Ik heb iets te vieren

.

.

.

Gisteren deed ik een test: ”Je verborgen impact.” Alles wat je doet, alles wat je gebruikt, eet of drinkt, komt ergens vandaan. (Onder de tekst staat de link naar het voorgelezen verhaal.)

Ooit was het leven nog eenvoudig. Toen was het vrij duidelijk waar alles vandaan kwam. De melk die je dronk kwam van een koe die je kon zien. Eten kocht je bij je eigen boer, wol kwam van het schaap, en de meeste vrouwen sponnen en breiden zelf. Er is ook een tijd geweest dat mannen breiden. Er was veel praktische kennis. Veel vakmanschap was lokaal aanwezig en je hoefde nooit ver te gaan. Nu is dat anders. Er is een veelheid aan spullen en mogelijkheden en al die spullen, al die mensen en al dat eten wordt over grote afstanden verplaatst. Er gaan bossen voor naar de vlakte, er wordt water verspild en vervuild. Al zijn Nederlanders grote gebruikers, wij zien maar een fractie van de impact die onze levensstijl heeft. Vandaar de naam van de test: “Je verborgen impact.” Ze noemen het ook wel: ”Je ecologische voetafdruk.” Nou is het niet zozeer dat ik daar dagelijks mee bezig ben en steeds aan het rekenen ben wat mijn impact is. Eigenlijk nooit. Eenvoudig leven in verbinding met de Aarde is mijn enige echte intentie. Het maakt me helder en sterk. Ik woon in een rijk land, maar ik beheers me in mijn doen en laten. Het is een enigszins Spartaanse ontdekkingstocht. Ik wil niet anders, al wijkt mijn leven af van wat tot nog toe normaal gevonden wordt. Maar de wereld verandert. Steeds meer mensen zeggen: “We kunnen niet meer terug naar het oude normaal.” Misschien is wat ik doe niet zo gek meer.

Ik deed de test. Ik was nieuwsgierig. En wat is de uitkomst? Als iedereen leefde zoals ik, dan hadden we maar een halve aarde nodig! Dan kan de wereldbevolking verdubbelen! Wat doe ik en wat doe ik niet? Ik zal het eerlijk vertellen.

  1. Ik douche niet meer. Ik badder elke dag in de Swette en was mijn haar 1x in de tien dagen onder de kraan. Mijn deodorant maak ik zelf van himalayazout en water.
  2. Ik reis maar een paar keer per jaar, en ga dan met de trein. Ik blijf in Nederland.
  3. Ik eet elke dag één boterham met kaas en eet ongeveer twee keer per jaar vlees. Ik ben klein en tanig en kan met weinig voedsel aardig wat werk verzetten.
  4. Mijn huis is 6 M2 meter en goed geïsoleerd, dus weinig energiegebruik.
  5. Omdat ik veel buiten aan het werk ben, heb ik het niet snel koud en heb ik ook niet de hele dag de kachel aan. Ook het koude bad in de ochtend zorgt dat ik mijn bruine vet omzet in eigengemaakte warmte.
  6. Ik haal mijn water in flessen en gebruik ongeveer drie liter per dag.
  7. Kleren koop ik één keer per jaar, soms iets heel moois en nieuw voor netjes, maar verder het liefste tweedehands. Omdat ik maar een klein kledingkastje heb, heb ik maar een kleine garderobe.
  8. Ik koop zelden nieuwe spullen. In een klein huisje ligt het gauw in de weg. In 2020 kocht ik vier mooie kommen in een lokale keukenwinkel, en ook een Molenaarmesje. Verder kocht ik twee mondkapjes, plakband, een tandenborstel, een pen en knijpers en een leesbril. De rest had ik al. Goed gereedschap vind ik belangrijk om te hebben. Ik wil zelf dingen kunnen maken en ook repareren. Kwaliteit is belangrijk. Goed gereedschap gaat vele jaren mee. Als ik spullen koop, koop ik het in de eerste plaats bij kleine zelfstandige ondernemers en nooit bij de Action. De kwaliteit is er stukken beter en ook het persoonlijk contact en het advies.
  9. Ik composteer mijn poep tot compost en laat daar zonnebloemen op groeien.
  10. Ik doe één keer in de twee maanden de was. Daarin speelt mee dat er ’s winters weinig ruimte is om het te laten drogen, en dat het dan zo vochtig is. Maar uiteindelijk bevalt het goed. En voor de wereld is het beter. Vooral het wassen van fleecekleding is erg schadelijk. Het hele strand ligt vol met microscopisch kleine bolletjes plastic, afkomstig van al die wasbeurten.
  11. Ik koop zo weinig mogelijk voedsel verpakt in plastic. Op de markt in Leeuwarden kan ik veel biologisch eten kopen wat los wordt verkocht of wat in papier is verpakt. Ook granen en peulvruchten.

Waarin ik zondig omdat ik er veel plezier aan beleef:

  1. Ik houd van sterke koffie met melk. Koffie komt van ver, dus is het een luxeproduct. Ik drink 1 kopje per dag. Soms meer.
  2. Ik laat één keer per jaar highligts in mijn haar zetten, door de kapper. (Ik schep er veel plezier in om me af en toe heel netjes en vrouwelijk te kleden.)

Het mooist is, dat ik ter compensatie voor mijn bestaan 370 bomen moet planten. Nu heb ik inmiddels meer dan 400 bomen een plek gegeven! Dus nu sta ik net als natuurvolkeren, op de positieve lijst. Mijn bestaan voegt iets toe aan de gezondheid van de aarde. Dat ik daarin iets kan betekenen, op mijn eigen bescheiden wijze, dat is voor mij zo waardevol! Ja, ik ben een goede tekenaar en kan schrijven. Ik kan ontwerpen en bouwen. Maar bovenal kan ik hele mooie plekken scheppen, vol bloemen, grassen en bomen, vol insecten en andere dieren. En ik ga nog meer bomen planten. Levend in eenvoud scheppen we een nieuwe wereld.

Doe de test: https://mijnverborgenimpact.nl/

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal.

.

.

De foto’s zijn van Elske Riemersma.

Leefruimte

.

Uit het boek: Langs kantelende wegen, zie de link onderaan.

.

Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig. (De link naar het voorgelezen verhaal vind je onderaan. )

Op mijn blauwe klompen klos ik het bordes op van m’n vriend Dick. Het is een klein groen huisje, aan de rand van de weilanden. Het is klein, maar toch wel twee keer zo groot als dat van mij. Het is een heel eind lopen, om er te komen. Ik vind het leuk dat hij ook eenvoudig leeft.

De stormachtige wind waait hard over het weiland. Ik veeg mijn modderklompen af aan een opstaande rand. Voorzichtig doe ik de deur open. Hij draait naar buiten, ik moet uitkijken dat hij niet uit mijn handen klapt. Terwijl ik mijn klompen uitdoe, hoor ik binnen het geluid van de radio. Er is reclame. “Stem op 50+”, hoor ik een vrouw zeggen met een wat monotone stem. Dick fronst zijn wenkbrauwen en kijkt op van zijn laptop. “Dit vind ik zo’n irritante partij! Ze hebben het alleen maar over pietluttige geldzaakjes. Ze denken alleen aan zichzelf, terwijl ze gewoonlijk geld zat hebben.” Ik kijk hem aan. “Als ze alleen aan zichzelf denken, hoe kunnen ze dan samenwerken in een partij?” Vraag ik. En ik denk over zijn opmerking na, terwijl ik water opzet voor thee. “Om het tij te keren moeten we meer in verbanden gaan denken, als Ubuntu. Dat is best lastig in een wereld waarin mensen vooral denken aan hun eigenbelang. Is het dat wat je bedoelt?” Hij kijkt op. “Ja, dat”, zegt hij kort. Dan gaat hij weer door met schrijven. Dat is wat we gemeen hebben. Allebei schrijven we over een mooiere aarde, en wat je daaraan kan doen. Alleen schrijf ik vanuit mijn eigen leven, vaak praktisch, soms verdiepend en filosofisch. In de tijd dat ik ’s ochtends de Swette in stap en mijn oefeningen doe, leest hij elders in zijn huurhuisje de krant. Hij heeft een eigen website en houdt interviews. We praten er vaak over. Hoe maak je de wereld mooier. Waarom leven we liever in een tiny house?

Dick is niet de enige met wie ik daarover praat. Er komen soms mensen bij me langs, die er over na denken. Het gaat over landgebruik en mensen, geschiedenis en toekomst. Er is veel te delen. “De dieren hebben woningnood”, schrijft Natuurmonumenten aan de minister. Er is algehele woningnood, voor mensen én voor dieren. Reekalfjes die verstopt liggen in maisvelden worden kapotgereden door grote tractoren. Reekalfjes in natuurgebieden worden gedood en aangevreten door loslopende honden. Recreatie loopt fors uit de klauwen. Het is maar een voorbeeld. Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig.

Ik maak een klein begin. Samen met Linde werk ik aan een nieuw pad. Ik zie het als symbool voor een veel groter pad, waar ieder mens een begin aan kan maken. We laten een klein stuk land begroeien, Linde en ik. Het is een verhaal, dat je delen kan. Slechts een speldeknop is het, in het uitgestrekte biljartlaken van groene weilanden, maar toch, het ís iets.

Al die hectares met monotone akkers. Het tekort aan leefruimte. Hoe kan het anders, en wel zó, dat de boer er ook beter op wordt? Hiermee eindig ik. Precies op de dag van de verkiezingen. Ja, ik ga ook stemmen, en wel met deze vraag in mijn gedachten.

.

Luister hier

.

Bestel hier mijn boek: https://alowieke.blog/langs-kantelende-wegen-is-uit-bestellen-kan-hier/

Groene Verhalen, de site van Dick.

.

.

De heilige regelmaat van een nomade

.

.

,

.

Ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van tien minuten.

Vertrouwen komt te voet, en gaat te paard, luidt een oud spreekwoord. Sinds ik het hoorde, ben ik het nooit meer vergeten. Het maakt deel uit van mijn langzame leven. Een snelle beweging op het verkeerde moment kan veel verpesten. Bezint eer gij begint. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Al die oude wijsheden gaan over rust en beheersing van al te opgewonden impulsen. Daar luister ik graag naar.
Ik kom regelmatig mensen tegen die denken dat ik een reiziger ben. Mensen vol wilde plannen die denken in mij een bondgenoot te vinden en herkenning. Herkennen doe ik het wel, maar meer ook niet. Ik ben geen reiziger. Ik ben me al jarenlang aan het beheersen. Ik ben een nomade, zoals ik dat noem. Ik vertrek als het moet, maar blijf liever waar ik ben. Ik ben geland in Friesland, aan de Swette. Dit is de plek waar ik ben. Al zou ik de bergen willen zien, indianen willen ontmoeten. Al zou ik naar Ierland willen reizen, met mijn huisje op een schip, of alleen maar naar Limburg. Ik doe het niet. Ik blijf. Al is het soms moeilijk me te beheersen. Een vreemd land is een spannend avontuur dat altijd lokt. Ik houd van ontdekken. Ik vind het prachtig. Maar de vogels kennen me niet. De grond is me vreemd. Elke ontmoeting is intens, maar al te veel intensiteit is dodelijk vermoeiend. Ik slaap veel minder goed, op vreemde grond. Thuiszijn betekent rust en vertrouwen. Ontdekken vanuit zijn. Dat zoek ik op. Daarom beheers ik mezelf, telkens weer.

Vertrouwen komt voort uit rust en regelmaat. En ook in het kleine zit avontuur verscholen. Dit besef ik elke ochtend opnieuw, als ik de kou in stap, enkel gehuld in een handdoekje. Ik pak mijn zwarte onderbroek van het wasrekje, dat buiten hangt. Die heb ik gisteren nat opgehangen en hij is een beetje stijf. Het heeft gevroren. Dat doet het al de hele week. Ik doe een stap terug, naar binnen en duw hem even tegen de hete kachelpijp aan. Het sist. Ik kneed hem soepel in mijn handen en trek hem aan. Dan loop ik achter de beschutting van mijn huis vandaan. Ik voel de wind. Met blote voeten in mijn azuurblauwe klompen wandel ik over het gras. De zompige modder is stijf en het dunne ijs in de plassen kraakt. Ik loop onder de oude wilgebomen door, waarin twee kraaien zitten te kijken. Daar is de oever, en het riet, achter een haag van vlier struiken. Een paar meesjes fluiten opgewonden als ze me zien. Ze weten dondersgoed dat ik het ben. Het mens met de zaadjes. Eten! Maar nu niet. Ik loop het kleine beschutte veldje over naar de steiger. Nu voel ik me bloot en kwetsbaar, in de koude bries. Het is nul graden en het waait een beetje. Straks voel ik me heel anders. Dat weet ik. Dan gloei ik van binnen uit.
Ik loop over de steiger, glad van opgevroren dauw. Voor de hoeveelste keer loop ik hier al? De eenden weten het inmiddels. De eerste tijd vlogen ze luid kwakend op, toen ik aan kwam lopen. Nu niet meer. Heel langzaam zwemmen ze de andere kant op, alsof het ze niet interesseert.
Ik aarzel niet. Mijn lichaam verlangt naar het koude water. Stap voor stap ga ik langs het laddertje omlaag, dat tegen de steiger aan staat. Vier treden. Het water staat laag. Daaronder is de modder, voel ik met mijn tenen. Ik stap terug naar de onderste tree en ga door mijn knieën. Ik geniet van de kou. Mijn hele lichaam is in één keer wakker. Met alleen mijn hoofd boven water, kijk ik rustig om me heen. De zon schijnt achter een sluierwolk en het water is van zilver. De toppen van het riet bewegen zachtjes heen en weer. Ik ga er helemaal in op. Dit is een heilig moment. Hoe vaker ik dit doe, hoe meer deze plek voor mij betekent. Het is een ritueel, dat voeding geeft. Aan mij. Aan de plek. Aan de plek en mij.

Dit is wat ik mis, als ik op reis ga. Ja er zullen overal rivieren zijn en plassen om in de baden. Maar het is niet deze ene plek, bij de oude wilgen die ik zo goed ken. Waar de twee kraaien zitten te kijken vanuit de boom en waar de mezen me achterna vliegen. Waar de eenden niet wegvliegen als ik het water instap, maar gewoon doorgaan met wat ze doen.

Dat is thuis. Thuis op eigen bodem. Wilde plannen laat ik rustig in de modder zinken. Misschien komen ze ooit weer bovendrijven, misschien ook niet. Ik laat het. Want liever kweek ik rust en vertrouwen, zodat het wilde leven om mij heen steeds meer bij me hoort. Zeker in deze tijd zijn dit voor mij de belangrijkste waarden. In een wereld met zoveel ontworteling, vertrouw ik graag op plekken die me heilig zijn. Als nomade trek ik. Maar niet zomaar. En niet alleen voor mezelf. Ik ga ook omdat de plek me roept. Anders ga ik niet.

Een zacht en sterk geheim

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  8,5 minuut..

Terug op de camping in Bears. Er gebeurt veel wat onrust brengt. Overal. Er zijn vragen en onzekerheden. Wat kan ik het beste doen, vraag ik me af. Het antwoord komt direct. Laat het zijn en kijk naar wat er wèl is. Hier en nu. Op de plek waar ik ben aangekomen. Hoe klein het ook mag zijn. Leven! Het is een zacht en sterk geheim. En nooit zullen we de potentie van haar kracht ten volle kennen.

Ik sta voor mijn kleine huis en kijk uit over het glooiende weiland. Wat een ruimte! Het is als een heerlijke zee. Toch weet ik, het kan van het ene moment op het andere veranderen in een heksenketel. De wind kan genadeloos zijn. En toch sta ik hier. De lucht is grijs en herfstig. Er waait een vochtige bries. Het riet langs de sloten buigt zachtjes heen en weer in de wind. Maar ik weet hoe het ook kan zijn. Hoe het wild heen en weer kan slaan. Dagenlang wild geruis om het huis. Het rukken en trekken, het geklapper van alles wat los zit. Een achteloos neergezette fles valt op de grond. Oordopjes in, voor de focus, als ik wil schrijven. Ja, ik werd er moe van, vorig jaar. Daarom vertrok ik naar het Zuiden van Friesland en bracht in Rotstergaast de winter door, werkend aan mijn boek. En nu ben ik teruggekomen. Toch. Ik verken deze ruimte, deze grond.

Ik zie een torenvalk en eksters. Ik zie reigers en kievieten. Wulpen foerageren in de verte, op het kale akkerland. Waarschijnlijk zijn ze op doorreis. De vertrouwde mezen zijn uit het zicht. Waarschijnlijk zitten ze in de oude wilg. Ik loop erheen over het natte gras, de onverharde weg over. Het is een boeiende plek. De jungle van takken vormt een vertrouwd beeld, langs het riviertje de Zwette. De Schietwilg is een kolossale boom. De stam is van binnen weggerot. De kruin is als een drie-armige ster uiteengevallen. Zijn dikke takken liggen op de grond en groeien op verrassende wijze verder. Jonge scheuten schieten om het hardst omhoog, met het doel om als eerste het licht te bereiken. Het zijn al hele bomen. Het vormt een klein en wonderlijk woud, waarin allerlei dieren een thuis vinden. Ik loop verder en wil onder de boom kijken. Een tak zit in de weg en ik duw hem opzij. Zodra ik loslaat, zie ik dat mijn hand rood is. Het zijn platgedrukte luizen. Nu zie ik ze ook zitten. Alle takken zitten er vol mee. Ik veeg mijn hand af aan het natte gras. Vanuit mijn ooghoek zie ik iets bewegen en ik kijk op. Ergens tussen het blad fladdert een pimpelmees. Ja, die lusten wel luizen. En de lieveheersbeestjes houden er ook van. Ik raak steeds meer onder de indruk. Wat een boel eten is er hier. Ik kijk naar de rotte stam. Hij zit vol pissebedden en duizendpoten, stil verborgen in donkere holletjes. Tot een gretige specht het hout uitéén trekt. Wriemelend zoeken de beestjes dekking. Sommige zijn de klos en verdwijnen in de snavel van de bontgekleurde vogel.
De boom is een bron van leven. Wat fijn dat hij gewoon mag blijven liggen. Er is niemand die zegt: die oude boom ruimen we maar eens op. Stel je voor dat er veel meer van zulke plekken zullen komen. Dat we die samen maken. Dat we ze maken door steeds minder te doen, en steeds meer te laten. Totdat alles gaat bewegen, fluiten en piepen.

Ik steek de grindweg weer over, terug naar het veld waar mijn woonwagen staat. Het veld is aan twee kanten begrensd door een rij jonge wilgen. Dat is een begin. Want we kunnen meer bomen planten. Meerdere soorten, met bloesems in hun eigen tijd. Boer Jochum ziet daar wel wat in. Er moet ook meer voedsel komen. Het kunnen bessen zijn en tamme kastanjestruiken met grote noten. Of kruiden, pastinaak en wortelen en pompoen. Als straks de bladeren zijn gevallen, dan kunnen we beginnen met planten. Dat is de tijd dat de wind weer gaat waaien. Ik zal niet vluchten, dit keer. Ik zal hem begroeten als een rumoerige vriend, die wilde Zuidwester. Ik zet een muts op zodat hij niet aan mijn haar kan trekken. Ik zal hem lekker buiten de deur houden en het binnen lekker warm maken. Ik zal lachen om die plaaggeest en kijken hoe ik hem te slim af kan zijn. Ik ga een haag maken en bomen planten. Een schutting van riet. Ik werk. En ik wacht.

En dan komt de lente. De eerste spruiten komen de grond uit. Wilgen gaan bloeien en elzen beginnen te stuiven. Kale takken botten uit en ook de bomen die we plantten. Wat er is, wil groeien. Het is een robuuste kracht, die wacht op het juiste moment. Dat zachte geheim maakt me stil en geduldig. De hele winter lang. Of langer nog. Als het moet.

Nieuws:

Ik mis het wekelijkse schrijven. Het is een creatieve vingeroefening. Vanaf volgende week begin ik weer met mijn oude ritme, elke woensdag iets te publiceren. Soms is er alleen een filmpje of een tekening. Ik ga weer door. Tenzij een onverwachte wending van het lot iets anders beslist.
Het boek ‘Langs kantelende wegen’ komt op 15 oktober van de drukker. Je kunt je nu nog aanmelden bij mij. Na de vijftiende is het te bestellen bij Uitgeverij Louise.

.

Koen Brouwer maakt films over Tiny Houses op You Tube. Vorig jaar was hij bij mij. Het is een grappige, informatieve film geworden, die zo te zien veel mensen inspireert.

.

.

Deze film, ‘Kiss the ground’, is een mooie inspiratiebron.

https://youtu.be/3iknWWKZOUs

.

.

Bermgesprek met een maaiende boer

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van zeven minuten.

.

Een nomade verplaatst zich regelmatig. Het is niet omdat het moet, het zijn vaak de omstandigheden, het is de stroom van de tijdsrivier, waarin je meegaat. Ik kon niet blijven waar ik stond, de mensen die me gastvrijheid verleenden, hebben de ruimte zelf weer nodig. Vanochtend wandel ik verder, met mijn rijdende verhalenhuis. Ik ga niet ver.

Vijfhonderd meter verderop houd ik halt bij een brede berm. De grond is hobbelig, maar mijn ijzeren trekhond kan het goed hebben. Ik kan hier ver kijken. Ik heb mijn huis kops op de wind gezet, zodat een zacht briesje mijn wooncocon kan verkoelen. Rechts naast mij is de weg en achter een brede rietkraag ligt het riviertje de Tjonger. De berm waarin ik sta, is wel vijftien meter breed en daarachter ligt een sloot. Het eerste stuk van de berm is gemaaid. Je kan merken dat het niet vaak gebeurt, de overgebleven stengels zijn hard en houterig. Ik kijk goed waar ik mijn blote voeten neerzet, op de kale stukjes tussen de pollen in. Verderop is nog niet gemaaid. Dichte bossen distels bevolken de bodem, gemengd met brandnetels. Ik zie een paar koolwitjes fladderen. Hier en daar zie ik een witte bloem van dovenetel of het brede blad van de zuring. Het staat in sterk contrast met het egale grasland ernaast, waarin ik een blauwe trekker zie rijden. De boer is aan het hooien onder een benauwde heiige hemel.

Ik trek mijn T- shirt met lange mouwen uit en gooi het nonchalant in de opgeruimde zithoek. Loom ga ik op het bordes zitten. De zon schijnt door een sluierwolk op mijn blote schouders. Ik weet nog niet wat ik zal doen vandaag. Ik kijk naar een enorme groep ooievaars die cirkelen boven het land. Net wanneer ik ze wil gaan tellen, komt de blauwe trekker mijn kant op, die zojuist nog heen en weer reed op het weiland. De volgende strook van mijn berm wordt gekortwiekt. In rap tempo komt hij dichterbij. Wanneer hij naast me is, stopt de trekker.
In de cabine zit een grijze vijftiger. Hij grijnst en buigt opzij om iets te zeggen. ‚Dat is ook een mooi wagentje!’ Ik knik. ‚Zelfgebouwd. Ik woon erin. Sta ik hier niet in de weg?’ De boer schudt doodgemoederd zijn hoofd. ‚Nee hoor’ Hij kijkt nog eens naar mijn wandelhuisje.
‚Knap hoor,’ zegt hij. ‚Ik zou er nooit aan beginnen.’
Ik kijk naar zijn rode gezicht. ‚Heb je het niet warm?’ Hij schudt zijn hoofd. ‚Heb je deze grond ook onder beheer?’ vraag ik.
‚Ja,’ zegt hij ‚Voor de gemeente. Ik doe het erbij en krijg er onkostenvergoeding voor. Ik verdien er niks aan. Voor de koeien kan ik het niet gebruiken. Het is rommel. Het zit vol distels. Dat eten de koeien niet.’
‚Hoeveel koeien heb je?’
‚Tweehonderd,’ antwoordt hij op mijn vraag ‚Allerlei soorten. Geen doorgefokte holsteiners, die krijgen veel te gauw wat. Deze geven wat minder melk, maar ach…’
‚Zou je niet liever minder koeien hebben?’ Daar hoeft hij niet lang over na te denken. ‚Liever honderd. Dan hoef ik niet om half vijf op te staan. En dan heb ik meer aandacht voor het werk. Maar met honderd redden we het niet. Mijn zoon werkt ook mee. Hij heeft een gezin om voor te zorgen.’
Ik lach, omdat ik me iets herinner. ‚Zag ik je gisteren met je kleinzoon op de trekker zitten?’ Hij glimlacht. ‚Ja. Het jochie is nu vier. Hij vindt het hartstikke leuk op de trekker. Soms mag hij een stukje mee. ’
Ik kijk naar het groene weiland, dat glanst in de zon. De regen van gisteren heeft het gras goed gedaan. Ik kijk opnieuw naar de boer, staande op mijn bordes hoef ik niet omhoog te kijken om met hem te praten.
‚Hoe gaat het met het bedrijf? Denken jullie dat je nog verder moet groeien?’ vraag ik.
‚Tja… we redden het net en willen liever niet meer groeien. Het geeft weer zo’n gedoe. We proberen het vol te houden met wat we hebben. We doen ook een stukje akkerbouw met aardappels. Die liggen nu in de schuur als veevoer. We konden ze niet kwijt, door de corona. Moeilijk hoor. Er moet echt iets veranderen. We krijgen haast niks voor wat we doen.’ Hij kijkt even starend voor zich uit, voor hij zich met vastbesloten trek voorover buigt, naar de koppeling. ‚Ik ga weer aan het werk,’ zegt hij dan. Hij knikt vriendelijk naar me en geeft gas. Verder gaat hij, een spoor van gemaaide distels achter zich latend.

.

Ontmoeting bij de sloot

.

Slootobservatie

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5 minuten.

Het is midden op de dag en het is warm. Ik ben in een bosrijk gebied en vind daar verkoeling op een smal pad tussen de bomen. Ik heb mijn fiets aan de kant gezet. Op blote voeten loop ik in het gras, dat langs het smalle pad loopt. Het gras is lang en voelt stug aan. Er zijn zanderige plekken. Een stukje verder ligt een sloot. Ondanks de langdurige hitte, staat er nog steeds water in. Het is helder. Het licht van de zon schijnt tot op de modderige bruine bodem. Ik hurk en ga op mijn kont zitten, mijn benen bungelen langs de rand van de sloot naar beneden.
Er is veel te zien. De lichtvlekken van de zon lijken wel van goud, en dansen mee met de bladeren erboven. Kleine zwarte dropjes krioelen over het oppervlak, als botsautootjes die elkaar nooit raken. Het lijkt alsof ze op stokjes staan, waar moerashanden onder water mee spelen. Dat zijn hun schaduwen. De zon staat hoog aan de hemel en speelt spelletjes met de kleine watervlooien. Het licht glinstert in de stroom. Waterplanten bewegen zachtjes heen en weer. Er hangt iets aan de donkergroene massa, wat ik nog nooit heb gezien. Het zijn modderige netjes, in vorm van een saxofoon. Ik zie er wel tien, grote en kleine. De wijde opening is gemaakt aan de kant waar de stroom vandaan komt. Wat is dit? Wie woont daar? Of is het voor de kleintjes? Ik weet het niet. Ik hoor voetstappen.
Achter mij loopt een man. Het is de man van gisteren. ‚Hee, dag Henk!’ Hij kijkt verbaasd. ‚Je kent mijn naam, hoe kan dat?’ ‚Heb ik onthouden,’ zeg ik trots. ‚Ik probeer alle namen te onthouden van de mensen die ik ontmoet. Het lukt niet altijd.’ Henk kijkt alsof hij het maar half hoort. ‚Zeg, waar we het gisteren over hadden hè, dat Nederland helemaal in stukjes wordt geknipt. Ik moest daar nog aan denken.’ Hij staart tussen de bomen door naar het weiland er achter. ‚We zijn zo dom. Waarom maken we bij Leeuwarden een weg voor ons eigenbelang? Zonder aan de dieren te denken? De Haak noemen ze het. Het is zo erg. Dit was het gebied van hazen, reeën en kieviten. Alles werd doodgereden.’ Hij kijkt verdrietig naar de grond. Maar niet lang. Dan licht hij zijn hoofd op en kijkt me aan. ‚Waar ga je heen?’ vraagt hij opgewekt. ‚Weet ik nog niet.’
Hij wil me graag alles vertellen. Er is een muurschildering die ik moet zien in Steggerda. En hoe bijzonder het is, die man die een kasteel bouwt aan de Blesdijke. Het is zijn levenswerk. Daar moet ik echt eens heen. Maar voor vanmiddag is de route om de Tjonger mooi om mee te beginnen. Hij legt me precies uit hoe ik moet rijden. Dan nemen we afscheid.

Wat zijn de mensen toch vriendelijk. Vooral als je iemand, tot zijn verrassing, bij de naam noemt.

.

Verboden doorgang naar het Oude Pad

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van  11,5 minuut.

.

Mijn vouwfiets staat in de hooischuur. Ik loop erheen. De schuur is nu nog leeg, maar dat duurt niet lang meer. Volgende week gaat de boer hooien, en moet ik hier weg zijn. Maar nu geniet ik nog van de gastvrijheid, en van het plekje dat ik op zijn erf heb gekregen. Ik wil net op mijn fiets stappen, wanneer de beste man aan komt lopen. Hij vraagt waar ik heen ga. Ik leg het uit. Ik wil naar het pad dat tegenover de betonblokken ligt, bij de drukke weg. Hij weet meteen wat ik bedoel. ‚Het Oude Houtpad!’ roept hij. Hij wenst me veel plezier.

Ik bind een krukje en mijn tekenblok achterop de fiets. Ik wil die betonblokken vastleggen,  die het Oude Pad van de dorpelingen blokkeert, bij de snelweg. Ik rijd naar het smalle paadje, dat tussen de huizen doorloopt. Het dorp is in een lange sliert aan een weg gebouwd, een lintdorp. Al snel ben ik achter de huizen. Hier ligt een klein weiland. Aan de andere kant van het pad grenst een zonovergoten maisveld, omzoomd door bomen.

Overal zijn bomen in dit land. Het is een totaal ander landschap dan ik tot nog toe ken van Friesland. Dit is het oude veengebied, de rand van het land dat de zee niet meer kon bereiken. In de ijstijd was dit de strook waar gigantische ijsmassa’s al het leven wegveegden, en grote stenen met zich meenam, helemaal uit Scandinavië. Hier vormde zich de Lindevallei, vol dotterbloemen en ratelaars. Later is de Linde gekanaliseerd. Dat bleek funest voor het moerasgebied. Un deze eeuw zijn een aantal meanders weer open gelegd. Op de oevers groeien nu bomen, afgewisseld door groene weiden. Als je iets verder naar het zuiden gaat, ben je er al snel. Het reservaat rond de Linde is niet zo groot als het Drents-Friese Wold. Dat ligt nóg verder, tien kilometer naar het Oosten. Dit bos beslaat wel 6000 ha. Dat is bijzonder. Want Nederland scoort met zijn natuur het slechtst van heel Europa. Toch is dit gebied één van de belangrijkste van ons continent daarom is het een Natura 2000 gebied.

Maar dat weet ik allemaal nog niet, als ik het smalle pad opfiets, op weg naar de verboden doorgang. Ik weet alleen dat ik naar het mooiste paadje ga dat je hier kan vinden. Dat zei een oude dorpsbewoner. En daar luister ik graag naar. Het is maar een klein bosje, zei hij. In vroeger tijden was zo’n bosje heel belangrijk, voor brandhout, gereedschapsstelen en andere gebruiksvoorwerpen.

Aan het einde van het smalle pad duik ik met mijn fiets onder de takken door. Bijna meteen al zie ik de blokken liggen en ik trap op de rem. Een zestal betonblokken liggen omvergeworpen in het gras en over het verzande grindpad. Dit is dus de plek waar ik niet langs mag van de gemeente. Braamstruiken en brandnetels groeien om de blokken heen. Het zijn grote joekels van stenen. Als ze op elkaar zouden liggen, dan had je hier een muur van 1.80M hoog. Dit hebben de jongeren dus omver geworpen. Een knap staaltje.
Ik zet mijn fiets neer en klim over één van de blokken heen. Erachter razen mensen in auto’s voorbij. Die mensen moesten eens weten, hoe mooi het hier is! Hoe vaak zijn ze hier al langs gereden?
Ik kijk naar links en naar rechts en schiet gauw de weg over. Daar is een breed grindpad, dat tussen de bomen doorloopt. Er staan een paar grote huizen langs en het loopt dood bij een boerderij aan het einde. Daar kan ik een klein paadje in. Ik loop langs een heuphoge houtwal, die al enorm oud moet zijn. Er staan vermolmde boomstammen in die zo als kunstwerk het museum in zouden kunnen. Alleen zullen ze daar nooit zo mooi zijn als hier, zoals ze deel uitmaken van deze plek, de geschiedenis van deze grond. Er groeien vlierstruiken in en berken. De houtwal is een oude manier om eigendom af te bakenen. Tegenwoordig komt dat weer helemaal terug. Ook goed voor de egeltjes!

Ik loop zachtjes, het pad is smal en het veert een beetje onder mijn voeten. Het is heel stil en er staat bijna geen wind. Ik zie niemand en hoor ook geen vogels. Of ja, daar hoor ik het blikachtige geratel van een roodborst. ‚Pas op! Een mens!’ roept hij. Of waarschuwt hij vanwege de buizerd, die rondcirkelt boven de naastgelegen weide? Ik weet het niet en loop verder. Hoewel het om me heen een wildernis lijkt, is het pad goed onderhouden. Dicht opéénstaande hulstbosjes zijn zo gesnoeid dat het bijna een heg is. Dat moet wel, anders is er geen paadje meer. Er staan berken en dennen. Ik ontdek hulstbomen, zoals ik nog nooit van mijn leven heb gezien. De stammen zijn bijna een halve meter dik! In het Drents Friese Wold staan ook zulke grote, hoor ik later. Het is hier verboden ze om te zagen. Ik kijk mijn ogen uit. Wauw!
Ik onderzoek alle paadjes die er zijn. Ik zie eikenstammen, waar keer op keer takken van zijn afgescheurd. De boom heeft de wonden omhuld met nieuw hout. Het resultaat is verbazingwekkend. De onderstammen zijn kort en vol rondingen. Het lijken wel vrouwenlichamen, wulps en weelderig. Ze hebben alleen geen hoofd. In plaats daarvan steken nieuwe jonge takken omhoog, tjokvol levenslust.

Verder ga ik, tot vanuit de donkerte opeens het licht uitbarst. Een veld ligt tussen de bomen in als een kleurrijke verrassing. Tussen het bloeiende gras groeien gele bloemen als margrieten zonder wit, en korenbloem. Wespachtige vliegen helicopteren zorgvuldig van de ene bloem naar de andere. Speurend kuier ik door. De zee van licht duurt niet lang, het pad maakt een bocht en gaat weer het bos in. Het is al laat in de middag, en de zon maakt gouden vlekken op het verstilde volk van stammen. Ik zie een den met een breed uitgegroeide kroon. Ideaal om in te klimmen! Ik aarzel. Hij staat vlak naast een soort dal, waar alleen kleine struiken staan. Het geeft een mooi overzicht en het ziet er aanlokkelijk uit. Zal ik het doen? Ik loop tussen de bomen door.

Dan sta ik getroffen stil. In de schuin oplopende rand van het dal, zit een enorm gat. Ervoor ligt een dik bed van vers geel zand, bovenop de zwarte bosgrond. Er staan allemaal pootjes in. Afdrukken als van katten, met kussentjes bij de tenen. Dit moet een dassenburcht zijn! Nog nooit heb ik er één gezien. Eerbiedig kijk ik ernaar. Er is geen sprake van, dat ik nu in die den ga klimmen. Stilletjes loop ik terug.

Daar staat mijn fiets. Ik zet het krukje op de grond en kijk. Pas na een poosje vis ik het schetsblok uit mijn rugzak en teken de eerste lijnen van de betonblokken. Ik stel me voor dat ze hier altijd zo blijven liggen, tot de dag dat alle auto’s op kerkhoven liggen te vergaan en de asfaltwegen stukscheuren door boomwortels. En dan nog altijd liggen hier de blokken die de sterke jongens van ’Ool Pae’ wisten om te krijgen.

Wat zijn er een verhalen, overal waar je kijkt kan je ze zien. Als je maar langzaam gaat.

.

Het oude pad van de dorpelingen

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 8,5 minuut.

.

Ik sta met mijn verhalenhuis op de camping van Oldeholtpade. Het is een keurig gemaaid veld, omringd door bomen. Voor de camping ligt de weg naar Wolvega. De camping is van Het Plaatselijk Belang en de opbrengst gaat naar het dorp. Het dorp is gekroond als mooiste dorp in 2016 van heel Friesland. En daar zijn de mensen trots op. Op weg hierheen zag ik veel bomen en weelderige tuinen. De kleine dorpskerk ziet er prachtig uit. Hier en daar staat een geit in de tuin, of er scharrelen kippen of ganzen.

Voor mij staat een man van een jaar of vijfenzestig. Hij is speciaal naar me toe komen wandelen, om mijn woonwagen te zien. Hij vertelt me van alles. Hij is hier geboren en houdt van het dorp. De Stellingwerf- Friezen zijn behoudener. Stellingwerf ligt tegen Drenthe aan en dat merk je. Het zijn rustige lui hier. Ze hoeven niet zo nodig de beste te zijn. En als je ze wat vraagt, dan helpen ze je. Samen krijgen ze van alles voor elkaar. Ook als er problemen zijn.

Voor hij weer wegloopt heeft hij nog een tip voor me. ‘Als je nou die kant op gaat,’ wijst hij, ‘Dan heb je recht tegenover de weg naar Ter Idzard een zandweg. Dan kom je op het allermooiste pad dat we hebben. Halverwege loop je tegen een drukke provinciale weg aan. Daar moet je eigenlijk door een tunneltje, dat een stuk verderop ligt. Sla dat maar over. Je kan gewoon oversteken.’ Mijn interesse is gewekt. ‘Is het niet druk daar?’ vraag ik. ‘Het kan er soms druk zijn,’ beaamt hij. ‘Maar het kan wel. Veel mensen doen het, in Oldeholtpade. De gemeente wil dat eigenlijk niet, ze hebben al van alles geprobeerd om het te verhinderen. Het wordt steeds kapotgemaakt. De jeugd doet dat.’ Hij kijkt er trots en vertederd bij. ‘Wij willen daar oversteken. Dat willen ze ermee zeggen. Zo is het altijd geweest.’ Ik lach uitbundig. ‘Het is júllie pad!’ Hij grijnst trots. ‘Ja, het is óns pad. Er liggen nog wel wat betonbrokken, daar kun je gewoon langslopen.’

Paden zo oud als dat er mensen zijn. Hoeveel zijn er daar nog van? Op het platteland zijn ze nog niet allemaal weggevaagd, zoals in verstedelijkte gebieden, die al veel vaker op de schop zijn gegaan. Oude paden worden in stukken gehakt, ter wille van doorstroming en snelheid van het veeleisende verkeer. Aan de bewoners wordt niks gevraagd. Willen ze dit wel?
Gestudeerde mensen hanteren algoritmes. Die wijzen uit wat het beste is. Oude routes, kronkelwegen met historie, ze dienen de doorstroming niet. Wat heb je aan een lange zigzag weg? Loodrecht, van hier naar daar. Dat betekent tijdwinst. Daar gaat het om. Een nieuwe snelweg is belangrijker.

Maar mensen zijn geen machines. Eigenlijk genieten ze liever van het onderweg zijn. Ook ik kijk graag om me heen. De weg lijkt dan korter, al doe ik er langer over. En ik gá langzaam. Veel langzamer dan anderen ga ik. Ik wandel met mijn wagen over de weg, getrokken door een stalen trekhond. Kuierend door het land spreek ik allerlei mensen. Ik hoor wat er speelt. Ik word steeds wijzer. Ik wandel op wegen waar al duizenden voeten hebben gelopen. Ik leer het land kennen door de mensen te zien.

Kuieren en mensen zien, daar hebben verkeersdeskundigen niet voor geleerd. Alles moet snel. De stroom van auto’s moet worden gediend. Auto’s, auto’s en nog meer auto’s. Nog meer wegen, die nog meer auto’s aantrekken. Zo gaat het. Dorpelingen hebben er weinig over te zeggen. Het oude pad wordt verknipt. Verknipt, maar niet vergeten.

Een Friese geoloog met veel historische kennis leerde mij een begrip dat ik nog niet kende. ‘De DNA structuur van het landschap.’ Die zit in de bodem. Het zijn bijvoorbeeld oude dijkjes die eeuwenlang een route hebben gevormd om van hier naar daar te komen. Ze zijn er nog steeds, die oude paden. Zelfs al zijn ze in stukken gehakt. Al zijn ze gedeeltelijk weggevaagd door snelwegen of ruilverkaveling. Als je goed kijkt zie je ze nog liggen. Er zijn zat Friezen die er nog van weten. Er is verlangen naar herstel. Ik noem het nu: Restauratie van de DNA structuur. Het land met zijn oude paden hoort bij de cultuur en de mensenheugenis. Het is onze verbintenis met de bodem en de elementen.

Al die oude paden worden steeds verder verknipt. Maar nog altijd zijn ze niet helemaal verdwenen. Nog steeds niet. En dat zal ook nooit gebeuren. Onder het netwerk van snelheid ligt het nog steeds verborgen. Traag ademt het, als een levende herinnering. En alles wat aandacht krijgt groeit. Daar blijf ik aan denken. Altijd.

.

PS: Ik heb net het boek uit van Thalia Verkade “Het recht van de snelste,” verkrijgbaar bij de Correspondent.

U boft maar

.

.

 

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 5,5 minuut.

Ik gun mezelf een paar dagen ontspanning. Ik lees en wandel. Vandaag maak ik het rondje aan de overkant van de brug, door de weilanden. Ik kniel bij de koeien, die me gebiologeerd aan blijven kijken met hun zachtmoedige ogen. Ik sta weer op en loop door tot langs de kerk.  Uiteindelijk kom ik op de dorpsweg uit. Daar is een vrouw aan het werk in haar tuin. Ze is al oud. En haar tuin is eigenlijk meer een zandbak. Er groeien hier en daar wilde viooltjes. Een enkele veldkers heeft dapper zijn stengeltje boven de grond uitgestoken. De kleine witte bloemetjes zijn nauwelijks zichtbaar, zo armetierig staan ze erbij. Met een schoffel woelt ze het warme zand om. Het ziet er uit als plantjes pesten. De veldkersjes zullen er vast ook aan moeten geloven. Het werk gaat moeizaam maar gestaag. Ze heeft al twee vierkante meter klaar van de zestien.

„Dag mevrouw,“ zeg ik „Wat heeft u een mooie viooltjes in de tuin, zijn die er vanzelf gekomen?“ Ze schuifelt naar me toe. Ik zie nu pas dat ze een kruk bij zich heeft, die op het einde uitloopt in drie pootjes. „Ja,“ zegt ze „Ik heb het aan mijn knie. Die is geopereerd. De dokter heeft er iets mee gedaan. Nou doet het minder zeer.“ Ik toon mijn medeleven met een glimlach en een knik. „Gelukkig heb ik mijn kleinzoon, die me helpt,“ ze wijst naar achteren. Aan het einde van de oprit staat een rode auto. Ernaast staat een jongetje te spuiten, zijn mollige witte armen houden de tuinslang stevig vast. Hij gaat lekker door met zijn waterballet. Is die auto nou nog niet schoon? Wat een verspilling zeg, denk ik bij mezelf, en dat in deze tijden van almaar toenemende droogte. Maar dat zeg ik niet tegen een vrouw die al zo oud is.  „Fijn dat hij u zo goed helpt,“ lach ik opgewekt „U boft maar!“ Terwijl ik dat zeg komt er een man aanlopen met een bol gezicht. „Dat is mijn zoon,“ zegt ze „Hij helpt me ook.“
„De vader van de jongen?“
„Ja.“ Ze kijkt me aan met grote grijze ogen.
„Echt fijn dat ze u helpen. En dat u nog in dit huis woont. Er zijn zoveel oude mensen die nu opgesloten zitten.“
Ze knikt. „Ik ben al negentig,“ zegt ze trots. Ze leunt tijdens het praten op een gemetselde zuil van een meter hoog, waar het hek aan vast zit. De bovenkant is van cement. Er lopen een paar mieren op. Eén voor één drukt ze ze dood met haar duim. Wreed en zinloos. Ik kijk er maar niet naar. Als ik er niet naar kijk dan houdt ze er misschien mee op. De jongen en de vader zijn nu allebei aan het poetsen. „Jullie hebben het maar gezellig hier,“ merk ik op. Ze knikt en kijkt me strak aan met haar enorme kijkers. „Ik heb een nieuwe lens,“ zegt ze. „Ik moest weer naar het ziekenhuis maar dat kon niet.“
„Voor controle zeker. En kan u nu alles weer zien?“ vraag ik belangstellend.
„Jaaaa! Heel erg! Nou die knie nog.“
Ik knik haar nog eens vriendelijk toe. „Ik wens u heel veel sterkte. En nu ga ik weer verder. Als ik nog eens een rondje loop, kom ik weer een praatje maken.“
Ze glimlacht en knikt, alsof ze niets anders verwacht had. Dan draait ze zich om, en pakt de schoffel. Ik kijk nog eenmaal om, en zie haar woelen in het warme zand. Op naar de volgende vierkante meter. Geduld is een schone zaak. Ook voor mij.

Doen of laten op deze planeet

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7 minuten

.

Ik ben terug op dezelfde camping als waar ik vertrok, in juni 2019. De lente hult het terrein in een lichtgroene waas en de Zwette schittert in de zon. Dit is de plek waar ik bomen plantte, en kruiden. Ik was zo nieuwsgierig hoe het ermee stond! Nu wandel ik rond en kijk bij elk huisje en langs elk paadje. Bijna iedereen laat zijn gezicht zien.  Daarna ga ik aan het werk.

Ik verplant een paar kerspruimen naar een ruimere plek. Het zijn wilde prunussen die horen op deze natte kleigronden. Ze doen het hier geweldig. Ik zie zelfs al bloesems! Daarna loop ik naar de wilde kruidentuin. De munt neemt al een flink veld in beslag en ook de teunisbloemen rukken op, fier en recht de lucht in. Alleen de brandnetels rukken óók op. Die moeten met stevige hand in toom worden gehouden, al is het maar één keer per jaar.

En daarom ben ik hier!

Urenlang werk ik door en trek de zoveelste brandnetel uit de grond. Hij heeft een lange wortel en er zit een heel netwerk aan vast. Terwijl ik trek, scheuren de wortels de stijve bodem uiteen. Twee kippen haasten zich naar de los gewoelde grond en zien alles wat er wriemelend en roze in rond beweegt. Pik! Ann kijkt lachend toe, vanuit de verte. „Je lijkt wel een kip!“ roept ze hard. Ze zit op de drempel van haar huisje en kijkt naar me. Tussen ons in staan bomen en beginnend fluitekruid en brandnetels. De zon schijnt door de takken en zet alles in een warm licht.
„Wat doe je eigenlijk?“ roept ze dan. Ik loop naar haar toe om antwoord te geven. „Ik trek brandnetels uit, zeg ik. De kruiden die ik heb geplant, moeten hun plek gaan innemen en de brandnetels terugdringen. Het is voor de bijen en insecten.“ Ann knikt. „Dank je, dat wou ik weten. Ik denk altijd in eerste plaats aan eten, zie je. Al ben ik niet zo’n goede oogster, in dit geval.“
Ik glimlach. Dat zie ik hier graag, mensen die niks plukken. Mijn missie op deze plek is een andere. Ik wil onze kaalgeplukte planeet een handje helpen. Er is veel herstelwerk nodig. Het werk dat ik hier doe, zie ik als een beginnetje. Al is mijn werk maar sprietje vergeleken bij het woud dat we nodig hebben, ik word er zo blij van!

Als een tuin nog jong is, dan eet ik er niet van, ook geen blaadjes voor de thee. Wel pluk ik brandneteltoppen, look zonder look, en jong fluitekruid, voor in de soep. Dat staat er in overvloed. Wat groeien moet, moet je met rust laten, vind ik. Al verlang je nog zo naar zo’n sappig blaadje!

De wereld is een grote tuin. En gulzigheid kent grenzen. Daar komen we nu achter! Tot hier en niet verder, zegt de planeet. We zullen er aan moeten geloven. De aarde is geen dode kluit om te plunderen naar eigen believen. Het is een wonderlijk en levend geheel van talloze ecosystemen. Het reguleert op een intelligente manier. Dat blijkt maar weer. Nu hebben we een virus.

Ik kijk naar Ann, die nog steeds voor me op haar drempel zit. Op haar schoot heeft ze een artikel over vetcellen die virussen aantrekken. Ze leest hardop voor dat de IC nu bezet wordt door vooral dikke mensen. „Die krijgen het nu dubbel moeilijk…“ zeg ik peinzend. Dan laat ik haar achter met haar leesvoer. Ik loop onder de bomen door, naar de plek waar ik bezig was.

Ik kijk en bewonder. Ik zie zonnehoed en appelmunt, dropplanten en zenegroen. Ze zijn nog klein, maar alles leeft en zal verder groeien. Ik denk aan ze. En mijn poep geef ik terug aan de aarde, voor de planten. Laat het zijn werk doen, in alle rust. Laat het langzaam verteren, en tot voedsel dienen voor wat komt. Net zoals al die gedachten, van alle mensen die nu thuis zitten. Laat het zijn. Laat het zijn werk doen.

.

Klik hier voor het lezen van een goed artikel. Een stuk waarin ik een goede samenvatting vind, van alles wat ik zo graag wilde vertellen. Als we onze leefstijl, en vooral onze relatie met de natuurlijke omgeving niet veranderen, zal onze kwetsbaarheid voor infectieziekten toenemen. Maar wellicht wordt het besef van de noodzaak voor verandering door het coronavirus zo groot, dat prioriteiten verschuiven. En dat na deze pandemie de experts die voorheen tegen dovemansoren riepen, nu wel gehoord worden en we stappen ondernemen naar een wereld met een betere ecologische balans………………………………………………………. Ik heb alleen één kanttekening. Er komt een tijgerbeschermer aan het woord. Voor het beschermen van tijgers wordt in India de inheemse bevolking op dit moment van hun land verjaagd, terwijl zij juist de meeste kennis hebben van de biodiversiteit. Dit wordt verderop in het stuk wèl genoemd en dient ook in India nader onderzocht te worden.

(Laatste opmerking:Bron Survival International, al meer dan 50 jaar actief op dit gebied)