De link naar de “inschrijving “De heilige traagheid der dingen ” is vernieuwd. Mensen die een email hebben gehad, hebben nu een link die niet meer werkt. Deze werkt wel:
Auteur: alowieke
Ontspanning bij de laatste loodjes
Werkend aan “De heilige traagheid der dingen”
.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
Bijna klaar is het boek. “De heilige traagheid der dingen”. Ik had gedacht dat ik nog wel een paar maanden bezig zou zijn. Maar het is goed nu, zoals het is. Verrassend is het, hoe alles zich voegt tot één geheel. Ik ben tevreden. Binnenkort ga ik de uitgever opzoeken, en vragen wat hij ervan vindt. Maar eerst moet het nog een voorlopige vorm krijgen. Ik wil graag een echt boekje in handen kunnen houden, om te laten zien. Om uit te lenen, steeds weer aan een ander. Hoeveel werk is dat nog? Hoe zal het er uit zien? Ik pak mijn laptop en begin te werken. Staande, zoals altijd.
Maar het is wél zondagmiddag. En straks gaan we naar het toneelstuk in het dorpshuis. Er zijn veel toneelstukken hier. Elk dorp heeft zowat een toneelvereniging. In sommige weekends kan je van het ene dorpshuis naar het andere. Wij gaan vanmiddag ook. De tijd van vertrek nadert. Maar ik ben pas net op gang. Ik kan de verleiding niet weerstaan en werk toch stug door. Want dit is een spannend moment. Hoeveel bladzijden zouden het worden? Als ik de juiste maat heb gevonden, blijken het 265 pagina’s te zijn, 80.000 woorden. Veel dikker dan ik dacht! Ik gloei ervan. De eindstreep nadert. Ik wil graag dat het af is.
Ineens zie ik dat er van alles is verschoven. Hoe komt dat nou? Ik probeer uit te vinden wat het is. Maar dan zie ik dat de wekker al twee uur aanwijst, en het is nog een heel eind naar het dorp. Het waait zo hard dat je niet kan fietsen. Als we moeten lopen, moeten we nu weg. Ik moet nu echt gaan, Dick zal vast al wachten. Met een zucht sla ik de laptop dicht om naar hem toe te gaan.
We gaan lopend naar het toneel. Ik moet schuin tegen de wind in lopen om niet weg te waaien. “We komen vast te laat” zeg ik tegen mijn vriend. We slaan de juiste afslag in, bij de Hegedyk. Een smalle kronkelweg tussen twee sloten in, leidt naar het dorp. Een auto toetert, achter ons. Ik draai me om, om te kijken. Het is een klein rood autootje. Hij remt. Meteen loop ik naar ze toe. Achter het stuur zit een jonge vent en hij draait het raampje open. Ik zie drie mensen zitten, één vrouw zit op de achterbank. “Kunnen we meerijden?” vraag ik hoopvol “We gaan naar het toneelstuk in het dorp.” Hij lacht. “Ja, daar gaan wij ook naar toe!” Grijnzend stappen we in het piepkleine autootje. Met zijn drieën op de achterbank kan het net. Ik heb al jaren niet meer zo opgepropt in een auto gezeten. Het dak is zo laag, dat je bijna je hoofd stoot als je over een bobbel rijdt. Ik vind het best grappig, maar de reis is niet lang. Daar is de Alde Skoalle al. Het dorpshuis.
Het is bijzonder om het Friese dorpsleven mee te maken. Te zien hoe iedereen samenwerkt om iets neer te zetten. De spelers zitten goed in hun rol, en er zit vaart in het stuk. Er wordt veel gelachen en het applaus is luid. Als we naar buiten lopen stormt het nog steeds. De wind duwt ons in de rug naar huis. Wat is dat heerlijk. Weer thuis te zijn, in oma’s stoel bij de warme kachel en met mijn wollen pantoffels aan. .
En dan, na een ontspannen middag en een goede maaltijd, lukt het wél. Samen zoeken we uit waar het aan ligt, en uiteindelijk is het klaar. Klaar om te worden uitgeprint! Het eerste proefexemplaar van “De heilige traagheid der dingen”.
Hier vind je meer informatie over het boek, en kun je je inschrijven. Zodra er nieuws is krijg je dan een mail van mij!
Luister hier naar dit verhaal:
.
Het lage land van ooit.
Hoe was het voor er mensen kwamen en hoe het verder ging. Bewegingen van water en land maken de verbeelding los.
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Ik woon op de bodem van de Oude Middelzee in Friesland. Het lijkt wel of het deel uitmaakt van mijn lot. Leven op nieuwe bodems met een verborgen geschiedenis. Herinneringen die niet meer zichtbaar zijn, die steeds dieper onder onze voeten liggen. Ik heb van jongs af aan een honger, naar die verhalen. Dat is nooit verdwenen.
De bodem van de Middelzee. Het land is recht en vrij kaal. Alles wat er is, wordt ontworpen en als het niet ontworpen is, wordt het met kritisch oog bekeken. Het water is verdreven en alles wat de aarde zich herinnert, is opgeslagen in de grond. In de grond ligt de wilde geschiedenis, toen de aarde nog van zichzelf was. Laag voor laag vertelt zij het verhaal. Ik luister en vertel. Want ver voor de Middelzee werd ingepolderd, was dit ook al land.
Waar nu de Noordzee ligt, daar is het land waar de eerste mensen hun thuis vinden, een miljoen jaar geleden. Grote ijskappen zorgen ervoor dat een groot gebied droog valt. Het duurt duizenden jaren. Het wordt weer warmer en tussen de ijsvlakten ontstaat een groeiend ijsmeer. De rivieren vullen zich en er zwemmen zelfs nijlpaarden.
Maar dan wordt het opnieuw kouder. Halverwege de laatste ijstijd, zo’n 50.000 jaar geleden is er nog steeds geen Zuiderzee en ook geen Middelzee. Waar nu de Noordzee ligt, zie je een open landschap tot aan de horizon. Doggerland, noemen we het nu, naar de Doggerbank, het laatste wat ervan is overgebleven, een ondiepte in de zee. Het is bar koud in Doggerland, in de winter, Engeland en Scandinavië zijn in die tijd geheel bedekt door ijskappen en ook Canada. De drie grote rivieren slingeren zich vrij door de toendra heen. Verspreid in het land weerspiegelen plassen regenwater de blauwe lucht. In de winter zijn de plassen bevroren en de grassen en kruiden zijn bruin en dor. Maar in de lente komt alles tot bloei. Vogels keren terug en broeden er. Het land begint opnieuw te leven en de grote kuddes rendieren zijn van verre te zien. Tussen de lage struiken en bosjes liggen hun pasgeboren jongen tot ze sterk genoeg zijn om mee te rennen, de vlakte op. De Neanderthalers staan vroeg op, om te jagen. Ze hebben geen gebrek aan vlees.
.

Het ijs begint te smelten, in Scandinavië, op Engeland en in Canada ook. De zeespiegel stijgt. Mens en dier trekken zich steeds verder terug. Het water kabbelt, kolkt, en borrelt in geulen en holten. Water komt en gaat, de getijden hebben vrij spel in een breed gastvrij gebied, dat de aarde versterkt en beschermt. Verderop vormen zich veengebieden, die als een spons het regenwater opzuigen en loslaten als het nodig is. Alles ademt en leeft zoals het bedoeld is. De aarde is in haar element. De Waddenzee vormt zich, veel groter dan wat het nu is. Kreken en kwelders krioelen van leven en overal zijn vogels. Het zijn zwermen zo groot als we ons nu nauwelijks meer kunnen voorstellen. Toch probeer ik het. Ik stel me voor, hoe het was. Want dat is het begin van een scheppingsproces. Daarom vertel ik dit verhaal. Want het begint bij de herinnering.
Zo’n 5000 jaar geleden verdween het laatste stukje van Doggerland. Nu is het niet meer dan een zandbank onder de oppervlakte. In diezelfde tijd dat het laatste eilandje van Doggerland verdween, werd het Friese land bewoond door de eerste mensen. Er zijn vondsten gedaan uit de steentijd, grafheuvels en hunebedden, die daarop wijzen. Net als in Drenthe. Alleen de Friezen waren praktisch, zij verpulverden de stenen om er paden van te maken. Toch zijn er nog bijzondere dingen gevonden, en vooral in de buurt van Gaasterland. Het Noorden van het land was in die tijd nog steeds van de zee. Waar nu de Friese weiden zijn, daar stroomden kreken en kwelders. Het water kende geen beperking en kon zich tijdloos overgeven aan het ritme van eb en vloed. Duizenden jaren lang duurde dit. Tot de mensen zich steeds verder ontwikkelden.
Zo’n 500 jaar voor Christus begonnen de Friezen terpen te bouwen. Heuvels gemaakt van plaggen, soms met een heel dorp erop. Het waren praktische mensen, dat moest ook wel als je zo lang bij elkaar zit, en geen kant uit kan. Water verzamelden ze in regentonnen bij de deur. Ze aten vissen, als het water zich terugtrok, konden ze ze soms met de handen vangen. Als het land droog was, werd er voedsel verbouwd op de kwelderruggen. Honderden jaren hielden ze het vol. Ze pasten zich aan aan het levenbarende ritme van de aarde. Maar het was niet genoeg. Hun band met de zee werd doorgehakt. In plaats van te leven mét de zee, werd er actie ondernomen tégen het water, de golven en de vloed. Uiteindelijk koos men dus voor het gemak, al moest daar eerst hard voor gewerkt worden. Met hun leren laarzen aan, baggerden vele mannen in de zompige zeeklei. Zo werden in de Middeleeuwen de eerste dijken aangelegd.
Ook de Middelzee, de bodem waar ik nu op woon, is het gevolg van die eerste dijken. Het land is achthonderd jaar oud. De Friezen zijn gehecht aan het open landschap, waar de zee ooit huisde. Het moet open blijven. Maar er is iets anders wat ondertussen knaagt. Het is de zee, die geen vrij spel meer heeft. Honderden jaren zagen de Noordelijke Friezen het komen en gaan, de vogels, de vissen die er leefden. Maar de plassen, de kwelders, de kreken, ze zijn niet meer. Scherpe grenzen beperken de doorstroom, als stolsels in de bloedvaten. Het lichaam van de aarde kan niet meer vrij ademen, de vloed botst tegen dijken en muren, de eb kan zich niet meer terugtrekken. Ook vogels kunnen niet leven een landschap dat steeds leger wordt, steeds stiller. Verdwenen is het geborrel en gepruttel van bewegend water. De muggen die er dansten, de vissen die er zwommen. Het land wordt droog gepompt en uitgemolken. Alles is strak en zakelijk.
.

Het Verhalenpad.
Als ik nu mijn heesters plant, komt er een beeld bij me op. Ik denk er niet eens over na, het is er gewoon. Ik zie het voor me, het land van toen, de kreken, de kwelders. De rommelige bosjes van heesters. Ik graaf en steek, dikke kluiten gras, en stapel ze weer op. Opnieuw ontstaat het landschap, zoals het ooit moet zijn geweest, vol holtes en sleuven. In de winter regent het allemaal vol. De geulen en kuilen staan vol water. Op de hogere delen plant ik meidoorns en elzen, zodat hun wortels niet langdurig nat staan. Op de allerhoogste bult kunnen zelfs walnoten staan, voor ons eigen belang. Een investering in de toekomst. Maar het meest van wat ik doe, is ter dienste van het land. De aarde, zodat die kan meebewegen met de seizoenen. De aarde zelf is mij dierbaarder dan wat dan ook. Al is het maar een postzegel, ik voel de dankbaarheid die ze geeft. Alles is van waarde. Elke scheppende verhaal, dat luistert naar oude herinneringen. De oeroude adem. Bewegen met het ritme. Ik beweeg mee. En schep.
.

Doggerland, Wikipedia.
.
.
.
Bronnen: Wikipedia, Tressoar, Hoe god verdween uit Jorwerd, e.a.
Sprong naar een parallel universum
.

Er zouden werelden kunnen bestaan, parallel aan de onze. Ze lijken op elkaar en toch zijn ze allemaal anders. Hoe zou het zijn om daar heen te gaan?
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
“Alles is met elkaar verbonden”, zeggen natuurkundigen. Ik lees erover, het is een onderwerp dat al heel lang wordt besproken. Ze zijn er nog lang niet over uit. Maar toch, ze komen steeds dichter bij oude wijsgeren, die hetzelfde zeiden, lang, lang geleden. Ja, alles is verbonden. Maar dat is niet het enige wat de wetenschappers ontdekken. Er zouden behalve onze wereld, diverse werelden naast elkaar kunnen bestaan, die óók weer met elkaar verbonden zijn. “Het is heel waarschijnlijk dat er meerdere versies van onszelf zijn, maar ook meerdere aardes en universa,”zeggen ze. “We kunnen dit echter nooit bewijzen, want we zijn gebonden aan dit universum.” De verschillende universa beïnvloeden elkaar, zeggen ze ook. Dat klinkt boeiend. Maar helemaal begrijpen doe ik het niet. En zij zelf ook nog steeds niet.
Mijn dagelijks leven gaat zijn gewone gang. Overdag schep ik zand, ik stapel met kluiten en hang vogelhuisjes op. Ik kijk naar de bewegingen op de Haak, de dikke vette verkeersader naar Leeuwarden. Soms gaat er een vliegtuig over. ’s Avonds verdwijn ik in een boek. Nu is het een kinderboek over een meisje dat sprongen maakt naar een parallelle wereld. De schrijfster raakte kennelijk geboeid door het onderwerp en heeft er haar eigen verhaal van gemaakt. Ze heeft zich serieus afgevraagd of het wel leuk zou zijn, om naar een parallelle wereld te kunnen springen.
Het meisje en haar andere ik wisselen telkens van lichaam. Het is vooral verwarrend. Het lijkt voor buitenstaanders een groot avontuur, maar voor haarzelf zit is het een grote opgave om de kluts niet kwijt te raken. Dat is wel goed bedacht van de schrijfster. We moesten maar blij zijn, dat we niet onbeperkt heen en weer kunnen reizen naar andere werelden. Mensen willen toch al veel te veel en almaar verder. Daar moest maar eens een eind aan komen, anders valt de hele samenleving uit elkaar. Het is nu al lastig om met iemand af te spreken en dat zou alleen maar erger worden als mensen zomaar verdwijnen naar een ander universum.
Kan dit echt? Een aantal zaken zijn in elk geval bewezen. Atomen staan nooit stil, alleen als je ze bestudeert. Op het moment dat je kijkt, heb je invloed op het atoom. Het atoom bevriest, als het ware. Maar tegelijkertijd gaat de beweging door. Je ziet een bal door de lucht vliegen, maar in een tweede universum is die bal allang gevallen. Tijd is in feite niets anders dan beweging. En nooit regelrecht, het is meer zigzaggend, als een kronkelpad de berg op. Het is allemaal heel raadselachtig, en dat blijft het voorlopig ook. Misschien is dat maar goed.
Uitstapjes naar een parallel universum. Het lijkt een fantasie, goed voer voor schrijvers en filmmakers. Alles wat je wilt kan je in die wereld plaatsen. Ideaal. In de fantasie kan alles. In werkelijkheid is dat nog steeds een stuk beperkter. Die verhalen zijn allemaal fictie, natuurlijk. Toch is een grote groep natuurkundigen het erover eens. Het zou heel goed kunnen zijn dat er meerdere universa naast elkaar bestaan. Op Wikipedia voor kinderen is er ook van alles over te lezen. Vooral over wormgaten. Die blijven spannend, al is het nog steeds een theorie. Wormgaten zijn vervormingen van tijd, in de ruimte. Wormgaten zijn het tegenovergestelde van wat zwarte gaten zijn. Zwarte gaten trekken aan, witte gaten slingeren uit elkaar. Je vliegt als een tornado door het heelal. Via wormgaten zou je door de tijd kunnen reizen. Het voedt de verbeelding. Schrijvers scheppen hun eigen magische wereld, via wormgaten. Er zijn verhalen van een deur die ineens ergens anders op uit komt. Een bekend kronkelpad dat eindigt op een plek die je niet kent. Of je stapt in tramlijn nummer 11, die tot je stomme verbazing steeds sneller gaat, alle haltes voorbij rijdt, de stad uit. Bizarre, onbekende landschappen gaan langs het vensterglas voorbij. Heerlijk om te lezen, ’s avonds na het werk. Even heel ergens anders te zijn, in de verbeelding. Als het daar maar bij blijft.
Stel je voor dat het je lukt, om in een parallel universum te komen. Is dat leuk? Een plek waar de gekapte bomen gewoon door blijven groeien. Dat zie ik dan toch wel graag. En waar je huis ineens de vorm heeft van een ei, dat als een amoebe steeds van vorm verandert. Je zoekt de deur, maar ook de ingang is steeds ergens anders, en soms is hij zo klein dat je er niet meer in komt. Toch wel vervelend. De trein waar je mee reist is toevallig nog hetzelfde, maar de tunnel in de rotswand is ineens weer dicht, terwijl je er in vliegende vaart op af rijdt. Het vliegtuig in de lucht valt plots uit elkaar in losse deeltjes en de grondstoffen keren terug naar de aarde. Het zal vast wel goed komen, maar het lijkt me toch tamelijk stressvol. Maar tegelijkertijd, de gedachte dat niets is wat het lijkt, dat maakt bescheiden. Een mooie bijkomstigheid. Alles wat we maken is zo relatief!
Ik werk aan mijn kronkelpad en plant bomen. Maar ik hoop niet dat je achter dat bochtje op een dag een andere wereld komt. Misschien zou ik eens in mijn dromen kunnen gaan, als uitstapje. Maar verder, laat mij er maar hier, met mijn klompen op de Friese klei. Hoe langer ik hier ben, hoe meer ik ervan houd. Ik kijk naar dat ingenieuze stel atomen, dat de pimpelmees zijn karakter geeft. De verscheidenheid in vormen, de bomen en heesters die ik in de grond plant. De regen valt, de zon schijnt, en heel langzaam zie ik ze groeien. Ik denk, uiteindelijk: snelle tijdsprongen zijn misschien wel spannend, maar ze hebben de liefde niet. En zonder liefde valt alles uit elkaar.
Langs het pad ligt compost en zand. Kruiwagen na kruiwagen schep ik vol. Ik recht mijn rug en beweeg mijn vingers, zodat ze niet stijf worden. Het is deze aarde, waar ik voor zorg. Hier.
.
.

Het boek dat ik lees, is van Dagmar Bach. Het heet: “Dubbelleven” Ik lees nu deel 1, “De verwisselde werelden van Victoria KIng.”
https://www.nationalgeographic.nl/wetenschap/a43443536/wat-is-een-multiversum-multiverse
https://www.wikihow.com/Contact-Yourself-in-a-Parallel-Universe
.
.
Nog meer bomen
.

Dit keer geen luisterversie, maar wel een filmpje. Zie onderaan de tekst.
Achter mijn huis gebeurt iets. Het verandert er volkomen. Ik mag weer planten en ik doe het ook! Hoe heerlijk is het, het land te mogen herscheppen tot iets, waar steeds meer leven komt. Ja, het is zover, het tweede bosje is in de maak. De boer wilde het graag. “Je mag die akker ook inplanten” zei hij al meerdere malen. “Ik wil er bomen en struiken, van hoog naar laag.” Dat heb ik goed onthouden. Want als je ergens mag planten, dan moet je dat geen jaar uitstellen, is mijn mening. We zijn het er allemaal over eens dat ons land meer natuur moet krijgen. Dus ik ga het weer doen! Er komen weer honderdvijftig bomen bij. Dikke kluiten steek ik uit, en draag ze naar het pad, dat in een bocht door het toekomstige bos heen cirkelt. Een omlijsting voor je voetstappen.
Met mijn laarzen loop ik door het zompige land. Alle plantgaten staan vol water. Ik graaf sleuven en wadi’s. Voor het planten begint ben ik al dagenlang bezig. Ik heb net weer een nieuwe geul gegraven en schep de laatste kluit weg. Het water in het plantgat staat hoog. Zodra ik de kluit wegpak, begint het al te stromen. Ik pak hem snel en voorzichtig, zodat mijn leren werkhandschoenen niet meteen drijfnat zijn. Het water stroomt door het vrijgekomen gat, de andere kuil in, die dieper is en groter. Een heerlijk gezicht, dat stromende water. Zo is er steeds weer wat te zien. Het eerste spinnetje bijvoorbeeld. Hij loopt over het water van een plantgat. Ik kijk naar het bochtige pad, dat steeds duidelijker wordt, met de stapeling van graszoden erlangs. De gedachte dat het straks lijkt alsof het al heel oud is. Ik denk aan Texel, daar heb je de “Tuunwallen”. Door de harde wind konden ze er geen heggen maken, dus maakten ze muurtjes, van een meter hoog. Muurtjes, van plaggen. Zo hoog maak ik ze niet. Een halve meter is al een heel werk.
Dan is het zover. De eerste elzen kunnen erin. Ik heb de stijve grijze zeeklei door de teelaarde heen gemengd, om de jonge bomen aan de bodem te laten wennen. Overal om me heen zijn kuilen en bulten. Bulten riet, dat ik verzamelde, bulten klei. Het begint een woest landschap te worden. Straks als het begroeid raakt, is het net alsof het altijd zo geweest is. Dan weet niemand meer hoe het hier kwam. Verhalen zijn nodig, verhalen als deze, om mensen te laten zien dat dit kan en hoe je het doet.
Het bos zal vele functies hebben. Het is voor de dieren en rustige mensen. Er zal af en toe een kind spelen, maar niet vaak. De elzen zullen met hun wortelknolletjes stikstof binden uit de lucht, en de bodem verrijken voor de andere planten. De stijve klei zal steeds luchtiger worden, steeds toegankelijker voor bodemleven. En terwijl de jaren verstrijken, komt er almaar maar meer te groeien. Er zullen insecten wonen en vogels zullen er voedsel en bescherming vinden. En ik zelf ook…
Ja, ik werk eraan. Het tweede bosje. Ik bid dat het vol leven komt, en kijk. Ik kijk het de grond uit!
.
.
Vanuit het bestaande verdergaan
.

.
Er was veel aandacht voor mijn vorige verhaal, over mijn bezoek aan de kunstacademie in Leeuwarden, en hoe verrassend dit bleek uit te pakken. Onverwachte wendingen scoren hoog. Iedereen ziet graag dat er om de hoek iets staat, wat je niet had opgemerkt, en wat je meteen blij maakt. Stel je voor, om elke hoek kan iets zijn wat je nog niet kende. Het is het nieuwe avontuur, dat het kind in jezelf weer omhoog haalt. Als meisje van acht zou ik er meteen inspringen. Leuk! Doen! Lekker spontaan. Achter mij zou het een enorme chaos zijn, van alles waar ik mee bezig was, voor ik opsprong. “Eerst opruimen!” zou mijn moeder roepen. Want ze kon er haar kont niet meer keren. Mijn spel domineerde de hele ruimte. Ja, ik was een enorme rommelkont als kind, vol ideeën en spontane spelletjes en heel creatief met materiaal. Niet iedereen vond dat leuk, dat merkte ik wel. Ik werd er onhandig van en vergat van alles. Als je dingen laat liggen, en tegelijkertijd in volle vaart aan iets nieuws begint, dan wordt het een puinhoop en als je dan niet een grote schoonmaak houdt, wordt die steeds groter.
Hoewel ik dus een rommelkont was, vond ik dat tegelijkertijd vervelend. Ik leerde uiteindelijk rustig te aarden, dingen af te maken en op te ruimen. Nu ben ik een redelijk geordend en opgeruimd mens geworden. Af en toe is het een rommel, als ik helemaal in mijn project zit. Als het klaar is ruim ik het weer op en dan ga ik er tevreden naar zitten kijken. Heel eenvoudig.
Iets nieuws waar ik enthousiast voor ben, hoeft niet meer met stel en sprong te gebeuren. Wat in het vat zit, verzuurt niet. Ik kan het nu rustig een tijdje opzij leggen, voor ik er aan begin. Het vuur onder de passie staat op een klein pitje. Zo doe je er lang mee, en het kookt het niet voortijdig over. Het is een fijn vooruitzicht, voort te kunnen, iets in het vizier te hebben waar ik me opnieuw op kan verheugen.
Terwijl ik werk aan het één, borrelt het volgende dus al in mijn gedachten, niet dominant, maar af en toe, tussendoor. Het komt en gaat, als een vis die onder het wateroppervlak naar vliegjes hapt. Het beeld van wat ik straks ga maken, raakt doordrenkt van de geur van het voorgaande. Knedend aan het één, krijgt het volgende ook gestalte. Zo wordt de schakel gelegd tussen het één en het ander. Zo maak ik verbanden, in wat ik doe. Het wordt een ketting, of misschien wel een spiraal, die rondcirkelt. Een cirkel, van binnenuit, steeds wijder. Elke stap is een steen in het spiraal. Een stapsteen in het labyrint, dat vanuit het midden begint. Dit vol te houden is mijn wens.
Zo ook zie ik deze nieuwe stap, de instaptoets voor de kunstacademie. Ik steek niet zo snel mogelijk over, al het andere vergetend. “Je mag er zo lang over doen als je wilt.” Dat zeiden ze. Hoe vaak krijg je die kans nou? Dat laat ik me geen twee keer zeggen. Een goed verhaal werkt alleen als het rond cirkelt, om dezelfde kern. De kern waar het om draait.
Helaas is onze samenleving barstensvol van pop ups. In advertenties duikt de ene na de andere rage op. Geen wonder dat de politiek ook een soortgelijk tafereel wordt. Dat mensen denken dat met één nieuw wondermiddel alles kan worden opgelost. Eén persoon die het zal doen. De grote verrassing om de hoek. Ze denken dat een nieuwe partij het beter zal doen en toch loopt dat elke keer op een teleurstelling uit. Inmiddels zou men beter moeten weten. Net als in het gewone leven, werkt goed gefundeerd beleid stap voor stap, steeds voortcirkelend vanuit het bestaande. Verrassingen om de hoek zijn niet meer dan pop ups, als dwaallichten die je ervan afhouden. Wat er is, dat heeft je aandacht nodig. Wat er is kun je misschien tussendoor al verbinden met het voortgaande. Als een vis die van onder water naar vliegjes hapt. Maar ondertussen: eerst afmaken, opruimen, dan verder. Als je dat negeert, wordt het een puinhoop. Net als bij mij, toen ik acht was. Het kan heel inspirerend zijn, dat kinderlijke enthousiasme. Ik voel het nog steeds. Maar sommige dingen zijn echt voorbij. En niet voor niks.
In wonderen geloven, met voeten in aarde. Zo kan er meer en meer.
.
Een mooie binnenkomer
.
Soms gebeurt er zomaar iets, waardoor je je meteen weer voelt alsof je tien bent. Het leven lacht je toe! Dat gevoel had ik vandaag, toen ik de kunstacademie in Leeuwarden bezocht.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
“Waar kan ik terecht voor het winkeltje?” vraag ik. Na het weekend van de introductiecursus voor olieverf, wil ik nog wat spullen kopen. De ontvangsthal van de kunstacademie heeft een prettige sfeer. Hoewel het een middenruimte is met weinig ramen, doet het toch licht en ruimtelijk aan. Er staan tafels, een koffie-automaat met van alles te kiezen, en aan de witte muren hangen schilderijen. Aan diverse kanten zijn gangen en deuren, die naar elders leiden. Een groep vrouwen is bezig ruimtelijk werk neer te zetten, en in een drom staan ze om een paar keramische voorwerpen heen. “Zo mooi om te zien dat we ook elkaar beïnvloed hebben!” Hoor ik boven het geroezemoes uit. Eén van de vrouwen heeft zich losgemaakt van de groep. Ze heeft me zien binnen komen en heeft mijn vraag gehoord. “Daarvoor moet je zijn bij de administratie. Daar zit altijd iemand.” Gauw draait ze zich weer om naar de anderen.
Ik kijk om me heen, maar ik zie niet waar ik naar toe moet. Bij de tafel staat ondertussen een forse vrouw kopjes te verzamelen. Ze glimlacht hartelijk naar me. Ik herinner me de vorige keer dat ik hier was. Toen stond er ook een glimlachende vrouw naast de deur. Ze was een vrijwilliger, hoorde ik later. Ze heette me welkom en zei dat ik zelf koffie mocht pakken en koek erbij. Daar denk ik nu aan. “Bent u vrijwilliger?” vraag ik dan ook aan de kopjes opruimende vrouw. In de groep vrouwen klinkt onderdrukt gegrinnik. Dit maakt me verlegen. Heb ik iets geks gezegd? Maar de vrouw voor me glimlacht kordaat en kijkt me hartelijk aan. “Ja” zegt ze, “Ik ben vrijwilliger. En ik ben ook de directeur.” Ze doet twee stappen naar me toe en steekt haar hand uit. “Doet Boersma,” zegt ze. Ik ben meteen op mijn gemak. Ze legt uit wat de vrouwen aan het doen zijn. Ze werken aan een expositie voor het werk dat ze maakten. “En waarvoor ben jij hier?” Ik vertel over de cursus die me zo’n goed gevoel gaf. Dat ik nog iets wil kopen maar dat ik ook nieuwsgierig ben naar de rest van de activiteiten hier. Ze wijst me de deur.
Achter de deur staan twee tafels en drie stoelen. Twee ervan staan achter een bureau, de derde staat er precies tussenin. Op de ene zit een blonde vrouw. Ik steek mijn hoofd om het hoekje. “Hallo, moet ik hier zijn voor de administratie?” De vrouw staat op en geeft me net als de directeur een hand. “Ik ben Sieta” zegt ze. Ik knik haar vriendelijk toe en noem mijn naam. “Kan ik vier blanco doeken kopen?” vraag ik dan. Dat kan. Ze loopt naar het winkeltje, pakt de doeken en loopt gelijk weer terug. Maar net als we willen afrekenen gaat de telefoon. Het is iemand die zich wil opgeven voor de beroepsopleiding Beeldend Kunstenaar. Het duurt wat langer. Ik hoor het aan en ga zitten op de derde stoel, die kennelijk bedoeld is voor bezoekers als ik. Het gesprek duurt even. “Ja, ik begrijp het. U wilt een diploma,” hoor ik. Ze legt het uit en aan de andere kant van de lijn zit een gespitste luisteraar. Ze vertelt dat je twee dingen kan doen om te worden toegelaten. De vooropleiding of een toetsing laten doen van je bestaande werk. Ook ik spits mijn oren. Dit is wel interessant. Als ze even later ophangt buigt ze zich meteen over haar bureau. “We zullen eerst maar even afrekenen, dan kan je weer weg.” Maar het telefoongesprek heeft iets wakker gemaakt. “Eigenlijk wil ik wel meer weten over de opleiding.” Ze kijkt me vrolijk aan. “Dat kan hoor!” Ze kijkt naar de openstaande deur. Er komt juist een tweede vrouw binnen, die kennelijk aan het andere bureau thuis hoort. “Dan moet je bij haar zijn.“ De vrouw ziet me zitten op de stoel die pal naast de hare staat. Ze kijkt enigszins verrast maar lacht me dan hartelijk toe. “Ik ben Teasieta” zegt ze. Verbaasd kijk ik opzij naar de andere vrouw, Sieta was het toch? Glimlachend knikt ze.
“Je hebt dus interesse voor de opleiding.” gaat Teasieta verder. “Wil je een toetsing doen voor de toelating?” vraagt ze me. Ik knik grijnzend. Waarom niet. Dit is geinig. “Het kost veertig euro” zegt ze “En dan krijg je feed back.” Ik knik goedkeurend. “Ik houd van feed back.” We praten nog wat verder over wat deze keuze inhoudt, en de grijns verdwijnt niet meer van mijn gezicht. Sinds ik hier dit weekend met de olieverfcursus begon, voel ik me weer helemaal in mijn element. Volgens mij heb ik mijn volgende spoor gevonden. Opnieuw leerling worden, als gelijke tussen anderen. Met elkaar praten over ieders werk en filosoferen over het leven, de natuur en de kunst. Na alle noeste arbeid van de afgelopen jaren ben ik daar wel aan toe.
De bodem van de aarde vraagt om onze verantwoordelijkheid. Ja dat is zo. Maar vooral in je eentje wordt dat gewicht op een gegeven moment teveel. “Kijk maar uit dat je geen stugge Fries wordt!” zei de boer nog tegen me, in de nazomer, toen ik weer eens met vuile handen en vieze klompen naast hem stond. Ja. Hij had gelijk. Verantwoordelijkheid voor de aarde en creativiteit horen hand in hand te gaan. Gewicht moeten we met lichtheid vervlechten. In alles bestaat evenwicht en balans. Dit te vinden, elke keer opnieuw, dat is het avontuur. Een avontuur, dat is het!
Als ik de deur uitstap van de administratie, staat de directeur nog bij de tafels. “Wat was uw naam ook al weer?” vraag ik nieuwsgierig. “Doet!” roept ze uit. “De vervoeging van dóen!” Ik lach hardop. Ja, DOEN. Zo is het. Te gek, een directeur met zo’n naam. Dát is pas een binnenkomer!
.
PS: De opleiding bestaat uit modules. Je kan zelf kiezen hoeveel modules je doet, per jaar. Je kan het in vijf jaar afronden, maar je mag er ook vijftien jaar over doen. Ik kies voor het laatste! Als ik zover kom...
Trage technieken die het hart verwarmen
“Dingen langzaam doen is het geheim van transformatie.” Over een gedenkwaardige ontmoeting in de trein en een ontmoeting met olieverf.
.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
Ooit zat ik in de trein tegenover een jonge vent. Het was een lange reis, we zaten allebei wat uit het raam te staren, niet afgeleid door laptop, boek of telefoon. Op een gegeven moment raakten we aan de praat. Hij vertelde hoe hij gegrepen was door virtual reality. Gepassioneerd begon hij te vertellen en raakte almaar meer in vuur en vlam. Wat er al niet mogelijk was! Hij stelde zich voor dat we met een virtuele wereld de aarde uiteindelijk helemaal niet meer nodig hadden. Dat we dan in onze eigen bubbel de ruimte in konden. Space! Waarheen dan ook, wat maakte het dan nog uit? Ik keek hem verbaasd aan. “Dan ben je volgens mij gewoon dood”, zei ik. Leven op aarde betekent naar mijn idee dat je eet en poept. Dat we een deel uitmaken van de kringloop, die ons voedsel geeft en alle materialen die we nodig hebben om ons het leven aangenaam te maken. Niks supersonisch of flitsend. Heel gewoon en tegelijkertijd bijzonder. Hij was even stil, daarna.
Ja, ik denk dat je met techniek een hoge vlucht kan nemen. Heel hoog. Hoe ongelooflijk ver de wetenschap ons ook mag brengen, één ding is duidelijk. De grond is onze basis. En het besef dat iets maken, echt zelf maken, helemaal niet zo snel gaat. Het laten groeien van een bosje, voor voedsel, hout en beschutting alleen al, duurt jaren. Alle materialen die je nodig hebt zijn er echt niet zomaar. Doe het helemaal zelf en ontdek het. Het eigenhandig timmeren van je eigen huis of speelhut voor de kinderen kost tijd, je hebt een werkplan nodig en gereedschap.
Maar helaas, tal van oude ambachten raken vergeten. De timmerman gebruikt steeds minder schroeven. Superlijmen maken het mogelijk dat er van alles gewoon aan elkaar kan worden geplakt met supersterke tape. De kunstschilder en graficus van vroeger wordt nu verleid door de talloze mogelijkheden van digitale teken en schilderprogramma’s. Je maakt geen vieze handen en het gaat veel sneller. Een leuke aardigheid en het verzenden kost nauwelijks moeite. Maar wat mis je, door dit alles? Heel veel, volgens mij. Is het niet juist de moeite, die het de moeite waard maakt?
Het is zaterdagmorgen. Ik heb me opgegeven voor een cursus olieverf schilderen. Het gaat er dit weekend om de basistechnieken te leren. Het is een ruim licht lokaal. Er staan grote tafels, elke keer twee tegen elkaar geschoven, de hele lengte van het lokaal. Als ik binnenkom staat alles klaar. De schildersezels, het pallet met verf, mijn naam erbij. Een hele tafel voor mezelf. Dertien anderen kunnen ook aanschuiven.
De docent is een vrouw, Candice heet ze. Ik schat haar evenoud als ik. Ze heeft een rustig, vriendelijk gezicht met bruine ogen. Gedetailleerd vertelt ze ons waar we op moeten letten. Ze vertelt met warmte in haar stem over de prachtige mogelijkheden van olieverf, hoe organisch je ermee kan werken, en hoe heerlijk ze het vindt dat het niet snel droogt. Je hebt de tijd, meer nog, het vráágt om tijd. Er zijn middelen om de droogtijd te versnellen, maar waarom zou je dat doen? De tijd nemen zorgt ook dat je afstand kan nemen, dat je het telkens weer met een nieuwe blik kan bekijken.
Er zijn in onze tijd veel middelen die zorgen dat alles sneller gaat. Ook bij olieverf. Maar je kan ook je schilderij opzij zetten en tijdens het drogen met nog drie andere beginnen. Is het dan nog niet droog, neem dan een kruk en ga er maar gewoon eens naar zitten kijken. Wie weet brengt het je op goeie ideeën.
Als ze even later door het lokaal loopt, praat ik erover met haar. “Dingen langzaam doen is het geheim van transformatie” vertel ik haar. Het is de spreuk die ik deze week las op de filosofiekalender. De levensfilosofie van de Japanse kaligraaf Tanahashi. Haar ogen beginnen te glanzen. “Wat mooi!” zegt ze. “Ik heb zoveel bewondering voor de Japanse schilderkunst, de concentratie waarmee die mensen werken. Daar kunnen wij in het Westen nog veel van leren.” Haar fijne ronde gezicht is geplooid in een frons. “Mensen kunnen niet het meer laten zijn, gewoon even niks doen en kijken. En er zijn zoveel afleidingen, die ons kant en klaar worden aangeboden. Alles moet zo snel mogelijk resultaat opleveren. Ik vind het zorgelijk. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we oude trage technieken blijven doorgeven aan nieuwe generaties.” Ja, ze beseft heel goed wat haar drijft. De schoonheid, de warmte van het materiaal, maar ook de oude filosofie erachter heeft diep wortel geschoten in haar liefde voor dit vak.
Uiteindelijk zitten we allemaal te schilderen. Hoewel er vijftien mensen in het lokaal zijn, is het muisstil. Als je je ogen dicht doet, zou je zeggen dat je in je eentje in een lege zaal stond. Even laat ik het penseel werkeloos in mijn hand liggen en verbaas me erover. De concentratie van al die mensen is als een warm bad. Ik ken het resultaat nog niet van wat ik maak. Maar alleen dit al is een verademing. Dit werk, de tijdloosheid en de stilte met al die werkende mensen. Daar kan geen digitaal tekenprogramma tegenop.
.
.
We moeten voeten in aarde maken
.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
.
De droom kan zo mooi zijn. In een droom kan je de werkelijkheid opkleuren, verlichten, je kan weggetjes maken die er nooit geweest zijn. Wat recht is kan je laten kronkelen en vervuilde rivieren zijn in je gedachten zo helder als kristal. Jarenlang kun je dromen over een bos dat bulkt van allerlei soorten. En je kunt dromen hoe donker het daar is, onder al die kruinen. Je voelt aan de oude stammen vol scheuren in de schors. Je laat lange baarden van mos langs je hoofd gaan zoals je nog nooit in het echt hebt gevoeld. In je droom kan alles.
Tot je op de harde natte klei terecht komt, waar het bos moet komen, dat je zo mooi had bedacht. Waar de jonge bomen met hun wortels tegen een stijve muur aanbotsen. En als ze dan eindelijk met veel moeite kunnen doordringen in de ongastvrije massa, dan wordt het winter, gaat het regenen, en verzuipen ze in de natte klei. Of je staat op de zandgrond en wekenlange droogte teert al het leven uit. De jonge loten die je hebt geplant verdorren tot armzalige sprietjes en gaan dood.
Dat kan anders. In een tijd van toenemende extremen is een rustige, volhardende houding nodig. Ideeën zijn als lucht, ze komen even snel als ze gaan. Aan een idee alleen heb je niks. Er zijn al er al gauw teveel van. Brainstorms genoeg op deze aardkloot. Dromen zijn al wat bestendiger dan ideeën, ze bestrijken een langere tijd om te wortelen in je hart. Vervlecht het idee met hoop en behandel dit met zachtheid en geduld.
Vuur op zijn tijd is goed, maar let op dat het niet te hoog oplaait, op onwillekeurige momenten.
Teveel aan vuur verschroeit de aanzet tot groei, knoppen die nog maar zo klein zijn dat je ze nauwelijks ziet. De piepkleine aanzet tot wortelgroei, die bodem zoekt. Een vurige droom zonder bodem glipt uit je handen en daar sta je dan. Vol onrust en volkomen alleen met weer een illusie minder. En hoe meer er uit je handen glijdt, hoe meer gaten er vallen. Het geeft ruimte aan anderen, waar je niet voor gekozen hebt. Gespuis dat het belang niet dient. Ze komen als virussen in een lichaam dat zijn weerstand kwijt is. Als verwarde zwervers die niet weten wat ze moeten. De gaten zijn het begin van het verval.
Ja, Dat kan anders, heel anders. Een droom heeft een rustperiode nodig en een blik die kan doorvorsen of het moment daar is of niet. Het hart is getraind in geduld om in stilte te zien of de tijd rijp is, om te zien wat levensvatbaar is en wat moet wachten of wat onverbiddelijk moet worden doorgestreept. Stap voor stap worden keuzes gemaakt. De vitale delen krijgen de aandacht en krijgen wat ze nodig hebben. Er is wat er is, elk mens, elke boom op dit unieke moment, alles wat is moet zo zijn. Daar ga je vanuit. Dat is de basis, daar kies je voor. En dan kom je in de stroom op gang, die meewerkt. Op het land groeien de bomen die het wél redden op de natte klei of de droge grond. Je verbetert de omstandigheden, meer en meer, zonder haast of dwang. Langzaam maar zeker komt de beloning. Dieren die weg waren keren terug. Zaden die je ooit strooide, komen ineens op. Planten die je nog nooit gezien had, komen spontaan omhoog en tot bloei. Het begin is gemaakt. Zodra er iets is wat voeten in aarde maakt, kan het andere daar steun bij vinden. Zo bouwen we aan een vitale plek, in een vitale wereld. Al is het begin klein, met rust en volharding groeit het. Een bodem voor alles wat voeten in aarde zoekt.
Dingen langzaam doen is het geheim van de transformatie. (Kazuaki Tanahashi, 1933)
Wij zitten te schemeren
De magie van het duister. Wie weet het nog dat oma zei: “Ik zit te schemeren?”
.

.
Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.
Het bijeenzijn in een groep, op een heel andere plek, maakt duidelijk welke verschillen we nog hebben te overbruggen. Of het nu een vrouwengroep is, of een mannengroep, of dat het gemengd is, we hebben allemaal onze eigen gewoontes en gedachten. In een groep op een andere plek pas ik me aan, en soms is dat een welkome afwisseling. Er is niemand die leeft zoals ik, hoewel mijn levensstijl bij sommigen sympathie vindt. Hoe dan ook, deze plek straalt in vele opzichten het tegenovergestelde uit van mijn dagelijks leven. We zijn in een boerderij vol luxe. Er zijn vier badkamers en een sauna. Er is een grote L- vormige kamer met een lange eettafel. In de andere hoek is een enorm plat scherm waarop je films kan kijken. Er is een gigantische glazen schuifdeur, die een hele wand beslaat. Ervoor hangen steenrode gordijnen, die net de grond niet raken. Voor even geniet ik, van die luxe, voor even.
Als vrouw van de eenvoud houd ik het gewoonlijk graag sober. Dat doet iets met al het leven om je heen. Sommige dingen zie je, andere dingen niet. Zo zat er op een dag een man bij mij in de kamer. Het zal een klant zijn geweest voor een rondvaart, die wat langer bleef hangen. We spraken over koetjes en kalfjes. Toen staarde hij opeens naar buiten, waar achter het raam de oude kastanje staat. “Er woont een deva in die boom” zei hij toen opeens. “Die vind je soms bij mensen die eenvoudig leven. Het is een goed teken.” Hij zei het achteloos, in de stilte van een gesprek, dat heel ergens anders over ging. Hij staarde naar buiten, schudde even zijn hoofd en ging verder met het voorgaande gesprek.
De oude kastanje aan de Oudegracht, zijn stam was vol scheuren en holtes, en klimop slingerde zich er overheen. Daar ergens tussen, sliep de winterkoning. Vaak staarde ik naar die wereld boven mijn hoofd, de dieren die er woonden, het licht dat door de bladeren scheen.
Nu woon ik in mijn kleine zelfgebouwde wooncocon in het Friese weidegebied. In de avond beweeg ik me tussen de vertrouwde wilgenbomen door, die mij tegen de harde wind beschermen. Dan sluit ik de luiken. Het liefst vóór zonsondergang. De schemering moet stil zijn, dat is het moment dat de dieren een plek zoeken voor de nacht, en langzaam tot rust komen. Ik wil ze niet opschrikken in dat moment, dat ze stilte en bescherming zoeken. Als mijn luiken dicht zijn, is het buiten heel donker. Ik ben trots op dat donker. Ik help het in stand houden. Hier kan dat. Hier wel! Het dichtstbijzijnde licht komt van de snelweg, de bocht in de Haak, waar lampen staan. Daar heb ik geen invloed op.
Binnen brandt er een klein lampje, voor het slapen gaan. Ik ga al vroeg naar bed. De winternachten zijn lang en ik pas mijn ritme aan, met de verandering van het licht. Als het donker is, komt de rust. Maar dit keer ben ik niet thuis. Ik ben ergens anders, met dertien vrouwe
De schemering valt. Buiten kleurt de lucht van helderblauw naar groenblauw en roze. Hier zijn geen lampen die de horizon benadrukken, als witte stippen in het duister. De lucht is ongestoord zichzelf. De lampen staan al aan en de kamer baadt in het licht. Het raam is een donker gat. Bij de tafel staan twee vrouwen te praten. Ik vang de laatste zinnen op. “Ja, ik houd ook altijd de gordijnen open. Dan voel ik me veel dichter bij de natuur.” Ik schrik op. Hier denk ik vaak over na. Ik doe een paar stappen in hun richting. “Hoezo dichter bij de natuur?” merk ik op en ik probeer mijn stem niet al te scherp te laten klinken. “Ik maak mijn huis graag zo donker mogelijk. Zo kunnen de dieren buiten in alle rust slapen en schrikken niet op bij elke beweging die ik maak. Ik denk aan de insecten, die niet anders kunnen dan zich doodvliegen bij zo’n zee aan licht. Het donker is nodig. De natuur heeft het nodig en er is al veel te veel licht, overal.” De vrouwen kijken me aan met rechte ruggen. In hun blik iets van verbazing. Maar er is niets in hun houding waaruit blijkt dat ze in verwarring zijn gebracht. Ik haal mijn schouders op en ga aan tafel zitten. Ik denk aan thuis. Aan mijn kleine donkere stolp, zo anders als dit. Hoe heerlijk is het om stil naar de geluiden te luisteren, die van buiten komen, uit het duister. De schreeuw van een kerkuil, vlak boven mijn dak, het roepen van kieviten in de nacht. En soms, als ik laat ben met het sluiten van de luiken, kijk ik naar de schemering vanuit mijn warme kamer. Ik kijk naar de eerste sterren. Ik wacht tot de dieren tot rust zijn gekomen. Pas dan doe ik mijn laatste ding. Met een klik duw ik de luiken dicht. Lichtblauw met een paars randje. Dan ga ik naar binnen en maak me klaar voor de nacht.

.
In de grote kamer staan alle lichten aan. Ik sta weer op van mijn stoel en doe ze allemaal uit, één voor één. “Kijk zo kan het wel” zeg ik tegen de vrouwen. “Vroeger noemden ze dat schemeren.” Aan tafel zitten nog drie vrouwen. Een levendig mens met grijs haar roept vol herkenning: “Ja, dat weet ik nog van mijn grootmoeder, zij deed dat ook!” Naast haar zit een jonge Vlaamse te handwerken. Ze kijkt me nieuwsgierig glimlachend aan. “Goh, daar heb ik nog nooit van gehoord, ” zegt ze. “Schemeren! Dat ga ik onthouden.” Buiten wordt het langzaam donker en we bewonderen de kleuren in de lucht die steeds veranderen, het silhouet van die ene boom die afsteekt tegen de wolkenloze hemel. De glinstering van het water in de vaart, nog net te zien als een smalle kristallen draad. De twee vrouwen door wie dit in gang kwam doen het licht niet meer aan. Ze weten: Ook dit hoort erbij, net zo goed als een bezoek aan de sauna of een half uur yoga in de ochtend. Er komen steeds meer mensen binnen. “Wat zitten jullie hier in het donker!” klinkt het verbaasd. De handwerksters kijken op. “Ja, we zijn aan het schemeren,” zegt de jonge vrouw enthousiast. Het ontgaat de binnenkomers. Meteen gaan alle lichten weer aan en het is een drukte van belang. Maar het geeft niet, het was toch al zo goed als donker. Ik sluit de gordijnen, denkend aan de dieren buiten. De harde wind doet de grote lappen stof een beetje bewegen. Tocht, door de kieren die je onwillekeurig hebt, ook bij dubbele ramen. Het wordt een koude nacht.
Gelukkig zijn er meer mensen met hart voor het donker, vooral op het platteland. Ik heb veel sympathie voor het werk van Nynke Rixt Jukema, zij is architect en geboren in een van de donkerste plekjes van Nederland. De betekenis van de nacht boeit haar mateloos, en ze ziet hoe belangrijk het is voor ons en voor de flora en fauna. Zij zet zich ervoor in, op het Friese platteland. Verscheidene plaatsen zijn door haar initiatief in het donker gezet. Ook is hier het eerste station in Nederland, waar ’s nachts de lichten uit gaan, Mantgum. Het was niet makkelijk om dit te bereiken. Hoewel alle omwonenden het er volmondig mee eens waren, zijn er veel barrières om gewoon alleen maar het licht uit te krijgen. Maar het is gelukt. Er zijn steeds meer mensen die zien hoe belangrijk het is. Maar ik denk dat vooral de stedelingen, niet anders gewend dan bakken vol licht, het helemaal opnieuw moeten leren. De gordijnen die ik sloot zijn een kwartier later alweer helemaal opengeschoven en alle lampen staan aan. Maar ik heb hoop.
Het duister, de zachte mantel van de nacht die al het leven omhult. Het ritme van licht en donker. Ons leven op deze planeet, waarvan je maar zo weinig weet. Beleef de nacht, wees klein in het grote donker. Doof het licht en zie meer. Wees één met de nacht en weet: Het meeste gebeurt waar je niet bij bent. Daar, vlakbij soms, in het verstilde duister. Hoe donkerder de nacht, hoe warmer het licht dat gloeit in mijn hart, het zachte licht dat ik uitdraag.
.
.
