Er is toekomst . . . (There is future)

Een verhaal over de tegenstelling tussen efficienty en verwondering, of ontzag.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the ENGLISH translation underneath.

“Als ik dan elke dag riet aan het snijden ben. . .” begin ik te vertellen. . . Naast me, op de lange bult, staat een bezoeker. Hij kwam vooral omdat hij hier bessen had gezien. Of hij die mocht plukken. Dat vond ik prima, maar dan wel met een verhaal erbij. Tenslotte is dit geen Eetpad, maar allereerst een Verhalenpad. “dan voel ik me zo klein in dit landschap” vervolg ik mijn verhaal. “Alles zou riet zijn, zonder ons. Eindeloos, tot de horizon. Sta ik daar met mijn sikkel.” Maar de man is niet gevoelig voor poëzie. “Ja.” Hij glimlacht geruststellend. “Maar dat hoeft niet meer. Daarvoor hebben we machines.” Ik schud mijn hoofd. “Dat is niet wat ik bedoel. Als je met de hand werkt, met je voeten op de klei, dan voel je je veel meer verbonden met het land.” Zijn mond hangt een beetje open. “O..” zegt hij. We lopen een stukje verder, want hij ziet een bessenstruik. Gretig begint hij te plukken. “We moeten meer bessen eten,” zegt hij kauwend. Ik kijk het een poosje aan. “Laat je nog wat over?” vraag ik dan droogjes. Hij schrikt op. “O ja”. Dan vertel ik verder over het werk. “Ik hak vooral riet met de sikkel. Dat is wel doorwerken, al die meters.” Hij kijkt me vaderlijk aan. “Je kan ook een bosmaaier gebruiken,” licht hij me voor. Maar ik ben zeer beslist in mijn antwoord. “O nee. Geen bosmaaier hier. Een bosmaaier maakt blind en doof. Op een Verhalenpad leer je juist verhalen zien. En te horen. Ik kijk liever naar een broedende vogel in plaats van per ongeluk zijn nest stuk te raggen.” Hij kijkt schuldbewust. Alsof hij het persoonlijk was, die dat deed. Alsof hij het eigenlijk niet goed mag keuren, dat door mechanisatie zoveel over het hoofd wordt gezien. Maar ja. Het moet wel. Denkt hij.

De volgende dag sta ik daar weer. Maar dan alleen. Het is nog vroeg, half acht in de ochtend. De zon is nog niet achter de sluierwolken vandaan gekomen. Ik houd van die koelte. Straks zal het vast weer broeierig worden. In mijn hand heb ik dit keer de heggenschaar. Daarmee kan ik preciezer werken. Op mijn hurken waggel ik door het gras om beginnende rietstengeltjes kort en klein te maken. Het gaat toch verrassend snel. Ik kom bij een hoger bosje, dat ik rond een stokroos gelaten heb. De lange stengels zijn omgewaaid door de storm, maar hij bloeit gewoon door, op de grond. Mooie grote bloemen, vol hommels, een zoemend bloemenbosje is het. Steeds dichter kom ik bij de stengels. Het geluid van de heggenschaar is het enige wat ik hoor. Het is windstil en zelfs de karekiet in het riet houdt zijn snavel. Tik tik, doet de schaar. Maar dan ineens krioelt het, daar waar eerst beschutting was van gras en klein riet, vlak achter de bloemen. Nu is het er kaal. Mieren lopen kris kras door elkaar, en beginnen eieren naar buiten te brengen. Een bruinoranje nachtvlinder hipt ongelukkig rond. Hij springt op mijn toegestoken vinger. Ik heb zijn linker vleugel afgeknipt. Stom. Ik wist het immers best, dit bosje moest ik zo laten. Ik ben te ver gegaan.

Ik probeer dit steeds te voorkomen. Al werkend blijf ik kijken. Ik ziet de hommel, die uit zijn hol komt en trek me respectvol terug. Er is immers genoeg werk. Dus ik ga verder bij de hazelaars, brandnetels uittrekken, gele wortels met kluiten eraan. Ik schud ze uit en gooi ze op een hoop. De brandnetels voor me bloeien nog niet. Ze zijn fris en groen, de blaadjes. Dan zie ik opnieuw die kleine zwarte bolletjes op het blad. Het zouden korrels aarde kunnen zijn, die ik daar rondgestrooid heb. Maar ze zijn perfect rond van vorm en liggen op gelijke afstand van elkaar. Dat trekt mijn aandacht. Even verderop zie ik een kleine zwart met grijs gestreepte rups. Ah, het zijn dus toch eitjes! Opnieuw stop ik. Ik heb immers al een heel stuk gedaan, de rest mag blijven voorde vlinders . Ik loop terug. Het is tijd voor pauze. Bij de entree staat een bos verdwaalde oeverplanten, die zich als lange tongen achter de haag verzamelen, in de vochtige greppel. Ik weet dat daar in die buurt een kleine hommel woont, onder het pellet dat daar ergens ligt te rotten. Ik laat het. Al betekent het meer werk, om het steeds weer te begrenzen. Op een dag zal dat steeds minder worden. Op een dag.

Even later zit ik tevreden in mijn kas koffie te drinken. Voor de deur loopt een stel meiden langs, het zijn dertigers. Hun tentjes staan hier op het veld en ze zijn op weg naar mijn buurvrouw. Glimlachend kijken ze bij mij naar binnen. Ik weet, het ziet er knus uit. Ik roep naar ze: “Denken jullie aan de vlinder??” Want natuurlijk, ik heb het ze verteld. Elke dag om dezelfde tijd zit er een Atalanta te zonnen op het zandpaadje. “Ja!” roept de een, “We lopen er steeds met een grote boog omheen!” Mijn glimlach verbreed zich tot een grijns. Glanzend kijk ik ze na. Er is toekomst.

.

.

THERE IS FUTURE.

A story about the contradiction between efficiency and wonder, or awe.

.

“When I am cutting reeds every day. . .” I start my story. Next to me, on the long hump, is a visitor. He came mainly because he had seen berries here. If he could pick it. I thought that was fine, but with a story to go with it. After all, this is not a Food Path, but first and foremost a Story Path. “I feel so small in this landscape” I continue. “Everything would be reeds without us. Endless, to the horizon. And I stand here with my sickle.” But the man is not sensitive to poetry. “Yes.” He smiles reassuringly. “But that is no longer necessary. We have machines for that.” I shake my head. “That’s not what I mean. When you work by hand, with your feet on the clay, you feel much more connected to the land.” His mouth hangs open a little. “Oh…” he says. We walk a little further, because he sees a berry bush. He eagerly begins to pick. “We need to eat more berries,” he says, chewing. I watch it for a while. “Do you leave some left?” I ask dryly. He startles. “Oh yeah”. Then I tell him more about the work. “I mainly chop reeds with the sickle. That means continuing to work, all those meters.” He looks at me paternally. “You can also use a brushcutter,” he explains. But I am very firm in my answer. “Oh no. No brushcutter here. A brushcutter makes blind and deaf. On a Story Path you learn to see stories. And to hear. I’d rather watch a nesting bird than accidentally destroy its nest.” He looks guilty. As if it was him personally who did that. As if he shouldn’t actually approve of the fact that so much is overlooked due to mechanization. But yeah. It has to, he thinks.

The next day I am there again. But then alone. It is still early, half past eight in the morning. The sun has not yet come out from behind the veil clouds. I like that coolness. Soon it will be sweltering again. In my hand I have the hedge trimmer this time. This allows me to work more precisely. On my haunches, I waddle through the grass to cut budding reed stems short and small. It goes surprisingly fast. I come to a higher bush, which I left around a hollyhock. The long stems have been blown over by the storm, but it continues to bloom on the ground. Beautiful large flowers, full of bumblebees, it is a humming bunch of flowers. I get closer and closer to the stems. The sound of the hedge trimmer is all I hear. There is no wind and even the reed warbler keeps its beak in the reeds. Tap tap, do the scissors. But then suddenly it is teeming there, where there used to be shelter of grass and small reeds, just behind the flowers. Now it is bare. Ants criss-cross each other, and begin to bring out eggs. A brown-orange moth hops around unhappily. He jumps on my stabbed finger. I cut off his left wing. Stupid. After all, I knew best, I had to leave this bush as it was. I’ve gone too far.

I always try to avoid this. I keep watching while working. I see the bumblebee coming out of its hole and respectfully withdraw. After all, there is enough work. So I move on to the hazels, pull up nettles, yellow roots with clods on them. I shake them out and toss them in a pile. The nettles in front of me haven’t bloomed yet. They are fresh and green, the leaves. Then I see those little black dots on the leaf again. It could be grains of earth that I scattered there. But they are perfectly round in shape and are equidistant from each other. That catches my attention. A little further on I see a small black and gray striped caterpillar. Ah, so they are eggs! Again I stop. After all, I’ve already done a lot, the rest can stay for the butterflies. I walk back. It’s time for a break. At the entrance there is a bunch of stray shore plants, which gather like long tongues behind the hedge, in the low moist ground. I know there’s a little bumblebee living in that neighborhood, under the pellet that’s rotting there somewhere. I leave it. Although it means more work to limit it again and again. One day it will become less and less. One day…

A little later I am satisfied in my greenhouse drinking coffee. A group of girls walk by in front of the door, they are in their thirties. Their tents are here on the field and they are on their way to my neighbor. They smile at me. I know, it looks cozy. I call out to them: “Do you remember the butterfly??” Of course, I told them. Every day at the same time there is an Atalanta sunbathing on the sandy path. “Yes!” shouts one, “We always walk around it!” My smile widened into a grin. I stare at them gleefully. There is future.

Labyrint . . . labyrinth

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the ENGLISH translation underneath

.

Vandaag ga ik naar de Vlierhof, waar mijn vriend Dick de hele zomer woont. Dat is een levendige plek. Ze hebben me graag, met mijn groene vingers en verhalen. Vooral de tuinvrouwen. Die komen handen en vooral ogen te kort. Ik heb er twee leren kennen. De een voor het grote werk, de ander richt zich op één speciale plek: Het labyrint. Ze nam het werk over van haar voorgangster. Ik herken iets in de concentratie waarmee zij bezig is. En deze dag wil zij het delen. Dus het is daar, waar wij elkander treffen. Karlijn, zes anderen en ik.

Een labyrint is geen doolhof. Het is een oude geometrische vorm, die bedoeld is om aandachtig of meditatief te bewandelen. Voor sommigen gaat dat diep, anderen wandelen met een opgeruimde glimlach. Weer anderen lopen tegen hun ongeduld aan, en willen er eigenlijk meteen alweer uit. Of je komt het allemaal tegen, één voor één.
Ik maak mijn ronde om het labyrint. Ik stap over de bakstenen heen, die als platte kantelen de cirkel omringen. Als stralen rond de maan. Net als ik weer bij de ingang kom, kraait een haan. En als er een haan kraait, dan ga ik naar binnen.
Daar loop ik dan. Dankzij de haan. Het labyrint is als het leven zelf. Ja, dat merk ik wel. Door de haan ben ik erin gekukeld. Het leven in, als een lang parcours, niet van te voren te overzien, als je ervoor staat. Net als 58 jaar geleden. Het eerste kwart van het labyrint leidt door je jeugd. Ja, dat klopt wel. Jeugd, ongeduld, impulsiviteit. Meteen wil ik akkerwindes tussen de hagen uitrukken. Die staan nog steeds overal. Vaak klein nog. Klaar om meters te maken. Maar ik kom er niet aan. Doorlopen nu. Kijken waar ik loop. “Eén twee in de maat, anders wordt de juffrouw kwaad.” Ja. Ik weet het nog. De paadjes zijn smal en strak omlijnd. Je moet goed opletten, net als vroeger op school. Ik hoor een dikke hommel, die in een noodvaart dwars over het parcours heen vliegt. Hij wel! En ik moet dat hele eind nog. Stap voor stap. Even later zie ik iets springen. Het is een vlieg met één vleugeltje. Ja, bedenk ik me. In het leven moeten we ook aandacht hebben voor de slachtoffers. Ik kniel naast hem tot hij weer op zijn gemak tussen de blaadjes kruipt, op een warm plekje in de zon. Nog steeds zie ik de akkerwinde, de razendsnelle bedekker, die alle planten omlaag trekt. Ik beheers me.
Al lopende kom ik tot rust. Het maakt me niet meer uit hoe lang het duurt. Ik zet de ene stap na de andere. Af en toe kom ik iemand tegen, net zo ingekeerd als ik. Er is weinig plek en we wentelen vlak langs elkaar heen, zonder elkaar te raken.
En terwijl ik voortga, kijk ik opnieuw naar de winde, zonder hem uit te willen trekken. En nu zie ik het wonderlijke ervan. Er zit een vast ritme in. Hij wikkelt zich twee keer om een stengel en maakt dan een bloem. Elke keer weer. Een witte kelk als een pispotje. Dat ritme! Wat een levenskracht spreekt daaruit. En dan de bloem, die je af kan plukken maar die niet verwelkt. Die gaat gewoon door met zaad maken. Is dat niet wat ik als mens ook nodig heb? Ritme, vitaliteit?
Dan kom ik langs de volgende plant. Het zijn grote saliestruiken. Ze zijn pas gesnoeid, anders kom je er niet langs. Er liggen nog wat losse takjes op de grond. Ik ga met mijn hand langs de struiken en ruik aan mijn hand. Het is een en al salie, met zijn opgeruimde en rustgevende geur. Ik raap de takjes op en maak er een bosje van. Als winde mij levenskracht geeft, dan heb ik ook flink wat salie nodig. Salie, om het parcours rustig af te kunnen maken zonder meteen al het andere te overheersen.

Met het bosje in de hand nader ik de uitgang. Vlak ervoor sta ik even stil. Als het labyrint het leven is, dan is de uitgang het einde ervan. Ik hoop dat ik net zo levenskrachtig eindig en toch vol rust. En dat onze energie, van alle mensen samen nog vele wonderen zullen verrichten.
Zo’n labyrint is een voorbeeld, van hoe een klein stukje grond veel kan bevatten. Ik kan als een hommel over de continenten scheren. Ik kan me ook beheersen, en al mijn aandacht op deze plek richten. Zo wordt een plek heilig. Zo, en niet anders.


Alle mensen komen een voor een naar buiten, de cirkel uit. We komen bij elkaar en vertellen onze verhalen. Lang of kort, met of zonder woorden. Ik drink mijn thee en kijk naar de gezichten. Hier kwam ik voor.

.

.

.

Today I’m going to the Vlierhof, where my friend Dick lives all summer. That’s a lively place. They like me, with my green fingers and stories. Especially the gardeners. They are short of hands and especially eyes. I got to know two of them. One for the big work, the other focuses on one special place: The labyrinth. She took it over from her predecessor. I recognize something in the concentration with which she is engaged. And this day she wants to share it. So that’s where we meet. Karlijn, six others and me.

A labyrinth is not a maze. It is an ancient geometric shape, which is intended to be walked attentively or meditatively. For some that goes deep, others walk with a cheerful smile. Still others run into their impatience, and actually want to get out immediately. Or you come across it all, one by one. I make my rounds around the labyrinth. I step over the bricks that surround the circle like flat battlements. Like rays around the moon. Just as I get back to the entrance, a rooster crows. And when a cock crows, I go in. There I walk. Thanks to the cock. The labyrinth is like life itself. Yes, I do notice that. The cock knocked me into it. Life in, like a long course, impossible to oversee in advance, when you stand for it. Just like 58 years ago. The first quarter of the labyrinth leads through your childhood. Yes, that’s right. Youth, impatience, impulsiveness. Immediately I want to tear out bindweeds between the hedges. They are still everywhere. Often small. Ready to measure. But I restrain myself. Continue now. Watch where I walk. “One two, one two, one foot for the other.”
The paths are narrow and well-defined. You have to pay attention, just like you used to in school. I hear a fat bumblebee flying across the course at breakneck speed. He does! And I still have to go all the way. Step-by-step. A moment later I see something jumping. It is a fly with one wing. Yes, I realize. In life we must also pay attention to the victims. I kneel next to him until he settles comfortably between the leaves again, in a warm spot in the sun. I can still see the bindweed, the lightning-fast cover plant, which pulls all the plants down. I control myself. As I walk, I relax. I don’t care how long it takes anymore. I take one step after another. Every now and then I come across someone just as introverted as I am. There is little space and we roll close to each other, without touching. And as I go on, I look again at the bindweed, not wanting to pull it off. And now I see the wonder of it. It has a fixed rhythm. It wraps itself around a stem twice and then makes a flower. Every time again. A white chalice like a piss pot. That rhythm! What a life force emanates from that. And then the flower, which you can pluck but which does not wither. It just continues to make seed. Isn’t that what I need as a human being? Rhythm, vitality? Then I pass the next plant. They are large sage bushes. They have just been pruned, otherwise you will not pass them. There are still some loose twigs on the floor. I run my hand along the bushes and smell my hand. It is all sage, with its clean and soothing scent. I pick up the twigs from the ground and make a bunch of them. If bindweed gives me life force, then I also need quite a bit of sage. Sage, to be able to finish the course quietly without immediately dominating everything else. With the bush in hand I approach the exit. Just before that, I stopped for a moment. If the labyrinth is life, then the exit is the end of it. I hope I end up just as vibrant and still full of peace. And that our energy, of all people together, will still work many miracles. This labyrinth is an example of how a small piece of ground can contain a lot. I can skim over the continents like a bumblebee. I can restrain myself too, and focus all my attention on this place. This is how a place becomes sacred. It ’s the only way.

All people come out the cirkle one by one, . We come together and tell our stories. Long or short, with or without words. I drink my tea and look at the faces. This is what I came for.

Vluchten voor de hordes . . .Run from the hordes

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the english translation underneath.

.

Aan de overkant van de sloot loopt een man. Zo te zien is het Will, de man op de motor, met het tentje. “Hoi!” roept hij en steekt zijn hand op. Ik loop over het veld naar hem toe. “Mag ik nu even bij je kijken?” vraagt hij. Dat is goed en we lopen een rondje. Ik laat hem alles zien, mijn woonwagen, de kas, de kleine wildernis eromheen. “Zo, wat een mooi stekkie heb je zeg, dit is nogal wat voor een stadse jongen als ik.” Ik lach. “Is dat zo? Waar kom je vandaan?” Hij vertelt dat hij kapper is. Hartje centrum, op een hoekje van de negen straatjes in Amsterdam. “Ik zit nu tussen de toeristen. Het zijn er 19 miljoen.” Mijn ogen vallen uit de kassen. “In heel Nederland toch zeker?” vraag ik verbijsterd, maar ik weet eigenlijk het antwoord al. “Nee, alleen in Amsterdam.”
“Meer toeristen in Amsterdam dan inwoners in heel Nederland?” stamel ik terwijl ik hem aankijk.
“Ja. Sinds corona zijn er enorm veel vreettenten bijgekomen. Daar staan nu enorme rijen voor.” Ik knik. “Ik was in Leiden, daar was het net zo. Iets minder druk dan Amsterdam waarschijnlijk.”
Hij staart over het weiland, zijn gedachten gaan naar de stad die hem zo vertrouwd is. “Om het weekend moet ik er echt uit, met de motor. Anders word ik gek. Naast mij zit nu ook een afhaaltent. Ik heb er een touw voor gespannen. Er staat soms een rij van wel vijfentwintig mensen. Ze krijgen daar een Lebanese pannekoek.” Hij maakt een gebaar met twee handen alsof hij een dikke flap in zijn mond propt. “Of ze kopen alleen een kop koffie, in karton. In de rij staan voor een bekertje koffie! Ik sta nooit in de rij.”
“Nee, ik ook haast nooit.” Zeg ik. Ik ben nog steeds verbijsterd. Ik wist er wel van, de overlast van toerisme in Amsterdam, maar nu ik het uit eerste hand hoor, maakt het wel indruk. Wat is er nou voor lol aan? Wat moeten die hordes daar? Het zijn vooral jongelui, lees ik later. Tiktok influencers maken een filmpje en dan komen ze met bakken tegelijk aanzetten. Sommige ondernemers verdienen er schatten aan. De straten liggen vol met troep. En gewone ondernemers, zoals kapper Will, dragen de lasten. “Ik doe dit al twintig jaar,” zegt hij. “Ik ben waar ik ben. Mijn huis is 150 meter lopen.”
“Zo hoort het te zijn, vind ik.” Ik kijk hem aan. “Dat je bent waar je bent, en niet almaar heen en weer hoeft. Maar het word steeds moeilijker om te zijn waar je bent. En dat je op de vlucht moet omdat het thuis niet uit te houden is, dat is bizar. Omver gelopen door toeristen! Krijg nou wat!”
“Ja, na corona is het allemaal veel erger geworden.” zegt hij.

Ik kijk over de stille wei. Hoe zal dit verder gaan? Van welke ontwikkelingen zullen we nog getuige zijn? Ik blijf toch maar waar ik ben. Beter. Ook al is dat ook niet altijd makkelijk. Er is al onrust genoeg. Kapper Will staat nog steeds naast me.
“Ik ga weer verder,” zegt hij. “Eens kijken of mijn maat al wakker is. Dat is toch zo’n langslaper! Nou tot kijk hè! Ik kom hier wel weer terug. Dat doe ik al jaren.”
“t Ga je goed!” lach ik en draai me om, om terug te lopen. Terug naar mijn stekkie.

.

Run from the hordes

A man is walking on the other side of the ditch. Looks like it’s Will, the man on the bike, with the tent. “Hi!” he shouts and raises his hand. I walk across the field to him. “Can I come to see your place now?” he asks. That’s good and we’re going for a walk. I show him everything, my very tiny house, the greenhouse, the small wilderness around it. “Well, what a nice place you have, this is quite a bit for a city boy like me.” I smile. “Is that right? Where do you come from?” He tells that he is a hairdresser. In the heart of the center, on a corner of the nine streets in Amsterdam. “I am among the tourists now. There are 19 million of them.” My eyes pop out of their sockets. “In the whole of the Netherlands, you mean?” I ask in bewilderment, but I actually already know the answer. “No, only in Amsterdam.”
“More tourists in Amsterdam than residents in the whole of the Netherlands?” I stammer as I look at him.
“Yes. And since corona, a lot of food tents have been added. There are now huge queues for that.” I nod. “I was in Leiden, it was the same there. A little less busy than Amsterdam, probably.”
He stares across the meadow, his thoughts turn to the city so familiar to him. “Every other weekend I really have to get out, with the motorcycle. Otherwise I get mad. There is also a takeaway tent next to me. I stretched a rope for it. Sometimes there is a queue of up to twenty-five people. They get a Lebanese pancake there.” He makes a two-handed gesture as if he were stuffing a fat flap in his mouth. “Or they just buy a cup of coffee, in cardboard. Standing in line for a cup of coffee! I never stand in line.”
“No, I hardly ever.” I say. I am still baffled. I knew about it, the nuisance of tourism in Amsterdam, but now that I hear it first hand, it makes an impression. What’s the fun in that? What are those hordes doing there? They are mainly young people, I read later. Tiktok influencers make a video and then they come up with buckets at the same time. Some businesspeople make money from it. The streets are full of junk. And ordinary entrepreneurs, such as hairdresser Will, bear the burden. “I’ve been doing this for twenty years,” he says. “I am where I am. My house is 150 meters away.”
“That’s how it should be, I think. That you are where you are, and don’t have to go back and forth all the time. But it’s getting harder and harder to be where you are. And that you have to flee because you can’t bear it at home, that’s bizarre. Run over by tourists! What the hell!” “Yes, after corona it all got much worse,” he says. I look across the silent meadow. How will this continue? What developments will we witness? I’ll just stay where I am. Better. Even if that is not always easy. There is already enough unrest.
Will is still standing next to me. “I’m moving on,” he says. “Let’s see if my buddy is awake yet. That’s such a long sleeper! Well see ya! I’ll be back here. I’ve been doing that for years.”
“Go well!” I laugh and turn to walk back. Back to my hideaway.

.

Foto: Dimhou van Pixabay.

Bondgenoten! …… (Allies)

.

“Neem jij maar contact met ze op.”zegt de boer. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.”

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? You can find the text underneath.

.

Met de sikkel in de hand sta ik bij de groep berkebomen. Sommigen zijn al best groot. Er is er een waarvan de stam al wit begint te worden. Dat is de koning. Koningberk, op het hoogste punt van de bult. Hij groeit, dankbaar voor mijn harde werk. Ik hurk om rond de stam beginnende rietstengels te verwijderen. Het is verbazingwekkend hoe snel riet groeit. Soms staat er in een dag een stengel van wel dertig centimeter op een plek waar gisteren nog niks te zien was. En als je het niet steeds weghaalt, dan blijft het terugkomen, voortkruipen, met rasse schreden. Tot de bomen groot genoeg zijn, dan groeit er geen riet meer. Maar nu moet ik ze helpen, de bomen. En het zijn er veel. Er is ook veel riet. Het riet rukt op.

Het is zo’n mooi gezicht, die wuivende ruisende groene zee. De verleiding is om het maar te laten gaan. Zeker als de karekiet en de rietgors je belonen met hun geroep. Maar de Friezen hier weten wel beter. De lente heet “maaitiid”. Als je niet maait, dan wordt alles riet, uiteindelijk. Vanuit de sloot rukt het op. Eerst een klein stukje. Het volgende jaar vier meter. En dan acht. En dan zestien. Tot alles riet is. Wuivend riet tot aan de horizon.

De koeien en de paarden houden het kort. Dieren die al eeuwenlang met de mensen samenwerken. Zonder hen was het land één groot karekietendecor. Dat begrijp ik nu, beter dan ooit. Soms moet je het eerst voelen, voor iets tot je doordringt. De vermoeidheid voelen in je dijen en in je armen, van het vele gehurkte hakken. Ineens zie ik het voor me. Die zee van riet, die er groeit als ik niks doe. En ik maar werken, bij dit groepje jonge bomen. Ik kijk naar de sloot en zie dat de rietkraag ongemerkt een meter of drie dichterbij is gekomen. Hè? Hoelang staat dat er? Een paar dagen geleden was het nog maar een smalle strook. Moet ik dat allemaal korthakken? En daarna weer en weer en weer? Ik kan nooit meer weggaan! Mijn jonge bomen, ze zouden aan alle kanten worden ingebed door de lieflijke groene zee, die tegelijkertijd zo verraderlijk is. Gretig zouden ze de hele bodem keihard maken met hun diepe wortelkluiten, tot alleen de sterksten er nog tussenin kunnen staan. Wat kan je dan nog beginnen, als mens? Met lichte verbijstering voel ik een vlaag van wanhoop. Waar ben ik in ’s hemelsnaam mee bezig? Het lijkt water naar de zee dragen, of op het vegen van een pleintje middenin een zandwoestijn.

Ontmoedigd loop ik terug naar huis voor een bakkie troost. Als ik op het pad aankom, tref ik boer Jochum aan. Hij is distels aan het uittrekken tussen het riet, langs de Swette. “Ha!” roept hij. “Mooi dat ik je zie. Ik had bedacht dat je bij de bouwploeg mag. Er moet vandaag een slot worden ingezet in de pipowagen.” Ik glimlach vermoeid. “Dank voor de eer,” zeg ik “Maar dat stuk land vraagt al mijn energie. Het is veel werk in mijn eentje.” Ik kijk stil voor me uit, te moe om meer te zeggen. Jochum kijkt naar me en herinnert zich iets. “O ja!” zegt hij, en haalt een stukje papier uit zijn zak. “Linde kwam hiermee aanzetten. Het komt uit de Leeuwarder Courant.” Ik pak het aan en neem het door. Twee mensen willen een biologische pluktuin beginnen voor de buurt, de bijen en de beestjes moeten er wel bij varen. Een duurzame tuin vol biodiversiteit moet het worden, er wordt gedacht aan1 tot 5 hectare met een stabiele pachtconstructie voor meerdere jaren. “Neem jij maar contact met ze op.”zegt Jochum. “Als ze iets willen, zie ik ze wel komen. Ik heb het te druk.” Dankbaar neem ik het voorstel aan. Jonge tuinders rondleiden, mensen met een plan! Dat doe ik maar al te graag.

Niets van waarde komt aanwaaien. Je moet erop wachten tot je het zat bent, werken tot het je keel uithangt. En dan komt daar ineens een berichtje aanwaaien. En terwijl hoop opwelt, keren ook de goeie gedachten terug. Het riet, dat zo overvloedig groeit is niet alleen lastig, maar ook waardevol. De harde klei heeft het nodig. De gemaaide stengels kunnen de aarde bedekken tegen de hete zon. Gehakseld kan het de grond losser maken en zorgen dat het vocht beter wordt vastgehouden. Als ik niet meer alleen ben kunnen we daarover overleggen. Met de zeis kunnen we veel sneller maaien dan met de sikkel. Er zijn vast meer, die dat graag doen. En wie weet wat ik van deze tuinders kan leren. Samen weten we meer! Als dit nou door kon gaan… Glimlachend stop ik het artikel in mijn zak. Jochum is alweer aan het werk gegaan. Hij trekt de laatste distels uit, die tussen het riet staan. “Bedankt!” roep ik. “Ik ga ze bellen!” Hij knikt me toe en lacht. Wie weet, wat de toekomst brengt. Is het niet vandaag, dan morgen..

.

Alles moet rijpen, net als zaad.

.

.ALLIES

.

Sickle in hand, I stand by the group of birch trees. Some are already quite large. There is one whose trunk is already starting to turn white. That’s the king. King birch, at the highest point of the hump. He grows, thankful for my hard work. I crouch to remove budding reed stems from around the trunk. It’s amazing how fast reeds grow. Sometimes in one day a stem of up to thirty centimeters is standing in a place where nothing could be seen yesterday. And if you don’t keep removing it, it will keep coming back, crawling along, with rapid steps. Until the trees are big enough, then the reeds won t grow anymore. But now I have to help them, the trees. And there are many. There is also a lot of reeds. The reed rises. It’s such a beautiful sight, that waving rustling green sea. The temptation is to just let it go. Especially when the reed warbler and reed bunting reward you with their calls. But the Frisians here know better. Spring is called “mowing time”. If you don’t mow, everything will become thatch, eventually. It rises from the ditch. First a little piece. Four meters the following year. And then eight. And then sixteen. Until everything is reed. Swaying reeds to the horizon. ,,,,,,,,

The cows and horses keep it short. Animals that have been cooperating with humans for centuries. Without them, the country would be one great reed warbler decor. I understand that now, better than ever. Sometimes you have to feel it first before something sinks in. Feeling the tiredness in your thighs and in your arms, from the many squatting heels. Suddenly I can see it. That sea of reeds that grows when I do nothing. I see my little work, near this group of young trees. I look at the ditch and see that the border of the reed has come closer about three meters unnoticed. Hey? How long has that been there? A few days ago it was just a narrow strip. Do I have to chop all that up? And then again and again and again? I can never leave! My young trees, they would be embedded on all sides by the lovely green sea, which is so treacherous at the same time. They would eagerly make the whole soil rock hard with their deep roots, until only the strongest can stand in between. What can you do then, as a human being? With slight bewilderment I feel a fit of despair. What the hell am I doing? It seems like carrying water to the sea, or sweeping a small square in the middle of a sandy desert.

Discouraged I walk back home for a cup of coffee. When I arrive on the path, I find farmer Jochum. He is pulling up thistles among the reeds, along the Swette. “Ha!” he shouts. “Good to see you. I thought you could join the construction crew. A lock must be repaired in the gypsy wagon today.” I smile wearily. “Thanks for the honor,” I say. “But that piece of land takes all my energy. It’s a lot of work on my own.” I look ahead in silence, too tired to say more. Jochum looks at me and remembers something. “Oh yeah!” he says, taking a piece of paper out of his pocket. “Linde came up with this. It comes from the Leeuwarder Courant.” I take it and read. Two people want to start an organic picking garden for the neighborhood, the bees and the critters have to benefit. It must be a sustainable garden full of biodiversity, 1 to 5 hectares are envisaged with a stable lease construction for several years. “You just contact them,” says Jochum. “If they want something, I will see them come. I am too busy.” I gratefully accept the offer. Showing young gardeners around, people with a plan! I’m only too happy to do that.

Nothing of value just comes. You have to wait until you get tired of it, work until it hangs down your throat. And then suddenly a message arrives. And as hope wells up, good thoughts also return. The reed, which grows so abundantly, is not only troublesome, but also valuable. The hard clay needs it. The cut stems can cover the earth from the hot sun. When chopped, it can loosen the soil and ensure better moisture retention. When I’m not alone anymore, we can discuss that. With the scythe we can mow much faster than with the sickle. I’m sure there are more who would like to do that. And who knows what I can learn from these gardeners. Together we know more! If only this could go on… Smiling, I put the article in my pocket. Jochum has already gone back to work. He pulls up the last of the thistles that are among the reeds. “Thank you!” I call. “I’m going to call them!” He nods at me and smiles. Who knows what the future will bring. If not today, then tomorrow.

Zeisreis

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

English translation underneath. No podcast, only text.

.

“Wijndomein De Vier Ambachten,” staat er op het ronde bord. We rijden de inrit op, het ijzeren hek door. Het is een wijngaard waar je kan slapen in kleine houten huisjes. Daar zijn we blij mee, zo ver van huis, helemaal op de grens van Zeeland en Zuid Holland. “Fijn dat je ons tot hier hebt gebracht,” zeg ik tegen de vrouw die ons reed. “Anders hadden we nog een uur moeten lopen!” We hebben zeisles gehad. Dick en ik, en deze vrouw was een medecursist. We hebben van alles geleerd het in elkaar zetten van de zeis, maaihouding en onderhoud. We stappen uit en de vrouw opent de achterklep. Daar ligt mijn fonkelnieuwe essenhouten steel. Ze geeft me ook de tas aan met de twee handvaten die nog moeten gemonteerd. In de ene zit een bocht, als in een deurkruk. In de andere niet. Dat is niet voor niks. Het is een slimme zeis. Dan komt het grote zeisblad zelf, wel vijfenzestig centimeter lang. Het is bedoeld voor ruigtes, maar als je hem erg scherp maakt, kan je er ook gras mee doen. Daarvoor heb ik een hulzenset gekocht. Dat is een luie manier om je zeis even scherp te krijgen als met een aambeeld. Je kan er elke hamer voor gebruiken die je maar hebt.

Ik kijk naar de grote achterbak van de oude Volvo. In de auto ligt nog een zeis. Een oude. Hij ziet er anders uit dan de mijne. De vrouw slaat de klep dicht en neemt afscheid. Mijn vriend Dick en ik blijven staan bij de muur. Met de steel in de hand herhaal ik waarom deze zeis zo mooi ontworpen is. Je kan kaarsrechtop blijven staan, als je werkt, zonder bukken, zonder je armen te hoeven buigen. Het kost bijna geen kracht. Het ontwerp komt uit Oostenrijk. De baas komt aanlopen, een lange pezige man. Zijn haar begint al te grijzen. “Wat een mooie zeis!”roept hij. “Je mag er meteen mee aan de gang hier, werk zat! Het blad moet er wel aan hoor, anders kun je er niks mee.” Ik lach naar hem, en praat dan verder tegen Dick, want ik was net halverwege een zin.

We lopen verder. Het veld staat vol druiven, in lange rijen, met paden ertussen gemaaid. Boven de ranken uit tooit een witte sluier van fluitekruid. Heel veel fluitekruid. De wijngaard is compleet omgeven door populieren. Ze staan dicht op elkaar. De bomen zijn deze winter geknot, op hoogte van een meter of zeven. Daardoor heb je nog meer het gevoel dat het een wand is. We lopen langs de huisjes, zetten onze bagage neer bij nummer acht, en gaan verder met onze verkenning. Je kan helemaal rondlopen. Aan de achterzijde is een meer en een paadje door de wildernis. Ook daar valt veel te maaien. Dick waagt het er niet op, het paadje op te gaan. De begroeiing is dicht en er zijn veel overwoekerde bruggetjes. Het water ligt er schemerig tussen verborgen. Aan het eind komt ik weer uit bij het grotere pad en ga weer naast hem lopen. “Ik zou best op reis kunnen gaan met mijn zeis en mijn diensten aanbieden,” zeg ik “als ik zou willen.” Dick grijnst. “Ja, een zeisreis!” We lopen ondertussen langs een rij bloeiende appelbomen. “Toch is dat helemaal niet nieuw hè,” Ga ik door. “Een eeuw geleden deden ze dat ook. Seizoensarbeiders reisden rond met de zeis.” Dick knikt en vult me aan. “Ze kwamen ook uit Duitsland. Dat waren de Hannekemaaiers. Ze hielpen de boeren.” Het moet een mooie tijd zijn geweest. Het snijdende geluid in het lange gras, met niets anders dan vogelgeluiden. Het was wel doorwerken, elke dag weer, wekenlang. Maar toch genoten de mannen van het werk, dat lees je nog steeds terug in oude boeken. “Het handwerk moet blijven,” zeg ik. “Dat is het echte ambacht. Het mag niet vergeten worden. Nooit niet.” Dick is het ermee eens. “Wat is er nou aan om de hele dag met oordoppen op te lopen achter zo’n lawaaierige bosmaaier? Het gaat niet eens sneller.”

Je bent helemaal niet gek, met een zeis in je hand. Het wordt steeds populairder. Zeisbrigades bestaan al, in diverse plaatsen zetten ze zich in om stukken van het landschap te onderhouden. Ambachtelijk, geruisloos en sociaal.

We zijn bij ons huisje aangekomen en openen de deur. Zorgvuldig zet ik de steel in de hoek, zó, dat hij niet omvalt. Het zeisblad leg ik neer op het tafeltje. We installeren ons. Morgen gaan we terug. Een hele reis voor mooi gereedschap, dat is het. Het is het waard.

.

.

.

https://zeisles.nl/
https://www.landschapsbeheerflevoland.nl/werkvelden/dat-doen-we-samen/maaien-met-de-zeis.html
https://landschapsbeheergroningen.nl/vrijwilligerswerk/vrijwilligersbrigades/

.

https://www.domein-de-vier-ambachten.nl/

.

scythe journey

“Wine estate De Vier Ambachts,” the round sign reads. We drive up the driveway, through the iron gate. It is a vineyard where you can sleep in small wooden houses. We are happy with that, so far from home, all the way on the border of Zeeland and South Holland. “Thank you for bringing us here,” I say to the woman who drove us. “Otherwise we would have had to walk another hour!” We had sailing lessons. Dick and I, and this woman was a fellow student. We learned everything about assembling the scythe, mowing position and maintenance. We get out and the woman opens the tailgate. There lies my brand new ash wood handle. She also hands me the bag with the two handles that still need to be mounted. One has a bend, like a door handle. Not in the others. That’s not for nothing. It’s a smart scythe. Then comes the great scythe blade itself, up to two feet long. It is intended for rough areas, but if you make it very sharp, you can also do grass with it. I bought a sleeve set for that. That’s a lazy way to get your scythe as sharp as an anvil. You can use any hammer you have.
I look at the big trunk of the old Volvo. There is another scythe in the car. An old. He looks different from mine. The woman closes the door and says goodbye. My friend Dick and I stop at the wall. Handle in hand, I repeat why this scythe is so beautifully designed. You can stay upright when you work, without bending over, without having to bend your arms. It takes almost no force. The design comes from Austria. The boss approaches, a tall wiry man. His hair is already starting to turn gray. “What a beautiful scythe!” he exclaims. “You can get started right away here, plenty of work! The blade has to be attached, otherwise you can’t do anything with it.” I smile at him, and then continue talking to Dick, because I was just halfway through a sentence.
We walk on. The field is full of grapes, in long rows, with paths mown in between. Above the tendrils adorns a white veil of cow parsley. Lots of fluff. The vineyard is completely surrounded by poplars. They are close together. The trees have been pruned this winter, at a height of about seven meters. This makes you feel even more like a wall. We walk past the houses, put our luggage at number eight, and continue our exploration. You can walk all around. At the back is a lake and a path through the wilderness. There is also a lot to mow there. Dick doesn’t dare, to follow the path. The vegetation is dense and there are many overgrown bridges. The water is dimly hidden between them. At the end I reach the larger path again and walk next to him again. “I could go on a journey with my scythe and offer my services,” I say, “if I wanted to.” Dick grins. “Yes, a scythe trip!” In the meantime we walk past a row of blossoming apple trees. “That’s not new at all, is it,” I continue. “They did the same a century ago. Seasonal workers traveled with the scythe.” Dick nods and completes me. “They also came from Germany. Those were the Hannekemowers. They helped the farmers.” It must have been a good time. The cutting sound in the long grass, with nothing but birdsong. It was work, every day, for weeks. But the men still enjoyed the work, you can still read that in old books. “The manual work must remain,” I say. “That’s the real craft. It should not be forgotten. Never ever.” Dick agrees. “What’s the point of wearing earplugs all day behind such a noisy brushcutter? It’s not even faster.” You’re not crazy at all with a scythe in your hand. It’s getting more and more popular. Scythe brigades already exist, in various places they are committed to maintaining parts of the landscape. Traditional, silent and social.

We have arrived at our cottage and open the door. I carefully place the handle in the corner, so that it does not fall over. I put the scythe blade down on the table. We install ourselves. Tomorrow we go back. A whole journey for beautiful tools, that’s it. It’s worth it.

.

.

Voor je kwam, was het anders (Before you came. . .)

.

.

Ze weten niet hoe het was. Hoe het was, voor ze kwamen, de mensen. Drie grote tenten staan er, op het meest geliefde veldje van de hele streek. Het veld is maar klein maar het is een wild heiligdom, met de oude wilg aan het water. Het is geliefd, bij mensen en dieren. Het is omringd door bomen, maar je kunt tussen de stammen door kijken naar wat erachter ligt. Het ligt iets hoger ten opzichte van de weilanden. Als deze plek weer zee werd, dan was het mogelijk een eilandje. Zo heet het ook, “De Pôlle” is eiland in het Fries. Dorpelingen komen er graag even zwemmen. Heel even, er in en er uit. Ook sommige kampeerders doen het zo. Kleine tentjes, stil genieten. Die respectvolle bezoekjes vol stille bewondering, daar geniet ik van, evenveel als van de torenvalk. Die had zijn nest in de hoge populieren, aan de andere kant van het grote veld. Ik hoorde de jongen schreeuwen, heel hard. Kikikikikiki! Prachtig. Ze hebben heel wat muizen opgegeten en ze jaagden de kraaien weg.

Even bijzonder zijn de kramsvogels. Tot een week geleden waren ze er nog steeds. Je ziet ze niet meteen, maar je hoort ze. En als je dan opkijkt, vliegen ze op als een zwerm en zoeken hun toevlucht in dezelfde rij populieren als de torenvalk. Het is een stille hoek, waar niemand komt. In de vroege ochtendstond kijk ik lang uit het raam. Ik wacht met naar buiten gaan, want alles is vol leven, in de lente. De hazen lopen vlak langs mijn raam naar de Pôlle en verdwijnen onder de grote omgevallen wilg, met zijn gescheurde stam. Uit die liggende stam schiet een heel wilgenbos omhoog. Er fluiten vinken, karekieten en steeds weer hoor je het winterkoninkje. Er zitten houtduiven en andere vogels die het landschap even rustig willen bekijken zonder opgejaagd te worden.

En nu staan er die drie grote tenten. Het veld is helemaal vol en het lange gras vol fluitekruid en paarse dovenetel is plat. Verderop, op de weide, zijn drie, soms vier auto’s geparkeerd. Al op de eerste dag zijn de kramsvogels verdwenen. Ook de torenvalk kiest kennelijk het hazenpad, net als de hazen zelf. Ik hoor ze niet meer en zie ze niet meer. Maar de mensen genieten van de barbecue, en de kinderen kunnen lekker varen en ravotten in het veld. De merels fluiten in de vroege ochtend, vlak naast hun tent. Die laten zich niet wegjagen. Stil liggen de mensen in hun tenten. Ademloos liggen ze te luisteren, bij het ontwaken. Dat is het beste moment.

Het is heel gewoon. Iedereen doet het, op vakantie gaan. Of fijn met de hele familie of vriendengroep eropuit. Soms ook alleen, naar een ver eiland barstensvol natuur. Je huurt een auto of een scooter en scheurt het hele gebied af. De natuur is heerlijk om in weg te vluchten, om op adem te komen. Je komt aan op een romantisch plekje en je denkt: “Zo is het hier dus.” Maar je weet niet hoe het was voordat je kwam. Je weet niet welke dieren gevlucht zijn omdat jij hier nu bent. Vakantie breekt de sleur. Maar het breekt ook iets anders, en dat is een levende gemeenschap die daar rustig zijn gang ging. Welke paden heb je zonder te weten doorkruist? Je denkt misschien dat je de plek kent, wellicht kom je er elk jaar. Maar je bent en blijft een gast, die eigenlijk maar heel weinig weet.

Het waren best aardige mensen. Toch haal ik opgelucht adem, nu de rust is wedergekeerd. Om mijn huis scharrelen de eenden weer en merels trekken wormen uit de natte bodem. Maar de torenvalken zijn na vier dagen nog steeds niet terug, en ook de kramsvogels niet. Misschien wilden ze toch al weggaan, en was dit wel een goede reden. Misschien komen ze nog terug. De kraaien hebben de plek van de torenvalken weer ingenomen. De hazen hebben zich teruggetrokken in de meest verre rietkragen. Stil sta ik voor het raam en kijk naar buiten. Ook ik ben een passant, te gast op aarde.

.

.

PS: Nog steeds denk ik wel eens aan de rondvaarten die ik vroeger deed. Dat was toch wel heel sympathiek, ook voor de natuur. Heel rustig laat je de mensen alles zien. Versiering met ballonnen daar doen we niet aan en ook harde muziek niet. Alleen akoestisch. De dieren schrikken niet meer, ze kennen de boot. Op het land blijft het rustig. Alles kan gewoon zijn gang gaan. Je houdt de mensen dichtbij elkaar. Je hebt een korte inspirerende ontmoeting, drinkt thee op het terras en dan gaan ze weer. De parkeerplaats is helemaal aan het begin, vlak naast de theetent. De mensen hoeven niet meer helemaal het terrein op. Er is plaats voor zestien auto’s en er staat een hoge heg omheen. Zo zie ik het voor me. Dit zou ik nog steeds liever doen dan een camping runnen. Dit, met mijn schippersverleden in gedachten. Maar ja, ik ben hier te gast!

.

NEDERLANDS

ENGELS

A group arrives at a beautifull wild place, with big tents. With so many stuff, do you still enjoy what lives there? I realize again, we are guests on earth. The simpler you live, the more you see.

Biodiversiteitsstress (biodiversitystress)

.

Een gepensioneerde onderwijzeres komt langs wanneer ik onkruid wied. En terwijl ze toekijkt, ruk ik nou net de enige plant uit die ze bij naam kent.

.

Witte dovenetel, hondsdraf, speenkruid, en paardebloemen en meer.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Het is de eerste lentedag. Vannacht heeft het geregend, dikke druppels. En nu ik verbaasd de eerste stappen naar buiten doe, is de wereld omhuld in een zachte sluier van mist. De zon schijnt met een geel licht boven de horizon. De koude wind van de afgelopen dagen is helemaal gaan liggen en de vogels fluiten dat het een lieve lust is. Opgetogen kijk ik om me heen. Dit wordt een groeizame dag! Op de grote weg is het verkeer al helemaal op gang en de mist draagt het geluid ver. Maar dat kan mijn plezier niet bederven. Ik loop alle hoeken en veldjes af waar ik gezaaid heb. Langs het verhalenpad komen overal de eerste kiemen op van de twaalfjarige luzerne. In de zwarte grond staan overal rietstengels gestoken, om ze te beschermen tegen merels en muizen. Een begin maken, daar is veel geduld voor nodig. Dat weet ik inmiddels wel, op mijn acht-en-vijftigste.

Langs de onverharde weg is, wat ik noem, de Stenentuin. Een berg zand en puin zorgt voor een ideale plek voor bloemen en steenhommels. Voor het derde jaar is dit één van mijn groeiende paradijsjes. Ik hurk om een paar brandnetels tussen de dovenetels weg te halen en wat pollen gras. Verderop trek ik beginnend kleefkruid weg en een paar grote klissen. Ze zijn nu nog klein, maar het worden enorme planten. Maar wel heel mooi! De klissen mogen achterin, bij de greppel, onder de bomen. Fijn voor de bijen en vlinders,straks. Het kleefkruid mag bovenop de berg zijn gang gaan, daar kan het via de takken de boom in groeien. Het wordt een groen gordijn met miniscule witte bloemetjes. Alles heeft zijn plek en zijn charme. Balancerend op een steen kijk ik om me heen of ik nog iets nieuws zie.
Dan zie ik iemand uit het dorp aankomen. Het is Marina. Ik weet dat ze vroeger onderwijzeres is geweest in Rotterdam. Nu is ze met pensioen en is ze verhuisd naar het Friese platteland. “Hallo!” roep ik vrolijk. “Heb je dit hoekje al bewonderd? Ik heb er maar een touwtje voor gespannen, anders zien de mensen niet dat het iets is. Zonde als er auto’s overheen rijden.” Ze staat stil. “Wat staat er al een hoop hè?” zeg ik enthousiast. “Ik houd het goed bij. Anders had je hier alleen maar brandnetels gezien!” Ik kijk naar de collage van paars, geel, groen en wit. “Ja” zegt ze, zonder mijn enthousiasme te delen. Ze tuurt naar iets herkenbaars in de wilde massa. “Fluitekruid” constateert ze dan, blij dat ze er eentje bij naam weet. Het is een hele hoge. Bloeit nog niet, maar hij staat midden tussen de dovenetel en spreidt zijn groene bladeren ver uit.
“Die trek ik weg” zeg ik, en ik ruk het met blad en al eraf. Verontwaardigd kijkt ze hoe ik de afgerukte bladeren naar achteren gooi. Nu heb ik haar enige honk van houvast ontnomen. “Waarom??” zegt ze fel. Ik lach haar vriendelijk toe. “Fluitekruid, daar hebben we hier zoveel van! Alles is er mee bezaaid. Maar dit is een bijzonder plekje, op de stenenberg. Een ideale plek voor een bloemenparadijs. Nu zijn er de dovenetels. Witte. En er komen ook een paar kleine paarse, zie je? En in die berg puin daar woon een steenhommel. Die haalt hier zijn nectar uit.” Nog steeds balancerend op mijn steen sta ik te wijzen, blij dat er eens iemand meekijkt. Ik kijk om, om haar reactie te zien. Maar ze is al doorgelopen, trots rechtop. Ik praat tegen dovemansoren. Denkt ze dat ik een weet-al ben? Wat maakt mij het uit of je weet hoe het heet. Fluitekruid of dovenetel. Ik houd ervan om onder die groene blaadjes ineens al die witte bloemetjes te zien. En dat daar dan een dikke hommel rond zoemt. Misschien zag ze ze wel niet, die bloempjes. Veel mensen zien alleen de blaadjes, en die lijken erg op die van de brandnetel. Biodiversiteit omarmen is vooral houden van wat je ziet, en het leuk vinden om daar onderscheid in te maken. Dan hoef je de naam nog niet eens te weten. Als je alles bij naam wilt kunnen noemen, dan wordt het leven pas zwaar. Je zou nog een hekel aan krijgen aan een berm vol groeiende verscheidenheid. Want dan kom je erachter dat je helemaal niet veel weet.

.

Paarse dovenetel

Marina loopt nu bij de grote oude wilg. “Daar staat een heel veld van die paarse onder,” roep ik. Ze kijkt even opzij. “Ja heel mooi,” zegt ze braaf en haar blik gaat richting de rietkraag. “En daar groeit vergeetmijniet!” Blij dat ze nog iets herkent. Het lilablauw is duidelijk te zien, een heel klein polletje is het. Ik had hem al gezien. Hier tussen de stenen staan er sinds kort een hele massa, maar die bloeien nog niet, want die staan in de schaduw. Ik was blij verrast, toen ik gisteren de blaadjes herkende. Twee jaar selectief wieden werpt zijn vruchten af. “Hier ook vergeetmijnieten! Heel veel!” roep ik, nog steeds verheugd, maar de vrouw heeft mij definitief haar rug toegekeerd. Ik had natuurlijk moeten zeggen: “Goh ja, echt?” In plaats van er nog veel meer aan te wijzen. Dat is niet didactisch verantwoord. Zeker niet voor een juf met pensioen, die nog nauwelijks onderscheid ziet, in de weelde van de wildernis.

Ik ga weer op mijn hurken zitten. Er wriemelt wat. Een pissebed zoekt een schuilplek. Ik heb zijn graspol uitgetrokken en nou is hij dakloos. Gauw leg ik een stuk schors over hem heen. Er zijn miljarden beestjes en bloemen. Stel je voor dat je die allemaal moet zien en bij naam kennen. Dan zou je subiet een tegelplaats aanleggen. Ik begrijp het best, die biodiversiteitsstress. Alles stap voor stap.

.

Ook in de mist kun je alles wat je weet vergeten en je laten betoveren door het niets.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

A retired school teacher comes by when I’m weeding. And as he watches, I rip out the only plant she knows by name.

Naam en personage zijn beide bedacht.

De robuuste kiem van Alles (The robust seed of Everything)

.

.

.

Een verrassend gesprek in de trein over autonomie en zelf voedsel verbouwen en zaden telen. Met aan het eind een cadeautje van de conductrice.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

Ik sta in de trein van Antwerpen naar Rotterdam en kijk door de open deur naar de bewegende menigte op het perron. Twee dagen lang verdiepte ik me in de autonomie van zadenteelt en ik ben geheel vervuld van het onderwerp, dat zo verbonden is met lokaal voedsel telen en sociale verbondenheid.

Het is erg druk in de trein, maar ik vind toch nog een klapstoel op het balkon. We zijn nog niet weg, we hebben nog even de tijd. Naast me staat een pittige conductrice met een blonde staart. Al snel raken we in gesprek en ik laat haar mijn kaartje zien, de lichtblauw met groene woonwagen, het Rijdende Verhalenhuis. Nee, vertel ik, ik reis er niet meer mee. Ik ben geworteld, om me te verbinden met het land. “Ben je ook zelfvoorzienend?” vraagt ze. “Wat bedoel je daarmee?” vraag ik, “Ik kan me redden met mijn zonnepanelen, als het moet. Maar mijn eigen voedsel kan ik nog niet telen. Een heel klein beetje maar. Die kennis te verrijken, dat vind ik belangrijker dan energie…”

Tot mijn verrassing vind ik herkenning. En dat op de laatste plek waar je het kan verwachten. Hier, bij een conductrice in een Vlaamse trein. Ik noem haar Lena. We praten over voedsel. Voedsel uit zaad, knollen of wortels, dat opgroeit vanuit een vruchtbare bodem, liefdevol bewonderd en verzorgd. Het wordt geproefd, gedeeld en besproken. Het wordt geoogst en gaat van hand tot hand, tot het op tafel belandt. Ons lichaam verwerkt de voedingsstoffen en die belanden opnieuw in de bodem. Zo hoort het te zijn. We hebben het niet alleen nodig om te leven, maar ook om het leven zin te geven, met elkaar. Het maakt het leven op aarde vol, levendig en vruchtbaar. Lena noemt het: “Wakker zijn.” Het maakt mij niet uit hoe ze het noemt, we willen hetzelfde: handen terug in de aarde. Eigen voedsel kweken en de afscheiding met de natuur ongedaan maken.

“We hebben de productie helemaal uitbesteed aan slechts enkele multinationals,”zegt Lena strijdvaardig. Ze wil er niet meer aan meedoen. “Ja,” zeg ik. “Voedsel is een mager gebeuren geworden. Het gaat allang niet meer om de honger van mensen te stillen. Het gaat om de portemonnee van de aandeelhouders. Het voedsel zelf is van ondergeschikt belang. Het is een optelsom van nutriënten van de industrie. Die wordt steeds efficiënter. Steeds vaker zie je pasklare maaltijddrankjes, zodat je altijd door kan werken in de veeleisende groei economie. Dat heeft met voedsel weinig te maken. Ik vind het ongelooflijk dat mensen daar intrappen. Snap jij dat?” Lena schudt haar hoofd. “Weten zij het nog, van het zaad? Daar komt het leven uit voort! Ik wil dat het zaad weer in onze handen komt, in handen van levendige en geïnspireerde mensen met liefde in hun lijf. Zoals jij en ik.” Haar gezicht staat vastbesloten. Ze is niet de enige. Er zijn er steeds meer. Ik vertel haar wat ik geleerd heb, de afgelopen dagen. Hoe kunnen we weer zelf onze zaden telen? Het is niet vanzelfsprekend, bedrijven ondervinden een hoop regels en wetten, daarin. Lena luistert, ik vertel.

Pierre Rabhi, Het geluk van het genoeg.

De teelt van zaden wordt heel strikt gecontroleerd. Enerzijds is dat om de handel gezond te houden. Er mogen absoluut geen ziektes en schimmels worden verspreid. Dat is begrijpelijk. Maar schimmels en ziektes kan je ook bestrijden door je systeem gezond te maken. Uiteindelijk is dat ook veel efficiënter! Dat doet ecologische landbouw. Door meer soorten bij elkaar te zetten maken de planten elkaar gezond. Maar niet alleen ondersteunen ze elkaar, je bent ook niet meer afhankelijk van één enkel product. Wie meerdere paarden voor zijn wagen spant, is minder kwetsbaar. Als het één wat minder is dat jaar, dan is er altijd nog het ander wat het wel doet. Toch overheerst vooral de angst dat het mis kan gaan en dat is allesbepalend. Vandaar die grote controle op zaadgoed, bij gangbare en biologische zaden.
“Dus daarmee wordt de natuurlijke voortgang gefixeerd!” zegt Lena. “Dat is belemmeren van de evolutie! En dat in deze tijd van verandering. Alles wil in beweging komen, toch?” Ik knik en ga verder.

“En dan heb je bovendien nog de patenten. Het patent op zaden. Zaden kunnen vaak niet worden vermeerderd, gewoonlijk zijn ze niet zaadvast,” zeg ik. “Als je er iets uit laat groeien krijg je allemaal rare dingen, maar niet meer de oorspronkelijke kool of sla. Er zijn maar een paar bedrijven die zorgen voor ons voedsel. Zij hebben het zaad in handen. Elk jaar opnieuw moet de boer daar zaad inkopen en zo hebben die multinationals de macht. Het gaat immers om geld. Gangbaar voedsel en zaad is volledig gebonden aan de financiële markt. De aandeelhouders, daar gaat het om. Maar wat gebeurt er als die markt instort? Wat staat er dan nog op tafel?” We kijken allebei stil voor ons uit. Ik vraag me af of Lena niet nodig kaartjes moet gaan knippen. De trein rijdt alweer een poosje. Inderdaad, ze kijkt onrustig om zich heen. Iemand van de beveiliging komt langslopen. Ze groet me en verdwijnt gauw door de schuifdeuren.

Als ik alleen ben, denk ik na over die eerste vraag van haar. Lena vroeg mij of ik zelfvoorzienend ben. Tegenwoordig wordt daar vrijwel altijd eigen opgewekte elektriciteit bedoeld. De focus van de samenleving ligt nu op alternatieve energiebronnen. Toch, zonder laptop, telefoon en andere elektrische apparaten kan ik nog wel leven. Maar zonder voedsel en warmte kan ik niet. En daarin zit hem de clou. Daarom plant ik bomen. Voor snoeihout om mijn kleine, goed geïsoleerde huisje te warmen. Voor noten en bessen. Op de uitgestrekte Friese weiden vormt het een windhaag. Dat is nodig voor de jonge planten die erachter zullen groeien: de kruiden, de pastinaken en de koolrabi. De vlinders en de bijen zoemen rond in de luwte en bezoeken de ene bloem na de andere. Er moeten veel meer van deze plekken komen, voor ons én voor de dieren. Voor voedsel en diversiteit. Alleen zo kunnen we weer deel uit gaan maken van het ecosysteem Aarde. We hebben veel meer mensen nodig, die weten hoe je voedsel laat groeien, en daar met liefde mee bezig kunnen zijn. Daarom schrijf ik erover. We moeten het terugpakken, weg van de grote industrie en de aandeelhouders. Met elkaar weer gaan genieten van de vele variaties en smaken die er zijn, het proeven en er samen over hebben.

Een poosje later komt ze terug, Lena, de conductrice. Ze wil graag nog iets vertellen. Ze heeft een nieuw baantje, zegt ze. Bij een bejaarde bollenteler, in Noord Holland. Hij kweekt alleen geen bollen meer. Hij teelt nu een variëteit aan biologisch voedsel. Er werken allerlei mensen op zijn land. Hij is bijna doof en blind, die man. Maar dat houdt hem niet tegen. Hij wil het goedmaken, wat hij verkeerd heeft gedaan. Ze vertelt het met glimmende ogen. Geboeid luister ik. Goddank, het is overal. We zijn niet alleen. Alles is in beweging en werkt aan dat ene. De robuuste kiem van alles.
“Ik vond het een heel bijzondere ontmoeting,” zegt Lena. “Daarom wil ik je iets aanbieden. Je mag van mij in de eerste klas gaan zitten.” Dankbaar sta ik op van mijn klapstoel en kijk haar stralend aan. Ik pak mijn versleten groene rugzak en zoek de weg naar mijn erezetel. Er is nog een lange reis te gaan. Buiten hangt een dichte mist. Ik ga zitten en staar in het niets.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

A surprising meeting in the train. We talk about being self sufficient and our food supply. About multinationals and how the food market is completely in hands of just a few. We have to take it back again!

PS: De conductrice heeft in werkelijkheid een andere naam en uiterlijk. Ook is het gesprek uitgebreider weergegeven dan het was, vanwege de leesbaarheid en de wezenlijke inhoud.

.

Dit boekje van Velt werd mij tot driemaal toe in handen gedrukt.

Schapen scheppen een band ( Sheep bring us together)

.

Schapen achter mijn huis.

.

Er zijn twee grote zakken wol gedumpt, bij Wiersma. Zomaar in de tuin. Ik mag ze hebben. Samen halen we het op. Als we terugkomen zit het kleine autootje propvol. Ik zit met mijn buik tegen het dashbord aan, anders past het er niet in.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Dot you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Er lopen schapen in de wei. Boer Sjoerd uit Jorwerd heeft hun dieren hierheen gebracht. Ze houden het gras deze winter kort. Ik heb hier nog nooit schapen gezien, het is voor het eerst. Het zijn Texelaars. Ze mogen een heel jaar in de wei lopen. Daarna worden ze niet ver van hier geslacht. Tevreden kijkt Sjoerd er naar. “Ze worden al lekker dik!” zegt de jonge boer. Dat moet ook wel. Ze eten de hele dag gras en klaver en paardebloemen. Het is kauwen en slikken. Na lang grazen gaan ze liggen en dan floept alles weer terug, omhoog in de bek. Terwijl ze glazig in de verte staren kauwen ze weer verder. En uiteindelijk worden al die groene blaadjes vlees, botten en wol. Ongelooflijk. Ik denk daaraan terwijl ik naar ze kijk. Dat kan ik nu, kijken. Daar heb ik nu het geduld voor. Als kind kende ik een man die schapen filmde. Dat vond ik zo raar! Ik vond ze maar saai. Maar nu ik ouder ben kijk ik er graag naar. Hoe ze met elkaar opgrazen en de lekkerste hapjes zoeken. En ik denk eraan hoe ze straks onder het mes gaan.

.

.

Het hele biologisch leven bestaat uit eten en gegeten worden. En al die verorberde eiwitten gaan rond en transformeren van het één in het ander. Eigenlijk is de aarde één grote toverbal, vol verrassingen. Zelfs zo’n suffe grazer kan er wat van. Behalve dat het rustgevend is om naar te kijken, zorgen ze voor vlees. En wol! Maar wat gebeurt daar dan mee? De boeren kunnen het aan de straatstenen niet meer kwijt. Dat hoor ik overal. Dat komt zo: Er zijn kerels met enorme kuddes. Die laat hij verzorgen door anderen. Die baas is boer noch herder. Het is een zakenman. Hij stuurt de wol massaal op naar China en als we het weer terug willen, moeten we het importeren. Daarom is er geen boer meer die schapen voor de wol heeft. Ze weten bij God niet wat ze ermee moeten. Menig boer gooit het maar ergens neer, soms met pijn in het hart.

.

Pruik van buurman Rachid

.

Een dag later fiets ik door het dorp, de lange weg naar het station in Deinum. Dan zie ik letters op een schuur. “Wolhandel” lees ik. Gek, dat heb ik nog nooit gezien. Ik zie een man lopen op het erf. Hij komt richting de weg. Dat is een mooie kans voor een kennismaking. Ik stap af en loop naar de man toe. “Heeft u hier nog steeds een bedrijf?” wijs ik naar het bord.

“Nee, al een tijd niet meer,” zegt hij. “Die tekst moet er nodig af. We hebben vijftig jaar in wol gehandeld. Elke ochtend waren we om vijf uur op. Alle boeren van de streek kwamen hier, met hun wol. Het was een druk bestaan. Het is mooi geweest, maar ik ben blij dat we nu eens ontspannen kunnen, mijn vrouw en ik.” Hij was een van de laatste wolhandelaren van het land. En nu is ook hij ermee gestopt. Waar moeten de boeren nu met hun wol heen? Wie weet het?

Twee weken later wordt ik geroepen door Jochum. “Heb jij interesse in schapenwol? Wiersma heeft voor je gebeld!” Het is de wolhandelaar in ruste. Hij heeft twee bigbags vol, zegt hij. In de tuin gevonden, gewoon gedumpt. “Ik wil ze graag,” zeg ik. Ik kom ze zo snel mogelijk halen.

Wat kan je daar allemaal mee doen? Tochtgaten opvullen in het dak. En als afscheiding, tussen paden en perken in de tuin. We kunnen ook gaan spinnen!

.

Buurman Jeroen

.

Ik praat erover met buurman Jeroen, hij doet graag mee. Samen halen we het op. Als we terugkomen zit het kleine autootje propvol. Ik zit met mijn buik tegen het dashbord aan, anders past het er niet in. Gelukkig is het maar een klein stukje. Eenmaal terug parkeert Jeroen de auto op het erf, en we gooien de twee bigbags leeg op het beton. Het is een mooi gezicht, die warme kleuren in de zon. We sorteren de grote stukken uit één stuk, en gooien de losse flodders op een andere hoop. Het is prachtige wol, met maar weinig stront erin. De kleur is diepbruin, soms met licht rossige uiteinden, of met stukken grijs er in, als zilver. Soms zijn er stukken in elkaar gedraaid, als rasta haar. Ik geniet van het werk. Net als ik dat wil zeggen, haalt Jeroen de woorden uit mijn mond. “Als ik dit in handen heb, is het net of ik het altijd al gedaan heb. Alsof mijn DNA weet, dit is mooi materiaal, daar hebben we wat aan. En nu wordt het gedumpt… Hoe ver is de wereld afgedwaald dat het nu afval is!” Ik knik. “Ja, dat dacht ik ook..”

Als de wol gesorteerd is hebben we drie zakken. De flinkste met grote stukken, eentje met kleinere stukken, en één met alleen maar wolvlokken en poep erin. Die wol komt bij de kont vandaan. De eerste twee gaan naar de hooizolder, de laatste gaat mijn landje op. Samen lopen we het pad af, de witte zak tussen ons in. We lopen het Verhalenpad op, en ik leg de wol neer waar ik het wil. Het zal hier de grond bedekken. Het zal het kweekgras tegenhouden in zijn groei en er zullen beestjes onder schuilen deze winter. Uiteindelijk zal het verteren, als voeding voor planten en struiken. Van de grond naar het gras naar het schaap naar de grond. Zo maken we de cirkel rond en laten we er iets moois op groeien.

.

Wol tussen pad en perk

Al is het wel een hele korte kringloop… Daarom wil ik ook niet ál de wol hier neer leggen. Er moet meer mee. “Laten we elke maand een handwerkavond houden!” zegt Jeroen. “Spinnen, weven en breien…”
“Maar eerst een spinnewiel,” besluit ik, “Ik ga ernaar uitkijken.”
Ik denk er nog steeds aan als ik even later Sjoerd tegen kom. Ik vertel hem van al die wol en wat we willen. “Hij lacht stralend. O! Dat vind mijn zus ook leuk. Zij verft wol, met planten.” Ik loop glimlachend verder. Dat deed ik vroeger ook, samen met mijn moeder…

Schapen scheppen een band. Het is het land zelf, dat het doet. Samen maken we de cirkel rond. Hier, waar we zijn. Wij en het land, het land en wij.

(Toegift in de luisterversie)

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

.

There are sheep in de meadow. They are from farmer Sjoerd. What happens with their wool? The woolmerchant has stopped. But still this man found two bigbags of wool in his garden. My neighbor and I pick up the dropped bales , we admire the beautifull material and come up with ideas.

Wachten op de zonnewende (Waiting for the solstice)

.

Steeds weer terugkeren naar een plek. Niet omdat je er toevallig langskomt, maar omdat je het wilt. Omdat je er je wortels hebt en je de mooiste momenten met iemand kunt delen.

Een van de vele stegen in Utrecht, met opkomende zomerzon.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button under the text.

.

Al noem ik mij een gewortelde nomade, ik ben het niet altijd geweest. Emmeloord, mijn geboorteplaats zei me niet zoveel. Toen ik 18 was verhuisde ik naar Zwolle. Toen ik 19 was ging ik een half jaar terug naar Emmeloord. Op mijn twintigste woonde ik in Arnhem. Op mijn 22e vertrok ik naar Leeuwarden. Toen ik 25 was vertrok ik naar Utrecht. Zoeken. Steeds weer verhuizen. Het was een rusteloos bestaan en ik was een slechte slaper. Net goed en wel in Utrecht brak ik mijn been bij een verkeersongeluk. De genezing duurde twee jaar. De beperking deed me goed. Talent kwam nu tot uitdrukking: schrijven, tekenen. Karakter heeft stilte nodig om zich te kunnen vormen.
Mijn been genas. De lange beperking had me rust gegeven en ik was bereid om grondige keuzes te maken. Een paar jaar later ontmoette ik Michiel en hij werd mijn man, een man met diepe wortels. Zijn leven speelde zich af langs de werven, in het middeleeuwse Utrecht. Hij was een hartelijke creatieve ambachtsman. Iedereen in de buurt kende hem. Samen begonnen we een rondvaartbedrijf en zijn wortels vergroeiden met de mijne. Met elkaar voeren we enige jaren over het water en met elkaar deden we het onderhoud. Hard was zijn dood en het leven dat erna kwam. Ik heb alles door mijn handen laten gaan en mijn wortels groeiden dieper en dieper. Tot het jaar 2012.
Toen ik vertrok dacht ik de stad achter me te laten. Maar het is niet zo. Ik ben daar nog steeds. Mijn wortels strekken zich onzichtbaar uit naar dat ene plekje in het centrum van Utrecht. Mijn verhalen worden er nog trouw gelezen. Ik ken de stenen, de bomen, de hoekjes en de mensen. En zij kennen mij.

Dat is precies wat ik denk, als ik de monumentale deur achter me sluit. Hier, bij mijn oude buren, vond ik een hartelijk welkom. Ik kon er blijven slapen. Waar ik vandaag heen moet, is vlakbij. Vandaag draait de film: “Rooted nomad” in het Louis Hartlooper Complex. Het is de docu over mij, waar ik al vaker over sprak. Met een zachte klik valt de deur dicht en ik hoor de echo in de lege gang er achter. De donkergroene verf glimt, alsof er pas geschilderd is. Voor de deur staat een bord met “Te koop”. Mijn oude buren willen weg. “De stad wordt almaar drukker en we hebben nauwelijks een tuin.” Ik doe een paar stappen de stille straat in en vraag me af. Hoeveel mensen denken dat? Wanneer komt de dag, dat iedereen die ik hier ontmoet me vreemd is? Of staan straks al die huizen leeg en woont iedereen “tiny” op het platteland? Op dit moment is er nog niks te merken van drukte. De zon is al op, maar is verborgen achter de huizen. Het wordt een warme dag.

Beneden aan de gracht zijn mensen. Ik hoor gemoedelijk gelach en zacht gepraat. Ik loop naar de gietijzeren reling en kijk naar beneden. Daar zitten de jongens die op de werf wonen. Ik ken ze allebei. Ze kijken omhoog en groeten me. “Kom beneden!” roept de één. Er zijn gasten. Twee jongens en een meisje. Ik ken ze niet. Hun ogen staan helder, hun huid is koffiebruin. Op de tafel staan een paar halfvolle glazen wijn en een lege. Ik loop de trap af en groet ze. “Welkom” zegt Dave. “We hadden hier een mooie nacht. Je maakt nu het staartje mee.” Dave is de bewoner van de werfkelder. Zijn buurman, Daan, kijkt me stralend aan.
“Wat leuk dat je er bent! Ik vond het zo jammer toen ik hoorde dat je gisteren was langs geweest!” Ook de anderen kijken naar me. “Was je toevallig hier?” Vraagt een van de jonge gasten. “Nee” zeg ik. “Ik woonde hier en kom steeds terug. Niet toevallig, maar omdat ik het graag wil”. Ondertussen denk ik: Wat is er toch met dat woordje “toevallig”. Het lijkt te horen bij deze tijd. Misschien is het de persoonlijke levensreis, die steeds individueler lijkt te worden. Je ontmoet wie je tegen moet komen, spreekt niks af en kijkt niet verder dan de dag van morgen. Alles komt vanzelf op je pad. Vernieuwing is een toverwoord. En “Shift”. Ik zie vernieuwing als een zeldzame noodzaak. Een prachtig avontuur, een sluisdeur die opent naar nieuwe wateren. Of een wissel, waar de trein langsgaat. Maar het leven spoort niet met alleen maar wissels. Zeker niet als iedereen zo’n bestaan leidt en er steeds minder mensen zijn die een geregeld leven leiden bij de technische dienst.

De zon komt op en schijnt precies door het steegje aan de overkant. Het is een vertrouwd beeld. Ik kijk ernaar en herinner me de tijd dat ik hier woonde. Het hele jaar was ik omsloten door de hoge muren van de herenhuizen, als een stedelijke vallei. Alleen het water glinsterde in de gracht en stroomde de stad uit, vrij de wijde wereld in. Ik keek ernaar en mijn gedachten stroomden mee. Ik keek naar de weerspiegelingen van de bomen die braken in de bries. Als de zon dan eindelijk kwam, dan stond hij al hoog aan de hemel en scheen fel boven de huizen. Het steegje waar ik nu naar kijk, was niet zomaar een steegje. Ik keek uit naar de dagen rond de zonnewende. Dan kwam het zonlicht precies erdoorheen, vroeg in de ochtend. Hij kwam als een gouden vloed de gracht over, en vloeide mijn werfhuis in. Ik kijk naar de streep van zonlicht op de straatstenen en voel me gelukkig. Daan kijkt er ook naar. Hij woont nu al tien jaar in mijn oude huis. “Zo mooi is dat ..” zegt hij stilletjes. Gastheer Dave praat ondertussen steeds door. Hij zegt dat ik zijn huis eens moet bekijken. Het is hartelijk bedoeld, maar ik negeer hem. Ik kijk naar de zon en dan weer naar Daan. We wisselen een glimlach. “Ik ken het zo goed, dit moment!” zeg ik. Hij steekt zijn hand uit en we geven elkaar de vijf. “Wij begrijpen elkaar!” zeg ik. Daan straalt van genoegen. “Zo is het,” zegt hij ferm.

Je kunt terug gaan naar een stad omdat je hem mooi vindt. Dat doe je dan eens in de tien jaar, op zijn hoogst. Maar nog mooier is het om momenten van schoonheid te kunnen delen. En om te horen hoe het is. Daarom is het, dat ik steeds weer terug ga. Vaker dan zomaar een keer. Het is waarom ik de band onderhoud, met mijn oude buurt én de bewoners. Niet toevallig, maar omdat ik het graag wil. Wortels maken doe je samen.

.

De documentaire “Rooted Nomad” is te zien op 2Doc.nl. Een bijzondere film, ontstaan uit een fijne samenwerking met twee twintigers. Het gaat over deze Friese bodem en de speelse creativiteit die een nieuwe levensfase brengt, na een lang en zwaar afscheid. Het is tegelijkertijd ter nagedachtenis aan Michiel, mijn lieve man, die 20 jaar geleden stierf. De documentaire van Michelle van der Plas en Emma Sidlauska is prachtig geworden en staat nu online:

https://www.2doc.nl/documentaires/series/makers-van-morgen/2022/rooted-nomad.html

NEDERLANDS:

ENGELS:

Keep returning to one place. Not because you happen to pass by, but because you want to. Because you have your roots there. That’s why I go back to Utrecht, again and again. I had an early meeting down by the water.