De wortels zijn de ziel

Er zijn vluchtige verhalen bovengronds, van wat mensen denken te zien. En er er is het verhaal ondergronds: het gemeenschappelijke verhaal dat doorgaat en waarin elk mens een specifieke eigen bijdrage doet. Soms weet je daarvan, soms weinig en vaak ook helemaal niets.

.

Het laatste schilderij van van Gogh was een bodem met boomwortels, gemaakt langs een weg bij Auvers-sur-Oise bij Parijs. (Info: https://www.goedbodembeheer.nl)

Het is markt. Op het bankje bij de loempiaman zit Sietske. Ze wenkt me. “Kom je ook een loempia eten? Ze zijn zo lekker!” Ik antwoord dat ik dat soort dingen niet meer doe. Ik wil nog lang met mijn spaargeld doen en ook nog bomen kunnen planten en Treesistance blijven steunen. “Dan betaal ik het.” Daar zeg ik geen nee tegen en ik ga naast haar zitten. We hebben elkaar vaak kort gesproken maar nog nooit echt uitgebreid. “Hoe is het?” vraagt ze “Ik dacht dat je weer verder zou trekken met je wagen.”

Ik woon hier nu vier en een half jaar in Friesland, bij Leeuwarden. Beeldvorming gaat snel, het veranderen ervan veel langzamer. Het kan wel tien jaar duren of veel langer nog, weet ik uit eerdere ervaringen. “Ik wilde van begin af aan al blijven”. Ze knikt, wil verder vragen, maar we zijn afgeleid. Voor ons speelt een Iers bandje. We klappen mee met het ritme tot er een rustiger nummer volgt. Ik kijk naar de menigte mensen en de bomen die hier pas zijn geplant op het plein bij de Waag. Het doet me denken aan de bomen thuis bij de boerderij. Veel van wat ik heb geplant begint al groot te worden. Vier jaar geleden de eersten en elk jaar plant ik verder. Maar weinigen weten ervan. Maar wat vier jaar geleden in de krant stond weten ze nog wel: er is hier in Friesland een vrouw die een nomadisch leven zou leiden. Ik noemde mezelf een gewortelde nomade. Het woord “nomade” blijft hangen. Daar hebben mensen een beeld bij. Er zijn veel nomaden, met busjes en laptops. Maar dat “gewortelde” dat snappen mensen niet. Terwijl het daar juist om gaat. Sietske wil nu echt weten hoe het met me is. Het antwoord blijft uit, want het feest begint weer. De muziek wordt wilder, Sietske en ik klappen en lachen. Ik heb mijn loempia nog niet gehad, de baas is eerst maar andere klanten aan het helpen. Tot de band ophoudt met spelen. Ik kijk hoe de vier muzikanten om de hoek verdwijnen. Ik eet mijn loempia, Sietske de hare. Ze vertelt me over haar leven nu, we praten over mensen die we beiden kennen en het goede wat ze doen. Dan vraagt ze opnieuw naar wat ik nou eigenlijk doe. Net als ik uitgebreid wil antwoorden komt er iemand aan die haar nodig heeft. Ze excuseert zich en we nemen afscheid. Terwijl ik nog even blijf zitten, denk ik eraan hoe lang het duurt voor een nieuw verhaal geland is. Er gaan jaren overheen voor wat je vertelt is ingedaald. En ondertussen blijf ik planten, ver weg tussen de weiden, waar ik maandenlang niemand zie. Ik denk aan de bomen en het land, ze roepen me.

Het planten van bomen gebeurt in stilte. Terwijl iedereen wat anders aan het doen is plant ik door. De natuur is onze basis. Het is niet alleen dat ik houd van wat ik doe, ik zie het ook als verantwoordelijkheid. Eenvoudig leven hoort daar voor mij onlosmakelijk bij. Trekken met de wagen doe ik niet. Wortelen, daar gaat het nu om. Dat we dit weer leren in een mensenwereld die steeds verder ontworteld raakt.
Geplante bomen en struiken groeien. Soms is er wat mis, dan help ik ze. Met hen heb ik een band die echt is. Ze zeggen niks, ze zijn er. Ze maken me stil, zodat ik alleen nog maar oor en oog ben. Ze komen met verrassingen, dingen die ik zelf nooit bedacht heb. Zonder bijgedachten knip ik het riet, geef het leverkruid en de perenboom de ruimte. Ik wied tussen de aardappels, knip het maaisel tot losse mulch. Ik zorg ervoor. De bomen groeien dicht en sterk. De vogels komen terug en ik kom steeds weer terug. En mocht ik er ooit niet meer zijn, dan groeit alles door op geheel eigen wijze. Voor ik ooit mijn laatste adem uitblaas zal ik kijken naar mijn eeltige vingers en dan weet ik: Ik maak voor altijd deel uit van dit verhaal, een verhaal dat niet alleen van mij is. Wortels groeien opnieuw uit. Maar wat erboven groeit gaat elk jaar dood. Wortels zijn de ziel. Wat echt van belang is vindt zijn weg wel. Het gaat door, in zoekende wortels die elkaar vinden in het ondergrondse web. Het komt via mij en anderen. In welke vorm ook, het gaat door en zo wordt het hele netwerk gevoed.

Ik neem de laatste hap van mijn loempia. Sietske verdwijnt tussen de mensenmenigte.

.

Elke wortel is anders.

‘Onder de grond zijn er veel meer voedingsstoffen dan boven de grond. Voedingstoffen die bovendien in verschillende vorm voorkomen. Voor een mobiel element als stikstof is een heel andere wortel nodig dan een immobiel element als fosfaat.’ ‘Daarnaast hebben mycorrhiza-schimmels een grote invloed op het wortelstelsel’, vervolgt ze. ‘Eigenlijk kun je niet spreken van een losse wortel; schimmel en wortel(s) vormen een systeem. (Monique Weemstra, WUR)

.

Weet je al van mijn nieuwe boek: “De heilige traagheid der dingen? Ik was genoodzaakt een nieuwe uitgever te zoeken, de oude moest inkrimpen. Maar iedere keer dat iemand interesse toont krijg ik weer moed! Elke inschrijving is welkom.

De spotvogel zingt van Afrika

Terwijl ik muntwater drink naast een theatergezelschap, kijken we naar het Verhalenpad in de verte. We horen de spotvogel. Voor de tweede zomer is de zeldzame vogel hier en zingt liedjes uit Afrika.

Hier meer info over de vogel. https://stats.sovon.nl/stats/soort/12590

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Tegenover alle droevenis van deze tijd, staat het groeizame wat zich vlak naast ons bevindt. Dat is de tegenhanger, waardoor we in balans en gezond blijven. Je moet rustig zijn om erop te kunnen letten, anders gaat het aan je voorbij. Ik neem er graag de tijd voor. Tussen de bedrijvigheden door sta ik stil en luister. Af en toe hoor ik bijzondere geluiden. Zo is er sinds vorig jaar een spotvogel neergestreken op het Verhalenpad. Hij is hier voor de tweede keer om maandenlang te zingen. De spotvogel neemt letterlijk verhalen met zich mee. Hij imiteert alles wat hij hoort, of het nou vogels zijn of het geluid van een telefoon.

Nu sta ik op een avond naast een roze caravan muntwater te drinken uit een kartonnen bekertje. Er zijn meer mensen. Er is theater op de camping en iedereen zit op klap- en strandstoelen te wachten tot het begint. In de verte ligt het begin van het Verhalenpad. “Daar heb ik zeshonderd bomen en struiken geplant,” vertel ik “En verderop nog tweehonderd”. Nu ik de gelegenheid krijg zal ik erover vertellen ook. “Er zijn steeds meer vogels en vlinders die er terugkeren,” ga ik verder. Een van de vrouwen lijkt niet te luisteren, ze kijkt geconcentreerd voor zich uit. “Wat hoor ik toch voor vogel?” vraagt ze dan. Ik lach, blij dat ik het haar kan vertellen. “Het is de spotvogel.” Ze juicht opgetogen. “Eindelijk hoor ik hem een keer. Dat wil ik al zo lang!”
De spotvogel hier te hebben, dat is geweldig. Hij neemt verhalen mee uit Afrika, landen als Congo, ten zuiden van de evenaar. Elke dag heeft hij een ander repertoire, vaak is dat Europees, met merel- mees- en winterkoninggeluiden ertussen, maar nu is hij met zijn liedje weer helemaal terug in Afrika. Zijn ritmes doen denken aan de muziek van de Batwa, ofwel de pygmeeën. Ze zingen nog steeds, maar of het nog altijd dezelfde liederen zijn weet ik niet. Er is veel gebeurd, en hun verhalen zijn veranderd. Ik zie ze voor me, de kleine donkere mensen, een zachtaardig volk en eeuwenlang thuis in de wouden van Congo. Dat ze daar zijn verdreven, daar hebben ze zich nooit bij neergelegd. Ze willen maar een ding: Terug naar hun voorouderlijk land. In 2024 heeft het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren die beslissing genomen. Hun uitzetting is veroordeeld, als schending van mensenrechten. Maar daarmee is het nog niet geregeld met hun terugkeer. Het is alleen een aanbeveling voor de autoriteiten, geen verplichting. Hun strijd gaat door.

En hier staan wij, te luisteren naar het vogeltje dat zijn lied zingt en hun verhaal vertelt, aan het begin van het Verhalenpad. Meer mensen hebben het opgemerkt. Ik ben vereerd dat de spotvogel hier nu is. Ik hoef niet op reis te gaan. Hij brengt de wereld bij mij thuis.

.

.

Het filmpje duurt vijf minuten. We lopen eerst naar het pas aangeplante stuk waar een puttertje keihard zit te zingen en gelijk daarna zie je het Verhalenpad. Voor het eerst laat ik het hele bosje zien van afstand. Het is enorm gegroeid, als je bedenkt dat het grootste gedeelte nog maar drie en een half jaar oud is. Liggend op de rug, tussen het riet en de berkebomen luisteren we naar de spotvogel.

Genezing voor de ontheemden

Een verhaal voor Wereldvluchtelingendag

Tekening van 2016

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het land ligt in afwachting van een nieuwe dag. De puttertjes vliegen over de hoge wilgen naar het lange gras. De spotvogel fluit alle riedels die hij in zijn repetoire heeft. De winterkoning laat merken dat hij er is. Pas geplante bomen groeien weinig door de droogte, maar zullen het overleven. Een vroege kijker loopt langs, blote voeten op het gras. De dauw bedekt hoopvol de droge grond. Alles in de vroege ochtend ademt levenslust. De enkeling kan ontmoedigd naar bed gaan, ziek worden of sterven door barre omstandigheden, maar het leven als magisch geheel hervat zich telkens weer. De ochtend is het mooiste moment om dat te zien. Die kracht is wonderlijk. Waar komt het vandaan?

Je kan moedeloos in slaap vallen, onverschillig voor de wereld. De nacht brengt genezing, het universum brengt nieuwe energie, als een eindeloze bron. Maar voor velen is de nacht nooit meer stil, en is genezing ver weg. Wakker worden met een lichaam dat warm en ontspannen is, blote voeten op het bedauwde gras, alles was er, ooit in een leven dat is weggevaagd. Het zijn de ontheemden, verjaagd van hun voorouderlijk land. Kinderen met grijze haren staren in de verte naar een vader die niet meer terugkomt. De appelbomen waar ze samen mandenvol appels plukten zijn verdwenen. Bommen blijven vallen in slapeloze nachten. Het lichaam van de jongen staat strak van spanning, zo vervuld is hij met woede om de vernedering. Er zijn gloeiende ogen, hij wil rechtvaardigheid en vechten. Geweld schept een vicieuze cirkel die leidt tot almaar meer geweld. Kapotte landschappen, ontdaan van hun liefdevolle zorg, van de mensen die bij deze aarde, hun land hoorden. Kan dit ooit weer goed komen? Misschien. De band die verbroken is kan worden geheeld, als er tijd is en rust. Als er aandacht is voor genezing.

Op 20 juni, Wereldvluchtelingendag, staan we daarbij stil. Het zou veel langer moeten zijn dan een dag. Het zou regel moeten zijn. In plaats van steeds meer geld uit te geven aan defensie, zouden we moeten denken aan de vluchtelingen, hoe we hen kunnen helpen met genezen. Als het met hen goed gaat, dan gaat het met de hele wereld goed. Als de zwaksten gelukkig zijn, is de hele samenleving gelukkig. Dit vraagt alle aandacht. Sommige mensen hebben er hun werk van gemaakt, zoals Milou, Ana en Luna in Nederland en Jonathan Ngangura in Oeganda. Het helpen van vluchtelingen, mensen met trauma’s. Schilderen, kunst, samen werken in de natuur, het maken van tuinen, gemeenschapsvorming. Haal mensen uit hun eenzaamheid, de herinneringen die in hun lijf zijn gaan zitten. Neem ze op in het grote geheel. Appels plukken in de boomgaard, samen taart maken en glimlachen naar de kuikens. Wat weg is komt niet meer terug. Er zijn gaten gevallen die gevoelloos maken. Maar verdoofde harten kun je verlichten. Een glinstering van hoopvolle dauw teruggeven. Blote voeten in het gras, handen weer laten voelen. Daaraan werken met zijn allen, dat is het enige wat echt telt. De aarde weer een paradijs te maken. Het gaat immers niet om ons. Hoe we hier leven, met elkaar. Als iedereen gelukkig is, zijn we het zelf ook.

.

Een waterwezen worden

.

.

Alle vogels fluiten. Het is zes uur en ik lig nog in mijn hangmat. De bovendeuren staan open, aan beide kanten van de wagen, en er waait een fris briesje door mijn huis. Ik trek de slaapzak wat hoger op maar echt behaaglijk warm krijg ik het niet. Gisteren was het een hete dag, Ik heb de deuren opengelaten. Maar nu is het niet warm meer. De wind is gedraaid. Gisteren was het nog heel anders.

Het is warm. Boven het water vliegen de zwaluwen en het riet groeit hard, na een periode met regen. Ik loop naar het water, bezweet na een lange dag gras trekken. De grote houten steiger is leeg en ook het fietspad aan de overkant is verlaten. Ik gooi het lange vest van me af en stap de ladder op die inmiddels diep in de modderige bodem is gezakt. Het water voelt koud aan mijn hete huid, maar al gauw went het. Halverwege de ladder houd ik stil. Ik laat mijn bovenlichaam zakken, tot ik in gehurkte houding op de ladder zit, met het water tot mijn kin. Nu wachten. Als ik heel stil ben komt het. Ik buig mijn hoofd om naar beneden te kijken, het puntje van mijn neus raakt het glinsterende oppervlak. De zon schijnt op mijn ondergedompelde huid en mijn benen zijn van groen goud. Verder zie ik nog niks. Niet wat ik verwacht te zien. Ik kijk weer op en wacht nog langer. Dan voel ik het. Een kleine subtiele aanraking in mijn zij, en nog een, en nog een. Hele kleine mondjes kussen mijn huid. Het is een gevoel dat nergens anders mee te vergelijken is. Als ik opnieuw naar beneden kijk zie ik ze. Kleine visjes zijn het van vijf centimeter lang. Nieuwsgierig verkennen ze mijn lichaam, een nieuw element in hun onderwaterlandschap. Ze zwemmen over mijn gehurkte benen heen en er weer onderdoor. Mijn groengouden huid is omgeven door kleine bewegingen. Kleine mondjes raken me aan. Er komen er steeds meer. Ik denk eraan hoe het zou zijn om hier te blijven, en een waterwezen te worden. Dat er niets anders zou zijn dan ik en de vissen, vertrouwd met mijn vel, dat almaar groener wordt, net als de steiger en het riet. Wonderlijk en tijdloos.

Heel langzaam strek ik me uit. Mijn natte vel glimt in de zon. De visjes schieten weer onder de steiger.

.

Opgeschrikt in een verhaal

Luisterend naar de stem van een stervende rivier

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.



Het is zes uur in de ochtend. Om een of andere reden ben ik wakker geworden en de regen tikt op het dak. Rustige grote druppels zijn het, de wind is kennelijk gaan liggen. Ik stel me voor hoe de insecten en vlinders beschutting zoeken onder grote bladeren. Veel van die planten heb ik zelf gezaaid of uitgezet en ze breiden zich snel uit. In de tuinradijs, onder de moerasandoorn, overal schuilen libellen en vlinders. Het land, de dieren en ik, alles hoort bij elkaar.

Ik luister naar de regen maar val niet opnieuw in slaap. Wacht, ik kan het luisterboek aanzetten, dat ik gisteren geleend heb bij de online bibliotheek.

“Ik ben een berg die op me wacht” heet het. Een fascinerende titel. Nu zijn hier geen bergen. Hier in Fryslân is water. Ook de Swette, het water wat hier al eeuwen loopt, hoort daarbij. Fryslân zonder glinsterende vaarten en meren, dat kun je je toch niet voorstellen? Ik had er zelf nog niet aan gedacht, om de Swette een stem te geven in een verhaal. De schrijfster van dit boek heeft dat wel gedaan. Het is de rivier die spreekt over alles wat hij ziet. Een nomadenvolk leeft al eeuwenlang samen met de stroom. Er is een vrouw, heerlijk als de zon, die haar handen onder zijn huid dompelt. De rivier is verliefd op haar. Er is een zanger die zingt over de rivier en de bergen. En er is ook een jongen die alleen maar dode vissen verzamelt. Stil lig ik te luisteren. Het verhaal kabbelt rustig voort, net als de regen op het dak. Langzaamaan dommel ik weg. Plots word ik wakker. De stem is opeens scherp geworden. “Waarom verzamel je dode vissen?” vraagt iemand. De jongen antwoord: “Ik luister naar hun verhaal. De dode vissen hebben iets te vertellen. Ze zijn bang voor de toekomst. We zien het toch. Het ijs op de berg smelt. Er is steeds minder water.” De rivier hoort het, maar kan het zich niet voorstellen dat dit kan. Het land als een dor gerimpeld vel, zonder hem als stroom en bron van leven. Zonder rivier is er niets meer. Zonder de rivier geen vissen, geen nomadenvolk dat met hem samenleeft.

Ik ben in een keer wakker. Ik had het boek niet eens zo bewust gekozen. Maar dit! De dreiging uit dit verhaal is onlangs werkelijkheid geworden. Gisteren nog plaatste ik het bericht op Linkedin: De gletsjer in Nepal is gestorven. Hoe dramatisch dit ook is, er werd geen enkele aandacht aan gegeven. Natuurlijk hebben we verschrikkelijk veel aan ons hoofd. Maar toch is het raar. Stel je voor dat er geen water meer in de Swette was, of dat de Rijn bijna niet meer stroomde, of dat het IJsselmeer droog stond! Dan piepten we wel anders. In dit verhaal is het of de ziel van het landschap zijn stem laat horen. En wat daar gebeurt, is nog maar het begin. Als de gletsjer sterft sterft de rivier en zonder water is er geen leven.

Nu ik dit gehoord heb, denk ik niet dat ik nog in slaap ga vallen, bij het luisteren naar dit boek. Ik wil horen wat de schrijfster, Sholeh Rezazadeh, mij te vertellen heeft. Het is een noodkreet. Een verhaal van ons allemaal.

“Ik ben een berg die op me wacht.“ Zo heet het. Morgen luister ik verder. En dan met volle aandacht.

Hoe gaat het verder? Ik wist het nog niet. Maar dit is de tekst bij Ambos uitgevers.

De veertigjarige Alma die woont in een woonboot op de Amstel, een rimpelloze rivier. Ze heeft een drukke baan. Op een dag neemt ze een radicaal besluit: ze reist in haar eentje naar Iran. Daar sluit ze zich aan bij een nomadenvolk. Saray hoedt schapen en melkt geiten. Ze is verliefd op een jongen van een andere nomadenfamilie en ontmoet hem in het geheim aan de oever van de Aras, de bruisende rivier die door het ruige berglandschap dendert.

Lukt het Alma om haar jachtige bestaan achter zich te laten? De nomaden leven bij de dag en eten wat de seizoenen te bieden hebben. In plaats van constant op hun iPhone te turen zijn ze verbonden met elkaar. Maar ze worden in hun voortbestaan bedreigd. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger, Aras buldert minder en steeds meer jonge nomaden willen in de stad leven.

(Noot van mij: Is er in de stad nog wel water dan? Als er geen rivier meer is? Dit vraagt om een vervolg.)

‘Met de natuur als een echt personage en de mens als onvolmaakt wezen op zoek naar liefde en verbinding, droom je weg bij elke zin die je leest.’- JAN

.

De zompige tijd na verzending

En hoe je daar weer uit komt.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het manuscript voor “De heilige traagheid der dingen” is af en verstuurd naar de uitgevers. Het werk is gedaan. Maar het moeilijkste stuk komt nu pas. Schrijven vind ik heerlijk om te doen en het verhaal lijkt als een loper voor me uit te rollen. Toen ik klaar was met schrijven, moest er een voorwoord komen, en toen het kwam was ik blij. Er moesten zeven schilderijen komen bij het boek, en ook die zijn af.

Het manuscript is verzonden naar twee uitgevers en de eerste afwijzing is binnen. Geen botte afwijzing maar een lovende, dat scheelt. Maar hoewel ik het min of meer had verwacht word ik er toch stil van. Ik vraag me af hoe het zal gaan met de tweede uitgeverij, de grootste. Hun boeken passen beter bij mij dan die van de andere uitgeverij, dat heb ik al wel gezien. Maar het is zelden dat een onbekende schrijver een “ja” krijgt, zeker bij zo’n grote uitgeverij.
Ik werk op het Verhalenpad, trek het gras weg tussen de zilverschoon en de bessenstruiken. Het meditatieve werk is ontspannend en geeft veel voldoening. Ik kan eindeloos kijken naar alles wat er groeit, zoemt en kruipt. Maar het is of het Verhalenpad iets zijn betekenis verliest, nu het boek met de verhalen stil ligt te wachten op een grote stapel, tussen talloze andere manuscripten. De stilte is dof en in mijn hoofd komen oude gedachten op. Kom ik er wel tussen? Is mijn verhaal wel goed en helder genoeg om te stralen in een boekenkast met andere inspirerende boeken? Misschien wil geen enkele uitgever me. Aan de ene kant is dat wel makkelijk. Dan hoef ik niet vol in de publiciteit om mijn boek te promoten, want dat vind ik best spannend. Ik kan het boek ook zelf uitgeven, zonder franje eromheen. Meteen wijs ik die gedachte af. Geen sprake van dat ik daaraan toe geef. Ik denk aan die ene keer, toen ik twintig was en met mijn studiejaar op een eiland zat. De opdracht was voor mij om een liedje te maken en laten horen. Ik besteedde er een hele ochtend aan en het was geloof ik best leuk, maar ik durfde het niet te zingen. Ik kreeg op mijn kop van de mentor: “Als je je werk niet laat zien kom je nergens.” Dus dat heb ik inmiddels geleerd. Spreken en trouwens ook zingen is geen probleem meer voor me. Ook niet in het openbaar, al is het toch spannend, als je niet weet wat er gaat komen. En toch, misschien komt er wel een gesprek op gang! Maar dan lees ik een boek van een hele goeie schrijver, waar ik echt van onder de indruk ben. En dan ga ik vergelijken. Zo gaan de gedachten rond in mijn hoofd, tot ik het zat ben.

Ik klim uit de hangmat. Eerst maar eens mijn ochtendoefeningen doen. Ik volg dezelfde routine als altijd en ga dan verder met een dansje. Dan kijk ik naar het symbool in de nok. De rode cirkel van de aarde, in vieren gedeeld, het diepe blauw van het universum er om heen. Het is of ik het kleine raampje opnieuw zie, en de symboliek die ik eraan gaf in goede tijden, keert nu bij me terug. De Aarde, het universum, het groeien. Wat ik geschreven heb moest geschreven worden en zal zijn dienst bewijzen. Elk verhaal is de moeite waard om te delen, zeker als er zoveel tijd aan is besteed. Ik zie mensen over hetzelfde soort onderwerpen schrijven, elk op zijn of haar manier, met veel waardering bij publiciteit. Daar ligt het dus niet aan. De betrokkenheid groeit en ook mijn verhaal zal er komen. Sommige dingen duren lang, maar dat is geen reden om de moed te verliezen. Lichaamswerk en dans doen goed. Als het maar blijft trillen. En die negatieve bijgedachten? Ach dat stelt niets voor. Van nu af aan ben ik Oost Indisch doof daarvoor. Als er niemand luistert dan verdwijnen ze vanzelf. En nu ga ik een flink stuk fietsen.

.

.

https://alowieke.blog/inschrijving-de-heilige-traagheid-der-dingen/

Mijn leven met Mol

De mollen hebben het moeilijk. Bij mij woont er een en we leven vreedzaam samen. Ze maken de bodem los, zodat zaad kan groeien in luchtige grond.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

De grond beweegt. Daaronder het oppervlak woont een blind dier dat zich continue een weg baant met zijn puntige snuit en graafhandjes. De mol. Zijn hele lijf doet mee, hij wurmt en wriemelt zich een weg en moeder Aarde koestert hem in haar schoot. Hij maakt de grond los en klaar om nieuw zaad te ontvangen. Zo was het. Maar hij heeft het moeilijk, de laatste tijd. Soms is het kletsnat, dan is het weer kurkdroog. De laatste weken was de kleigrond hard, doordat het wekenlang niet regende. Hij volgt de zandpaden die ik maakte en de grove graszoden die ik ernaast heb opgestapeld. Onder de stapel zoden is het nog vochtig en vol wormen. Het zandpad biedt hem een mooie route langs de beste snackplekken en daar vallen de wormen zo zijn gang in. Langs dat pad staan pas geplante boompjes, en ook die gaat hij af. Hij weet precies welke ik water geef. sporkehout doet niet moeilijk, maar houdt zijn blaadjes klein en groeit niet. Ik giet een volle emmer leeg bij eentje die het wel erg slecht getroffen heeft. Het water kolkt direct de mollengangen in, weg van de behoeftige wortels van de plant. Gauw duw ik proppen klei en hooi in de gangen. Ik druk de grond aan, naar de jonge struik toe, zodat hij op een bultje komt te staan. De mol kan er alsnog omheen om nog een wormpje mee te pikken. Er is genoeg te halen hier, voor mol. Op veel plekken groeit bosandoorn en bladkool, hun grote bladeren maken schaduw op de bodem. Een tapijt van gemaaid en uitgetrokken gras gaat de verdamping tegen en maakt ook dat dit een van de weinige plekken is waar hij kan leven. Ook de rij grote wilgen doen veel goeds. Hier is het nog enigszins vochtig. Tussen die pasgemaaide weiden vormt het een kleine oase. De grond van die weiden is keihard en kurkdroog. Er zit maar weinig organisch materiaal in dit gebied. De droogte maakt de klei bijna zo hard als steen. Hoe zou hij hier moeten overleven? Twaalf uur zonder eten en Mol is dood. Op de Swetteblom onder de bomen mogen ze hun gang gaan en er worden hier geen klemmen gezet en geen glasscherven in hun gangen geprikt. De mensen houden hier niet van die gemene dingen. Het is leven en laten leven. Dus zowat overal waar het maar mogelijk is vind je mollengangen. In de bosjes en langs de bomen, dat zijn favoriete plekken. Daar is de grond rijk aan humus en vol beestjes. Hier wordt de grond niet hard in droge tijden en ook niet zompig bij langdurige regenval. Regen is fijn voor Mol, maar als het teveel is loopt zijn hol onder water en verzuipt hij. Bomen en bosjes bieden hem overlevingskans, in droge en natte tijden. Doordat ik ze plant help ik wormen en mijn Mol. Hij weet mij dan ook goed te vinden. Het terrein rond mijn wagen ligt wat hoger en vormt in natte tijden een veilige haven. Overal zie ik omgewoelde aarde. We leven hier vreedzaam naast elkaar. Ik weet precies waar zijn gangen liggen. Daar stap ik netjes tussendoor, zodat ik niets plattrap en hij geen nieuwe hoeft te graven. Dat wordt immers steeds lastiger als het in de lente weer droger wordt.

Ik geef de mollengangen ook wel eens water. Dat trekt wormen aan. Ja, het gaat slecht met de mol, niet alleen omdat mensen een hekel aan hem hebben, maar ook door toenemende weersextremen. De mol mag daar net zo min de dupe van worden als welk ander dier of mens dan ook. Dus ik zorg goed voor hem. Mijn Mol.

.

.

Luister hier

Koortsig

De wereld is koortsig en ik ben koortsig. Maar zeisen in de vroege ochtend helpt.

.

.

Vandaag geen luisterversie

Koortsig. Koortsig ben ik en koortsig is de wereld. Ik ben dus ziek. Naar de demonstratie kon ik niet, hoewel ik graag mijn solidariteit had getoond ten opzichte van de slachtoffers van het onophoudelijke geweld in Gaza. Terwijl het snot en zweet me uitbreekt kijk ik naar filmpjes op Instagram. Beelden van een Palestijns journalistenteam, kinderen niet meer dan een skelet, bombardementen achter elkaar door, alles in puin. Een uur lang kijk ik en zet onder alles een duim, als een van de duizenden. Ik heb er alle tijd voor. Er is niets en niemand die me vandaag iets zal vragen. En in deze stille uithoek zal er ook niemand langskomen om me onverhoopt te storen. Ik wijd me dus volledig aan mijn taak, tot het genoeg is en ik weer aan mezelf moet denken. Beter worden. Stomen onder een doek, Snuiten in een rol WC papier en die stukjes papier niet ergens tussen proppen maar gelijk weggooien zodat Dick niet ook ziek wordt. Eten koken en eerst de handen wassen. Ondertussen niet in mijn neus peuteren. Ik leer het nog wel, Dankzij corona kan ik nu ook sociaal verkouden zijn. Snotteren en tegelijk aan de ander denken.

.

.

Leren door wat er mis gaat. Sommigen zullen medeleven ontwikkelen, zullen vaker aan anderen gaan denken. Anderen zetten de hielen in het zand, en willen hun eigen vrijheden niet opofferen, noch hun meningen herzien. Zo is het, en daar moeten we het mee doen. Ik doe in elk geval mijn best. En nu is het etenstijd. De bonenschotel is klaar. In mijn eentje eet ik de maaltijd op, blijf nog een poos zitten tot Dick terug komt van de demonstratie. Als hij binnen komt trekt hij meteen het rode shirt uit. Kom in het rood hadden ze gezegd. “We trekken een rode lijn, verder mag het kabinet niet gaan met dit beleid ten opzichte van Gaza”. Dick grijnst, terwijl hij het kledingstuk over een stoel gooit. “Het is mijn Salza shirt. Ik heb de print maar aan de binnenkant gedaan. Maar dat maakte achteraf niet uit, er liepen overal mensen met shirts van voetbalclubs en noem maar op.” Het heeft hem goed gedaan er te zijn geweest, en het heeft mij goed gedaan te weten dat er meer dan honderdduizend mensen waren.

We praten nog even en al gauw ga ik terug naar mijn eigen kleine huis op wielen. Goed slapen, morgen gezond weer op. Dat hoop ik. En inderdaad, ik slaap als een roos. Als ik mijn ogen opendoe voel ik het: Het is een stuk beter. Zoals gewoonlijk open ik de deur, terwijl de eerste ochtendschemering de weilanden betovert. Er hangen dikke vlagen mist over het land. En zoals elke ochtend pak ik de zeis. Welke koorts mij of de wereld ook mag teisteren, het zeisen gaat door. Elke ochtend een half uur. De dauw ligt als een koele deken over het droge gras. Het geluid van de zeis is het enige wat ik hoor. Het land en ik, ik en het land. Het land helpt beter worden. De frisheid van de ochtend maakt alles lichter. Langzaamaan voel ik, hoe de energie weer terugkeert. Een nieuwe dag is begonnen.

.

Het boek zoekt een weg naar buiten

De volgende fase komt eraan. Wat is er om de hoek?

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is zover. Het boek met werktitel: “De heilige traagheid der dingen” is klaar om naar uitgevers te worden gestuurd. Uitgeverij Atlas en uitgeverij Vonk kies ik. Kijken wat het wordt. Er is een prachtig voorwoord bij gekomen, waar echt moeite en aandacht voor genomen is. Ik ben blij dat Fransjan de Waard dit heeft willen doen. Dit, tezamen met de nu al een-en-zestig inschrijvingen geeft mij moed. Het is een bijzonder moment na al die maanden. Stukje bij beetje zijn er vijf jaar overheen gegaan om dit boek te schrijven. Ik neem je mee op het einde van de reis, de laatste wandelingen met de wagen, de laatste ontmoetingen op de weg. Dan de definitieve keuze om te blijven waar ik ben, om echt iets voor de aarde te betekenen. De grote succesvolle droom: rondreizen met mijn eigen gebouwde huis met eigen energievoorziening, opgeven voor een kleine droom. Maar wel een droom met wortels en de andere was gegrond met wielen op asfalt!
Nog steeds ben ik tevreden met die keus, hoewel het soms wel volhouden is. Maar wat een bevrediging geeft het. Als ik zie wat er allemaal is gaan groeien op deze plek, dat is prachtig.
Vier jaar ben ik nu intensief bezig.

Toch sta ik nog steeds bekend als “Die vrouw die altijd maar rondtrekt met haar wagen.” Maf, hoe snel die beeldvorming gaat. Terwijl het maar drie maanden was, dat ik echt rondtrok. Dat zeg ik ook de hele tijd, maar dat maakt geen donder uit. Het was een hit en mensen blijven het zeggen. Terwijl ik de afgelopen vijf maanden maar een keer in de trein heb gezeten en nooit verder ben geweest dan Leeuwarden. In het dorp zijn kinderen die me naroepen. “Alowieke! Zwerver! Alowieke!” Het is mij een raadsel hoe ze mijn naam weten. Ben ik zo bekend? Blijkbaar wel. Gisteren fietsten ze me het hele stuk achterna, vanaf de huizen bij de melktap tot aan ons pad. Ik hoorde hun stemmen, maar keek niet. Toch was er iets veranderd. Ze riepen alleen nog mijn naam, zonder zwerver erbij. “Alowieke, Alowieke!” Misschien was het toch iets belangrijks. Ik stopte en keek met een ruk achterom. Daar stonden ze op een kluitje met hun fietsen. Met een hoop gegiechel en gilletjes keerden de kinderen zich gauw om. Ik haalde mijn schouders op en reed door. Kennelijk ben ik niet alleen bekend maar ook nog een spannend tijdverdrijf. Misschien moet ik ze maar eens met de hooivork achterna. Zullen ze vast leuk vinden.
Toch is het raar om bekend te zijn. Hoe mensen iets interpreteren dat weet je nooit. Dat hoort erbij. Laat ze maar denken. Het is geen reden om iets niet te doen. “Doch dyn plicht en lit de lju mar rabje” zegt een oude Fryske tegelwijsheid. Dus dat doe ik. En laat de kinderen zich maar vermaken. We maken er wat moois van. Als we willen is er immers zoveel mogelijk! We kunnen onze direkte omgeving transformeren tot een groeiende oase. Laat de inspiratie voortrollen als een golf, van de een op de ander, totdat niemand meer weet waar het vandaan kwam. Laat het protest tegen de rotgang der dingen zich naamloos en vanzelfsprekend transformeren in een overvloed aan tijd. En dat die tijd zich dan manifesteert als een prachtig paradijs, waarin alle leven een plek vindt om te groeien. Dat is mijn wens, die ik meegeef met het boek. Een boek zoals er vast meer zijn geschreven. Dat het bij elkaar komt als een rivier en stromen gaat. Dat wens ik.

.

.

Inschrijven kan nog steeds!

De banden herstellen

Moet je eerst tussen de indianen leven om de band met de Aarde en elkaar te herstellen?

.

In de nok van mijn wagen is een heilig plekje. Het vormt een symbool voor de achtergrond van dit verhaal.

Soms speelt de verleiding om op ontdekkingstocht te gaan. Een droom die al lokt sinds mijn jeugd. Landen zien waar ik van lees. Ik zie mensen rondgaan met verhalen over een indrukwekkend verblijf bij indianenstammen. Zou ik dat ook niet willen? Er zijn er genoeg die het doen. Wat voor verlangen is dat, wat hier kennelijk niet te bevredigen is?
De vraag laat me nog niet los. Ik lees verder over diverse stammen in Noord Amerika, en hoe zij naar de wereld kijken. Er is herkenning. Maar moet ik er dan ook heen? Er zijn mensen die een tijd leven in een stam en dan terugkeren met een indiaanse naam. Na een tijd tussen hen te hebben geleefd zijn ze erkend als “Indiaanse ziel”. Er zijn verschillende manieren, waarop indianen anderen erkennen als verwanten. Er zijn stammen in Noord Amerika, die vinden dat je voor een bepaald procent indiaanse genen moet hebben om indiaan te zijn. Maar er zijn ook veel traditionele indianen die dat soort sommetjes maar een westerse uitvinding vinden. Ze vinden het belangrijker dat je een band beleeft met de familie, clan of stam. Bij zulke stammen zul je wellicht een warm welkom vinden. In een langdurig bezoek kan je voor het eerst het gevoel hebben opgenomen te zijn in een gemeenschap. Misschien kom je dan met een glimmend gezicht terug, herboren met een nieuwe naam. “Toen ik bij hen in die zweethut zat had ik het gevoel thuis te komen.” Misschien is dat het, wat we hier missen. De band met elkaar, de terugkerende rituelen. Stel dat het zo is, dat erkenning door een Indiaanse stam werkt als een soort zielsdiploma. Met een nieuwe naam die vertelt dat je als mens je volledig inzet voor de aarde en alles wat daarop leeft. Een band die verder gaat dan die van directe familie. Ten slotte zijn velen op zoek naar die verbondenheid. Dit is een tijd waarop veel families uit elkaar geslagen zijn, hier én daar. Vooral voor hen is het leven hard. Na 1890 werden indianen niet meer vermoord, maar geestelijk kapot gemaakt. Kinderen zijn bij hun ouders weggehaald of onder grote beloften weggelokt en op kostscholen beland. Er was veel misbruik en geweld en een totaal gebrek aan genegenheid. De trauma’s zorgen ervoor dat ze geen band meer kunnen aangaan met wie dan ook en huiselijk geweld zet zich voort in hun kinderen. Het is heel wat je daaraan te ontworstelen. In ons eigen continent hebben we heel andere oorzaken van verwijdering: Individualisme, te grote verwachtingen, te hoge eisen die worden gesteld aan leven en werk. Allemaal zijn we op zoek naar manieren om ons te bevrijden en om weer thuis te komen. Hoe kunnen we de banden herstellen met moeder Aarde en elkaar?

Ik kan wel begrijpen dat iemand zich voor een tijdje wil warmen in een oude traditionele gemeenschap rijk aan menselijke en spirituele waarden. Maar dat moet hier toch ook kunnen! Ik lees over hen, en leef me in. Ik begrijp het en voel het: leven vanuit eenvoud en bescheidenheid, met respect voor wat is. En als ik op die manier verwantschap voel met deze oude volkeren, waarom zou ik er dan naar toe gaan? Voor erkenning wie je echt bent? Het gaat toch in de eerste plaats om het hier weer terug te krijgen, een warmhartige samenleving, de Aarde, het groeien van een gezonde bodem. De vraag is: Hoe begin je. Misschien ben je eerst alleen, maar komt er later meer uit voort. Zo heeft het urenlange werk in mijn eentje met zeis en sikkel mij op een idee gebracht: Misschien is het mogelijk een zeisbrigade op te zetten. Mijn buurman wil graag meedoen, “Misschien kunnen we klompen gaan maken met ons eigen embleem erop” zegt hij. Een eigen stam, maar dan in Friesland. Als je iets wil, moet je er om te beginnen niet alleen in staan. Het is goed als er anderen zijn, die zich oude waarden herinneren.

We moeten terugkijken om te weten hoe het was. Ook wij hebben tradities in gemeenschappelijke banden. We hoeven daarvoor niet per se naar een verre Indiaanse stam. Ook wij hadden rituelen en eeuwenoude seizoensfeesten. Hele groepen werkten vroeger samen. Als het maaitijd was in het weidegebied, dan werkte de hele familie mee en ook anderen. Als het lunchtijd was, dan kwam oma met een grote kan koffie en roggebrood met spek of kaas. Nu moet oma zeventig euro per maand betalen voor koekjes bij de thee, in het bejaardentehuis. Het land smeedde banden tussen mensen. De warmte en de samenhang is zoek. Dit terug te brengen is het thema voor ons en onze kinderen.

In die andere werkelijkheid valt spiritualiteit en politiek samen. Een echte leider leeft bij het spirituele Lakotavolk volgens zeven waarden: Gebed, respect, zorg en medeleven, oprechtheid en eerlijkheid, generositeit, bescheidenheid en wijsheid. Hierin voor elkaar een voorbeeld te zijn. Daar begint herstel, Misschien gaan er nog enkele generaties overheen, voor het zover is. Maar ik werk mee aan de transitie, zolang als ik er ben.

.

Dit verhaal is een verkorte versie van een paar pagina’s uit het nog niet gepubliceerde boek: De heilige traagheid der dingen.