Het voelen en het zien krioelen

 

.

Luister hier naar het gesproken verhaal van 12 minuten.

.

Na een reis is er de behoefte thuis te komen. Op zo’n moment voel ik me verloren op een plek waar ik niets hoef te doen en waar ik geen deel van uitmaak, hoe mooi het ook is. Hoe blij ben je dan met een uitnodiging!

.

De afgelopen week ben ik goed uitgerust van de lange reis en ik ben begonnen aan het boek. Het schrijven gaat goed, de titel is er:

“Een tocht langs kantelende wegen.“

Alles zit mee, de camping waar ik sta is mooi en verzorgd, de plek waar ik sta is ruim en zonnig en ik kan hier nog een tijdje blijven staan. Achter de bomen is een sloot, met een houten bruggetje erover, dat doorloopt in een pad. Elke dag loop ik het hele pad af, door het gras, naar het ruige natuurgebied. Het is er vol meertjes, die volledig omgeven zijn door riet en er zijn watervogels die je wel hoort, maar niet ziet. En ‘s avonds bij schemering, hoor ik de ganzen die terugvliegen naar hun slaapplaats, naar het ruime water tussen de rietkragen. Tenminste, dat denk ik. Ik hoor ze, maar weet niet waar ze neerstrijken. In het donker zijn alle geluiden zo duidelijk. Ik hoor het water stromen in de sloot, misschien is het een afwatering naar het lagerliggende natuurgebied. Alles is mooi. Maar ondanks al die mooie dingen voel ik me triest. Ik mis iets, iets waar ik nu een sterke behoefte aan heb.

De volgende ochtend weet ik het. Ik moet een begin maken, een soort doop, dat ik er ben, hier, op deze bodem. Het is tijd voor een ijskoud begin, in het meertje. Ik ben er al een paar keer naar toe gelopen en heb een piepklein zandstrandje gezien, precies groot genoeg om het water in te gaan, tussen de rietstengels door. De nachten zijn helder en koud en het water is flink afgekoeld, de afgelopen dagen. Ik kleed me warm aan en pak een handdoek. Het is een eindje lopen naar het meer. Als ik er aankom kleed ik me snel uit en plons er in mijn blootje in. Ik voel het witte zand onder mijn voeten, het loopt steil af en wordt snel dieper. Het water is nog kouder dan ik dacht en een korte onderdompeling is genoeg. Ik droog me goed af om niet teveel af te koelen, want de wind waait en er is geen zon. Mijn huid tintelt.

In mijn huisje aangekomen, trek ik het achterste vloerluik open, dat ik zelden openmaak. Eronder ligt mijn tuingereedschap. Het doet me goed alles weer terug te zien, na al die tijd onderweg zijn. Ik pak de snoeizaag, hij is nog steeds mooi scherp. Met de zaag in de hand fiets ik even later naar het huis verderop, waar mijn vriendin Annemarie woont. Daar vind ik mijn plek deze winter, haar erf wordt nu mijn thuis en ik verheug me er op.

Het huis is leeg en verlaten, Annemarie is er niet. Ik zet mijn fiets tegen de gevel en ga mijn gang, we hebben alles doorgesproken en ik heb nog een paar creatieve ideeën. De esdoorn heeft takken tot op de grond. Hij hangt een heel eind over de oprit heen en zo kan ik er niet langs, met mijn wandelhuisje, niet als ik helemaal in het hoekje moet staan. Ik zaag een paar kleine takjes af om ruimte te maken, zodat ik kan klimmen. De grote takken laat ik nog even zitten, want ik moet eerst de hoogste doen. Het is een mooie klimboom. Mijn voeten weten precies waar ze steun kunnen vinden en ik geniet ervan om weer te klauteren. Elke keer als ik het doe, is het alsof ik nooit anders heb gedaan.

In korte tijd is de esdoorn een flink eind opgekroond en er ligt een hele berg groene takken op de grond. Een paar stompjes heb ik laten zitten, zodat je nog steeds in de boom kan klimmen. Maar ik ben nog niet klaar. Op de plek waar mijn huisje moet staan, ligt een berg stenen. Ik til ze één voor één op en leg ze een meter verder weer neer, in vorm van een slingermuurtje. Een boze mier bijt in mijn vinger. Ik zie het opgestapelde zand tussen de stenen en de opengelegde gangen van een mierennest. De mieren rennen dwars door elkaar heen druk communicerend in een taal die ik nooit zal kennen. “Sorry, maar jullie moeten nu echt gaan verhuizen,” zeg ik “Het is niet ver weg.” Ze horen me toch niet, maar ik heb het in elk geval gezegd.

Ik voel het gewicht van de stenen. Ik kijk naar de holtes en de gaten die er in zitten, vol duizendpoten, pissebedden en spinnetjes. Een dikke worm ligt naakt onder de droge lucht en ik stop hem weer onder dezelfde steen waar hij zat, maar dan een stukje verderop. Nu de onderste takken van de esdoorn eraf zijn, kun je goed zien wat er onder groeit. Een meter naast de stam groeit een kleine eikenboom op. Verwonderd kijk ik naar het kleine boompje, hoe komt dat daar toch, er is hier vlakbij toch geen andere eikenboom? Die staan pas een heel eind verder. Altijd is er die opeenvolging van groeiende planten en bomen, na de wilgen, de elsen en de esdoorns, komen de eiken, de kastanjes en de beuken. Successie, noemen ze dat. Maar ook al is dat alles wetenschappelijk bekend, ik ben elke keer verbaasd, als ik het zie gebeuren. Met vuile vingers kijk ik toe en ik voel me weer gelukkig.

Ik hoef geen riante plek, waar ik niets meer aan hoef te doen. Mijn handen willen voelen en wroeten, mijn ogen willen het leven zien krioelen. Dan voel ik dat ik besta.

.

“Een tocht langs kantelende wegen”

Ik duw tegen de elektromover, die mijn wandelhuisje trekt. Hij rolt steeds de weg af. Mijn wielen rollen verder en verder, over kantelende wegen, die de toenemende snelheid van ons verkeer in balans moeten houden.  Op scheve voet, al duwend, houd ik mijn treintje op de juiste helft van de weg. Maar de kantelingen gaan verder dan de weg alleen, de tijd raast door als een op hol geslagen vliegwiel en het levenspad van vele mensen staat nu op kantelen. Op mijn reis praat ik met voorbijgangers en soms blijf ik langer staan, om de verhalen verder uit te diepen en om me heen te kijken. Waar komen we uit? De keus is aan ons.

Mijn boek is een mengeling van gedachten en gebeurtenissen. Ik vertel hoe ik zelf in het leven sta, mijn dromen en wat er volgens mij gebeuren moet. Tijdens mijn reis vertel ik verhalen van anderen, hun dromen, worstelingen, hun overwinningen en tegenvallers. Ik illustreer mijn boek  met passende tekeningen uit mijn blogs en maak nieuwe, waar dat nodig is.

Crisis betekent kans. Dit is een tijd van crises, in het persoonlijke vlak en op maatschappelijk vlak. En mijn verhaal is met alles vervlochten. Dit is wat we nu nodig hebben, persoonlijke verhalen en openheid daarin, zodat we onszelf er in kunnen herkennen. Iedereen weet dat veel geld niet gelukkig maakt, dat vrienden belangrijker zijn dan spullen, dat je gelukkiger bent als je de tijd neemt voor wat je echt belangrijk vindt, dan wanneer je haastig het ene na het andere doel wilt bereiken. Maar hoe doe je dat? We kunnen leren van elkaar, alle verhalen bij elkaar kunnen ons laten zien wat werkt en wat niet werkt. Het laat ons zien hoe afscheid van dierbare dingen en ingesleten gewoontes onze blik scherper maakt voor wat er nog meer op de wereld is. Het biedt nieuwe mogelijkheden, waar we nooit weet van hadden.

Daarom publiceer ik dit boek.

 

Als je interesse hebt in het boek, klik hier om je mailadres in te vullen.

.

Scheppingsverkeer

.

.

Scheppingsregels

.

Aloïsius kijkt
naar het werk
van zijn handen
een grote E
met blauwe randen
Eerste letter
van het blad
Sierlijk straalt de
gouden krul
van verse inkt
nog nat

Hij weet

„God schiep de wereld
in zes dagen en Hij keek
en Hij zag dat het goed was
en rustte op de
zevende dag.“

Maar

Dat was vroeger
voor de wereld van cijfers
het beeld ging domineren
O, ik weet
niet meer
wat ik zie

Ik tekende en vulde
vijftig vellen vol
vele lieve letters
op stralend wit papier
ik stopte ze in mijn toverdoos
vlijtig als een mier

Ik poetste en ik werkte door
goochelde met beelden
ik keek ernaar en ja
ik dacht
dacht echt dat het goed was
toen ik het
de deur uit mailde

Warm van ’t werk verwacht ik nu
de grote dag
van publicatie
ik dans en vrolijk lach ik

De dag die na de zevende
zie ik mijn mooie schepping dus
gelijk terug
in de brievenbus

Verkeerde resolutie

.

Begin de dag met een droom

.

.

Kikker in de ven

.

Het is avond. Ik heb net mijn oefeningen gedaan en mijn tanden gepoetst. Mijn nachthemd is warm van de kachel als ik hem aan doe. Dan gaat de telefoon. Het is Dick.

“Ik zou net gaan slapen.”
“O dus dan stoor ik? “
“Nee hoor, ik ga wel met de telefoon in bed liggen.”
Ik doe het licht uit en kruip onder het schapenwollen dekbed. Het is heel anders om in het donker te bellen. Wel gezellig eigenlijk.
“Ben je weer de hele dag met plantjes bezig geweest? “ vraagt Dick.
“Ja, net als gisteren. Studeren en aantekeningen maken. En nu ben ik helemaal leeg. Weet niks te vertellen. Ook geen verhaaltjes. Wat moet ik nou gaan schrijven deze week?”
“Misschien iets over je woonwagen? Daar heb je nog maar weinig over verteld.”
“Ik zou over het opstaan kunnen vertellen, en de oefeningen die ik doe.”
“Dat kan leuk zijn. En als je dan vertelt wat je denkt, terwijl je oefent.”
“Dan denk ik niks.”
“Nee, echt niet?”
“Nou ja, ik heb een ritueel. Bij de laatste oefening. Dan stel ik me voor hoe het landschap rond de minicamping eruit zou kunnen zien als we die vlaktes opnieuw zouden laten begroeien. Weer vennen zouden graven, en al de vogels en planten die dan terug komen. Hoe we daar lisdodde en mannagras kunnen oogsten. En moerasgamander. Hoe er weer schapen en koeien in de wei mogen lopen, om de vennen heen. Gewoon een bescheiden aantal en niet die massa’s die nu in de megastallen staan. Weides met bloemen erin. Overal zingende vogels. Ik stel me voor hoe het zou zijn als mensen meer met de natuur mee gingen denken, in plaats van ertegen in.”
“Dat is een goeie gedachte.” zegt Dick. “Het zou best eens kunnen, dat het werkt.”
“Vroeg of laat werkt het vast. Als we geduld hebben.”
Het is even stil. Het hout knapt in de kachel en het vogeltje dat zijn slaapplek heeft onder de dakrand, schudt zijn vleugels. Ik hoor het ritselen tegen de dunne wand. Dat doet hij wel vaker als ik aan het praten ben. Zou het een koolmees zijn of een pimpelmees? Of iets anders? Ik weet het nog steeds niet.
“Ik denk dat ik nu ook maar naar bed ga.” hoor ik dan aan de andere kant van de lijn.
“Lekker vroeg, goed idee. Welterusten Dick.”
“Welterusten Alowieke.”

.

Juffrouw Kolibri bij nacht.

.

Lekker niksen

.

Kersenboom tekening.

.

Vorige week was het. Ik zat op mijn schapenvacht en keek naar buiten. Er was niet veel wat bewoog, behalve vallende druppels van een druilerige regenbui. De kachel was warm en mijn voeten ook. Misschien dat ik zo wel aan het werk kon gaan, voor de cursus permacultuur. Het werk, wat al een tijdje lag te wachten. Want op die warme zomerdagen is er altijd een hoop te doen. En die waren nu voorbij. Ik kon een tekening gaan maken van de kersenboom, voor mijn deur. Dat leek me wel wat. En dan niet zo in een hoekje gedrukt, zoals hij er nu bij stond, maar zoals ik hem zou willen zien. Lekker vol in de kruin. En in plaats van een rij coniferen een kruidige en bloemige ondergroei en bessenstruiken ernaast. Het paste toevallig nog in één van de opdrachten ook, bedacht ik vrolijk. Maar ik bleef toch zitten op mijn schapenvachtje. Ik keek naar een eenzame duif, die wegvloog, het struikgewas in. Ik haalde adem en luisterde naar de druppels op mijn dak. Tot ik me bijna ging vervelen. Toen pakte ik mijn pen en het kleine boekje, met nog zoveel lege bladzijden. Ik trok een lijn, en een volgende. En nog één. En vergat alles. Zelfs de tijd.

Een week later.

Misschien is dat het wel. Het begin van alles. Niks doen, niks hoeven. Hoe kan ik iets creëren als ik druk ben met bedenken wat ik allemaal nog moet en wil? Dan komt er niks uit mijn vingers en schiet het nog in mijn rug ook. Vorige week zat ik er helemaal in. Nu niet. Wat houdt me tegen? Ik heb het idee dat ik gigantisch achterloop, met het huiswerk. Een groot MOETEN kerft zich met onzichtbare letters op de grond voor mijn voeten. De weerzin om ermee te beginnen nestelt zich opstandig in mijn buik. Dan maar niet, denk ik dwars. Ik kies toch lekker zelf wat ik wel en niet wil doen. Loop ik ergens mee achter? Nee toch. Alles wat ik doe, doe ik één voor één en alleen als ík het leuk vind.
Ik kijk en ik luister. Naar de kruisspin met zijn grote web. Hij zit midden op het raam van mijn deur. Als ik die opendoe beweegt het web een beetje maar de spin blijft onverstoord in het midden zitten. Verderop zie ik de appel- en perenbomen staan. Ik kijk naar de enorme hoeveelheid rijpend fruit aan de takken en op de grond zie ik enkele rotte. Zouden we die ooit op krijgen, vraag ik me af. Ik zie een paar slome wespen in een half afgeknabbelde peer, en een dichte menigte kleine vliegjes. Ik loop verder, het pad af en kijk naar de gele platgespoten akker naast onze camping, al vind ik het niet leuk om te zien. Ver weg is een land dat Roemenië heet. Waar bodem en grondwater nog niet verpest zijn met gif en drijfmest. Maar nu ben ik hier. Ik wandel langs de hoog opgegroeide maisvelden omdat het daar minder waait. Als ik daarna terug kom en mijn tuin inloop vraag ik me af of de heidekikkers er nog zijn, daar tussen de uitgebloeide boekweit. Tot mijn verrassing zie ik nog een enkel bijtje, dat het geluk vond mijn zonnebloemen te vinden.

Er is wat er is. Ik wandel of kijk uit het raam. Meer niet. En dan is er lucht. Met de oprechte blik van een kleuter kan ik moeiteloos aanraken en uittekenen wat zo straks buiten bereik was. En met het geduld van een oude vrouw kan ik het afmaken tot in de details. Ik pak mijn boekje en mijn fijne zwarte pennetje, want ik heb een nieuw idee. Het spel begint weer..

.

.

.