Een bijzondere vraag

.

Een bijzondere vraag vandaag

.

Ik zit voor het raam van café de Zwaan in Diessen. Mijn kleine laptop staat opengeklapt op tafel met de kaneelthee ernaast. Op een glanzend schaaltje ligt het koekje en een bruinwit schelpje zeebanket. Ik open mijn mail. Eens kijken wat het brengt vandaag. Er is een bericht voor mij persoonlijk binnengekomen, van iemand die ik niet ken. Ik ben nieuwsgierig.
„Kan ik zaterdag langskomen?” lees ik. Het is een man die zelfvoorzienend wil leven door middel van permacultuur. Hij zoekt een plek. Leuk, zo vaak gebeurt dat niet. Dick en ik vragen ons regelmatig af hoe dat komt. “Kom maar”, schrijf ik gretig, “Ik probeer al langer mensen te trekken zoals jij.”
De man schrijft gelijk terug. Hij komt graag even kijken dit weekend, zegt hij. We zullen zien.

Een dag later. Mijn tafel ligt weer vol met boeken en schrijfsels en de zon schijnt tussen de buien door naar binnen. Buiten zie ik Ton, de beheerder lopen. Ik loop naar de deur om de laatste nieuwtjes uit te wisselen. Ik zie hem komen, met vastbesloten stappen mijn kant op. “Er is iets bijzonders” denk ik, “dat doet hij zelden, me opzoeken in mijn wagen.”
Even later zit hij bij me aan tafel. We praten een tijdje, tot hij me vertelt waarvoor hij komt. “Wat ik je wil vragen,” zegt hij “Wil jij het terrein van me huren?” Ik weet het, hij komt om in het werk. Hij bouwt ook aan zijn herberg in het dorp. Daar is ook zijn huis. Niet te doen, allemaal tegelijk. Zeker niet op den lange duur. En het is jammer, want het terrein ligt er nu nogal verlaten bij. Er zijn genoeg ideeën en maar erg weinig handen. Dat kan vast en zeker anders. Nu vraagt hij me of het me overvalt. Nee, eigenlijk vind ik het geen gekke vraag.

Teksten en tekeningen van allerlei schermbloemigen liggen voor even verlaten op tafel. Ik kijk naar twee ringmussen, die buiten in het gras scharrelen. Gisteren hebben we het er nog eens over gehad. Ik heb besloten dat ik het niet doe. Ik kan geen zakenvrouw zijn en tegelijkertijd kunstenares, landschapswandelaar en leerling plantenkennis. Dat kan ik niet. Ik doe iets vol toewijding, of ik doe het niet. En het zou jammer zijn als er geen verhaaltjes meer kwamen.
We hebben mensen nodig, verschillende talenten, om hier iets op te bouwen. Ik wil graag helpen ze te vinden. In de permacultuur leert men: Voor je ergens begint, ga eerst een jaar alleen maar kijken. Een overdosis aan geestdrift, ongeduld en ook commerciele belangen zorgen ervoor dat die fase veel te vaak wordt overgeslagen. Dat vind ik zonde. En behalve dat, ook het vertrouwen moet groeien voor we met elkaar een plan kunnen maken dat levensvatbaar is. Dus dit is het enige wat ik zeker weet. Hier doen we het wél zo.

Het is niet iets heel nieuws, wat we hier tot stand kunnen brengen. Alles wat er is, dat is er al. De windkeringen, al die fruit- en notenbomen. De mogelijkheid om te kamperen. Een vergunning met agro-toeristische bestemming. Een slapende stichting waar allerlei kleine bedrijfjes in kunnen worden ondergebracht. De basis is al in vele jaren gelegd, dat hoeven we niet meer te doen.
Dit is een plek die aandacht nodig heeft, niet van een enkeling zoals Ton of ik, maar van meerderen. Dit land schreeuwt om meer diversiteit en levendige cultuur. Dit stukje aarde, tussen akkers die al zolang zijn uitgeperst door grootschalige landbouw.
Mijn verhaaltjes gaan door. De waakvlam blijft aan. Als er hier iets moet gaan groeien, dan doen we het met elkaar. Als het zover is, dan maken we een heerlijk speelparadijs vol bedrijvigheid, met voedselbos en alles erop en er aan. Het liefst met mensen uit de buurt.
Gaat het gebeuren? De twee ringmussen vliegen geschrokken op, van iets wat ik niet kan zien. Net zo min als ik weet wat de dag van morgen brengen zal.

.
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

.

Dit vergeten papiertje vond ik tussen mijn administratie. Leuk dit nu terug te zien, klopt wel aardig, geloof ik.
Vergeten papiertje

Mijn eigen kleine huisje

.

Klein huisje, tiny house, mijn pipowagen

Exclusief bordes,
is mijn huisje twee bij zes.

Zo goed ken ik de kurkvloer
de kachel en de kast
de rijkdom van de eenvoud
mijn plek waar alles past

Mussen kwekken in het gras
en drinken uit de ton
mijn hoofd is fris als lentelucht
zoveel wat ik er won

Wellicht is het meer een jas
waarin ik nu leef
en alles wat er niet in past
dat komt gewoon te geef

Hier waar sterren helder zijn
werk ik gestadig verder
aan wat er is en wat wil zijn
net als een bloemenherder

Het hart blijft zachtjes gloeien
niets wat persée moet
ik laat hier groeien wat er is
Kom, deel mijn overvloed

***
**
*

http://nos.nl/artikel/611348-de-armste-president-ter-wereld.html
“Met een klein huis heb je minder zorgen”, zegt ook de president van Uruguay.

.

.

Een nooit vergeten blaadje

Een nooit vergeten blaadje.
Ik ben in Middelbeers en heb mijn fiets neergezet bij het kaartenwinkeltje. Niet op slot. Hier in het dorp kan dat best. Ik geniet er nog steeds van. Ik loop naar binnen. „Heb je ook postzegels?” vraag ik aan de man. Hij is van mijn leeftijd en hij kijkt vrolijk.
“Nee, daarvoor moet je naar het postkantoortje in de Boerenbont. Woon je nog steeds in die pipowagen bij Haghorst?”
“Ja, daar zit ik nog steeds. Ik leer van alles. Zoek ook eetbare planten die hier thuishoren en in het wild overleven. Die kweek ik op in mijn tuin.”
Hij vertelt over zijn vakanties in Bali. Dat die mensen niet persé naar de supermarkt hoeven, want er is overal wel eten te vinden. “Hier is dat niet”, zegt hij spijtig. En hij praat over zijn tijd bij de scouting, lang geleden. Toen aten ze wilde spinazie. Plukten ze zo van de grond. “Mensen kijken me dan zo vreemd aan, als ik dat vertel.” zegt hij.
“Wat was dat dan voor spul?” vraag ik nieuwsgierig. Want mensen noemen al gauw iets wilde spinazie. Hij pakt een pen en een stukje papier en tekent een langwerpig blaadje. “Nou zo ongeveer”, Zegt hij en hij laat het me zien.
“Hoog?”
“Nee laag.”
“Bloemen?”
Nou dat wist hij allemaal niet meer. Het was al zo lang geleden.
“Maar het blaadje weet je nog wel! Als ik het weet dan ga ik er misschien iets mee doen.”
“Ja,” zegt hij en staart in de verte. “Als ik dit winkeltje niet had, dan deed ik misschien ook van die dingen. Maar ja,” zegt hij dan resoluut. “Het is goed, dat iedereen wat anders doet.”
Ik lach. Ja, dat denk ik ook.
“Nou dan ga ik weer, bedankt!”
“Okee, houdoe hè!”

Begin de dag met een droom

.

.

Kikker in de ven

.

Het is avond. Ik heb net mijn oefeningen gedaan en mijn tanden gepoetst. Mijn nachthemd is warm van de kachel als ik hem aan doe. Dan gaat de telefoon. Het is Dick.

“Ik zou net gaan slapen.”
“O dus dan stoor ik? “
“Nee hoor, ik ga wel met de telefoon in bed liggen.”
Ik doe het licht uit en kruip onder het schapenwollen dekbed. Het is heel anders om in het donker te bellen. Wel gezellig eigenlijk.
“Ben je weer de hele dag met plantjes bezig geweest? “ vraagt Dick.
“Ja, net als gisteren. Studeren en aantekeningen maken. En nu ben ik helemaal leeg. Weet niks te vertellen. Ook geen verhaaltjes. Wat moet ik nou gaan schrijven deze week?”
“Misschien iets over je woonwagen? Daar heb je nog maar weinig over verteld.”
“Ik zou over het opstaan kunnen vertellen, en de oefeningen die ik doe.”
“Dat kan leuk zijn. En als je dan vertelt wat je denkt, terwijl je oefent.”
“Dan denk ik niks.”
“Nee, echt niet?”
“Nou ja, ik heb een ritueel. Bij de laatste oefening. Dan stel ik me voor hoe het landschap rond de minicamping eruit zou kunnen zien als we die vlaktes opnieuw zouden laten begroeien. Weer vennen zouden graven, en al de vogels en planten die dan terug komen. Hoe we daar lisdodde en mannagras kunnen oogsten. En moerasgamander. Hoe er weer schapen en koeien in de wei mogen lopen, om de vennen heen. Gewoon een bescheiden aantal en niet die massa’s die nu in de megastallen staan. Weides met bloemen erin. Overal zingende vogels. Ik stel me voor hoe het zou zijn als mensen meer met de natuur mee gingen denken, in plaats van ertegen in.”
“Dat is een goeie gedachte.” zegt Dick. “Het zou best eens kunnen, dat het werkt.”
“Vroeg of laat werkt het vast. Als we geduld hebben.”
Het is even stil. Het hout knapt in de kachel en het vogeltje dat zijn slaapplek heeft onder de dakrand, schudt zijn vleugels. Ik hoor het ritselen tegen de dunne wand. Dat doet hij wel vaker als ik aan het praten ben. Zou het een koolmees zijn of een pimpelmees? Of iets anders? Ik weet het nog steeds niet.
“Ik denk dat ik nu ook maar naar bed ga.” hoor ik dan aan de andere kant van de lijn.
“Lekker vroeg, goed idee. Welterusten Dick.”
“Welterusten Alowieke.”

.

Juffrouw Kolibri bij nacht.

.

Zelfgemaakte melk

Ontbijten Dick en ik
Zondag. Het is ochtend, en het is koud. Maar binnen niet. Ik heb de kachel weer warm gemaakt en het bed ingeklapt. Dick heeft de eettafel uitgeklapt en het is gezellig. Het ontbijt is eenvoudig, maar we doen er lekker lang over. We praten over van alles en nog wat. Nu gaat het over melk. Ik heb iets nieuws uitgeprobeerd. „Vind je het lekker?” vraag ik aan Dick, en ik kijk hem afwachtend aan. “Ja, heerlijk!” In zijn hand heeft hij een vers kopje koffie met de allereerste zelfgemaakte havermelk. Ik glim. Het is gelukt!
Ik heb het wel eens eerder geprobeerd met zilvervliesrijst, en dan door de zeef. In het recept stond dat ik een blender moest gebruiken maar ik wil liever niet meer apparaten. Mijn keukentje is maar klein. Toch lukte het me niet om daar het heerlijke romige goedje uit te krijgen dat ik in het recept beschreven zag. Het werd een kliederboel. En ik had een hele vieze zeef. Maar een recept met havermelk heb ik nog nergens gezien. Misschien omdat het zo belachelijk eenvoudig te maken is. Er komt geen blender of staafmixer aan te pas.
Ik liet de haver weken voor mijn ontbijt, een hele nacht. Samen met een klein handje rozijnen. Lekkere dikke havervlokken, uit een mooi wit papieren zakje. Biologisch. Ik zag dat het water steeds melkeriger werd. Laat ik het eens een beetje aanstampen, dacht ik. Ik pakte mijn stenen vijzel, en tussen de bedrijven door stampte ik wat. Met plezier zag ik de vloeistof steeds witter worden. Ik goot het goedje door de zeef, en klaar was het. Ik had ineens twee lekkere dingen. Geweekte haver met rozijnen, lekker door het fruit. En ik had melk voor in ons kopje koffie, zoet van de rozijnen.

Maandag. Dick is weer weg. De pot met vlokken is leeg. In de buurt is geen biologische kruidenier. Dus ik heb havervlokken gekocht bij de Emté, in Diessen.
“Hahne” staat erop. Maar twee-en-veertig eurocent voor een heel pakje vol. Verbazingwekkend, zo goedkoop. Ik maak het open. Het zijn kleine vlokjes, veel kleiner en stoffiger dan die van gisteren. Ik doe het in een kom met water en laat het staan. Stampen hoeft niet, dit is al bijna tot stof gestampt voordat het verpakt werd.
De volgende dag is het een dikke prut geworden. Ik druk de zeef erin en lepel de melk uit de zeef. Zo wordt die zeef niet zo vies als wanneer ik het papje erin gooi. De melk is wel romig, maar lang niet zo mooi als die van gisteren. De prut die overblijft in de kom, ziet er ook niet aantrekkelijk uit. Het lijkt wel papier maché. Voorzichtig proef ik en het smaakt ook zo. Ook de melk heeft een beetje een kartonsmaak.
Dit zal ik maar niemand voorschotelen. Ik ga maar eens uitkijken naar een vijf kilozak, met lekkere biologische havervlokken. Het liefst rechtstreeks van de graanpletterij.
Ik wist niet dat ik het zo leuk zou vinden om zo te experimenteren met voedsel en het vrienden te laten proeven. Al ben ik bijna negenenveertig, ik ontdek steeds nieuwe dingen.

Toch maar klein houden

Boomspiegel  (4)
De zon schijnt. Eindelijk worden we overgoten met licht, na die lange donkere dagen. De wind is guur, maar daar maal ik niet om. Het is een mooie dag om aan de slag te gaan. Ik sta bij de kleine boomgaard. Er staan achttien fruitbomen. Die heeft de beheerder geplant, Ton. Al dertig jaar geleden. Onder de bomen is gras. Het is keurig kortgehouden. Dat is het makkelijkste in onderhoud. En er is véél onderhoud. Weelderige ondergroei van kruiden en bloemen is er daarom nooit gekomen.
Maar nu mag ik iets gaan doen met die boomspiegels. Ik ben blij met dat vertrouwen en neem de tijd om over het idee na te denken. Waar ik rekening mee moet houden, is dat de grasmaaier er vlot tussendoor kan. Een-meter-tien moet er over blijven. Ton maait in stroken. Stroken in de lengte en stroken in de breedte, als een ruitjespatroon. In gedachten zie ik nog maar heel weinig gras. Alleen drie lange paden zijn overgebleven. Precies groot genoeg voor zijn maaiende racewagen. Onder de bomenrijen is alles begroeid. In de lange bedden zie ik de roze damastbloem, dezelfde die in mijn tuin staat. Het donkergroene blad is vrij groot en het bedekt de bodem rond de stam. De bloem kan je eten. Langs de randen van het perk staan muntplanten en andere kruiden. Ik kan het makkelijk plukken, zo pal naast het pad van gras.
Ik zie het haarscherp voor me. Dan vervliegt het visioen. Zover is het nog lang niet. Hoe ga ik dat doen, vraag ik me af, al die meterslange bedden. Er zijn konijnen. Die graven alles ondersteboven. Als dat zo is, dan heb ik gaas nodig, véél gaas. En palen. Ook veel. Waar haal ik dat vandaan? Ik heb maar vijf meter kippegaas, en dat spul is heel erg duur.
Nee, ik ga me hier niet in verslikken. Ik laat het hele idee voor wat het is. Ik begin gewoon met één boom. Eerst een perk uitzetten. Ik pak het rolletje touw uit mijn zak en kijk om me heen of ik iets van stokjes zie. Naast de rieten schutting liggen een paar stevige rietstengels die er tussen uit zijn gevallen. Ik raap ze op. Er vlak bij vind ik een ijzeren staafje, waarmee ik gaatjes kan prikken. Mooi zo. Nu heb ik alles. Netjes zet ik een vierkant uit en begin langs het touw met spitten. Zorgvuldig draai ik de grote kluiten gras om, zodat geen enkel sprietje er meer bovenuit steekt, en elke worm die ik zie, dek ik weer netjes onder. Ik kom maar één klein mierennestje tegen, en probeer ze zoveel mogelijk te sparen. Dan is de boomspiegel af. De bloemen komen later, laat eerst het gras maar doodgaan, daar onder die kluiten.

Het is een dag later. Ik zit in de zon aan tafel en drink een kop kruidenthee. Terwijl ik naar buiten kijk denk ik aan mijn werk van gisteren. Ik ben blij dat ik het zo klein heb gehouden. Hoewel we hier op dit moment met drie mensen zijn, ben ik de enige die tuiniert. Zolang dat zo is ga ik geen grote lappen grond omspitten. Zo is het, en niet anders.
De thee is op. Ik zet mijn glas op het aanrecht en pak mijn aantekeningen uit de kast. Verder met het boekje. Dat is nog een heel project.

Liefdesgedicht

.

.

De Dieze stroomt als stroop zo traag
het enige wat zich roert
Zijn oever is een natte kraag
die kronkelend naar nergens voert

Het bos droomt roerloos
houdt zich stil
Geen zaad geen kalf
wat springen wil
Mijn neus is als een rode roos
mijn handen zij zo wit en kil

Zacht rust het leven in de aarde
Diep verzonken in zichzelf
Het water waar ‘k zo graag naar staarde
weerkaatst het draaiende hemelgewelf

Luisterend keer ik weerom
een bries blaast zacht en loom
veegt resoluut de hemelkom
van alle grauwe grijsheid schoon

Zacht rust het leven in de aarde
Diep verzonken in zichzelf
Het water waar ‘k zo graag naar staarde
weerkaatst het draaiende hemelgewelf

Ik zie de mist langs gouden baan
en koester me  in ’t licht
Zolang als de zon maar op blijft gaan
dan leef ik in een lief gedicht

Alles gaat en komt weerom
al roep ik zacht of luid
De nacht veegt als een reuzengom
De oevers in de mist weer uit

Zacht rust het leven in de aarde
Diep verzonken in zichzelf
Het water waar ‘k zo graag naar staarde
weerkaatst het draaiende hemelgewelf

.

Beluister het lied hier.

Een plechtig moment

.

Certificaat van cursus Permacultuur
Ik ben in Rotterdam. We staan in schooltuin “de Enk”, waar ik zojuist mijn laatste blok permacultuur* heb gehad. Ik ga eerder weg. Ik heb nog een lange reis voor de boeg en ben niet lekker. Ik trek mijn rugzak wat vaster aan en kijk naar een plantenbed, vol lage planten en hogere struiken. Er is veel groen, al is het januari.
Het is niet voor niets dat ik nog niet weg ben. Het laatste plechtige moment moet nog komen. Daarna is de lange cursus klaar en afgelopen. Dat is wennen. Het hoort er zo langzamerhand bij. Elke maand mijn kachel koud achterlaten, om twee intensieve studiedagen mee te maken.

Frans-Jan komt aanlopen. “O, je bent er gelukkig nog niet tussenuit geknepen,” lacht hij. Hij heeft een vel in de hand, lichtgeel met glimmende letters erop. Het certificaat. Vragend kijkt hij me aan. „Welke achternaam zal ik er op zetten?” Ik noem mijn naam en Frans-Jan verdwijnt weer naar binnen. Even later komt hij terug, vergezeld door Linder, de andere docent. Ze strekken hun rug en er verschijnt een plechtige glimlach op hun gelaat. De zon schijnt op hun wangen. Hoewel ik weinig waarde hecht aan papieren, geniet ik van de glans van het moment. “Nu kunnen we je als eerste het certificaat overhandigen.” zegt Frans-Jan. “Jammer dat de rest er nu niet bij is, “ hij kijkt even opzij, naar het kleine gebouwtje. Daar binnen is iedereen nog druk aan het werk. Hij zwijgt even, om de woorden die volgen nog plechtiger te laten klinken. Beide docenten kijken me aan. “Bedankt voor je borrelende aanwezigheid.” zegt Frans-Jan uiteindelijk, ”Je hebt je eigenheid goed weten te bewaren.” Ik ben blij met die pluim en lach ze allebei toe.
Het was geen makkelijke cursus. Vaak was het een worsteling, om steeds weer mijn eigen weg te vinden in een vast schema van lessen en opdrachten. Maar het is gelukt! Het stoeien met beperkingen heeft mijn creativiteit aangewakkerd. Nu mag ik trots zijn op een rijke oogst. De map met originelen laat ik achter. Alles. Opdrachten, waarnemingen, ontwerpen. Een kleurrijke bron van inspiratie, vol tekeningen en handgeschreven tekstjes. Om te gebruiken in de lessen. Om te laten zien. Misschien kan ik zo nog eens iets betekenen voor iemand. En zo laat ik weer een zaadbom achter. Wie weet komt er een dag dat die precies op zijn plek valt.

* Permacultuur: http://www.permacultuurnederland.org/

Ontdekkingstocht

.

Man met paard, Brabant.

Sinds mijn besluit om hier te blijven, kijk ik met andere ogen. Als ik wandel, sla ik weggetjes in die ik voorheen het bewandelen niet waard vond.
De zon schijnt tussen een paar mottige buien door. Ik ga gauw naar buiten en loop over het fietspad, langs de smalle asfaltweg. Achter een regelmatige rij zomereiken zie ik uitgestrekte hectares boerenland. Saai, kaal, monotoon. Maar hier vlakbij is wel een weggetje dat er dwars doorheen loopt. Ik sla af, mijn wandelschoenen zakken in de zwarte blubber. De randen van het pad zijn begroeid en minder nat. Daar ga ik lopen. Nu ik veilig en droog loop, kijk ik om me heen. Waar dit jaar aardappels en mais groeide, is nu grasland. De vorige winter was lang, koud en winderig en de akkers lagen er maandenlang kaal en naakt bij. De hele bovenlaag is weggewaaid.
Ik zie een kale bremstruik langs het pad, ernaast staan stronken met zwammen eraan. Ook in hier gebeurt wel wat, als je langs de randen van het eentonige weiland kijkt. En er zit nog veel meer, onder het gras en onder de modder.
Er komt een gedachte bij me op. Misschien vind ik dit land wel spannender dan Roemenië, waar alles al is, vol en uitbundig. Hier sluimert het zaad nog diep onder de grond. Het lijken dooie akkers, maar daaronder zit het bomvol. Duizenden, miljoenen zaden liggen daar. Tientallen jaren kan het duren, tot het een kans krijgt. Of het komt aanwaaien van elders. Dat is het land dat wacht, het land dat het in wezen is. Hoe zou het er uit gaan zien? Ik ben eigenlijk wel erg nieuwsgierig. Er kan elk moment weer iets bovenkomen, iets wat echt en oorspronkelijk is.

Terwijl ik dit alles overdenk kom ik aan het einde van het pad. Er staat een kleine, wat oudere man in de berm. Hij heeft een grazend paardje aan een touw. “ Gaat u hem lang uitlaten? “ vraag ik. “ Nee, even maar”, zegt hij. Hij is een wandelingetje aan het maken en ’t peerdje kon best mee, vond hij. Hij beestje is al twee-en-twintig. Wel oud, maar hij houdt er niet van om dieren naar de slager te brengen. “Als je een dier hebt, dan zorg je er goed voor.” Ik knik. “Heb je al ver gelopen?” vraagt hij dan. Ik vertel dat ik van d’n Bobbel kom, over het weiland heen. De camping ja, die weet hij wel. “Daar is vast ook wel iets te eten.” zegt hij. Ik vind het grappig dat hij dat zegt. De meeste mensen hebben het niet gelijk over eten.
Ik vertel dat ik gek ben op brandneteltoppen. Ik eet ze wel vier keer per week, door de groente heen. “Echt? Vraagt hij verrast, eet je die? Dan ben je vast wel heel gezond.” Ik knik blij. “Er zijn zoveel planten die je kan eten,” zeg ik, “Ik ontdek er steeds meer. Lisdodde kan je ook eten, het zaad, de wortels, en de stengel smaakt naar mais. Het is hier nat genoeg, dus we hoeven vast niet te verhongeren.”
De man kijkt voor zich uit en zegt: “ Nou, dat eet ik dan veel liever, Alles is tegenwoordig zo vét! Ik begin er steeds meer van te walgen. Ik heb suikerziekte.” Hij vertelt dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer mag doen omdat hij slechter is gaan zien. “Door de suiker”, zegt hij balend en begint over wat anders.

Hij is een van velen. Ik luister en ontdek. Het is niet alleen het zaad in de bodem, dat zijn kans afwacht. Ons lichaam vertelt het ook. Het mijne, het zijne. Een andere wereld sluimert om het hoekje.

Een langzaam rijpend besluit

.


`Zwanenbloem´ schrijf ik op, met zulke kleine lettertjes dat het er tussen past zonder dat het slordig wordt. `In en bij zoet water. Wortelstok schillen, koken en opeten.´ Ik heb nog nooit van een zwanenbloem gehoord. Op het plaatje zie ik een mooi blommeke, zonde om op te eten. Van de duivekervelfamilie, staat er. Ik wist ook niet dat er een duivekervelfamilie bestond. Nu wel. De bloem kan er nog net bij, in mijn boekje. Het is een tekening van nog geen vierkante centimeter en toch staat alles er op. Groene lange blaadjes en een roze bloem.  Mijn tafel ligt vol kleurpotloden, papier en plantenboeken. Ik ben al wekenlang bezig…

Alles wat ik heb bedacht aan plannen en ideeën, is voorlopig in de kast gezet. Transylvanië en reisplannen komen vast wel weer terug. Maar nu zijn ze ver weg. Ik werk. Ik werk aan één enkel ding. Het boekje over plantenfamilies in Nederland. Ik bekijk en bewonder ze en zoek uit wat ze doen en wat we ermee kunnen.
Er zijn boeken over wilde planten. Ik heb er eentje. Een prachtig modern boek waarin ik alle families kan vinden, met tekeningen er bij. Van hemelbomen tot kardinaalsmutsen, van bosliefjes tot addertongen. Het staat er in. Als ze maar inheems zijn.
Er zijn ook boeken om Europese flora te determineren. Die zijn vast nog dikker. Maar die heb ik nog niet. Ik begin klein. Gewoon in Nederland.
Ik sla het boek open en bekijk de plaatjes. Ik kan lezen waar ze groeien of bloeien en hoe groot en hoeveel. Maar er staat niet wat de plant kan doen, wat hij doet voor ons, voor de aarde, voor andere planten en de bodem.
Als het gaat over planten waar we wat aan hebben, dan gaat het meestal over voedsel en voedsel verbouwen. Dat zijn moestuin- en tuinbouwboeken. Wat als voedsel op tafel komt, is vaak al eeuwenlang door geweekt, eerst door selectie en later door planten met elkaar te kruisen.
Toch, alle planten die wij eten zijn ooit wild geweest. En nog steeds hebben ze wilde familieleden, die nog altijd in berm of bosrand zijn te vinden. Ik ben daar nieuwsgierig naar. Ik weet niet of ik er de tijd voor kan blijven nemen, zoals nu. Ik zou ze graag verenigen in mijn boek, ik wil ze zien en van ze leren. Ik wil ze uittekenen en proeven en ruiken. De doperwt, de olifantboon en de hokjespeul. De slangenkalebas en de heggerank. Alles één voor één. Ik wil hun bewegingen volgen met de toewijding van een moeder. Een moeder van het kleine, dat groeien wil. Ik zal ze bewonderen en uittekenen. Mijn pen zal het papier strelen met hun vormen. Ik zal over ze zingen en vertellen. Of het een boek wordt, een lied of een schilderij, hier ben ik en ik kan niet anders.

.

.

.