alles bedanken. Het is een motor.
Liedje:
Ik dank voor het water en de gouden zon Ik klap voor het geklater in de volle regenton
Ik zing voor de wind die in de schoorsteen waait de warmte die ons bindt Mmmm mmmm, het vuur dat lachend
Een lage herfstzon schijnt over de weilanden. Alleen een balorige bende kraaien verstoort de rust. Wat kunnen die een herrie maken. Naast me staat een kop koffie. Ja, het leven is goed voor me. Maar soms, als ik weer een boek over Afghanistan lees, of zie hoe het er in het Amazonegebied aan toe gaat, dan gebeurt er iets met me. Ik wil me inzetten voor die mensen. Net als ik, verlangen ze naar een gezond bestaan op een gezonde aarde. Gewoon leven. Voor mij dagelijkse kost. Maar voor hen is niks vanzelfsprekend. De uitzichtloosheid keert almaar terug als een mager spook. Waarom houd ik me bezig met zulke nare dingen? Het is omdat het nodig is. Een noodzaak die puur uit mezelf komt. Er is niemand die erom vraagt. Er is ook niemand die me vraagt om erover te vertellen, hoe het is, daar, ver weg. Als er een vraag komt, dan willen mensen iets weten over mij. Over mijn leven, mijn reis. Het gaat altijd over mij. En jou. Wat ik gedaan heb, beleefd heb, mijn successen, mijn grapjes. Jij lacht, luistert en maakt jouw grapjes. Ja. We blijven lachen. En spelen.
Maar behalve dat is er meer, verder weg. Het vraagt mijn aandacht. Daarom aarzel ik als mensen me opnieuw vragen, om te vertellen van mijn reis, mijn wagen, mijn leven. Want steeds weer, als het stil is, denk ik aan die ander. Die anderen, ver weg, die niet de luxe hebben om te praten over de reis die ze maakten. Die niet kunnen uitweiden over hun innerlijke ontwikkeling. Anderen die alleen maar kunnen vluchten, van hier naar daar. Sommigen hebben nog een thuis, maar hoe lang nog, als dat van alle kanten wordt bedreigd? Een bestaan in rust en vrede is niet alleen goed voor de mensen, maar ook voor de aarde. Als de mensen in het Amazonewoud ongestoord kunnen leven, met elkaar, op hun eigen land, dan zucht de bodem opgelucht. Dan kunnen de bomen weer rustig gaan slapen en meedeinen met het trage ritme van de seizoenen. Dan kunnen ze met hun zacht ritselende bladeren weer beschermers worden. Beschermers, die ze altijd zijn geweest en nog steeds willen zijn. Beschermers van mens en dier.Door zelf met de aarde bezig te zijn, verbind ik me met hen. Mijn bomen zoeken het grondwater op. En het grondwater is verbonden met onze vaart, de Swette, die naar het Ijsselmeer leidt. Het Ijsselmeer, dat verbonden is met al het water op de wereld. Bomen nemen het op via hun wortels. Grondwater, hemelwater. Water, bomen bodem. Dat zijn de verhalen van mijn Verhalenpad. Van hier naar verder, naar overal.
Ik verbind me met de aarde op meer manieren. In totaal zijn er vier belangrijke zaken, waar ik mijn energie aan schenk. Behalve het Verhalenpad zijn er nog drie. Via de werkgroep zet ik me in voor een ander handelsbeleid. We willen af van de moordende concurrentie op wereldschaal. Steeds weer worden er nieuwe handelscontracten afgesloten in de landbouw. Het zijn landen overal ter wereld waarmee afspraken worden gemaakt. De gevolgen zijn niet te overzien en het land van inheemse mensen gaat eraan kapot. Maar het reikt veel verder dan dat. (Zie ook de petitie)
Ik steun Survival International. Een organisatie die het voor inheemse stammen opneemt, al sinds 1969. Door op te komen voor hun rechten, worden regelmatig overwinningen behaald. Het gaat om hun land. Het land van hun voorouders, de eindeloze wouden, die allang niet meer zo eindeloos zijn. Want vele wegen doorkruisen de gemeenschappen van bomen en mensen. De bossen slapen niet meer, ze kunnen niet meer beschermen. De wegen zijn als messen, vandaar uit wordt er steeds meer kapot gemaakt. Deze organisatie vecht voor hun rechten. Dat het land niet nog verder wordt vernield. Overal ter wereld hebben ze contact met inheemse mensen. Ook in het Amazonegebied. Daar ligt vooral mijn aandacht.
De derde is Treesistance. Het is een woordspeling op resistance. Dat betekent verzet. Het betekent dus eigenlijk “Verzet voor de bomen”. Zorgt Survival International met name voor de grote lijnen, zij zorgen voor activistische uitvoering in praktijk. Met het geld van donateurs worden boswachters betaald. Zij krijgen waterdichte schoenen, een goeie uitrusting en GPS mee, om illegale houthakkers op te speuren. Ze werken ook met drones. In een tijd waarin de techniek zo razendsnel gaat, moet je het verzet met diezelfde techniek aanpakken.
Ik kan deze donaties in stilte laten lopen, maar door het uit te dragen kan het een dubbele rente opleveren. Ik vertel dit omdat het voor mij belangrijk is. Belangrijker dan de reis die ik maakte, of hoe mooi ik mijn wagen helemaal zelf heb gebouwd. Ik vertel het om het voor mezelf te herhalen: “Dit is het, waar het mij om gaat.” Ik vertel het voor jullie. Graag wil ik verhalen vertellen vanuit mijn eigen beleving. Maar soms is die er niet, en moet ik putten uit verhalen van anderen. Anderen, ver weg. Misschien zal ik ze op een dag ontmoeten. Misschien. .
De wortels van mijn bestaan groeiden. Maar mijn CV zag er nog steeds armzalig uit.
.
Tekening: Afra Hartog
.
De luisterversie vind je onder de tekst.
Iemand vroeg mij: Wat wilde je worden, vroeger? Toen ik kind was wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Maar toen ik zeventien was, wist ik het niet meer. Alles was chaos en het leven stroomde als een vloedgolf over me heen. Dood en ongeluk. Uitsluiting, eenzaamheid, angst. Ik had net genoeg tijd om af en toe boven te komen om adem te halen. Maar op mijn CV zag je niks, van dat alles. Toen ik 27 was hoorde ik steeds vaker, met Alowieke wordt het vast nooit meer wat. Anderen zeiden: “Zonde, ze is zo’n talentvolle vrouw!” Sommigen wisten meer van me. “Jammer, dat ze zoveel pech heeft gehad.”
Dat was natuurlijk niet zo. Hun oordeel lag in wat zij zagen als een succesvol leven. Maar ik zag het anders. Elke ervaring was als de berg, die ik wilde beklimmen, ik onderzocht de diepte van mijn bestaan. Mijn wortels groeiden en ik verkende mijn bodem terwijl m’n CV er nog steeds armzalig uit zag. Op de snelweg van het grote leven deed ik aarzelend mijn stappen. Maar van binnen had ik vertrouwen als een rots. Als ze begonnen te duwen werd ik boos. “Laat me!” Want wat je ziet, is niet altijd wat het lijkt. Pijn, verlies en verwarring bieden de mogelijkheid om te groeien. De oogst komt later.
“If there’s a bustle in your hedgerow, don’t be alarmed now. . . . It’s just a spring clean for the may queen.” Zong Robert Plant.
In aansluiting hierop schreef ik dit gedicht. Ook een ander citaat inspireerde mij, dat ik lang geleden las in het blad: “Open deur”. Als je het kent, zul je het zien.
Wat heb ik gestruikeld, ja O wee liep telkens tegen de lamp Maar elke keer als dat gebeurde nam ik een stukje licht mee Bijgaand leed verdween als damp Maar nog steeds zijn dit hiaten Zwijgende gaten in mijn CV Voor anderen die de norm bepalen Zo ziet men het, O ja, helaas Dus blijf ik liever eigen baas Verteller van verhalen.
Ik zag de film: Kiva, call of wisdomkeepers. Dit is een verhaal dat meegaat in de stroom, en tegelijkertijd kritisch is.
.
Tekening van Afra Hartog.
.
Onderaan de tekst vind je de luisterversie.
“Alles draait om energie. Elke plek en elke taal heeft een trillingsfrequentie. Met elkaar zijn we een eenheid.” Ja, dat zijn woorden waar ik me best in kan vinden. Het is als een symfonie, de lichte tonen vullen de donkere aan. Dat spreekt mij aan. Toch praten maar weinig mensen over taal. Over het algemeen zijn het de eerste vier woorden die ik overal terug hoor komen: “Alles draait om energie.” Het echoot door yogaklassen, onder moderne monnikskappen, over het alternatieve podium en het gonst bij spirituele ceremonies. Vooral in het engels. Het enthousiasme waarmee dit wordt gepresenteerd is prachtig, maar gaat vaak snel, vind ik. Moeten we niet vertragen, om er ook echt iets mee te kunnen? Vertragen, om te luisteren. Om te zien, wat er nodig is.
Ik zit in het Lewinskitheater in Sneek. Een kleine informele zaal, vol lekkere stoelen en kleine tafeltjes. Naast me zit Natasja. Ik ken haar van facebook en zij kent mij van mijn blogs. Het is toevallig dat ik haar tref. Zij was net zo verrast als ik. We kijken naar de film: “Kiva, the call of wisdomkeepers”. Kiva, de naam van een bontgekleurde, warmhartige ceremonie met zijn oorsprong in oeroude tijden. Wisdomkeepers van overal ter wereld komen er jaarlijks bij elkaar. Het houdt de moed erin, de energie van de bijeenkomsten maakt dat mensen hun eigen cultuur en hun voorouders blijven herinneren. Het is wat je bent, het is je identiteit die je met de aarde verbindt. “Met elkaar houden we de band met de aarde levend”, zeggen twee vrouwen, in het rood gekleed, zittend aan het water. “Dat geeft hoop.” Na afloop vertelt de maakster van de film wat een eer het voor haar was, dat ze als beginnend filmster dit alles mocht vastleggen. Al bleven de ceremonies zelf grotendeels buiten beeld, de interviews maakten dat helemaal goed.
Na haar neemt een Friezin plaats op het podium. Ze zit in kleermakerszit op de houten vloer, vlak voor een grote drum. In haar lange blonde haar steekt een veer en nog iets, wat ik niet kan onderscheiden. “De stammen van onder de zeespiegel gaan een belangrijke rol spelen” citeert ze enkele wisdomkeepers. “Dus, waar blijven de Friezen?!” Ze straalt als ze haar verhaal vertelt en de woorden komen vanzelf, zegt ze. Ze praat en praat en gaat ver over de afgesproken tijd. Ik luister met plezier. Het gaat over slangen, uilen, taal, en wat er in ons is. Herkenbaar. Het is in het Fries en ik versta (bijna) alles.
Het is al laat, als de documentaire maakster weer het woord neemt. Ze houdt het kort. “Uiteindelijk moet het niet alleen bij ceremonies blijven,” eindigt ze haar verhaal. “Er is vooral actie nodig. De rivieren moeten weer schoon worden.” Dat is haar laatste zin. Ja, zo is het. En er moet nog veel meer gebeuren. Wat jammer dat het al zo laat is. Met die vraag had het gesprek met het publiek losgemaakt kunnen worden. Wat kunnen we doen? Wat is nodig en hoe zie je jouw volgende stap daarin? Wat doe je al? Daar kun je nog wel een week mee zoet zijn. Of langer. Een avond is kort.
“Ik denk dat we allemaal wisdomkeepers zijn, “elders” die anderen onderwijzen” zegt Natasja naast mij. “Jij misschien nog iets meer dan ik.” Ik zou me vereerd kunnen voelen bij die woorden maar vandaag laat het me onverschillig. De woorden komen dan ook wat stroperig uit mijn mond. “Ik denk de laatste tijd juist, wat heb ik nou eigenlijk te vertellen…” Ze is even stil. “Tja,” zegt ze.
Ik ga verder. “Er zijn momenten dat ik woorden had, en dat er inzichten stroomden als water. Maar woorden bestaan vooral als je met een ander bent. Ogen die kijken en oren die gespitst zijn. Dat inspireert. Ik kan blijven schrijven over het water waar ik naar kijk, over de rimpelingen in het ochtendlicht en alles wat er groeit, maar langzaam verdwijnt de sprankeling als er niemand naast me staat, van wie ik weet dat die luistert. We hebben elkaar nodig. Zelfs de eenzaamste kluizenaar leeft op als hij zijn inzichten kan delen met die ene ziel die hem opzoekt. Of een betekenisvolle blik kan delen met de ander. Ik kan vertellen over de aarde, onder mijn voeten. Maar mijn buren hebben het druk. Ja, ik schrijf erover. Maar ik weet niet wie het leest. Ik zie de ogen niet. Ik hoor niks. Het droogt op.”
Natasja en ik staan op. Natasja spreekt met de Friezin en loopt dan weg. Ik ga ook naar haar toe, de Friezin met haar lange hoogblonde haar. Ik vraag naar de veer, die ze er in heeft gestoken. Die is van een uil, zegt ze. Ik zeg dat ik het beeld van de uil herken. “Ja,” zegt ze “Het gaat om de energie.” Ik wil vertellen hoe mooi het is als woorden komen als een levende stroom. Maar zover komt het niet. Ze kijkt me niet aan. “O! Achter jou staan ook mensen te wachten,” abrupt breekt ze mijn zin af. “Wees kort. Wat wil je zeggen? ” Ineens weet ik het niet meer. Laat maar zitten, denk ik. Zo belangrijk was het vast niet. “Deze avond heeft me wel goed gedaan,” zeg ik nog. Ze glimlacht en nu kijkt ze me wèl aan. “Vanmiddag voelde ik me wat houterig en…” Ik kan het niet meteen uitleggen. Zeker niet als er mensen achter me staan te wachten. Ze begrijpt kennelijk meteen wat ik wil zeggen. Dat is wel makkelijk, dan kunnen we het kort houden. Beslist kijkt ze me aan. “Dat kwam omdat je wist dat je hierheen ging,” zegt ze. “Het was de energie die je voorbereidde.” Ik lach naar haar. Aardig, dat ze kennelijk precies weet wat er speelt. Maar als ik wegloop vraag ik me af wat ze daar nou eigenlijk over kan zeggen als ze me maar zo kort gesproken heeft.
Als we allemaal bewaarders zijn van de wijsheid, dan zal daar een eindeloze variatie in zijn. De een heeft wijsheid in zijn handen, de ander in de klank van haar stem. De een speelt een instrument en de ander speelt met woorden. Een oude boer kan je het verhaal van het riet vertellen, en hoe het riet hem wijsheid leert. Een goede veehouder kent zijn koeien. Er zijn mensen van het water en mensen van het land. Van de dijk en van de stad. Mensen van de vlakte en mensen van de bergen. Allemaal hebben we een eigen verhaal. Als we willen dat er iets verandert, dan zal elk verhaal gehoord moeten worden. Luisteren, luisteren, luisteren. Na de ceremonie begint het pas.
En ik sta op het Friese veld, in de vroege ochtend. En hak het riet langs het Verhalenpad. Anders groeit het dicht. Ik wacht en kijk. Ik spreek af met mensen, meestal vrouwen. In Sneek, in Menaam, in Leeuwarden. Waar gaat het verhaal verder? En hoe? Ik weet het niet. Ik hoef ook niet alles te weten. Als we maar blijven bewegen. De ontmoeting volgt. Ik luister. Ik zal weten wat er nodig is, precies op het juiste moment.
There wo’nt be english translations anymore. But now, in the end, I really like to know if there was someone wholiked them.Can you give a reaction please?
Mensen op het oogstfeestdoorbreken het weerspiegelde riet in de ochtendmist. Het is zoals elke dag, het begint en eindigt met stilteen daartussen gebeurt het.
.
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to read the ENGLISH translation? You can find it underneath.
Het is nog vroeg. In de ochtendschemering hangt de mist over de weilanden. Zo vroeg is het, dat alles zwijgt in de vochtige lucht. Het Verhalenpad ligt er stil bij, geen torenvalken zweven er, geen zwaluwen scheren kwebbelend langs de bult. Ook de zwerm mussen is er niet en de puttertjes hangen nog niet in de kaardebollen. Ik kom uit mijn wagen, net wakker. Ik kijk om me heen. Het belooft een zonnige dag te worden. In mijn pyjama kruip ik langs het schot, waar de koekoeksbloem tegenaan hangt. Een spinnenweb kleeft in mijn gezicht. Dezelfde spin, hetzelfde plekje, tussen de wand en dat loshangende draadje. Vandaag ga ik niet naar mijn opgroeiende sprookjesbos. Vandaag ga ik er op uit. Ik ga naar het oogstfeest in Snakkerbuorren. Daar heb ik al veel van gehoord. Er zijn schilders aan het werk, er is live muziek en er is zelfgebakken taart. Daar houd ik van. Alledrie.
Ze staat in een hoekje achteraf, vlak bij het winkeltje. Op haar doek zie je een schuurtje, gezellig in de zonneschijn. Het hout is grijs geworden. Hetzelfde schuurtje zie ik aan het einde van de steeg. De lucht is stralend blauw, maar zij heeft er een donkere wolkenlucht van gemaakt. Het steegje licht stralend op tegen dat duister. Een roodbruine middenkleur vormt de ondergrond. “Ja, ik houd van die kleur, om mee te beginnen,” zegt ze als ik ernaar vraag. Ik stel allerlei vragen en de vrouw antwoordt met plezier. “Ik wil niet alleen maar naschilderen.” zegt ze. “Ik wil het nu wel eens vanuit mezelf. Iets creëeren wat er nog niet was. Meer dan alleen een plaatje…” Verderop staat een man met een zelfgemaakte ezel. Het palet is ook eigen fabrikaat. Groot en wit is het. Met een heleboel kleine kloddertjes erop. Het ding glimt van nieuwigheid. “Ze zijn altijd te klein,” zegt hij. Ik knik begrijpend. “Zelf maken dus. Dat knoop ik in mijn oren,” zeg ik en loop verder. Een stuk verderop hoor ik zingen. “Country road, take me home….” Het zijn lage vrouwenstemmen. Ik loop erheen en zing er helder bovenuit. Fijn als je mezzo bent, dan kan je kiezen, laag of hoog. Onder de zangers is een stevige zwarte vrouw. Ik kijk haar aan terwijl ik uit volle borst de tweede stem zing: “West Virginia, mountain mama” Ik kijk naar haar en zij naar mij. We gaan er allebei van stralen.
Na de hele zomer werken is het goed toeven op dit oogstfeest. Ik voer het ene gesprek na het andere, tot het me te druk wordt. Een dikke stroom mensen golft naar binnen terwijl ik mijn fietsslot openmaak om weg te gaan. En terwijl ik dertien kilometer terug fiets, denk ik aan de liedjes en schetsen die ik thuis heb liggen. Ja, denk ik. Ik ga ermee door. Liedjes van beelden maken, beelden van liedjes. Putten uit het grote palet van kleur en klank, putten uit de bron van verleden, heden en toekomst. Alles begint bij de verbeelding. Zonder verbeelding zijn we niets anders dan de slaaf der gewoonte. Een sprong kan je niet maken, als je je het niet eerst hebt voorgesteld. Als je spieren zich niet hebben voorbereid op de inspanning. Je ogen schatten de afstand, en jij maakt je klaar. Dat kan lang of kort duren. En ik, ik schilder een lied ter bemoediging. Voor de ander, voor mezelf, voor alles. Alleen en met elkaar. De wereld heeft kunst nodig.
Thuis kwetteren de mussen boven de voedertafel. Koolwitjes fladderen boven het raapzaad, vliegen omhoog de lucht in, maar komen steeds weer terug. Net als ik. Steeds weer terug. Eigen haard is goud waard..
Liedje: Onder mijn bed. (Song)
Het verhaal.
.
FESTIVE EXPLORATION
It’s still early. In the morning twilight the fog hangs over the meadows. It is so early that everything is silent in the damp air. The Story Path is quiet, no kestrels hover, no swallows skim chattering along the hump. The swarm of sparrows is not there either and the goldfinches are not yet hanging in the teasels. I got out of my car, just woke up. I look around. It promises to be a sunny day. In my pajamas I crawl along the bulkhead, where the cuckoo flower hangs against. A spider web sticks to my face. The same spider, the same spot, between the wall and that dangling thread. Today I am not going to my growing up fairy forest. Today I’m going out. I’m going to the harvest festival in Snakkerbuorren. I’ve heard a lot about that. There are painters at work, there is live music and there is homemade cake. I love that. All three.
She is standing in a corner at the back, near the greengrocer. On her canvas you see a shed, cozy in the sunshine. The wood has turned gray. I see the same shed at the end of the alley. The sky is bright blue, but she has turned it into a dark cloudy sky. The alley glows radiantly against that darkness. A red-brown middle color forms the background. “Yes, I like that color, to begin with,” she says when I ask. I ask all kinds of questions and the woman answers with pleasure. “I don’t just want to repaint.” she says. “I want to do it on my own now, in the future. Create something that wasn’t there before. More than just a picture…” Ahead is a man with a self-made donkey. The palette is also own manufacture. It is big and white. With a lot of little blobs on it. The thing gleams with novelty. “They are always too small,” he says. I nod understandingly. “So make it yourself. I’ll tie that in my ears,” I say and walk on. A little further on I hear singing. “Country road, take me home….” They are low female voices. I walk over and sing clearly above it. Great if you are mezzo, then you can choose, low or high. Among the singers is a big black woman. I look at her as I sing the second voice: “West Virginia, mountain mama” I look at her and she at me. We both shine.
After working all summer, it is good to relax at this harvest festival. I have one conversation after another, until it gets too crowded. A thick flod of people streams in as I open my bike lock to leave. And as I cycle thirteen kilometers back, I think of the songs and sketches I have lying around at home. Yes I think. I am going to do it. Making songs from images, images from songs. Drawing from the large palette of color and sound, drawing from the source of past, present and future. Everything starts with the imagination. Without imagination we are nothing but the slaves of habit. You can’t make a leap if you haven’t imagined it first. If your muscles have not prepared for the effort. Your eyes estimate the distance, and you get ready. That can take a long or short time. And me, I paint a song of encouragement. For the other, for myself, for everything. Alone and with each other. The world needs art.
At home, the sparrows chatter above the feeding table. Cabbage whites flutter above the rapeseed, fly up into the air, but keep coming back. Like me. Coming back, again and again. Your home is your castle.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to read the ENGLISH translation? Click on the button underneath.
.
Ik ben altijd blij als het regenachtig weer is. Af en toe een bui, mooie wolkenluchten, niet te warm, het is dan zo heerlijk buiten! Het is vreemd dat er niet meer mensen van genieten. Dat vindt Chief Dadá ook. Hij is een van de opperhoofden die zijn leven waagt voor het Amazonewoud.Vorig jaar was hij in Nederland.
“Nederlander, ga naar buiten als het regent.”zegt hij. “Waarom ga je alleen naar buiten als de zon schijnt? Mensen die zich niet verbonden voelen met de natuur moeten beseffen dat ook zij schade berokkenen aan het klimaat en de teloorgang van de bossen. Het is om geld, dat er wordt gekapt. Geld, dat illegaliteit oproept. Geld zou geen prioriteit moeten zijn, geef juist meer liefde. Het leven komt eerste, en dat zit in de rivieren, in de bomen en in de aarde.” Dat is wat hij zei. Het zijn maar een paar zinnen. Om ze te doorleven is er meer nodig. Doorbreken van gewoontes.
Het is ook belangrijk om de elementen te voelen. De wind om je hoofd. Het gras onder de voeten. Soms word je nat, soms is het droog. Gisteren was ik in Zwolle, met mijn vriend Dick. We hebben elkaar daar ontmoet. De zon scheen.
Ik lig op het gras in een park, met Dick naast me. Een heel klein park is het, met een grote fontein in het midden van wel honderdvijftig jaar oud. Hij is opgedragen aan een burgemeester die kennelijk indruk heeft gemaakt. We liggen op onze rug en mijn vingers aaien de grassprietjes. We staren naar de toppen van de bomen in de wind en luisteren naar het geluid van stromend water. De grond is wat vochtig, mijn jas ligt uitgespreid onder me. Slaperig pak ik Dick zijn hand. Ik voel mijn voeten van het lange lopen, door de stad. Nu, zonder al die winkels met oneindig veel spullen om ons heen, voel ik me dichter bij. Dichter bij de aarde, dichter bij Dick en de stemmen die in de verte langs ons heen gaan. Het water in de fontein stroomt maar door. Stil liggen we te kijken en laten ons vermoeide lijf rusten op de altijd geduldige aarde. Dan geef ik hem een zoen en sta op. “Ik wil een wens doen bij de fontein,” zeg ik prompt en loop erheen. Dick volgt me. Ik haal mijn portemonnee uit mijn zak. “Je moet er geld in gooien en dan hardop wensen,” zeg ik. “Een wens voor iemand anders, niet alleen voor jezelf.” Dick diept als eerste een muntje uit zijn broekzak. Het valt als een dikke regendruppel in het bassin. “Wereldvrede,” zegt hij en dan is het even stil. ”Zou tien cent wel genoeg zijn voor wereldvrede?” vraagt hij aarzelend. Ik knik van ja en ondertussen pak ik de kleinste munt die heb. Geld is niet belangrijk. Het gaat om de intentie. Ik kijk naar de fontein. Het onderste bassin is het grootste. Daarboven zijn nog een paar kleinere. Het water stroomt van de één in de ander. Ik gooi mijn muntje in een van de bovenste, kleinere kommen. Met een harde tik raakt het de naam van de burgemeester die er boven staat. Dan ploept hij in het water en zinkt. “Ik wens dat alle inheemse mensen hun land terugkrijgen,” zeg ik vastbesloten. Dick knikt. “Dat gaat vast goed komen”.
Hand in hand lopen we het park uit. Nog even, voor de dag voorbij is en onze wegen scheiden. Morgen gaat het regenen. Zachte druppels op de aarde. Goed voor de paddestoelen en de schimmels. We lopen verder. Onze voeten maken een pad, met elke wens die we doen. Als sporen van funghi op vochtige aarde. Ver kunnen ze vliegen, die sporen, heel ver door de lucht. Alleen gedachten, die reiken verder. Gedachten aan de ander, aan hun wouden, hun thuis. Ik denk aan ze, met liefde.
(Beluister ook het liedje, door hieronder op de knop te drukken.)
I am always happy when the weather is rainy. Occasionally a shower, beautiful cloudy skies, not too hot, it’s so wonderful outside! It’s strange that not many people enjoy it. Chief Dada thinks so too. He is one of the chiefs who risks his life for the Amazon forest. Last year he was in the Netherlands.
“Dutchman, go outside when it rains,” he says. Why do you only go out when the sun is shining? People who do not feel connected to nature should realize that they too are causing damage to the climate and the loss of forests. It is for money that it is cut down. Money that creates illegality. Money should not be a priority, give more love. Life comes first, and that is in the rivers, in the trees and in the earth.” That’s what he said, in just a few sentences. It takes more to live through them. Breaking habits.
It is also important to feel the elements. The wind around your head. The grass under your feet. Sometimes you get wet, sometimes it’s dry. Yesterday I was in Zwolle with my friend Dick. We met there. The sun was shining.
I’m lying on the grass in a park, with him next to me. It is a very small park, with a large fountain in the middle that is one hundred and fifty years old. It is dedicated to a mayor who has apparently made impression to the people. We lie on our backs and my fingers stroke the blades of grass. We stare at the tops of the trees in the wind and listen to the sound of running water. The ground is a bit damp, my coat is spread out beneath me. Sleepily I grab Dick’s hand. I feel my feet from the long walk through the city. Now, without all those shops with endless stuff around us, I feel closer. Closer to the earth, closer to Dick and the voices that pass us in the distance. The water in the fountain keeps flowing. We lie still and watch and let our weak bodies rest on the always patient earth. Then I kiss him and get up. “I want to make a wish at the fountain,” I say promptly and walk over. Dick follows me. I take my wallet out of my pocket. “You have to put money in and then wish out loud,” I say. “A wish for someone else, not just for yourself.” Dick is the first to dig a coin out of his pocket. It falls like a thick raindrop into the basin. “World peace,” he says and then there is a moment of silence. “Would ten cents be enough for world peace?” he asks hesitantly. I nod yes and meanwhile I take the smallest coin I have. Money is not important. It’s about the intention. I look at the fountain. The lower basin is the largest. Above that are a few smaller ones. The water flows from one to the other. I toss my coin into one of the upper, smaller bowls. With a loud tap it hits the mayor’s name above it. Then he plops into the water and sinks. “I wish all indigenous people to get their land back,” I say firmly. Dick nods. “I’m sure it will be fine”.
We walk out of the park hand in hand. It is just a little while, before the day is over and our ways part. It’s going to rain tomorrow. Gentle drops on the earth. Good for mushrooms and funghi. We walk on. Our feet make a path, with every wish we make. Like spores of funghi on moist soil. They can fly far, those spores, very far through the air. Only thoughts, they reach further. Thoughts of the other, of their forests, their home. I think of them with love.
Dagen van gestage regen drenkt de gebarsten bodem tot hij zacht is.
.
Wilgenroosje
.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Do you like to read the ENGLISH translation? You can find it underneath.
Iets wat langzaam groeit bouwt levensvatbaarheid op. Het is een taaie tijd van verwachting, met gebarsten klei en blad dat knispert van droogte. Maar eens valt de regen en barst de knop.
Het is het eerste wat ik doe. Ik heb mijn pyjama nog aan en zelfs mijn oefeningen nog niet gedaan. Het zonlicht schijnt als zilver over de dauw, die als een glinsterende druppeldeken over de weide heen ligt. Ik loop door het gras, nog dromerig van de slaap. Ik stroop mijn pyjamabroek wat op, anders wordt hij kletsnat. Het hoekje om bij de sloot, het weiland over naar die ene plek. Het paradijs. Het wilde pad dat ik met eigen handen schiep. De zon hielp mij. En de regen, de sloten, de beestjes in de grond. En natuurlijk, de dertien kuub compost.
Bij de ingang blijf ik staan, naast het bordje met de vervaagde tekst. Je kan het nog net lezen, vergrijzende letters in romig wit. “Verhalenpad”. Er heeft zelden iemand naar gevraagd. Behalve die kinderen, in het begin. Ze kwamen naar me toe: “Waar zijn de verhalen?” Ik moest lachen. Ik heb het ze laten zien. Spinnetjes, in het gras. Heel veel spinnetjes die verhalen schrijven met heel veel pootjes.
Op sommige plekken is het gras nu al helemaal verdwenen. Een tapijt van zilverschoon strekt zicht uit. In de lente zullen gele bloemen stralen als sterren. Het plantje hoort hier thuis, maar evengoed heb ik er hard aan gewerkt dat het er kwam. Heb gegraasd als een geit. Elke dag opnieuw. Gras uittrekken en steeds weer neerleggen, eromheen. Dikke pollen uitsteken, ruimte maken. Niet met hele vlaktes tegelijk, maar dan weer hier, dan weer daar. Als je het niet weet, dan zie je het niet, al dat werk. Zoals vaak. Je moet het horen.
En nu sta ik hier, in de frisse vroege ochtend, aan het begin van het pad. Het is als een dompeling. Als je dit ziet, vergeet je alles. Achter de hoog opgegroeide haag bloeit van alles. Wit en lila raapzaad, roze wilgenroosjes, een concert aan bloemen zingt me tegemoet. Hier en daar zie ik een stipje geel van mosterdzaad en het paars van de twaalfjarige luzerne. Naarmate het jaar verstrijkt wordt het steeds uitbundiger. Een veldmuisje kruipt gauw weg onder een bosje geel veldlathyrus. In de verte schudt een haas de druppels van zijn vacht. De zeven torenvalken zie ik vandaag niet. Zelfs geen eentje. De blauwe kiekendief ook niet. Ik weet niet waar ze zijn. Ze komen wel weer terug. Eten zat.
Er groeit een palet aan verhalen. En er komen er nog veel meer.
Ik heb nu een paar keer iemand rond kunnen leiden. Gisteren vroeg iemand mij erom. Een vrouw, even oud als ik. Niet omdat ze bessen wilde eten of zo. Gewoon omdat ze het wilde zien, en mijn verhaal wilde horen. Dat is best bijzonder. De meeste mensen willen zelf iets, of verzinnen hun eigen verhaal. Ze lopen het liefst in hun eentje en laten hun fantasie gaan. Een enkeling neemt een vriendin mee om alles te laten zien. Ze komen als ik er niet ben. Dat kan natuurlijk ook. Ten slotte is het een verhalenpad. Hoe meer verhalen hoe beter. Ook zonder mij gaat het door. Maar toch wil ik ook zelf wel eens mijn verhaal vertellen. Mijn verhaal in het weelderige groen, dat groeide met eelt op mijn handen en zweet op de rug. Met beelden en woorden die net zo goed moeten groeien als de mispel en de lijsterbes. Hoe langer je wacht, hoe dieper het gaat. Maar als het er is, dan is het er. Al zie je het nog niet. Net als wortels in de grond. Het groeit. Eens komt het verhaal naar buiten. Als een barstende knop, vol levenslust na een droge lente. Dagen van gestage regen drenkt de gebarsten bodem tot hij zacht is. Het verhaal is taai, en wacht op het juiste moment. Net als de knop van een bloem. Of als zaad in de grond.
Zo is het. Nu. Hier, daar, overal.
.
De bloemen worden wakker ze glinst’ren van de dauw Ze knikken met hun kopjes Kom hier, kom nu, kom gauw! Zacht ritselt gindse lindeboom en lispt als in een droom Goedendag, goedendag mijn liefste, Goedendag.
Lied, geïnspireerd door een oud Hollands wiegelied. Maar ik keerdehet naar de ochtend. In de luisterversie hoor je “werkfee” in plaats van “liefste”. Het laatste vond ik toch beter passen in de droom.
.
.
,
.
.
.
Zilverschoon
.
.
Rozenbottel
.
.
Ruwe berk (3,5 jaar oud, 2,5 jaar na aanplant)
.
.
.
.
The tough time of expactation
.
Days of steady rain soak the cracked soil until it is soft.
Something that grows slowly builds viability. It’s a tough time of anticipation, with cracked clay and leaves crackling with drought. But one day the rain falls and the bud bursts.
It’s the first thing I do when I wake up. I’m still in my pajamas and haven’t even done my exercises yet. The sunlight shines like silver over the dew, which lies like a glittering blanket of drops over the meadow. I walk through the grass, still dreamy with sleep. I roll up my pajama bottoms, otherwise they will get soaking wet. Around the corner at the ditch, across the meadow to that one place. The Paradise. The wild path I created with my own hands. The sun helped me. And the rain, the ditches, the bugs in the ground. And of course, the thirteen cubic meters of compost.
I stop at the entrance, next to the sign with the faded text. You can just read it, aging letters in creamy white. “Story Path”. Rarely has anyone asked about it. Except for those kids, in the beginning. They came to me: “Where are the stories?” I laughed. I showed them. Spiders in the grass. Lots of little spiders writing stories with lots of legs.
In some places the grass has already completely disappeared. A carpet of silver beauty stretches out. In spring, yellow flowers will shine like stars. The plant belongs here, but I also worked hard to get it there. Grazed like a goat. Every day again. Pull out grass and put it down again and again, around it. Stick out thick clumps, make room. Not with whole plains at once, but then here, then there. If you have no idea, you don’t see it, all that work. As often. You have to hear about it.
And now here I am, in the crisp early morning, at the beginning of the path. It’s like a immersion. When you see this, you forget everything. Everything blooms behind the high-grown hedge. White and lilac rapeseed, pink willowherbs, a concert of flowers sings to me. Here and there I see a speck of yellow from mustard seed and the purple from twelve-year-old alfalfa. As the year goes by, it gets more and more exuberant. A field mouse quickly crawls away under a bush of yellow field lathyrus. In the distance, a hare shakes the drops from its fur. I don’t see the seven kestrels today. Not even one. Not even the hen harrier. I don’t know where they are. They’ll be back. Sat eating.
A palette of stories is growing. And many more are coming.
I’ve been able to show someone around a few times now. Someone asked me about it yesterday. A woman, the same age as me. Not because she wanted to eat berries or anything. Just because she wanted to see it and hear my story. That’s pretty special. Most people want something for themselves, or make up their own story. They prefer to walk alone and let their imagination run wild. A few bring a friend to show them everything. They come when I’m not there. That is also possible, of course. Finally, it is a story trail. The more stories the better. It goes on without me. Now, and when I m dead. But I ‘m still living, and I also want to tell my own story. My story in the lush green that grew with calluses on my hands and sweat on the back. With images and words that should grow just as well as the medlar and the mountain ash. The longer you wait, the deeper it goes. But if it’s there, it’s there. Even if you don’t see it yet. Like roots in the ground. It grows. Once the story comes out. Like a bursting bud, full of zest for life after a dry spring. Days of steady rain soak the cracked soil until it is soft. The story is tough, waiting for the right time. Like the bud of a flower. Or as a seed in the ground.
That’s how it is. Now. Here, there, everywhere.
.
Song, inspired by an old Dutch lullaby.
The flowers wake up early they glisten with dew They nod their kind heads Come now, the world is new! Softly rustles yonder linden tree and lisps special to me, Lovely day, lovely day, my dearest, lovely day.