NACHTVERKEER . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Nighttraffic

.

.

Ik lig wakker en denk aan mijn moeder die zich eenzaam voelde, bij zoveel razendsnelle anonimiteit.

.

Liever luisteren? Klik op de eerste knop onderaan de pagina.

. . . . If you want to listen to the English version, press the second button at the bottom of the text.

.

Het is een onrustige nacht en ik lig wakker in mijn hangmat. De maan is bijna vol. Ik zie hem nog net door het dakraam. Hij verdwijnt achter een wolk, komt weer tevoorschijn en zet de kamer in een blauw licht. Er is geen wind en ik hoor alweer het eerste verkeer op de grote weg die naar Leeuwarden leidt. Die ligt ongeveer vijfhonderd meter achter de Swette. Een onophoudelijke bromtoon maakt het bestaan van de weg meer dan duidelijk. Het wegdek is nat van de motregen en dat maakt het nog erger. Het lijkt veel dichterbij dan anders.

Mijn ouderlijk huis staat op een soortgelijke plek. Eerst is er het kanaal en daarachter de grote weg. De Friese Weg heette hij, maar dat was voor de vierbaansweg werd aangelegd. Toen verloor hij zijn naam en kreeg een nummer met een A ervoor, zoals alles wat groter wordt een nummer krijgt. Mijn moeder was een opgewekte vrouw. Maar ’s nachts lag ze vaak wakker. Als de wind uit de verkeerde hoek kwam, dan hoorde ze het suizen van het verkeer. “Ik voel me dan zo eenzaam”, zei ze eens “Al die anonieme mensen in die auto’s, daar in het donker…” Het zijn er steeds meer geworden. De auto maakt ons vreemden voor elkaar. Het is een merkwaardig ding. Hoewel elke auto vier zitplaatsen heeft, zitten veel mensen in hun eentje in die capsule. De motor draait op benzine of diesel, brandstof die schijnbaar onuitputtelijk beschikbaar is. Niemand weet waar het vandaan komt. Je tankt en kan weer verder. De olie die de aarde sinds het oer bewaarde, verdwijnt als uitlaatgassen de lucht in. En ik lig wakker en denk aan mijn moeder die zich eenzaam voelde, bij zoveel razendsnelle anonimiteit.

.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is grietje-en-janky-van-diermen-1.jpg
Mijn moeder en haar oudere zus, omstreeks 1936.

.

De elektrische auto kan dan wel schoner zijn, maar verder verandert er niet veel. Het is even anoniem. En nog steeds weet niemand hoe hij gemaakt is en waar de grondstoffen vandaan komen. Ik weet het nu. Nog lang niet alles, maar wat ik weet zegt mij genoeg. In het Noorden van Chili en Argentinië wordt lithium gewonnen. Dat is voor de accu van die schone auto. Fijn. Maar daar in Chili, daar houden mensen hun hart vast. De winning ervan laat een dode uitgedroogde zoutvlakte achter. Vlak ernaast ligt een heel bijzonder natuurgebied. Er is geen buffer tussen. Hier en daar is de grens al overschreden. De mensen die er wonen verdienen er niks aan. Maar ze zien wel hoe hun wereld verdwijnt. En dat van de dieren, die er woonden. Ze zien de flamingo die wegvliegt. Ze blijven kijken, maar hij komt niet terug. Dat weten wij allemaal niet. Mijn buurvrouw is heel blij en trots dat ze nu duurzaam op de weg kan rijden. Maar in Chili pikken de mensen het niet meer. Er verandert iets. Een groep van 144 Chilenen werkt aan een nieuwe grondwet. Er is grote weerstand tegen de plundering van die grondstoffen, zonder maat. En dat terwijl de ongelijkheid alleen maar groeit. Dit kan niet langer zo.

Ik denk aan de elektrische mover waar ik drie maanden mijn huis mee rondgetrokken heb. Nog steeds denken mensen dat ik straks weer verder ga. Maar die gedachte heb ik definitief achter me gelaten. Ik weet teveel. Ik zie die Chilenen voor me, op de grens van die troosteloze vlakte. Nee, ik hoef niet een steeds betere high tech accu, met nog meer lithium en kobalt erin. Waarom zou ik? Ik hoef niet weg. Ik leef simpel en ben blij met deze plek en met de mensen. Ik ben blij dat ik hier een thuis gevonden heb, op deze bodem van Friesland. Dat Dick er is. En Ege en Jeroen. En dat ik straks weer bomen mag planten van boer Jochum. Wel driehonderd! Ik grijns in het schemerdonker, en trek het dekbed omhoog tot aan mijn oren. Het plafond omvat mij als een buik. De maan komt achter een wolk vandaan en schijnt helder door de lange streep van het dakraam. De snelweg in de verte maakt steeds meer lawaai. Maar mijn hart is zacht en tevreden. Ik denk aan mijn moeder, die wakker lag, toen ze nog leefde. “Maak je geen zorgen mam” zeg ik zachtjes “Alles is okee. We maken er wat moois van. Gewoon waar we zijn en nergens anders.” Ik doe mijn ogen dicht en zie haar gezicht voor me. Even later weet ik niks meer.

.

.

.

De Nederlandse versie

The English version

.

Enkele bronnen:

https://indianexpress.com/article/world/chile-constitution-confronting-climate-change-mining-companies-ecological-emergency-lithum-mining-7695748/

https://www.mo.be/reportage/wat-chili-vandaag-gebeurt-moet-een-waarschuwing-zijn-aan-ieder-land-de-wereld-dat-nog-meer/

https://www.ou.nl/-/grondwet-chili

https://www.mo.be/analyse/bolivia-sleutelt-aan-de-korte-keten/

.

.

.

.

Hoe razendsnelle anonimiteit kan leiden tot totale vervreemding. Het is niets minder dan “Koyaanisqatsi”, een begrip van de hopi indianen. Het betekent: Onbalans, een leven in gekte, een toestand die vraagt om verandering.

.

.

.

.

Aardgenoten!

.

.

Korte nieuwjaarstoespraak van Alowieke

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

.

Aardgenoten,

Een nieuw lichtjaar is gekomen. De zon heeft zich gewend en de dagen lengen. Blijft u vooral vermenigvuldigen, vissen in de zee, kreeften op de bodem van de grachten en dieren van wie niemand weet. Beter water is op komst. Verheugt u ook in een betere bodem, gij pieren, kevers, springstaartjes. Ringmussen, blijf dansen in de lucht eet van het zaad dat rijkelijk zal groeien. Ganzen mogen gakkend overvliegen om te grazen in het land en te broeden aan verre kusten. Ik wil me verontschuldigen voor het vuurwerk, met nieuwjaar.

Het wordt een jaar dat alles mag blijven liggen. Alle mensen houden op met druk doen. Er wordt minder gereisd, meer tijd besteed aan de grond onder de voeten. Het zand in de zee mag blijven liggen en er varen bijna geen containerschepen. Ouders en jonge meiden maken weer zelf hun kleren en kinderen zullen tijd krijgen om samen zandtaartjes te bakken in de tuin. We zullen meer zaaien en minder graven, meer wandelen en minder leidingen leggen, meer genieten van weinig. Kleine mensen bouwen zandkastelen. Ze zien hoe de zee, de aarde en de wind alles weer mee neemt. Grote mensen zien het ook en zullen bescheiden worden. Ze bouwen alleen nog maar kleine huizen van hennep en leem. Er komt geen uitbreiding van wegen meer. Nieuwe bruggen hoeven ook niet, in het vervolg doen we alles per pont, lopend en op de fiets. De schipper krijgt een zoen van elke blije griet en een grijns van de buurman die eindelijk weer stromend water ziet. Vrienden nemen de tijd om samen naar de overkant te kijken, zonder er heen te hoeven. Het gras zal niet alleen maar groen zijn. Het zal overal bloeien van bloemen en kruiden en het zal fladderen en zoemen van vlinders en bijen. De regen zal zacht en groeizaam neervallen en de hele aarde zal zich hullen in een nieuw kleed van leven, dat iedereen zacht en tevreden maakt.

Een gelukkig nieuwjaar.

.

.

.

..

.

De man voor mijn raam

.

Ze beschermen de machtigste bossen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.

Liever luisteren? Klik op de knop onder de tekst.

Voor mijn raam staat een man. Zijn haar is zwart, zijn huid is iets donkerder dan de mijne. Hij staat er al twee nachten. ’s Ochtends om half vijf wordt ik wakker en hij staat er nog steeds. Ik klim de hangmat uit, doe de deur open en ga naar buiten. Het is koud maar het waait niet. Maar de man is weg. Of zie ik hem toch staan daar, tussen de bomen? Hoe dan ook, hij blijft in mijn gedachten. Die man, dat is Davi Yanomami. In mijn verbeelding staat hij voor mijn raam en roept me. Hij is een sjamaan in Brazilië. Ze noemen hem Kopenawa, hoornaar, omdat hij zo strijdvaardig is. Hij vocht en vecht nog steeds. In 1985 begon de strijd voor de landrechten van zijn volk. Vier jaar later won hij de UN Global 500, als erkenning voor zijn strijd voor het regenwoud. In 1992 werd het gebied van de Yanomami eindelijk erkend door Brazilië. Het is meer dan 9,2 miljoen hectare groot, en er wonen 20.000 Yanomami.

Het land is een paradijs. Er leven tal van diersoorten en er groeien planten die je nergens anders meer vindt. Zelfs natuurparken halen het niet bij de diversiteit die er in hun gebied te vinden is. Zij leven allemaal samen in een “shabanos”, hun grote ronde huis. Sommige Westerlingen denken dat die manier van leven al honderden jaren geleden is uitgestorven. Al is het land van de Yanomami erkend in 1992, daarmee is de erkenning van hun bestaan helaas nog niet compleet. Onder president Lulu hadden ze het goed, hij beschermde hun rechten. Tot het moment dat er iets helemaal verkeerd ging. Er werd een grote oliebron gevonden in het land. Multinationals doken er meteen boven op. “Prima dat jullie komen helpen met oppompen”, zei Lulu “Maar de inkomsten zijn van ons.” Lulu wil tegelijkertijd alternatieve energiebronnen ontwikkelen en goed onderwijs in zijn land en gezondheidszorg. Dat geld kon goed gebruikt worden. Er kwam echter niks van terecht. Een slimme jurist hielp de hebberige zakenlui en wist Lulu in de gevangenis te krijgen op valse gronden. Bolsonaro kwam aan de macht en zijn invloed was desastreus. Hij trok zich niks aan van landrechten. De houthakkers en mijnbouwers konden hun gang gaan. Die inheemse mensen, die zijn alleen maar lastig, vindt hij. En die bomen van het Amazonegebied, die staan ook in de weg. De beste bomen zijn verhandelde bomen, zodat er ruimte komt voor mijnbouw en grote velden soja. De strijdlustige hoornaar staat nu machteloos aan de kant. Hij ziet hoe zijn volk ziek wordt, hoe het land in een gapend gat verandert dat steeds groter wordt. Hij wil het niet. Hij wil niet kwaad worden, maar hij kan niet anders.

Hij staat voor mijn raam. Ik heb het goed hier in mijn huisje. Ik weet dat ook ons land opnieuw moet worden hersteld, dat we moeten zorgen voor meer diversiteit. Maar hun zorgen zijn vele malen groter dan de mijne. Wat hen wanhopig maakt, bezwaart mij net zo goed. Want zij beschermen de machtigste longen van de Aarde, die de meeste diversiteit herbergen. We hebben ze nodig, en zij mij. Ik kan niet aan de kant blijven zitten. Ik doe wat ik kan.

De volgende dag krijg ik bericht van een vriend. Of ik mijn naam wil zetten onder de politieke werkgroep, waar ik tien jaar geleden mee naar Den Haag ging. Ik staar uit het raam. . Politiek, dat is niet echt mijn ding. Maar dan denk ik aan de man, de man die voor het raam stond. En met hem tal van andere stamhoofden, sjamanen, lokale leiders en kleine boeren, die vechten voor gezond land, een gezonde aarde en voor hun volk. “Ja”, zeg ik. “Ik doe mee”.

.

Nawoord:

Lulu is dit jaar in maart vrij gekomen. De beschuldigingen waren onterecht. Volgend jaar zijn er nieuwe verkiezingen. Ik hoop dat hij wint en dat hij het land en de mensen opnieuw bescherming geeft. Ik hoop ook dat hij een streep zet door het Mercosurverdrag met Europa. Daarvoor strijdt ook onze werkgroep: “Klimaatrechtvaardigheid en voedselsouvereiniteit”. We hebben een petitie, die naar de tweede kamer gaat en de nodige ministeries. (Zie hieronder). Zulke handelsverdragen zorgen voor nóg meer houtkap en eindeloze soja-akkers. Ook voor onze eigen boeren is die concurrentie een ramp. Je kunt meer erover horen bij Zembla. Kijk bij zembla/artikelen/bord-vol-ontbossing.

Meer over de Yanomami: https://www.survivalinternational.org/tribes/yanomami

.

.

.

.

Het bewaken van de brede rietkraag

De laatste hazen op het land

.

Ik had zelf een haas willen fotograferen, maar ik heb er geen één meer gezien, hoe vaak ik ook uit het raam kijk. Dus dit is een uitgeknipt exemplaar, van een oude vintagekaart. Het spijt me!

.

Ik heb grond nodig, om me betrokken te voelen. Zorg voor het land verbindt ons. Ik weet dat ik op aarde te gast ben om die zorg ook te dragen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Vijf mannen jagen op de laatste paar hazen. Ik ontdek het, wanneer ze net precies langs de overkant van de sloot lopen, vlak langs mijn huisje. Als ze me zien nemen ze meer afstand. Goed zo. Ik blijf staan kijken terwijl ze een schot lossen. In één keer raak. Een man pakt het dier bij de achterpoten en loopt verder. Ik kijk hem na. Ik zie hem nog eens omkijken in mijn richting. Hee, een nieuwe bewoner. Die hebben we hier nog niet gezien. Ik denk hetzelfde. Ik heb de jagers hier ook nooit gezien. Ik frons mijn wenkbrauwen. Mag dit wel? Dan hoor ik wat aankomen. Ik kijk om. Op het pad rijdt een auto. Hij is van mijn buurman. Ik steek mijn hand op en hij stopt. Hij draait zijn raampje open en we praten er over. We zijn het eens. Jagen als er een plaag is, okee, maar ze staan op de rode lijst. Mijn buurman denkt dat ze inmiddels beschermd zijn. “Nee”, zeg ik “Nog altijd niet. Maar..” Voor ik mijn zin af kan maken, komt er vanuit het niets een haas langs ons heen scheren. Gillend van angst rent hij de bocht om, onder de haag van wilgenbomen door, achter mijn huisje langs. Een vuilgele hond zit hem achterna, kwijlend van jachtdrift. Hij is nog maar drie meter van hem verwijderd. Grommend als een beer schiet ik toe. Ik hol hem achterna, het hele veld over en zwaai breed met mijn armen. De hond taait af, schichtig omkijkend naar dat woeste vrouwbeest. De buurman maakt het af. Met zijn auto zit hij de hond op de hielen, tot het begin van Jochumsreed.

Wat ontdaan loop ik even later het veld af. In de verte lopen de jagers, richting de sloot die naar Bears loopt. Ze lopen evenwijdig aan het land van Jochum. Dat is een lang smal stuk, van acht hectare, vlak langs de Swette. Ik zie nu dat ze niet één, maar drie honden hebben. Die kunnen met elkaar een drijfjacht houden, de hazen achterna het riet in. Oppassen! Ik loop gelijk met de jagers op, zo’n honderd meter van ze af. Ik zie dat ze naar me kijken. Vlak bij de Bearservaart blijft het groepje staan. Ik weet dat hier de meeste dieren zitten. Het is het verst van de weg, en er komen zelden mensen. Er is aan twee kanten water. In die dooie hoek, tussen het riet, kunnen dieren echt tot rust komen. Daarom voelt het voor mij des te meer als heiligschennis. De jagers hebben al zoveel hectare, laat dit hoekje dan met rust! Gelukkig heb ik een zwart leren jas aan. Dat oogt stevig en stoer. De honden staan rustig naast hun bazen. De vuilgele hond kijkt mijn kant op, de kop in de nek, alsof hij me ruikt.

Ik denk aan de Yanomami indianen in Brazilië. Hoe zij de grenzen van hun land bewaken, zoals ik nu doe. Ik stel me voor hoe ze kijken naar die mannen. Ook daar hebben ze geweren. Met één verschil, die kogels zijn voor hen gevaarlijker dan voor mij. Activisten verdedigen hun leefgebied, de planten en de dierenwereld. Meerderen zijn gesneuveld. Via onze bodem zijn wij met dat net verbonden. Zelfs al woon ik duizenden kilometers verderop.

De mannen kijken nog even mijn kant op en draaien zich om. Ze lopen steeds verder van Jochums land vandaan. Een enkel schot klinkt nog luid over de vlakte. Ik zie een haas de goede kant op rennen, naar ons stuk. Hij schiet de brede rietkraag in, die langs de Swette loopt. Die te bewaken, dat is mijn doel. Ik tuur naar de handen van de jagers. Hebben ze nog meer gevangen? Het lijkt van niet. Maar ze zijn al ver weg en ik weet het niet zeker. Verder lopen ze. De mist in, met hun geweren. Even later tref ik boer Jochum in de deuropening van zijn schuur. Ik vraag hoe het zit. Mag dit hier, jagen? Zijn antwoord is duidelijk. “Ik heb dit jaar de vergunning opgezegd. Ze mogen niet meer op mijn land komen. Het gaat slecht met de hazen. Niet door de jacht, maar door de agrarische monocultuur. En om nou voor de sport die laatste hazen te laten schieten, dat is mij te bar.” Hij praat erover zonder zich op te winden. Zijn leven lang al komen er jagers, hij is het gewend. “Ze zouden maar één keer komen, zeiden ze.” Ik zucht opgelucht. Terwijl ik terugloop denk ik aan de Yanomami. En aan alle anderen die geworteld zijn op grond, die deel uitmaakt van hun identiteit. Ze maken zich sterk en niet alleen voor zichzelf. Het gaat om veel meer. Is het genoeg? Al die mensen, hoe sterk zijn wij, met elkaar? Hoe sterk, en hoe verbonden?

.

De jagers die hier komen, beweren dat de populatie niet veel verandert, ze vangen elke herfst evenveel hazen, zeggen ze. Maar hazen, en ook konijnen, staan op de rode lijst. Toch mochten de jagers dit jaar weer jagen. Het gaat nu heel hard achteruit. Vergelijk het met een worst. Je kan er steeds een stuk afsnijden en zeggen dat er niet heel veel veranderd is, ten opzichte van vorig jaar.

In de politiek is er al jaren gesteggel over het wel of niet verbieden van de jacht. In 2013 was er bijna een verbod gekomen voor plezierjacht, maar dat ging niet door omdat de PvdA het toch weer uit zijn verkiezingsprogramma haalde. Nu is de tweede kamer vóór een verbod op het schieten van specifiek hazen en konijnen. Meerdere mensen vinden dat niet wijs. De hele plezierjacht moet stoppen, anders wordt het volgende dier de klos, zoals de wilde eend. Die mogen ze nog wel schieten. De traditie van de jacht al eeuwenoud en een eventueel verbod is een emotioneel beladen onderwerp.

.

Maar eh….. Kunnen ze niet op muggen gaan schieten? Of muizen? Daarvan hebben we regelmatig teveel!.

.

.

.

Bij een drijfjacht zit er voor de hijgende haas niks anders op dan de sprong het water in. Een passant uit Sneek zag ze, bij een andere gelegenheid. De één na de ander maakte een noodsprong. Het was een rotdag, zei hij. Dat begrijp ik. Er zullen er vast hazen verdrinken zonder dat iemand er acht op slaat.

.

Artikel uit de Leeuwarder Courant, 26 dec 2021. Dit gebeurde niet ver hier vandaan, bij kennissen van ons.

Een veld vol acrobaten

Herfstmagie en windgetover

.

.

.

Piepkleine trapezewerkers veranderen het veld in een fonkelend herfstkleed.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er zijn momenten dat de hele wereld omhuld wordt in een mantel van magie. In de vroege ochtend, als de zon schijnt door witte sluiers, dan lijkt het of de dingen verlicht worden van binnenuit. Een zacht licht, dat tegelijkertijd straalt als kristal. Een gewoon rood pannendak is adembenemend. In die stille magie loop ik tussen de weilanden. De wind is nog niet wakker. De zon staat laag is nog nauwelijks zichtbaar. De eindeloze weiden zijn een tapijt, doorweven met zilveren herfstdraden. Wanneer ik verder loop langs het hek, zie ik dat het krioelt van de kleine spinnetjes. Sommige hangen aan hele lange draden. Een heel licht briesje is genoeg om hun miniscule trapezekoorden te laten bewegen. Zodra hun pootjes de vaste materie raken, beginnen ze snel te weven. Nu besef ik in volle omvang wat ik zie. Het hele weiland is vol acrobaten! Piepkleine trapezewerkers veranderen het landschap in een fonkelend herfstkleed. Dat is pas kunst. Konden wij zoiets, dan zou het meteen de krant halen!

Langzaam loop ik verder, heel rustig, om de smienten niet te storen, die verderop zitten. En terwijl ik naar dit alles kijk, op deze magische ochtend, vraag ik me af hoe het is, om enkel te leven met wat er is. Het leven van de wind, net als de spinnen die hun webben weven. Kon ik maar meereizen met die wind, in de straalstroom, net als de zwaluwen. Zaden en sporen vliegen hoog het water over en ontkiemen in andere grond. De ganzen vliegen gakkend over en vinden hier hun winterbestemming. Ze hebben een lange tocht over zee gemaakt, helemaal vanuit hun broedgebieden rond de poolcirkel. Hun witte vleugels veranderen in zeilen. In mijn verbeelding zie ik Les Tres Hombres. Zij gaan juist de andere kant op. Ze varen de oceaan over om eerlijke cacao te halen voor onze verwennerij. Hun zeilen hangen er belabberd bij, er staat nauwelijks wind. Een grijze lucht hult de horizon in mist. Ik voel kleine druppels op mijn wangen, zo klein zijn ze, dat je het niet eens regen kan noemen. Ik kijk naar de zon die langzaam opstijgt uit de lichtgrijze herfstnevels. Witter en witter wordt het licht. Nog even, en dan is de magie verdwenen. Maar niet voor de spinnen. Zij weven door. Het hele veld vol eindeloze spinnenmagie. Langzaam loop ik het pad af.

.

.

.

PS: Het woord belabberd komt hier ook vandaan, uit de zeilvaart, wanneer de zeilen slap naar beneden hingen.

Laat ze maar denken

.

.

.

Is wat normaal is, wel zo normaal? En waarom hebben mensen zoveel nodig?

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Met een warme muts over mijn hoofd loop ik over het onverharde pad. Het waait stevig en ik zou er oorpijn van kunnen krijgen, met mijn natte gewassen haar. Eén lok komt onder de rand van mijn pet vandaan. Vanaf de andere kant komt een man aan gelopen. Hij is hier tijdelijk en ik heb weinig met hem te maken. Hij kijkt me slim aan en zegt: “Lekker hè, zo’n frisse douche!” Ik knik ja. “O ja, een keer per maand of zo….” zeg ik wat onverschillig. Een minzaam lachje ontglipt hem. Wat zou hij denken: Wat een viezerik? Maar het is nog erger! Ik douche nog niet eens een keer per maand. Ik douche vrijwel nooit! Ik heb zojuist mijn haar onder de kraan gewassen, met warm water. Dat is wel fijn.

“Ik badder elke dag in de Swette”, zeg ik dan. “Daar word je ook heel schoon van. En dan flink boenen en schrobben met de handdoek.” Hij springt meteen in de houding en glimlacht beleefd. “O ja, en het is ook heel gezond hè, voor je organen.” Ik beloon hem met een glimlachje. “Zo is het.” Dan loop ik verder naar huis. Langs de bosjes en de struiken. Ik vermijd de stenen, die anders in het hout van mijn klomp blijven prikken. Ik zet mijn ene voet voor de andere en vraag me af waarom mensen zoveel nodig hebben. Wereldwijd is een warme douche tegenwoordig normaal. In Amerika, Mexico, Brazilië en Afrika. Zelfs als er beperkte watervoorraden zijn wordt er gedouched. Het kost nogal wat. En niet alleen water. Ik las gisteren dat de Romeinen Europa veroverden, omdat ze hout nodig hadden om te stoken in hun luxueuze badhuizen. Die luxe, daar zijn ze uiteindelijk aan ten onder gegaan. Zouden de Romeinen elkaar net zo hebben aangekeken? Met een minzaam lachje, als je niet regelmatig naar een badhuis ging? Uiteindelijk viel er helemaal niks meer te badderen. Dat geeft wel te denken. Is wat normaal is wel zo normaal?

Ik verheug me elke ochtend op het frisse natuurbad. En het is leuk om te zien dat er hier steeds vaker mensen uit het dorp komen om het ook te doen. Die herhaling van ontmoetingen maakt dat een plek gaat leven.

Ik hoef geen pompje, zodat er water uit een kraan komt. Ik hoef geen leidingen door het huis en een boiler. Alles wat ik kan missen maakt me onafhankelijk en vrij. Er is al zoveel, zonder dat ik er wat voor hoef te doen. De Swette is een afwateringskanaal en volgt de loop van een oud riviertje, dat al eeuwenlang het regenwater afvoert. Vele liters fris helder water gaan er door heen. Elke ochtend ben ik er weer. Langzaam laat ik me omhullen in die overvloed en was me. Ik kijk naar de zon in het water. Een groep puttertjes vliegt over en landt in een hoge wilgenboom. Dit is rijkdom.

.

.

PS: 1x per maand doe ik de was op de boerderij. Ik zet het een nacht in de week, dan korte stand, eco, 30°C. Verder was ik 2x per maand mijn haar onder de warme kraan met het zeepje dat op de foto staat.

.

Van verveling naar diepgang

.

.

.

“Alle wegen liggen open. Maar als iedereen ver weg zit, dan is er niemand thuis.”

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is een flinke wandeling naar Jorwerd. Ik heb mijn fiets neergezet aan het einde van de onverharde weg. Ik heb mijn goeie wandelschoenen aan en zet er stevig de pas in. Eerst oversteken, naar het dorp Bears, waar de kerk staat. Als ik daar ben, zie ik vlaggen hangen. Een Friese en een Hollandse. Zou er iets te beleven zijn? Ik loop tussen de zerken door. Als ik door de oude deur naar binnen ga, staat er een stralende oude man op. Hij staat achter een ontvangsttafel met folders en boeken. “Welkom, welkom” zegt hij luid. Het zijn Kerkedagen, vertelt hij. Je kan nog steeds overal naar binnen. Wat stuntelig probeer ik Fries te praten. Het haalt veel bij hem omhoog, en hij begint een heel verhaal. “Ik vind het zo leuk dat je het wilt leren!” zegt hij. “De jeugd praat geen Fries meer weet je, en oude gezegden gaan verloren. Het zijn soms zulke mooie!” Hij kijkt vertederd. Uitgebreid vertelt hij me het verhaal van de put en de emmer. Vroeger mocht je pas vrijen als je getrouwd was. De jongeren hadden daar niet altijd het geduld voor. Soms ging het mis. Dan hadden we een mooi gezegde, vertelt hij. Als je het zo zei, dan begrepen de kinderen niet waarover het ging. Zijn ogen glimmen als de woorden over zijn lippen komen: “De aker in de put falle litte.” Een aker is een stalen emmertje. Dat hing bij de put aan een ketting. Soms brak de ketting en krijg dan je emmer maar eens terug! Dan zit je in de problemen. Precies zoals het is! Zo mooi. Hij vertelt alles in zijn moederstaal en vraagt me uiteindelijk of ik het begrijp. “Ja,” zeg ik “Ik vind het een prachtig verhaal. Ik zal het onthouden!”

.

.

Zodra je moeite doet om een lokale taal of dialect te spreken, komt stukje bij beetje de oude cultuur omhoog. Het is net archeologie, maar dan met woorden. De Friese jeugd spreekt de taal steeds minder, kent de regenput ook niet, want er is immers waterleiding. Beschaving neemt de plek in van ruw en ongemakkelijk werk. Maar met het toenemende gemak gaat er ook veel verloren. Oude wortels uit deze bodem. De taal vlakt af, net als het landschap. Het wordt eentoniger. Ook de kinderen van deze tijd vormen steeds meer een monocultuur. Overal ter wereld gaan ze steeds meer op elkaar lijken, stond er pas nog in de krant. Dat is niet zo gek.

Het zijn de multinationals met hun verleidingen. Alibabba, MacDonalds, en wat al niet meer. Het is de taal, waarvan slechts de meest dominante overblijven. Natuurlijk is het fijn, dat jongeren over de hele wereld met elkaar kunnen spreken en delen. Maar soms lijkt het of je eerder contact hebt met iemand heel ver weg, dan met je eigen buurman. De bubbel waarin je leeft loopt eerder langs digitale wegen, dan langs fysieke.

Daarom vind ik het elke keer bijzonder, als ik iemand kan ontmoeten.

We leven ons eigen leven. De beperkingen van deze tijd kunnen oervervelend worden. Maar het is een mooi moment om eens een cursus of opleiding te doen. Er zijn internationale cursussen, in van alles. Ook over kruiden of permacultuur. Dan kun je praten met anderen overal ter wereld. Met studenten in Japan, Kenia of Australië. Sommigen gaan daar met het vliegtuig heen, om inspiratie te delen. Geweldig. Dat zou ik soms ook wel willen. Maar de oude man, die zit vrijwel de hele middag alleen daar, in de kerk. Met al zijn verhalen. Daar denk ik aan. Daarom zet ik mezelf er steeds weer toe om dichtbij te luisteren.

Elke plek heeft een andere bodem. Door een andere taal te leren ga je de diepte in. Het is grondig. Als je in Kenia aan een project meehelpt, dan zal je waarschijnlijk niet hun taal spreken en hun gewoonten kennen. Daar is het bezoek meestal te kort voor. Ik ben nu al sinds 2018 in Friesland. Hoe langer ik hier ben, hoe meer ik besef hoe weinig ik weet. Ik spreek ook nog maar een paar brokjes Fries. Als ik het doe kraken mijn hersenen zo hard dat je het bijna kan horen. De ontdekkingstocht gaat langzaam. Zelfs in eigen land, waar het landschap en de cultuur me toch redelijk vertrouwd is en het contact makkelijk gaat.

Ik keek pas nog in de dorpskrant. Hij verschijnt eens in de drie maanden, al vijftig jaar. Daar heb ik toch wel respect voor. Een wijkbode of buurthuis kan veel suffer lijken dan een internationaal gesprek. Maar het zijn wel de mensen met wie je te maken hebt. En als iedereen ver weg zit, dan is er niemand thuis. Dus ik blijf hier, leer de taal en lees de dorpskrant in het Fries. Stukje bij beetje. Ik ben ten slotte een gewortelde nomade in Friesland. Duurzaam duurt het langst.

.

.

In de nieuwe aflevering van Groene Verhalen vertel ik over een boek dat me raakte en waar ik graag over wilde vertellen. Het heet “Landherstel” en is geschreven door Judith D. Schwartz. Het begint bij minuut 13.30. https://groeneverhalen.nl/2021/11/01/aflevering-11-november-2021/

.

De weg naar Bears

.

.

Een levend thuis met echte buren

.

Een deel van deze afbeelding komt terug in een ander verhaal: “De bestendigheidsgelofte.”

Een deel van mijn leven in vogelvlucht. Hoe ik woonde en wat ik mijn thuis noemde. Hoe ik de wet der wederkerigheid ontdekte, die ik niet alleen toepas op menselijke relaties, maar ook in relatie met de planten en dieren heel dichtbij, direct om mijn huis. Ze horen er allemaal bij.

Liever luisteren? Klik op de knop onder het tweede plaatje.

Er was een dag dat ik in een stenen huis woonde. Nooit had ik zorgen om de wind, de regen en er was niets wat weg kon waaien. Er was niets om vast te sjorren en een schoorsteenkapje hoefde ik niet te hebben want ik had CV. Het water en de stroom werd verzorgd door anderen en het huis werd onderhouden door de woningbouwvereniging. Dat is lang geleden. Wel vijfentwintig jaar. Hierna kwam ik in een eeuwenoude werfkelder terecht. Een heel romantisch plekje, maar je bent wel altijd bezig om je huis bewoonbaar te maken, en ook te houden. Een werfkelder vraagt ook veel energie. De stenen muren zijn tegelijkertijd het fundament van de huizen erboven. Daarom zijn ze een meter dik en warmen erg traag op. Ik moest de hele zomer blijven stoken op een laag pitje. Anders werd alles klam en vochtig en kleding begon te schimmelen in de kast. Ik heb geleerd mijn huis zo leeg mogelijk te laten zodat de lucht goed kan circuleren. Ik heb geleerd dat ventilatie erg belangrijk is en dat de wanden poreus moeten zijn en moeten kunnen ademen.

Uiteindelijk heb ik veel van de verworven wijsheden in de bouw van mijn kleine huis gestopt, met als gevolg dat ik vele malen minder hoef te stoken en altijd een heerlijk licht plekje heb. Het beddengoed voelt niet vochtig aan, de kleding schimmelt niet in de kast en ruikt gewoon fris. Een huisje klein maar fijn.

De basis is goed. Maar wat er van buiten op me af komt, dat heb ik niet voor het zeggen. Het kan stormen of de wielen zakken weg in de modder. Zo is het nu. Maar zo was het niet altijd. Ooit stond mijn wagen op een mooie ondergrond van beton. Om me heen had ik een glazen windscherm laten bouwen, op Frijlân. Dat was mijn eerste woonplek in Friesland. Ik had dat mooie scherm niet alleen voor mezelf. Dan had ik het nooit gedaan. Ik wist dat ik weer weg zou gaan. Het windscherm zou een cadeau worden aan de gemeenschap. Ik had veel aan de gemeenschap te danken, al was het dan in een andere plaats, op een ander moment. Dat was aan de Oudegracht, in die werfkelder. Het voelde als een ver verleden, de vuren op de werf aan het water, de muziek en de mensen van toen. Ik zou ze nooit van mijn leven meer bij elkaar kunnen krijgen, iedereen die er bij was. Maar dat hoeft ook niet. Ik heb geleerd dat je, wat je krijgt, niet per se aan dezelfde mensen terug hoeft te geven. Het netwerk is immers met vele lijnen aan elkaar verbonden en het voedt veel meer dan wat je kan zien. Ik weet nog dat iemand me dat uitlegde. Ik had het gevoel in het krijt te staan. Die man had zoveel voor me gedaan! “Ik vind je een mooi mens” zei hij, “En je bent met goeie dingen bezig. Daarom help ik je. Als je mij iets wilt geven, geef het dan aan een ander.” Ik voelde me verlegen en verbaasd dat ik daar nog nooit eerder bij stil had gestaan.

Het glazen windscherm wordt nu goed gebruikt. Er komen mensen bij elkaar en er wordt muziek gemaakt. Ik ben erbij, als het einde van het seizoen wordt gevierd. De trommels klinken prachtig tussen de glazen wanden, met de vloer van beton. Het is een perfecte klankkast. Overal zie ik lachende gezichten, er wordt gedanst en er worden oerkreten geslaakt. Even krijg ik kippenvel. De sfeer is precies als die ik achter liet. De feesten van toen, op de werf in Utrecht, hadden dezelfde muzikale openhartigheid als wat ik nu meemaak. Hetzelfde vuur. Is dit de wet der wederkerigheid? Dat alles bij je terugkeert als je durft te geven?

Mijn huis staat nu op een andere plek. Voor mezelf wil ik geen glazen windscherm, geen betonnen vloer. Ik hoef ook niet opgeborgen te staan in een schuur, zodat me niets kan gebeuren. Ik wil leven tussen het leven wat mij omringt. Glazen wanden geven mij het gevoel van gekooid zijn, dat ik in een aquarium zit, los van de rest. Ik maak het scherm nu van riet, dat ik rechtop tegen een wand zet. Die wand is van pallets gemaakt en goed gestut. Een windschut moet leven. Het moet langzaam vergaan, en terugkeren naar de bodem. Ik geniet er van om op die manier ruimte bieden aan andere levende wezens. Al is het maar een groep duizendpoten, die er beschutting vinden. Het is heerlijk om daar telkens weer aan te bouwen, en te zien wat er gebeurt. Ik maak er holletjes in voor de vogels. Ik zie hoe er na een uur al een hele zwerm kleine mugjes in woont. Als het winterkoninkje dat ontdekt, dan heeft hij weer eten. Maar ik heb hem nog niet gezien. Wanneer zou hij het ontdekken, mijn geliefde vogeltje? Al kijkende werk ik aan mijn plek. Vanuit mijn raam moet ik het zien. Juist wat dichtbij is, krijgt de meeste voeding. Doordat ik mezelf verzorg, verzorg ik de Aarde. Zoals ooit mijn geliefde zei: “We zijn niet alleen op de wereld.”

Het doet mij meer dan ooit beseffen: Het moet nu gebeuren. Hier, waar je bent. Op je eigen plek, en het liefst vlak voor je voeten. Het Web van Leven is overal.

.

.

Versterkt windschut met geoogst riet. Er zitten holletjes in voor insecten en voor de vogels. Doordat het jaar extreem vochtig was, was de rietoogst vele malen groter dan vorig jaar. Ik gebruik het ook voor paadjes, zodat het niet modderig wordt. Ik bouw met wat er is, ik leef samen met het leven dat zich vestigt. Ook muggen.

.

Tijdens het opschonen van mijn mailbox kwam ik toevallig deze architect weer tegen. Anna Heringer. Niet voor niets had ik haar opzij gezet, ze is belangrijk voor me. Waar zij voor staat als architect, datzelfde draag ik uit in mijn verhalen. Ook zegt het iets over het feit waarom mijn buren zo belangrijk voor me zijn . En over hoe ik nu mijn windschut bouw en versterk . Door haar levenswerk een plek te geven in mijn blog, hoop ik mijn keuzes nog beter toe te kunnen lichten.

Voor Anna Heringer is ‘Het bouwen van een huis tegelijk bouwen aan de gemeenschap’. In wezen is ecologisch bouwen dus eigenlijk sociologisch en politiek bouwen. ‘Eerst bouwen mensen huizen, daarna bouwen huizen mensen,’ is een gevleugeld woord uit de Baukultur. Zoals de mens bouwt, zal hij leven. Denk daar maar eens over na. Dat veel van de nieuwe, spectaculaire ecosteden overal ter wereld zozeer op techniek georiënteerd zijn, is voor Anna Heringer eerder een onderdeel van het probleem dan een oplossing. Waarom er niet veel meer met leem wordt gebouwd? Leem laat zich niet patenteren en standaardiseren, ‘daardoor is het economisch niet aantrekkelijk’. Leem heeft geen lobby. (Artikel 360 Magazine 1-10-2020 “Natuur en bouwsector moeten bondgenoten worden.”).

In dit filmpje kun je zien hoe ze samen met een heel dorp in Bangladesh een lemen school bouwde. De materialen komen uit de streek zelf. Het is zeker inspirerend, want modder hebben wij hier ook op deze oude zeebodem (Middelsee, N. Fryslân). Zelf heb ik diverse ervaringen met klei en het bouwen ermee. In deze beelden komt de titel van dit verhaal weer terug. Een levend thuis met echte buren.

Paden op Schier en die van hier

.

Hier heb ik zojuist staan praten met Maike. Op de plek waar het gras plat is getrapt, knip ik het af in een cirkel, en zo leg ik de fysieke herinnering van onze ontmoeting vast in het veld. Voor zolang het duurt.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan het verhaal.

.

Schiermonnikoog.

Het is acht uur in de ochtend. De zon is nog maar net boven de horizon uit, en verbergt zich achter sluierwolken. Ik heb mijn fiets achtergelaten bij de stallingsplaats, en tussen de laatste lage duinen door loop ik naar het uitgestrekte kweldergebied van Schiermonnikoog. Het is vier jaar geleden dat ik hier voor het laatst was. Hoe zou het er nu uitzien? Ik las in de krant van een kunstenares Ze is bedroefd. Ze schildert hier al 40 jaar en ziet hoe alles steeds groener wordt en minder divers. Ik ben nu hier om te kijken. Is het echt zo? Op vijftig meter afstand van mij grazen koeien. Het gras is perfect gemillimeterd, ik word het oude natuurlandschap ingeleid als op een groene loper. In de vroege ochtend is dat een heilig moment. Zeker nu, in de herfst, als de zeekraal rood begint te kleuren en in bescheiden tinten afsteekt tegen de grijsgroene zeealsem. Ik loop door het hek, steek een houten brug over zonder leuning. Er staat weinig water onder, dat komt straks pas, als de herfst inzet. De zeealsem zie ik overal. Ik pluk een stukje van de zeldzame plant, die hier zo overvloedig groeit. Ik houd het voor mijn neus en snuif de geur op. Het is verkwikkend en ik word er heel gelukkig van. Het heeft iets van lavendel, maar dan frisser en sterker. Traditiegetrouw stop ik de blaadjes in mijn broekzak. Het zal nog wekenlang duren voor het zijn geur verliest.

.

Het kwelderlandschap in een ander jaargetijde. Het tijdstip van de dag komt overeen met mijn verhaal, en ook de sluierwolken en de pastelkleuren in de lucht. Foto: Klaas Huizenga.

.

Langzaam loop ik verder over het smalle pad. Het is een pad zoals ik het graag heb, het bestaat omdat er mensen lopen. En koeien, ook soms. Zonder onze wandelingen was het er niet. Zo hoort het te zijn. En dat je soms aarzelt, is dit wel een pad of niet? Zo loop ik verder. Ik kijk uit naar de paarsbloeiende lamsoor. Even later zie ik een heel veld ervan, maar niet meer tot aan de horizon. Er groeit veel kweekgras, en ik zie zilverschoon langs het pad staan. Het gras overwoekert de kwelderplanten eronder, ik zie het grijzige blad schemeren onder een dichte laag gevallen halmen. Is dit wat de schilderes bedoelt? De toekomst zal het uitwijzen. Ik keer om, en ga terug naar de kampeerboerderij. Daar is Dick, die de krant leest. We hebben nog één dag samen. Dan keer ik terug naar mijn kleine huis aan de Swette, en hij zal de laatste weken op de Vlierhof doorbrengen. Alleen zijn is goed. Maar de winter is lang, als je geen maatje hebt. Het is gezellig samen. Als de kachel weer brandt, dan zullen we samen koken en koffie drinken, praten en lachen, net zoals drie maanden geleden. Straks, als de donkere tijd van het jaar aanbreekt, dan is het weer zover. Donker, herfst, wanneer komtie? Is het vandaag of morgen? Het kan zomaar afgelopen zijn, met de nazomer.

.

Grascomposthoop, met vrije winterwoning voor een egel.

.

Terug aan de Swette.

De paden rond mijn huis zijn nog net te zien. Maar het gras is hard gegroeid in twee weken tijd. Als je er niet over loopt, dan verdwijnen ze zomaar, de paden. Het fijne is, dat ik helemaal niet hoef te wennen, om weer thuis te zijn. Ik pak gewoon de heggeschaar. Op mijn hurken waggel ik als een eend het pad af. Het geluid van de schaar klinkt regelmatig en snel. Het fysieke meditatieve werk doet me goed. Als een kleine grazer ga ik voort, alleen eet ik het niet, ik laat het vallen en verzamel het in hoopjes. Die breng ik naar de composthoop. Armen vol zijn het. Tot ik het einde bereik en het pad klaar is. Vlak voor mij ligt de grindweg. Vanuit hier kan ik naar de Swette lopen, en naar mijn buren. Aan de overkant van het water vind ik Irma, Isabel en Niels. Aan de andere kant van het weiland zijn Arnold, Fransje en Nynke. En als ik verder loop vind ik Sjoerd en Lysbet in Jorwerd en Margaretha en Pieter in Hûns. Dit is mijn gemeenschap. Hier zal ik me wortelen en verbinden. Ik kijk naar het pad, dat ik opnieuw geschapen heb. Een mooi strak paadje, door het lange gras. In een bocht loopt het naar mijn groen met blauwe wooncocon. Boven mijn hoofd vliegt een wulp voorbij, alleen en fluitend, alsof hij iets zoekt. Zachtjes begint het te motregenen. Ik voel mijn kuiten van het waggelen op mijn hurken. Mijn armen hebben geen centje pijn van het vele knippen. Ze zijn goed getraind.

Het zijn maar een paar druppels. De regen waait over en terwijl ik de eerste flarden blauw aan de hemel zie, komt er iemand het pad af. Het is Jeroen, de greppelkenner. Zijn rode baard is gegroeid, onder het blonde haar. “Ha, ben je er weer!” roept hij. “Ja!” zeg ik. “Wat heb ik je lang niet gezien joh! Goed om hier weer te zijn.” En zowaar, ik meen het. De paden zijn weer gemaakt, klaar om te ontmoeten en weer thuis te komen. Elke keer, heen en weer. Tot er steeds meer groeien gaat.

.

De wilgen, de aardpeer en het Chinese reuzenriet doen het goed, langs het Verhalenpad. Ik heb wel sporen van reeën gezien, die aan de schors knabbelen. Niet te netjes maken, gras en kleefkruid hoog op laten groeien, dat werkt.

.

Droom op de keukenvloer

.

.

Er zijn twee kamers. Daar kun je opdrachten doen. De ene zegt: “Beweeg zo traag mogelijk.” De andere: “Blijf zolang mogelijk staan waar je staat.”

Liever luisteren? Druk op de knop onderaan de tekst.

Vanmiddag kwamen we aan met de veerboot op Schiermonnikoog. Mijn vriend Dick en ik. Alles leek onveranderd, en toch was het al twee jaar geleden, sinds de laatste keer dat ik hier was. Nu logeren we op de kampeerboerderij. Wat ben ik moe! Ik lig op een matras tussen het aanrecht en de lage zitkamertafel. Ik voel me zwaar en ontspannen, al kan ik niet direct slapen. Ik ben gevlucht. De kleine slaapkamer benauwde me. In deze kamer is ruimte. Ik lig op mijn rug met ogen dicht. Beelden komen en gaan. Wat heb ik hard gewerkt de afgelopen week op de Vlierhof. Zoals overal lag het oord een lange tijd stil, en waren er geen handen om het werk te doen. Nu is er veel achterstallig onderhoud. Ik heb tegelvloeren geschrobd, een vijver schoongemaakt, paadjes gemaakt en ontdekt. De akkerwinde had alles bedekt en er kwamen vele verrassingen onder tevoorschijn. Saliestruiken en bloeiende paarse herfstasters. Het was een hele kunst, de lange slierten weg te halen zonder takken af te breken. Ik heb distels en uitgebloeide klissen losgemaakt en weggeknipt zonder zaad rond te strooien. En overal waren mensen bezig. Het was heerlijk. Na maandenlang alleen te hebben doorgebracht tussen de weilanden, leefde ik samen in een groep. “Wanneer kom je weer?” vroegen ze. Gauw, dacht ik. Maar nu ik vijf uur reizen verwijderd ben weet ik het niet meer.

Ik tuur door mijn wimpers. Het is niet helemaal donker hier. Het licht van de gang schijnt door het halfronde stalraam. Twee groene lampjes voor de nooduitgang schijnen helder boven de deuren. Ik grijp de theedoek, die aan een haak naast me hangt en leg hem over mijn ogen heen. Nu is het echt donker.

De levendige week heeft een oude vraag opnieuw leven in geblazen. Te gaan of te blijven? Terug naar mijn weilandje, naar de stilte, waar ik alle wegen naar de wereld zelf moet ondernemen, of veel vaker naar het werk met de groep, wat ik zo miste? De duisternis en de stilte ligt als een zachte deken over mijn zware ledematen. Zonder de vraag te hebben beantwoord val ik in slaap.

Ik droom van twee mensen. De eerste is een oude leraar, van de AVEK, uit Leeuwarden. Rob Heiligers. Van hem leerde ik Butoh, een heel trage bewegingskunst die het schemergebied van het leven onderzoekt en verbeeldt. In mijn droom is het bijna donker, maar alles is vol vitaliteit, en hoewel Rob niet meer leeft staat hij blakend van gezondheid voor me en hij lacht me bemoedigend toe. Ik loop door een schemerige gang, er is een expositie. Er zijn twee kamers. Daar kun je opdrachten doen. De ene zegt: “Beweeg zo traag mogelijk.” De andere: “Blijf zolang mogelijk staan waar je staat.” Iemand geeft me een vrolijke elleboogstoot. “Dat kan jij ook goed hè?” Een ander noemt de naam van een bevriende kunstenaar. In werkelijkheid leeft hij niet meer, maar in mijn droom deelt hij de expositie. In zijn leven heeft hij zelden het huis verlaten. Hij weidde zijn leven volledig aan zijn kunst. Hij stond waar hij stond.

Ik word wakker op dezelfde keukenvloer, Ontspannen en uitgerust. Mijn droom heeft me opnieuw de weg gewezen. Ik ga terug naar mijn weide.

Je hoeft niet veel te reizen om veel te weten. Hoeveel mensen hebben de wegen van de geest gevolgd? Talloze mensen zijn me voorgegaan, in verstilde eenvoud. Ze hebben gelezen, kunst gemaakt, boeken geschreven, het heelal bekeken, gewoon op de plek waar ze waren. Het waren benedictijnen, schrijvers, kunstenaars, maar ook gewone boeren, tuinvrouwen en fietsenmakers. De wereld is zo groot of zo klein als je hem zelf maakt.

Langzaam word ik wakker en herinner mij de opdrachten. Langzaam bewegen en zo lang mogelijk blijven staan. Twee meter verderop kraakt een deur. Dick komt binnen en stapt over mijn bed heen om water te pakken uit de kraan. “Goeiemorgen!”

.