Noten kraken, nou kan ik het

Nootje
Augustus 2013. Ik zit op het stenen trapje van een Roemeens huis en kraak noten. De hele dag al. Het zijn noten van vorig jaar, maar ze zijn nog steeds lekker. De ene na de andere sla ik in stukken. De begeerlijke stukjes noot peuter ik er geduldig tussen uit. De zon schijnt warm en verderop zijn de anderen een kelder aan het restaureren. Ik kijk hoe het werk vordert terwijl ik de gepelde noten in de kleine emmertjes gooi. Er heeft yoghurt in de emmertjes gezeten en er hoort een deksel op. Er staan een stuk of wat voor me, leeg, schoonwassen en klaar voor hergebruik.
Aan het einde van de dag heb ik vier emmertjes vol. Ik pak de laatsten om te kraken. Er zijn al heel wat uren verstreken. Ik vraag me af hoe ze dat in een echte notenkrakerij doen. Ik speel wat met de noot in mijn hand, en leg hem net iets anders op het steen. Met de punt naar boven. Dan geef ik één kleine doelbewuste tik op zijn kop. De schil valt tot mijn verrassing uiteen in vier gelijke delen en er midden in ligt de inhoud. Helemaal punt gaaf. Ik kan hem zo pakken. Wat een ontdekking! Jammer dat de noten op zijn.

Oktober. Het heeft hard gewaaid en bijna alle noten zijn van de boom gevallen. Het zijn er veel, er staan hier heel wat walnotenbomen tussen de aangeplante bossages. Ik mag ze ook verzamelen, maar laat het meeste liggen voor de anderen. Een aantal zijn platgereden. Die zijn voor de kauwtjes en de kraaien. Ze smullen ervan. Ik schop hier en daar een noot opzij, van het oprit af. Dan kunnen anderen die later oprapen. Er zijn grote noten, kleine noten, van alles wat.
De oogst is een flinke schaal vol. Hij staat voor mijn neus op de kurkvloer. Ik zit ernaast. Leuk, nu kan ik mijn nieuwe techniek gaan oefenen, die ik ontdekte in Roemenië. Een gedeelte heb ik gedroogd in het oventje dat bovenin mijn tegelkachel zit. Het wordt daar nooit heet, en het is een perfecte droogplek voor hout en noten. De droge noten liggen klaar, naast de steen waar ze straks een tik op hun kop krijgen. Er liggen ook natte noten bij. Sommige hebben zich volgezogen met regenwater, via een kleine opening aan de bovenkant, waar het steeltje van de bolster gezeten heeft. Hoewel de buitenkant van sommige noten er schimmelig uitziet, is de binnenkant nog goed. Het is goed dat ik ze meteen stuksla, bedenk ik tevreden. Dan kunnen ze niet verder rotten.
De ene na de andere noot ontmoet de platte kant van mijn bijl. Ik maak in snel tempo een bergje. Daarna pel ik ze achter elkaar, en gooi de droge exemplaren in een grote glazen pot. De natten gaan in een zware gietijzeren pan, dan kunnen ze straks verder drogen boven op de kachel. De doppen zijn voor de kachel, die gebruik ik als aanmaakmateriaal. Ik geniet van de snelheid, waarmee het gaat. Bijna alle noten komen er heel uit en zonder omslachtig gepeuter. Dit is dus een manier. En wat leuk dat ik dit nu ook aan anderen kan vertellen. Noten kraken, nou kan ik het.

Hoe kraak ik een noot heel

Walnoot, een grote

Blijven bewegen is voor mij van levensbelang

Ik noem dit `de Varaan`
`Twintig keer!` roep ik terwijl ik hijgend overeind kom. Een van mijn ochtendoefeningen is opdrukken, en dat heb ik zojuist gedaan. `Je bent een bikkel.`zegt Dick. Hij zit vanaf de bank naar mij te kijken. `Dat kunnen veel mannen niet eens,`zeg ik met kinderlijke trots. Dick knikt. `Blijven doen`, zegt hij. Dat zal ik zeker.
Mijn ochtendoefeningen worden steeds uitgebreider. Het is een mix van van alles en nog wat. Ik pik hier en daar op wat me bevalt, en dat stop ik in mijn programma. Yoga, fysiotherapie, krachttraining, shaken, lenigheid en evenwichtstraining, en vast nog wel meer, waarvan ik niet meer weet hoe het heet. Een half uur in de ochtend. ´s Avonds houd ik het bij tien minuten. Twee keer tien minuten per dag, dat is eigenlijk al genoeg. Genoeg voor mij, om fit te blijven. Ik vind het leuk. Dus komen er steeds meer oefeningen bij, en soms verzin ik ze zelf. Het werkt als een speer. Ook als ik me bij het opstaan niet zo denderend voel, dan knap ik er van op. Spanningen verdwijnen al gapend. Ik vind het altijd fijn, als ik eenmaal begin.

De tafel is leeg. Mijn regel is dat ik alles meteen opruim, als iets klaar is. Zo kan ik de kleine ruimte elk ogenblik geschikt maken voor iets anders. Het ene moment is het een gymzaal, het volgende moment een eetkamer of werkplek. Boven de pas gemaakte tafel hangt een hangmat aan het plafond. Het kost nauwelijks moeite om even de tafel even in te klappen en het witte katoen te laten zakken. Hoe klein het hier ook is, er is veel mogelijk. De ruimte om me heen is licht, open en beweeglijk. Net als ikzelf, nu. En ik werk er aan om het zo te houden. Elke dag. Natuurlijk heb ik ook weerzin. Vaak genoeg. Ik denk dat iedereen dat wel heeft. Het stukje zitvlees zeurt graag. Ik besteed er zo min mogelijk aandacht aan. Ik denk er aan hoe fijn het is om lekker rustig mijn oefeningen te doen in een opgeruimde kamer. Dat helpt. En het beloont zich. De tijd die ik eraan besteed lijkt zich te vermenigvuldigen. Ik krijg er veel frisse en gezonde tijd voor terug.

Blijven bewegen is voor mij van levensbelang. Ik heb een tijd achter me gelaten die even bloemrijk was als zwaar. Ik heb veel opgeruimd en er jaren over gedaan om te kiezen wat ik daarvan mee wilde nemen. Dat heb ik toen ingepakt. Het was klaar en ik kon gaan. Ik voelde het tot in mijn kleine teentje. En zo ging het ook. Ik ben een pad op gegaan waar ik steeds al naar op weg was. Het pad van speelse eenvoud, dicht bij de aarde. Soms vol verrassingen, soms lang en traag. Dikwijls wandel ik alleen, langs dezelfde velden, over hetzelfde bospad. Niet zo´n heel bijzonder bos, maar toch steeds anders. Waar ik heen ga weet ik niet. Maar één ding weet ik zeker, ik had die omslag nooit in gang kunnen zetten als ik niet steeds in beweging was gebleven.

Ingewikkelde gym in de wasruimte

Zeven maanden zonder

Simpel zonder
“Als één persoon zegt dat iets zo is, dan zou ik dat eerst onderzoeken.” zegt Dick. Het gaat over bruinkool. Ik ben bezig met de as uit mijn Zwitserse tegelkachel. ’s Nachts doe ik er een broodje bruinkool in, dan is de kachel de volgende ochtend nog steeds warm. Bruinkool gloeit lang door. Maar is mijn as dan nog vruchtbaar voor de bodem, dat is de vraag.
“Dat uitzoeken is toch lastig Dick,” zeg ik “zonder internet.” Dick vind het wel fijn, mijn internetvrije zone. Als we elkaar ontmoeten dan is er geen enkele stoorzender. Daar komt bij, hij is de hele dag al aan het internetten, voor zijn werk. Mijn leven ziet er heel anders uit. Om te internetten fiets ik vier kilometer naar Diessen, door het bos. Al sinds april. Hoe langer ik zonder internet ben, hoe minder ik er voor op pad ga. Als je ergens weinig in stopt, komt er ook steeds minder uit.

“Gesloten” staat er op de deur. Ik zet mijn fiets neer, naast het internetcafé. Daar staat een houten bankje. Nat van de regen. Met een vodje katoen, dat aan mijn fietskar hangt, veeg ik de druppels eraf. Voor mijn neus staat een auto geparkeerd, ik kan er nog net tussen met mijn benen. Ik kan ook nog drie kilometer doorfietsen naar de bieb in Hilvarenbeek. Maar dat doe ik niet. Ik blijf nu hier, op het houten bankje. De eigenaar van de auto komt terug. Hij kijkt me verbaasd aan en en bedankt me voor het passen op zijn wagen. `Graag gedaan`, zeg ik en buig me weer over het beeldschermpje. De tijd vliegt, als ik de onophoudelijke stroom mail aan het bijwerken ben. Er zit maar weinig bij wat echt voor mij bedoeld is. Toch is er zomaar een uur voorbij. Op mijn gemak van alles bekijken, bewerken en opzoeken, daar komt het niet van. Dat is bijna altijd zo. Ik begin dat nu te missen. Zonder internet in huis drijf ik langzaam maar zeker af, van de rest van de wereld. Zo voelt het. Als een eilandje.

Het was prettig, een lange poos zonder. Het gaf me rust om hier helemaal te zijn, zonder afleiding. Ik kon kijken naar wat ik nog allemaal heb. Het overbodige heb ik weggedaan. Een compacte verzameling boeken staat nu op de plank. Over planten, metselen, houtbewerking, spoorzoeken, vogels, insecten, schiemanskunst, en meer. Ik heb alles doorgenomen en weet nu precies waar ik aan toe ben met mijn spullen.
Zeven maanden zonder internet. Dat was het. Ik ben er klaar mee. Ik wil ook weer dingen lezen die niet op mijn boekenplank staan. En kletsen met vrienden. Soms vraagt iemand me naar foto’s en tekeningen. Zonder internet kan ik maar beperkt delen, wat ik hier uitwerk. Ik wil het zelf ook graag. Ik besef het nu. De internetvrije periode is voorbij. Maar nog niet helemaal. Eerst moet er aan gewerkt worden. Ik heb gevraagd om Wifi op de camping en de kans is groot dat het binnenkort voor elkaar komt. Iedereen die hier komt kan er dan van mee profiteren. Als het voor elkaar is vier ik een feestje. Ik zeg wel wanneer.

Inmiddels weten we meer. Onze camping ligt te ver van het snelle netwerk. We kunnen niet meer dan 2 MB krijgen en het kost een hoop geld om het aan te leggen. Geen Wifi dus. Ik kijk nog even wat ik nu ga doen.

Spin houd er bijna mee op.
De spin op mijn deur is niet meer zo ijverig.

Spin is weg
De volgende dag is hij verdwenen.

Toch een tafel

Grenenhouten poot van de tafel
“Ik heb vier jaar niet op een stoel gezeten” zei een kennis ooit tegen mij. “Ik woonde tussen Afrikaanse stammen. Niemand had daar tafels of stoelen. We zaten gewoon op de grond.” Ik vond het leuk wat ze vertelde. Het bracht me op een idee. Toen ze weg was heb ik van een rij rieten stoelen de poten afgezaagd, en ook de rugleuningen. Het resultaat was een reeks leuke zitjes. Mensen vroegen me waar ik ze vandaan had. Dat vertelde ik met plezier.
Nu woon ik hier dik een jaar. Ik heb nog steeds geen tafel en stoelen. Ik vind het niet nodig. Er is een bank en een kurkvloer. En schapenvachtjes. Daar kun je ook lekker op zitten. Werken en eten kan ik overal. Sommige mensen stappen verbaasd mijn kleine huiskamer binnen. “Geen tafel? Dat zou het eerste zijn wat ik neer zou zetten.” Ik haal mijn schouders op.

Het is een heerlijke herfst, bijna zomers. Ik sta op het bordes van mijn woonwagen en kijk over het veld in de ochtendzon. Er hangt al dagenlang een aanstekelijke werksfeer. Ton de beheerder, werkt aan een dak voor het huis, dat achter mijn woonwagen staat. Zijn zoon maakt een dak op de loods verderop. Ik ben ook lekker bezig. De verfpot staat de hele dag klaar en ik schilder alles fris en licht. Ik verf en ik timmer. Alles wat nodig is. Tot het donker wordt.
Als ik in bed lig komen de ideeën. Ik heb een notitieboekje naast me liggen, want als ik het niet meteen opschrijf, dan slaap ik niet. Van onder mijn dekens kijk ik opzij de kamer in. In het schemerdonker zie ik de contouren. Van de nieuwe kast waar ik zo blij mee ben, de wit omlijste spiegel aan de wand er tegenover. Mijn blik blijft rusten op de lege ruimte er tussen. Ik staar naar die plek, het vraagt om iets. Daar onder de spiegel, daar hoort een tafel, besef ik. Ik sta op en doe het licht aan. Mijn besluit staat vast. Ik ga een opklap-tafel maken. Een sterke, lichte constructie. Ik pak mijn boekje, schrijf alles op en teken het uit. Daarna val ik als een blok in slaap.

Twee dagen werk was het. De tafel is af en ik vind hem mooi geworden. Hij hoort bij de wagen, net als de kast en de spiegel. Wat is dit nu een fijne plek geworden. In tien dagen tijd heeft Jufrouw Kolibri een complete metamorphose doorgemaakt.
De vraag is nu, waar gaan we op zitten? Er is een kruk. Die is van mijn vader. Hij wil hem terug. Er is ook een mooi oud kistje. Met een deksel. Er ligt nu steeds een kussen op. Als ik dat eraf haal zie ik letters. “Atlantic Amsterdam”. Het kistje is één van de weinige overblijfselen uit mijn werfkelder in Utrecht. Zo’n kistje heeft meerdere functies, dacht ik. Je kan er op zitten, je kan er wat in stoppen en hij is mooi.
Daar staat hij dan. Een zwaar ding. De letters zijn bedekt door wat er op ligt. Niemand kan het zien, dat hij mooi is. En wat zit er nou in? Het zijn papieren, die ook best in de nieuwe kast kunnen liggen. Ruimte zat. Gisteren zei nog dat ik meer kistjes wilde. Allemaal om op te zitten en overal spullen in. Maar ik wil helemaal niet meer spullen. Ik wil er juist minder. Wat bezielt me eigenlijk. Ik weet best wat ik het liefste heb. Ik wil iets om op te zitten. Geen kistjes. En dit kistje gaat ook weg. Het is hard, maar zo is het. Opklap-krukjes wil ik. Licht en simpel. In elk geval vier.

Kistje is niet meer te geef.
Kistje voor vrachtvervoer over de oceaan

De nieuwe tafel onder de spiegel.
Opklaptafel in woonwagen

Het is of het er altijd al heeft gestaan.
Uitzicht door de deur met kast en laptop op tafel.

Ingeklapt. Let op uitstekende pen. Haal die eruit en dan kun je de poot eronder weg halen. Heel simpel.

Tafel ingeklapt

Achter de blinde wand

.

Achter de blinde wand, een nieuw raam.

 

Ik kan gaan reizen om de wereld met een andere blik te bekijken. De opwinding voelen van het ontdekken. Maar ik wil ook rust, om iets op te kunnen bouwen. Dus ik heb de oplossing dichtbij gevonden. Ik heb gewoon een nieuw raam gemaakt. Nu zit ik lekker rustig een kop koffie te drinken op de bank, en kijk mijn ogen uit. Vroeger was hier een wand zonder venster. Ik zat hier ook nooit. Vanaf de andere kant van de bank, kon je nog een beetje naar buiten kijken. Het glas van de deur was de enige doorkijkje. Aan de andere kant was een dooie hoek. Nu is dit het mooiste plekje geworden. Als ik dicht tegen het raam aanzit, dan kan ik het hele grasveld over kijken. De lucht is blauw en alles is zonnig en licht, daar achter die blinde wand. En wat een boel andere dingen zie ik nu. Verderop is iemand aan het werk. Een man harkt snoeihout bijeen van coniferen en een walnotenboom. Zijn lange, grijzende haar is bijengebonden in een staart. Hij woont hier ook, in de pipowagen die verderop onder de bomen staat. Hij heeft mij gisteren geholpen, met het raam inzetten. Ik vind het leuk dat hij weer terug is. Een lange tijd was hij weg en het was de vraag of hij terug zou komen. Hij heet Reik. Reik is timmerman en muzikant. Gisteren had hij het erover dat hij wil beginnen met workshops geven. Instrumenten maken. Reik heeft nog veel meer dromen over wat we allemaal kunnen doen op dit mooie terrein.
Mijn gedachten dwalen af, tot ik een reiger zie overvliegen, en een groep kauwtjes. Ze vliegen verder, voorbij de bomenrij, die het einde van het terrein omsluit. Ik kan eindelijk zien wat er is, achter die blinde wand! En dan de warme zon erbij, het lijkt de hemel wel.
Ik vraag me af wat ik nog meer te zien zal krijgen, door dit raam. Zullen het altijd dezelfde bomen zijn, dezelfde mensen en dezelfde horizon? Ik denk het niet. Ten slotte heeft mijn wagen wielen. Maar lang fantaseer ik er niet over. Want zover is het nog niet. Er is werk aan de winkel. Ik drink de laatste slok van mijn koffie en zet de mok op het aanrecht. De pauze is voorbij.

De ene verandering lokt de andere uit. Er is nu ook een kast op mijn pad gekomen. Een echte pipowagen-kast. Gebracht tot voor de deur, zonder dat ik er naar op zoek was.
Ik doop de punt van de kwast in het blik. Ik schilder hem wit. Dat oogt veel ruimer in mijn kleine huiskamertje. De laatste jaren had ik een hekel gekregen aan dat eindeloze geverf. Tot mijn verrassing is die weerzin nu helemaal weg. Wat ik nu te onderhouden heb is te overzien en het komt ook af. En als het af is, dan kan ik gaan zitten, ernaar kijken en genieten. Vroeger was er nooit iets af. Ik zat ook nooit echt lekker. Er was altijd een hele berg onderhoud te plegen. Een rijstebrijberg tot over de nok, dat was het. Niks uitzicht. Die tijd is nu voorbij. Ik ben er klaar mee. Ik ben erg blij met wat ik nu heb. Niet teveel, niet te weinig, precies genoeg voor mij. En ik heb een raam. Een echt venster. Eindelijk.

.

Gerestaureerde pipowagen-kast .

Ik heb de kast niet zonder ongelukken af gekregen. Toen ik even weg was, begon het ineens hard te waaien. Hij is omgevallen, boven op een pot. Deuren ontzet, overal splinters. De ene deur was er ernstig aan toe. Ik heb hem onmiddellijk gerestaureerd. Het is geen sjieke kast meer, maar eigenlijk is hij nou mooier. Ik heb hem meteen vastgeschroefd aan de muur.

.

 

Boom geveld
Heb twee coniferen omgezaagd, die pal naast de kersenboom stonden en nogal nadrukkelijk aanwezig waren.

.

Uitzicht
Dit is het uitzicht vanuit mijn nieuwe raam, als ik er recht doorheen kijk. Je ziet de scheefgegroeide kersenboom. Zonder de twee coniferen. Er is weer lucht en licht te zien. Fijn!

Lekker niksen

.

Kersenboom tekening.

.

Vorige week was het. Ik zat op mijn schapenvacht en keek naar buiten. Er was niet veel wat bewoog, behalve vallende druppels van een druilerige regenbui. De kachel was warm en mijn voeten ook. Misschien dat ik zo wel aan het werk kon gaan, voor de cursus permacultuur. Het werk, wat al een tijdje lag te wachten. Want op die warme zomerdagen is er altijd een hoop te doen. En die waren nu voorbij. Ik kon een tekening gaan maken van de kersenboom, voor mijn deur. Dat leek me wel wat. En dan niet zo in een hoekje gedrukt, zoals hij er nu bij stond, maar zoals ik hem zou willen zien. Lekker vol in de kruin. En in plaats van een rij coniferen een kruidige en bloemige ondergroei en bessenstruiken ernaast. Het paste toevallig nog in één van de opdrachten ook, bedacht ik vrolijk. Maar ik bleef toch zitten op mijn schapenvachtje. Ik keek naar een eenzame duif, die wegvloog, het struikgewas in. Ik haalde adem en luisterde naar de druppels op mijn dak. Tot ik me bijna ging vervelen. Toen pakte ik mijn pen en het kleine boekje, met nog zoveel lege bladzijden. Ik trok een lijn, en een volgende. En nog één. En vergat alles. Zelfs de tijd.

Een week later.

Misschien is dat het wel. Het begin van alles. Niks doen, niks hoeven. Hoe kan ik iets creëren als ik druk ben met bedenken wat ik allemaal nog moet en wil? Dan komt er niks uit mijn vingers en schiet het nog in mijn rug ook. Vorige week zat ik er helemaal in. Nu niet. Wat houdt me tegen? Ik heb het idee dat ik gigantisch achterloop, met het huiswerk. Een groot MOETEN kerft zich met onzichtbare letters op de grond voor mijn voeten. De weerzin om ermee te beginnen nestelt zich opstandig in mijn buik. Dan maar niet, denk ik dwars. Ik kies toch lekker zelf wat ik wel en niet wil doen. Loop ik ergens mee achter? Nee toch. Alles wat ik doe, doe ik één voor één en alleen als ík het leuk vind.
Ik kijk en ik luister. Naar de kruisspin met zijn grote web. Hij zit midden op het raam van mijn deur. Als ik die opendoe beweegt het web een beetje maar de spin blijft onverstoord in het midden zitten. Verderop zie ik de appel- en perenbomen staan. Ik kijk naar de enorme hoeveelheid rijpend fruit aan de takken en op de grond zie ik enkele rotte. Zouden we die ooit op krijgen, vraag ik me af. Ik zie een paar slome wespen in een half afgeknabbelde peer, en een dichte menigte kleine vliegjes. Ik loop verder, het pad af en kijk naar de gele platgespoten akker naast onze camping, al vind ik het niet leuk om te zien. Ver weg is een land dat Roemenië heet. Waar bodem en grondwater nog niet verpest zijn met gif en drijfmest. Maar nu ben ik hier. Ik wandel langs de hoog opgegroeide maisvelden omdat het daar minder waait. Als ik daarna terug kom en mijn tuin inloop vraag ik me af of de heidekikkers er nog zijn, daar tussen de uitgebloeide boekweit. Tot mijn verrassing zie ik nog een enkel bijtje, dat het geluk vond mijn zonnebloemen te vinden.

Er is wat er is. Ik wandel of kijk uit het raam. Meer niet. En dan is er lucht. Met de oprechte blik van een kleuter kan ik moeiteloos aanraken en uittekenen wat zo straks buiten bereik was. En met het geduld van een oude vrouw kan ik het afmaken tot in de details. Ik pak mijn boekje en mijn fijne zwarte pennetje, want ik heb een nieuw idee. Het spel begint weer..

.

.

.

Knijpen in het stuur

Spannende manouvres met de trekker
Buiten is het koud, binnen warm. Er breekt weer een stille tijd aan, die kan duren van half september tot helemaal in mei. Afgelopen voorjaar woei er wekenlang een snijdende oostenwind. Heel even kwam er een warme lentezon tevoorschijn, maar al gauw was hij weer verdwenen. Het was mijn eerste overwintering in een pipowagen. Een lange winter bij de kachel.
Ooit las ik een interresant boek over klimaatverandering. Ik herinner me een hoofdstuk over kou. De noordpool smelt en het ijs drijft de oceaan in. Het water koelt af, net als ijsblokjes in een glas limonade.
Als ik zie wat er nu gebeurt, dan lijkt het er aardig op. Ver van hier plonsen ijsmassa’s het water in en dobberen verder via onze Atlantische golfstroom, die altijd zo lekker warm is geweest. Maar nu niet meer. Als de stroom vanuit de Noordpool bij ons aankomt zijn de brokken ijs al gesmolten en weg. Maar de kou nog niet. Ook de lucht erboven is frisjes, en de zon moet veel langer schijnen voor de boel is opgewarmd. De golfstroom is de oude niet meer. En warmte en koudeverschillen maken uit welke kant het water en de lucht opstroomt. Verandering van temperatuur betekent dus verandering van richting. Alles gaat een andere kant op, het water en de lucht erboven. Maar hoe, dat weet niemand van te voren. De chaos en stress wordt steeds groter.
Maar als al het ijs straks gesmolten is, en de oceaan is warmer dan ooit, wie weet kunnen we dan lange warme lentes meemaken. Dan hoef ik niet meer acht maanden per jaar mijn kachel warm te houden. In plaats daarvan kan ik maandenlang van de natuur genieten, zaaien en oogsten. Dat zou allemaal kunnen. Misschien ook niet. Het kan ook heel spannend worden. Wie weet ligt Eindhoven straks wel aan zee, en de camping onder water. Dan hebben we hier geen luistertuin meer, maar een verzopen tuin. Welke droom levensvatbaar is en welke niet, dat moet ik nog zien. Dus ik heb meerdere ideeën op zak. Dan is er altijd wel eentje te gebruiken, met een paar aanpassingen.

Eén ervan is om een trekkertje te kopen. Een klein antiek ding zie ik voor me, sterk genoeg om mijn pipowagen kan slepen. Lijkt me handig, dan kan ik altijd weg. Met wagen en al.
Toch moet ik er nog even over denken. Pas geleden heb ik voor het eerst trekker gereden, bij een bevriende boer. Dat was een stoere joekel van een ding, met enorme wielen. Ik had het gevoel alsof ik op veel te grote klompen liep. De boer lachte zich slap. Toen ik op de stoel geklommen was, kon ik nauwelijks bij de pedalen. We zijn ook de weg opgereden. Heel hard, over een smal landweggetje waar geen twee auto’s naast elkaar op pasten. Ik kneep in het stuur alsof mijn leven ervan af hing. Vooral toen er een tegenligger aan kwam. Ik ben water gewend, waar ik veel rustiger mijn koers kan bepalen. Ik kijk ook graag om me heen. Op zo’n snel ding met vier wielen is dat toch anders. Ik denk dat ik de volgende keer maar niet meer zo hard ga, en ik ga ook niet meer op weg met zo’n grote. Misschien wordt het dan wel wat.

Ik voel het aan mijn water

.

Water, beweging, licht

.
De regen is begonnen. De hele nacht door klettert het op mijn dak. De paarden staan nat in de wei, en de vogels zitten nat in de boom. Sommigen hebben een droog plekje gevonden. Het zwijntje heeft in zijn hok een flink bed gemaakt van perzikkruid, het enige op zijn terrein wat hij niet lust. Hij is nu ook niet meer zo vaak buiten en dat begrijp ik best. Ik zit nu ook binnen, in mijn pipowagen. Als de regen stopt en de zon doorbreekt, komt iedereen tegelijk naar buiten. Vogels uit de bosjes, konijnen uit hun hol, het zwijntje uit zijn nest. Ik loop op het gras, dat alweer groener wordt en geniet van de frisse lucht. Maar al gauw begint het opnieuw, met flinke druppels valt het uit de lucht. De twee vijvers worden weer voller en voller. Zo is het wekenlang kurkdroog, zo valt al het water in één keer.
Ik zie boeren in het prille voorjaar door enorme plassen rijden. Vaak wijken ze uit naast het pad omdat de plassen op de zandwegen te diep zijn geworden. Ik zag ze deze zomer dagenlang hun stoffige land beregenen. Het weer lijkt steeds extremer te worden.
Hoe is dat in het verre oosten van Europa? Ik sprak er over, met Roemeense vrienden. Ook zij zien verschil met vroeger. Nog niet zo lang geleden waren de winters er hard en streng, maar nu blijft het een hele tijd kwakkelen, voor het in januari eindelijk eens gaat vriezen. Het vriest dan ook niet zo hard meer als vroeger, maar er is wel veel meer neerslag, in vorm van sneeuw. In de zomer zijn er lange periodes dat het niet regent. Net zoals hier steeds vaker gebeurt. Bij hen komen de invloeden van twee kanten. Het landklimaat begint pas echt achter de bergrug, maar in Transylvanie voel je het al wel. Achter de Karpaten, daar begint de vaste regelmaat van strenge winters en warme zomers pas echt.

Ik vind water fascinerend. Het is onvoorspelbaar en wisselt steeds van vorm. Misschien is het ook een reden, dat ik me aangetrokken blijf voelen tot dit land, waar ik geboren ben. Het water. Het rijst op en trekt zich terug. Het verdampt en daalt zachtjes neer op de geurende grond, vriendelijk als een lichte lenteregen. Of het stort naar beneden als een wolkbreuk, stof en aarde met zich mee sleurend, de zee in. Water kan alles om zich heen transformeren. Ons land is ervan doordrongen. Onze bodem is vol verhalen erover, al zijn de meeste allang vergeten.
En nu. De dagen worden korter en de avonden langer. Na langdurige droogte is de lucht weer zwaar van vocht. Ik zie sommigen plannen maken om te vertrekken naar zonniger en drogere oorden. Ik niet. Ik zal deze winter samenzijn met mijn vriend, de tegelkachel. En ik weet niet wat er verder gaat gebeuren. Maar dat ik hier wil zijn, dat voel ik aan mijn water.

Ik blijf

.

.

Het is een stipje, mijn kleine paradijs, vanuit het vliegtuig zie je het niet eens. Maar toch is het er. En met je neus erbovenop zie je een wereld van leven.
Ik ben weer terug, tussen de uitgestrekte akkers. Ik blijf. Niet omdat dit de plek van mijn dromen is, maar om dat ik zie dat het nodig is. Ik zie bijen en hommels zoeken naar bloemen en in sommige periodes duurt het erg lang voor ze weer wat vinden. Als ik terug naar huis fiets, zie ik dat diverse bermen alweer zijn kort gemaaid, zodat het onkruid geen zaad schiet.
Mijn tuin is wél een kleine zaadbom geworden. Nog steeds zie ik overal bloemen. Het is een van de weinige bloemenplekken in de omtrek. De voor iedereen totaal onbekende Bremer scheerkool is wel twee en een halve meter hoog gegroeid vol zaad en bloemen, en de Olifantboon is nog hoger. Diverse soorten pompoenen slingeren overal tussendoor. Ik zie hommels en bijen. Nog veel meer dan eerst. In de korenbloemen en in de borage. In de boekweit en in de goudsbloem. Een aantal soorten witjes fladderen om elkaar heen. Voor mijn voeten springt een heidekikker weg. Een kleintje. Daarna nog één. Een hele dikke. In het midden van de tuin heb ik een paar mooie kuilen gemaakt. In eentje ligt een berg takjes. Er zitten allemaal kleine spinnetjes in. In de kuil ernaast staat een hand gedraaide schaal met water. De kuil helt langzaam over naar de rest van de tuin, en is begroeid met zacht mos. Dit is wat ik hoopte. Een klein paradijs wordt het, een arkje van Noach.
Het liefst woon ik wild in het bos, en verzamel mijn voedsel. Want eigenlijk ben ik een wilde griet. Geen stadsmens, en ook geen boerin. In dat bos is alles wat ik nodig heb. Ik zou elke plek kennen als mijn broekzak. Niets te verdedigen, alleen maar te zijn. Heerlijke aarde.
Maar zo is het niet. Het leven trekt zich terug naar waar het nog kan. In de windhaag rond het terrein, in stadstuinen. In bossen en bosranden. Maar in mijn tuin ontstaat wat. En ook buitentuins ben ik bezig. Spelenderwijs zet ik beplanting uit op de rest van het terrein. Net waar het van pas komt, in overeenstemming met de wensen van de eigenaar, en zonder vooropgezet plan. Stukje bij beetje groeit het. Soms zet ik iets in een berm. Niet te grootschalig, maar klein. Dan kan ik er ook aandacht aan blijven besteden en ik krijg er ook geen gedoe van omdat het weer een heel `project` wordt. Met oeverloos gepraat en papierwinkels. Ik hou het klein en fijn. Lekker onopvallend. Met een beetje geduld groeien de dingen ook wel.
Hier op het veld is ruimte genoeg voor meer mensen en nog veel meer bloemen en bloeiende, eetbare struiken en planten. Er is grond beschikbaar om te verbouwen. Iedereen die wil kan een stukje in beheer krijgen. Het zou leuk zijn als mijn tuin niet meer de enige was. In elk geval, ik blijf voorlopig hier en werk er aan. Wat het ook mag worden. Als het maar geen woestijn is.

Grondwaterstand in Brabants land, zomer.
De vijver, nu in augustus. Je ziet hoe extreem laag het water staat. Het komt vooral doordat veel boeren dagelijks aan het sproeien zijn. Door het vele scheppen en bewerken houdt de grond het vocht slechter vast.

Extreme nattigheid in de vroege lente
In de vroege lente is het land vol plassen en de grondwaterstand erg hoog.

.

Een droom is als een paar schoenen

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Lang heb ik er naar toe gewerkt. Het is nu twee en een half jaar geleden. Toen dacht ik, ik ga naar Roemenië. Ik bestudeerde de taal en cultuur. Ik wilde mijn aandacht bundelen, om mijn leven een nieuwe draai te geven, een heel nieuwe richting. Waar zou het toe leiden? Ik liet Utrecht achter, mijn huis, mijn vrienden en mijn boten. Ik kwam terecht in een woonwagen, in Brabant. Een tijdelijke stek, waar ik alles op mijn gemak kon afhandelen, en waar nieuwe ontwikkelingen zich rustig konden ontvouwen. De enige reden waarom het Brabant was, is dat de wagen daar zijn standplaats had. Een pipowagen, met alles erin, dat is nu mijn hele bezit. En er is een vriendje, niet ver weg. We brengen samen dagen door, gevuld met speels plezier en aandachtige gesprekken. Dat is fijn. Maar alles is tijdelijk. Wie weet hoe lang. Het is de droom die me in beweging zet.
Een droom of idee is als een paar schoenen. Zolang als het duurt brengen ze me ergens heen. Ik weet niet waar. Want de wereld is wat hij is. Soms drassig, soms rotsachtig en steil. En ik kijk om me heen. Dagenlang vergeet ik soms, wat de droom was, waarmee ik op pad ging. Dan loop ik blootsvoets door een kreek vol beestjes of langs spannende paden. Soms denk ik er aan, aan de droom, en vraag me af waar ik uit kom.
Ik ben nu in Roemenië. Uiteindelijk. Mijn verblijf hier loopt bijna ten einde. Vandaag regent het. Ik zit binnen. Geen lange wandeling, vandaag niet. Het dorp Sarata is omringd door heerlijke verrassende velden. Ik heb ze leren kennen. Het is een land dat ik vaak gezien heb, in mijn dromen. Alsof ik de heuvels al kende voor ik ze zag. Maar wat moet ik hier doen, ik weet het niet. Er is geen aanknopingspunt. Ik ben te gast. Een passant in dit land. Maar één ding weet ik wel. Ik neem zaad mee, voor thuis. Zakken vol zaad. Voor onze verarmde velden. Kijken wat er uitkomt. Dat kan ik doen. Maar ik blijf niet. Niet nu in elk geval.
Brabant is mijn thuis. Zo is het nu. Daar is mijn experiment. En verder weet ik het allemaal nog niet. Maar ik hoef het ook niet te weten. Verras mij maar.

Heuvels onder de Karpaten (N)

Grote kikker in Roemeense poel

Lief rupsje in het knoopkruid