Vrede, waar begint het en waar eindigt het

.

.

Ik loop mee met een vredesmanifestatie. Tegen welke macht we zijn mag niet worden gedemonstreerd, dat kan namelijk escalatie veroorzaken. Maar tijdens de wandeling blijkt de invulling van die macht wel heel verschillend te zijn.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Daar loop ik dan, door de straten in hartje Groningen. Het is toch een aardige stoet mensen die hier loopt voor de vrede. Ik ben hier met mijn vriend Dick, hij is gevraagd om een vredeslied te zingen. “Ik ga mee!” zei ik en dat vond hij leuk. Dus nu ben ik hier. Het lied is gezongen, de wandeling is begonnen, een rondje door het centrum. Iemand gaf me een bord, “No more violence” staat er op. Dat draag ik nu. Als er mensen kijken draai ik de tekst naar ze toe. Er zijn meer borden en spandoeken, de meesten zijn uitgedeeld door de organisatie. Veel duifjes zie ik, het is allemaal heel lief en zonder schoppende mannetjes tegen kernraketten of vlaggen van Palestijnen of Oekraïne. “We willen alles wat geweld uitlokt vermijden,” zegt een vrouw. “De bedoeling is een vredevolle wandeling. We hebben geleerd om te gaan met escalatie, maar we hebben het nog nooit nodig gehad” zegt ze trots. Het is fijn om met mensen te praten die zich hier oprecht voor willen inzetten. Maar al ziet het er in eerste instantie vredig uit, als je inzoomt zijn er wel degelijk verschillen tussen de wandelaars. Je kunt dezelfde woorden gebruiken en ze totaal anders invullen. “Vrede” is zo’n woord. Het woord “Macht” ook. Dick zingt een oud vergeten liedje: “We vechten tegen de wapens, de wapens van de macht”. Een poging om een gezamenlijk lied aan te heffen. Maar er is niemand die meezingt. We zongen het veertig jaar geleden. Toen ging het over kernwapens. Waar gaat het nu over? Waar denken de mensen nu aan, wat is de macht en wat zijn de wapens waar al die anderen aan denken? Het gaat vast niet meer over dezelfde dingen als vroeger. Ik steek mijn licht op. Al wandelend kun je je tempo vertragen of versnellen en verschillende gesprekken voeren. Dat is het mooie van zo’n wandeling in een groep. Ik kom erachter dat hier veel mensen rondlopen die het woord macht wel heel specifiek interpreteren. Namen als het World Economic Forum komen voorbij en als ik zeg dat mijn vriend van huis uit journalist is, klinkt er wantrouwig: “O? Zeker van de mainstreammedia?” Ik leg uit wat hij doet. Nieuws brengen ten behoeve van een betere wereld. “Ja, maar het gaat niet over het belangrijkste. Zoals 5G.” Ik zeg dat iedereen iets anders belangrijk vindt. Zo is het nu eenmaal. “Waar haal jij je informatie vandaan?” vraagt de man mij dan. Hij blijkt het vooral uit een bepaalde hoek te halen. Sterker nog, van een enkele website. De rest vormt kennelijk de grote stroom van meanstreammedia, die hij zo wantrouwt. Een vriend van hem draagt een petje: “Gezond verstand” staat erop. Ik doe alsof ik van niks weet. Als ik vraag wat het betekent zegt hij “O, ken je dat niet? Er is een hele website van en daar kun je ook dit petje kopen. Ga maar eens kijken!” Op zijn borst heeft hij een antivaccinatie embleem genaaid.

Na de wandeling praten we na in een café. Ook hier blijkt: er is verdeeldheid. Naast me raken twee mannen verhit in gesprek. Ik heb bij de eerste blikken al door, hier kom ik niet meer tussen. Het gaat over zaken die Trump heeft afgeschaft. Zoals USAids. De ene man vindt Trump zo’n ramp nog niet. De ander vindt het een gruwel. Goed dat USAids er niet meer is, zegt de een. Die werkten samen met de CIA beweert hij kort. Fel flitsen de blikken als in een zwaardgevecht. Lekker vredig. Daar blijf ik niet langer tussen zitten. Ik verplaats mijn stoel. Nu zit ik naast de dichteres. Ze droeg haar gedicht voor aan het einde van de wandeling. Christa heet ze. Ze kijkt peinzend en bezorgd. Ik vraag wat vrede voor haar betekent en dan begint ze langzaam te vertellen. “Ik vraag me zo vaak af wat ik nou kan doen, als eenling. En wat ik aan moet met mijn vriendin, die nu PVV stemt. Dat vind ik zo lastig!” Dit is herkenbaar voor mij. Ik heb een buurvrouw die op Baudet stemt. “Het enige wat ik kan verzinnen is het onderwerp vermijden, zeg ik. ”En dan samen gaan tuinieren. Bloemen zaaien, groente verbouwen.” Ze knikt. Dat doet zij ook, ja. De mannen naast me lijken ondertussen definitief uitgepraat. De ene zit me nu met grote ogen aan te kijken. Alsof ik een gedachte heb uitgesproken die hij nooit had afgemaakt. Bloemen. Zaaien. Dat dat ook kan. Daarna hebben we het over verbindende communicatie, Christa en ik. Hoe je je samen kan organiseren zonder meteen ruzie te krijgen. Daar zijn cursussen voor. Heel zinvol.

Die nacht word ik om vier uur wakker en ik slaap niet meer in. Gezichten, woorden, mensen gaan opnieuw aan me voorbij. Het is boeiend om al die mensen te zien, die zich zo graag in willen zetten voor vrede of de gemeenschap. Maar er dringen zich ook vragen op: Als je een vredesdemonstratie houdt waar de scherpte van af is, waar je geen leuzen en vlaggen mag dragen over een zaak die je wezenlijk raakt, waar gaat het dan nog over? Uiteindelijk heeft ieder zijn eigen gedachten. Er blijken onoverbrugbare verschillen te zijn. Misschien hadden we beter een dodenherdenking kunnen houden. Dat gaat ergens over. Daarin kun je je verenigen.
Deze vredesmanifestatie was een bijzondere en leerzame dag voor mij. Maar nu verlang ik naar de dagelijkse gang van zaken. Schilderen in de Doas. Het zorgen voor de bomen. Het ophangen van het vogelhuisje dat ik maakte. Ik weet al in welke boom hij komt. Die ene wilg, iets dikker dan de andere.
Bomen. Ik houd van ze. Misschien zijn het wel de meest vredevolle wezens op aarde. Ze inspireren in eenvoud. Vroeger hield men vergaderingen onder een indrukwekkende oude eik. Altijd onder diezelfde boom. Misschien deed die boom wel mee en zorgde hij voor rust en concentratie. Ik hoop er nog vele te zullen planten en te verzorgen. En dat sommigen van hen heel oud zullen worden en een goede invloed zullen hebben op al het leven om hen heen. Op die manier zal ik mijn bijdrage doen, aan vrede. En ook door mijn verhalen. Dat hoop ik, althans. Want je weet maar nooit, wat mensen allemaal denken. Maar ik heb dan in elk geval mijn best gedaan.

.

.

.

Aan het scheppen

.

.

Het is mistig als ik de deur uit stap. De rijp valt uit de bomen en ligt als kristal op het pad. Op het water van de regenton ligt een dun laagje ijs, maar de greppels zijn niet bevroren. Ingekuilde boompjes wachten op mij. Het is nog niet klaar. Ik graaf. Klei op bulten, het gat vol tuinaarde. Ik red de wormen, hak en meng de grond. Schep de zoveelste kruiwagen van de berg. Pak het boompje, spreidt de wortels. Voorzichtig toedekken, korrels mycchorizae ertussen met bodemleven. Ik vul het gat en druk de donkere aarde aan. Zacht maar stevig, met mijn handen. Altijd naar de boom toe, tot hij op zijn heuveltje in een kom van aarde staat. Ik bewonder de jonge boom en loop het pad af met de lege kruiwagen. Achter mij komt meteen het roodborstje tevoorschijn. Dat gedoe van mij levert hem nog wel eens wat op. Elke dag ga ik door. Het blijft mistig. Ik ben moe maar als ik werk voel ik het niet meer. Als een boer ga ik door. Tot het klaar is. En in de avond is er muziek. “Le printemps” van Michel Fugain. Muziek maakt alles lichter.

.

.

Overal om mij heen ligt bevroren mist op de eindeloze weiden en het Verhalenpad.

.

.

.

Dit is de plek waar ik nu aan het planten ben. De poel ligt op het hoogste deel van de akker. De naastgelegen greppel heb ik uitgediept. Straks komt er een pomp in de sloot met een slang. Dat werkt op een klein zonnepaneel. Het water wordt omhoog in de grote poel geleid, en stroomt dan via kleinere poeltjes in de uitgediepte greppel steeds een stukje naar beneden. Het wordt mooi!

Dag!

Alowieke

Dwaze bazen en kleine kanjers

.

Verhalenpad, het achterste deel dat voor de dieren bestemd is.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is bijna half januari. De lucht wordt lichter. Het is een tijd van glorende hoop. Ondanks de donkere luchten in de politieke contreien, mannen, macht, kapitaal, oorlog. Maar de zon keert terug en met dat de dagen langer worden, komt ook de energie weer terug. De bodem is nat en staat vol plassen. De klei is blubberig. Als je daar steeds doorheen loopt stamp je alle luchtigheid eruit, en als het dan opdroogt is het keihard. Zo gaat dat met klei. Nog even en er komt een droge periode aan. Dan ga ik weer planten. Ik houd me stil en wacht op precies het juiste moment. Ik heb het niet voor het zeggen. Het is de aarde, de zon en de regen. Nog even. Als het licht komt, kom ik ook. Ik laat me niet afleiden door wat voor tumult dan ook.

En nu is het er. Het licht. De plassen beginnen op te drogen.Langzaam strek ik mijn nek uit. Het heeft vannacht gevroren. De lucht is helderblauw. Er ligt een waas van vorst over het veld, waardoor het ritme van de greppels wordt versterkt. De lage zon legt een warme gele gloed over het landschap, die mij mij verheugt en verwarmt. Niet ver van mij af ligt het Verhalenpad, de silhouetten van de kale bomen en struiken steken af tegen de hemel. Een paar kramsvogels vliegen op met een knerpend geluid, als een trage ratel. In de sloot klinkt het gefluit van de smienten. Dit is de plek waar ik voor zorg.

Er kunnen oorlogen zijn of komen. Continenten en zogenaamde wereldleiders kunnen elkaar afgunstig land willen aftroggelen. China, Amerika. Europa, Rusland. Land voor grondstoffen. Voor strategische geopolitieke locaties. Maar ik zorg voor deze plek. In een wereld waarin groot-machtig-meest door dwaze bazen en oligarchen het belangrijkste wordt gemaakt, is dit mijn verantwoordelijkheid. En ik vertrouw erop dat er anderen zijn die hetzelfde doen. Die hun licht laten schijnen. Lekker vieze handen maken. Opkomen voor de rechten van de Aarde. Al is de situatie niet altijd even best, wij doen in elk geval wat we kunnen. Ten slotte heeft de aarde, de wilde wereld, de zon en de wind geen eigenaar. Geen enkele baas kan de baas meer spelen, als een zonnestorm het leven ontregelt. Of een overstroming het land opvreet als een waterwolf. Aan de andere kant slaat opnieuw een brand uit. Dat houdt geen rekening met links of rechts. De dwaze bazen staan als verbijsterde jongens aan de kant. Bij overmacht is er geen onderscheid meer tussen rijk of arm. Degenen die kunnen samenwerken zijn het beste af. Het gaat zoals het gaat, en dat is altijd anders dan gedacht. Ik sta klaar en kijk. Misschien is het vijf voor twaalf. Maar het wordt lichter. Nog even, dan kan ik de vuilbessen en berberissen gaan planten. Dat die gaan groeien, dat is wél een ding dat zeker is! Ze doen het graag bij mij. En hoe meer mensen eraan werken, een groeizame aarde, hoe mooier het wordt. Stil sta ik te wachten, tot het tijd is. Het begint al te kriebelen. Mijn dromen zijn bevolkt met bezige mensen. Allemaal kleine kanjers, die de basis leggen. Een voorbode, voor wat komt.

.

Oranje mannen voor snelle dingen

.

Voor deze ene keer heb ik AI gebruikt. Een snelle manier om een plaatje te krijgen. Ik had het nog nooit gedaan. Ik wilde het eenmaal uitproberen en zal het niet vaker doen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Er is een ding waar ik sjaggerijnig van word: Graafmachines. Prachtige oude grasvelden vol klaver en kruiden gaan omver. De orde van het bodemleven, wat onder is, wat boven, oude wormengangen, al jaren in gebruik door tal van beestjes, dit alles wordt om zeep geholpen. Als er iets is waarmee we de toekomst kunnen voorspellen, dan is het wel de staat van onze bodem. Het is de grond van ons bestaan.
Nu hebben we het geluk dat we hier op acht hectare oud weideland zitten. Als het aan mij lag, dan lieten we het altijd zo liggen. Maar dat kan niet. De waterleiding moet worden verlegd, de dijk moet verhoogd. Er moet een weg aan worden gelegd naar een nieuw huisje en ook één naar de windmolen. En dan is het nog niet eens klaar. Nu moet er weer een kabel worden gelegd, voor razendsnel internet. Voor al die snelle dingen wordt wat traag is opgebouwd, weer afgebroken. Er moet heel veel gebeuren, voor je iets snel kan hebben. Dagenlang zijn de mannen bezig in hun oranje hesjes. Twee kilometer van de openbare weg af, naar de boerderij. Ik zie ze vanuit de verte. Ze komen steeds dichterbij. Zolang de machine ver weg is kan ik het nog wel hebben. Maar dan zijn ze bij de boerderij. Ik zorg daar voor de koeien, breng brandhout naar het huis van Dick. Haal water. Het is mijn dagelijkse gang. Mij zien ze steeds. Ik lach vriendelijk naar ze. Ten slotte doen zij gewoon hun werk. Het zijn allochtonen. Aardige lui. Een van hen spreekt goed Nederlands. Hij lacht vriendelijk terug. Steeds lichten me ze in over de gang van zaken. Alsof ik vrouw of dochter des huizes ben. Dan willen ze overleggen met de boer, en ze vragen waar hij is. Ik roep hem wel even, zeg ik. Door de luide stemmen op het erf, worden de koeien onrustig. Vooral de jongste. Zeurderig klinkt het geloei in de stal. Elke keer weer. En dan komen de mannen weer terug, aarzelend, ze kunnen de boer niet vinden. In de keuken issie, zeg ik. En dat zijn dan meteen mijn laatste woorden. Ik smeer hem. Op de fiets. Op een dag zal het toch wel ophouden met al dat gegraaf. Vandaag zullen ze toch wel klaar komen.
Ik hoop dat 2025 een traag jaar wordt. Een jaar waarin er niet veel hoeft en we alle tijd hebben om de bodem te laten rusten. Wachten tot het groeit. Helpen, de bodem met lucht en leegte. Help met tal van nieuwe wortels en gangen. Wacht en kijk. Kijk en wacht. En zie de mogelijkheden groeien.

Ik ga nu eerst aan het werk. Opnieuw meer dan honderd struiken planten. Alles ligt paraat. Plantmateriaal en losse grond. Ik heb er een tijdje op moeten wachten maar nu is het er. Hele mooie grond. Het is nog veel werk. Geduldig ga ik door. Elke dag, tot het af is. Net als de oranje mannen graaf ik. Maar ik doe het traag. Veel trager. En met mijn eigen handen. Dat kan, ik heb de tijd. Dag mijnheer de Worm. Dag mevrouw Duizendpoot. Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.

.

.

Nootje na:

Eenvoudig leven is een voorwaarde om te kunnen leven in een kringloop met de natuur. Niet de graafmachine, maar de schep zal ons uiteindelijk redden. En de zaden, de bomen en alles wat daar uit voort komt.

Lees hier een stuk van filosoof, psycholoog en boerin Evelyne Janssens

https://www.mo.be/blog/denken-in-cirkels-de-logica-van-de-kleine-boer

Eenvoudig werken aan de droom

Een soort van nieuwjaarstoespraak.

.

Tekening uit mijn dagboek van 34 jaar geleden (1991)

.

Vanwege korte winterslaap geen luisterversie.

De wind blaast steeds weer anders. Dan weer hard en dan is het weer windstil. Maar meestal waait het wel. Sommige mensen zeggen dat ze altijd wind tegen hebben, maar dat is natuurlijk niet zo. Dat is alleen maar het gevoel, het ertegenop zien. Je kunt dromen van ergens te zijn, maar hoe moet je er komen. Die weg kan lang zijn. Heel lang. Soms duurt het tientallen jaren. Maar ik train mezelf met relatief kleine stukjes.
Ik moet een heel eind naar de stad, maar het went, op de fiets. Hoe vaker je het doet, hoe korter het lijkt. Gewoon blijven doen dus. Sterk en soepel houden, dat lijf. Hoe flexibeler ik blijf, hoe makkelijker het is om in te spelen op veranderingen. Want het zal niet hetzelfde blijven. Niets. Hoe zal het weer in de toekomst zijn? In welke omstandigheden zal ik diezelfde route nog honderden malen afleggen?

Ik las het in de krant. Geafenceerde AI modellen hebben laten zien dat we over vijftien jaar al 1,5 graad opwarming hebben, van de aarde. En daarna blijft het hard gaan, mogelijk wel 3 graden opwarming vóór 2060. Dat kan allerlei effecten hebben. Het kan warmer worden, maar in sommige gebieden ook eerst kouder, door al dat gesmolten ijs in de zee. Het gaat ook vaker stormen, zeggen ze. Het zijn maar cijfers, kun je denken. Ze lullen maar raak, hoor ik sommigen zeggen. En ze zijn het lang niet altijd eens, de wetenschappers. Maar ondertussen is er wel een duidelijke ontwikkeling, waar iedereen het over eens is. Veranderingen gaan steeds sneller dan gedacht. Verontrustend? Ja. We kunnen niet meer zeggen: dat maak ik toch niet meer mee. Het is aan de gang. Het is wennen aan die gedachte. Hoe ga je daarmee om? Sommigen zullen het gevoel hebben altijd wind tegen te hebben. Anderen zullen zich beter kunnen aanpassen.

Waar kun je straks beter wonen, in de stad of op het platteland? Misschien maakt het wel weinig uit. Misschien is het het beste als je kan zeggen: Het is zoals het is. Ik woon nou eenmaal hier. Dit is de plek waarin ik heb geïnvesteerd. Ieder op zijn manier. Hier zijn de bomen die ik heb geplant, hier verbeter ik de bodem. De notenbomen groeien goed en de bessen ook. De wilgen nog beter. Veel wilgen, dat is belangrijk hier. Belangrijk ook zijn de verhalen. Die worden steeds voller en rijker, en ook de schilderijen komen als rijpe appels van de boom vallen. Ik sta klaar om ze te vangen, de appels. Sociale verbindingen groeien ook. Dat is mooi, want van voedsel alleen kan ik niet leven. Het is een tijd om aan de gang te blijven. Ritme houden, ondanks verwarring of tegenwind. Blijven planten, blijven leren en bewegen. En lekker blijven fietsen, weer of geen weer. (Onze boer is 76 en hij doet het ook.)

Mijn voornemen voor de komende jaren: Het langzaam maar gestaag laten groeien. Hier. Met elkaar. Net zoals de droom 34 jaar geleden. Geen tijd is te kort, geen mogelijkheid te beperkt. Het kan. En nu ga ik eerst een middagdutje doen.

Traagheid met een deadline

.

.

Deze week geen luisterversie.

.

Traagheid met een deadline, bestaat dat? Het vraagt allerminst om gestage discipline om er stap voor stap naar toe te werken. Ik meen dat dit me aardig lukt. Er is een enkel vlaag van onrust, maar die laat ik niet winnen. Elke dag doe ik mijn ding, Ik schrijf en ik fiets op en neer naar Leeuwarden. Schilderen, naar de markt. Samenwerken met de mensen van het kunstatelier, eens in de twee weken zie ik ze. Een regelmatig weekritme is een grote steun. En ook mijn vriend Dick, die er van oktober tot juni is, en met wie ik de taken verdeel, het inkopen doen, eten koken. Als ik om elf uur binnen kom heeft hij het water voor de koffie al opgezet. Vaste regelmaat is een voorwaarde om nieuwe dingen op te kunnen bouwen. Zoals een boek. Of een nieuw bosje. Of een schilderij. Op dit moment ben ik met alle drie tegelijk bezig. Terwijl de dagen op zijn kortst zijn.

Het lijkt veel. Maar het is prima te doen, dankzij het leefritme. Ik loop naar mijn vriend, voer onderweg de koeien. Elke dag gaan mijn ogen langs dezelfde plekken. Steeds dezelfde zijn het, en toch is er veel te zien. Plassen in de wei die groeien en krimpen, een windvlaag die over het oppervlak strijkt. Bij Dick zijn wagen is een hele grote, naast de sloot. Daar is het land laag, en daar blijft al het water staan. Ik kijk er altijd naar, als ik er ben. Een zucht wind die over de vlakte strijkt. Ik kijk ook naar zijn huis, dat steeds schever zakt. Hij huurt het, dus doet er zelf niks aan. Heel anders dan het mijne, dat van mij is. Dat ik van binnen en buiten kan dromen, en dus altijd blijf onderhouden. Maar daar is het nu gaan tijd voor. Nu doe ik andere dingen. Het boek, de nieuwe bomen die komen, de schilderijen. Het hoort allemaal bij elkaar, en bij de boekpresentatie zal iedereen die wil dat kunnen zien. Maar zover is het nog niet. Eerst koffie. Ik loop het bordes op en ga naar binnen. Dick is er. Zoals bijna altijd.

Voor het schrijfwerk is een opmerkzame blik belangrijk. Rimpelingen in het water evengoed als gezichtsuitdrukkingen. Om herinneringen op te halen is rust nodig. December is een goeie tijd daarvoor. Ook voor “De heilige traagheid der dingen” is dat belangrijk. Mijn streven is om met nieuw jaar het boek naar Uitgeverij Zilt te sturen. Nu ik opnieuw het hele boek doorwerk, merk ik dat ik blij ben, met zulke scherpe herinneringen. Als een weefdraad verwerk ik ze door het boek, verschillende thema’s. Vooral als ik wakker word komen ze, als ik een paar dagen achter elkaar thuis ben. Het stille donkere bed is de beste plek om het te laten borrelen, verbindingen te leggen.: Dat ene stukje, daar moet iets bij. Het staat in verbinding en de ene toevoeging heeft invloed op de rest, die dan ook weer een beetje verandert. Langzaamaan verandert het boek wezenlijk. Het zijn geen losse stukken meer, doorspekt met meningen en conclusies. Die zijn er nog wel, maar alleen ter ondersteuning van het een verhaal. Het zijn niet de kralen waar ik mee rijg. Steeds meer wordt het een verhaal aan één stuk, een beleving waar de ander in zijn verbeelding mee kan gaan.

Eind december is de deadline, voor “De heilige traagheid der dingen”. Althans, het boek dan. Het komt er.

Omdat ik daar nu graag aan door wil werken, deze week geen luisterversie van dit verhaal.

Uitgesteld verlangen

Als je ergens heel graag heen wilt, maar wacht op het juiste moment.

.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het lijkt op de huid van een oude olifant. De hoogvlakten van Schotland. Soms droom ik ervan, overdag, maar ook in mijn slaap. De ruige hoge heuvels, een waterstroom die het doorbreekt. De stenen die al heel oud zijn, rond en afgesleten. Het scherm op Google Earth kan nooit de grootsheid ervan verbeelden en de sfeer die ik daarbij voel. Ik verlang ernaar. Het is een lang uitgesteld verlangen en ik kan bijna niet geloven dat ik daar echt heen kan gaan. Ik staar naar de beelden voor me. Als een vogel vlieg ik boven het landschap. Een land met rafelranden. In dikke plooien steekt het uit, hoog boven het diepblauwe oppervlak van de zee. Scherp afstekende valleien, woest en met prachtige vergezichten. Op deze ruigtes waaien de winden nog harder en meedogenlozer dan hier. Maar ook de zon kan er fel en ongehinderd schijnen in een lucht die vele malen zuiverder is dan boven Europa. Het lijkt daarin op Friesland, hier merk je dat ook al, de schone lucht, het licht dat feller is dan in het zuiden. Er is nog een overeenkomst. De Schotten zijn even eigenwijs als de Friezen, heb ik begrepen. En net zo gesteld op hun onafhankelijkheid.
Maar het is niet alleen om zijn magische woestheid en de onafhankelijkheid van de mensen, dat het land me trekt. Er zijn daar ook verscheidene herbebossingsprojecten waar je vrijwilliger kan worden. Op die hoogvlakten kun je bomen planten waarvan je weet dat ze blijven staan. Ook als Antartica compleet afsmelt en de zeespiegel 57 meter hoger komt te staan. Dan zijn mijn boompjes in de Friese weiden allang verzopen. Misschien maak ik dat nog wel mee, als ik honderd word. Toch is het nooit zinloos, elke bijdrage aan het web van leven is belangrijk. Ik besef bij elk zaadje, elk insect en elke vogel die ik zie, dat er altijd iets is wat blijft en zich vermenigvuldigt. Hier blijven is beter, zeg ik, verstandig, tegen mezelf. En planten in eigen land nodig. In Schotland hebben ze al 20% bosoppervlak en hier maar 11%. Toch wil ik er graag heen. Ik zoek er redenen voor. Ja, daar is veel meer ruimte voor herbebossing dan in ons postzegellandje. En het kan blijven staan. Het land staat niet onder menselijke druk, en ook zal het weinig te lijden hebben onder klimaatverandering. O ja, als ik er nou eens echt naar toe ging. Dat ik mee kan werken aan dat bos, op een plek waar de rotsen en de bodem nog voor zichzelf spreken, en niet al duizend jaar zijn omgeschept en ingepolderd. Er tijd voor nemen. Veel tijd.

Die avond lig ik wakker. Ik wil er graag heen, maar het kan nog niet. Het boek en de schilderijen vragen al mijn aandacht. En de bomen. De opwinding over de reis zou al het andere doen verbleken. Tenslotte reis ik nooit, of zelden. Het is voor mij iets groots. Dit uitgestelde verlangen. Ik trek het dekbed hoog op tot in mijn nek. Mijn geweten knaagt. Schotland is een heel eind weg. Zomaar even heen en weer voor een paar weken is voor mij geen optie.
Reizen, anders dan te voet, per fiets of te paard, dat is per definitie niet duurzaam. Zeker niet omdat je een band kweekt met dat land, en er een stuk van je ziel achter laat. Daarna wil je er weer heen. En weer. Dat kost een hoop energie, in meerdere opzichten. Daar is niet tegen op te planten, hoe hard ik ook werk. Mijn verhaal dat ik hier aan het opbouwen ben, valt dan stil, voor zolang als ik er niet ben. En ook mijn eigen bomen laat ik achter. Ik zie ze voor me. De kuilen die ik graaf voor waterberging, de silhouetten van de berken, op de bult. Mijn gedachten lossen op bij het beeld van de ondergaande zon. Even dommel ik bijna in. Dan is er iets waardoor ik opschrik. Ik spits mijn oren en luister naar de geluiden buiten. Een kreet van een één of ander geschrokken beestje. Het is hier zo stil ’s nachts, je hoort alles. Ik ken de geluiden inmiddels als mijn broekzak. Ik ben ineens weer klaarwakker. Mijn gedachten gaan door op het zelfde spoor.
Als overtuigde thuisblijver is het logischer dat ik hier bomen plant. Elke plek heeft zijn eigen bodem, met alles wat daarop leeft. Thuis raken kost tijd. Het is als een goed glas wijn, dat je langzaam moet drinken om het te waarderen. Vanuit dat gevoel wil ik scheppen, leren, en planten. Maar ook de verschillen boeien me mateloos. Door te zien hoe het elders is, groeien de inzichten over de verbanden die er zijn. Zeker nu de wereld zo sterk verandert, is het nodig om dat te zien. Wat is groeizaam?

Een besluit moet rijpen. Ik ga het doen. Maar niet meteen. Ik doe het pas als ik er klaar voor ben. Als het boek er is: “De heilige traagheid der dingen.” Als de interviews en boekpresentaties gedaan zijn. Als de schilderijen die ik maakte hangen. En als de bomen die ik dit jaar plant, goed zijn aangeslagen. Niet eerder. Die gedachte geeft me rust. Als een blok val ik in slaap.

.

Luister hier naar het verhaal

.

.

De afbeeldingen zijn van het nieuwste schilderij, behorende bij het boek: “De heilige traagheid der dingen” Het is 100×120 cm en dit is een indruk, want de kleuren verschillen enigszins van het origineel.

Een eiland waar je kan verdwalen

Elke keer ga ik op weg naar de Balg, om nooit aan te komen.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik sta tussen de Kobbeduinen van Schier. Mijn fiets heb ik net tegen het hek gezet, dat daarvoor bedoeld is. Er staan verscheidene andere fietsen, want het is mooi herfstweer. Voor me staat het herkenningspunt, een driehoek van houten balken, dat al van verre te zien is. Dat moet ook. Zonder dat verdwaal je hier zomaar. Er zijn er genoeg die naar de Balg wilden lopen en die de weg kwijt raakten. Vooral in de mist, dan is er geen enkel herkenningspunt meer. Als de dagen korter worden, kunnen de nevels zomaar ineens over de vlakte komen rollen. Het is aan het einde van een mooie zonnige dag, zoals vandaag. De Balg is verder dan je denkt. Al meerdere malen heb ik een poging gewaagd om er te komen, maar nooit is het gelukt. Vandaag probeer ik het weer. Ik weet niet of ik er kom. Eigenlijk is dat wel mooi. Een doel dat je wilt bereiken maar wat steeds ver weg blijft, dat krijgt iets magisch. Er zijn al te veel makkelijk bereikbare doelen. Stap in je auto en je bent er. Niks aan. De Balg is één van de weinige punten in Nederland dat nog echt omringd is door wildernis. Waar geen bordjes staan, kilometers lang, en waar je de weg kan kwijtraken. Fijn. Daarom doe ik er lang over. Daarom hoef ik er niet per se te komen, vandaag. Ik loop zonder kaart of wegbeschrijving. Dat zou zonde zijn, van deze mooie kans op avontuur.

Ik besluit om dit keer niet de binnenpaden te nemen, tussen de kwelders door, maar eerst naar het strand te lopen. Het eerste stuk loop ik over gras. De koeien en ganzen houden het kort. Bij een waterstroom is een bruggetje en vlak daarnaast is het drassig. Er zit een mantelmeeuw, die me eigenwijs aankijkt. Hij stampt in de drassige bodem en zoekt wormen. Met respect kijk ik hem aan en ga met een boog om hem heen. Achter de kleine houten brug is nog meer gras. Dan beginnen de rietvelden. Eindeloos zijn ze. Het ruist en glinstert in de wind. Ik kijk goed om me heen naar herkenningspunten. Achter me ligt het overzichtelijke gras. Er is geen mens te zien, alleen een vrouw, die een heel stuk achter me loopt. Ze is nu bij de meeuw. Nieuwsgierig blijf ik kijken. Zou ze er ook omheen lopen? Ja, warempel ze doet hetzelfde als ik. Dat vind ik nou het leuke aan dit eiland. Het is de enige plek waar ik dit tegenkom. Dat mensen dat ook doen. Mijn blik gaat verder, van het open land en de duinen achter me, naar de wildernis voor me. Hier wordt het vlakker, hier tussen de rietvelden. Nu even goed onthouden. Die bult daar, dat bosje. Als ik dat in mijn geheugen prent, vind ik straks de weg terug. Het pad is smal, het riet komt tot mijn borst. Maar de grond is droog en dat is al heel wat. Dan kom ik bij een splitsing. Ik kan drie kanten op. Je weet het nooit hier, sommige paden zijn door mensen gemaakt, maar andere door de koeien. Het verschil is moeilijk te zien. Ik kies het linkse pad, maar na een paar honderd meter loop ik tegen water aan. Het glinstert tussen het riet door. Ik kan niet zien hoe ver het water door loopt. Een heel eind verderop zie ik een zilverreiger opvliegen. Kennelijk is het daar nog steeds nat of drassig, anders zat hij daar niet. Ik besluit om terug te lopen.

Als ik terug kom op de splitsing loopt daar de vrouw, die net als ik om de mantelmeeuw heen liep. “Wil je ook naar het strand? Dit is niet het pad. Je loopt tegen water aan,” zeg ik. Ze kijkt op haar kaart, afkomstig van het VVV. “Toch zou het hier moeten zijn” zegt ze. Voor de zekerheid kijkt ze ook nog even op de telefoon. Er is ook een pad dat naar rechts loopt. “We moeten hierheen” zegt ze. “Ik bedoel, ik ga hierheen” verbetert ze zichzelf. En ze voegt daad bij woord. Ik denk ook dat dit het beste pad is. Om mijn eigen keuzes te blijven maken, loop ik vijftien meter achter haar. Anders word ik alsnog tot kaartjes en telefoon veroordeeld. En ik wil immers niet teveel weten, van hoe het zit. Dat wil ik zelf ontdekken. Alsof ik Livingstone ben. Of Freija Stark, een vrouw met de naam van de oude godin van de liefde. Alleen reisde zij de hele wereld af en ik ontdek het hier. Ik doe alsof, want alles is hier al ontdekt. Voor mij loopt de vrouw met de kaart. Af en toe kijkt ze om en roept ze iets naar me. Ik bewaak zorgvuldig de afstand. Uiteindelijk stopt het riet bij een kleine open vlakte, waar in de winter water staat. Het is nog donker van het vocht. Er achter loopt het omhoog en daar zijn de duinen, die de zee omlijsten. “Daar staat een bankje!” roept de vrouw triomfantelijk. Precies op dat moment komt er een grijs stel aanlopen. Ze lopen op de Reddingsweg, die loopt gewoon het hele eind rechtuit, tot aan de Balg toe, heb ik begrepen. Maar precies weet ik het niet. Dat wil ik ook niet weten. Ik wil alleen datgene zien wat net één stap verder is.

De vrouw gaat op het bankje zitten. Ik hoor dat ze Hermien heet en ze komt uit Houwerzijl. De mensen op de Reddingsweg lopen na een korte uitwisseling weer door. Toch bijzonder, dat we elkaar allemaal hier ontmoeten, bij dit ene bankje, terwijl er in de verste verte niemand anders te zien is. Hermien maakt een foto van me. Met haar eigen telefoon, want ik heb de mijne natuurlijk thuis gelaten. “Fijn voor mijn blog”. Ze zal hem opsturen. Maar dat heeft ze nog niet gedaan. Daarom staat er nu een foto zonder mij. Maar het is en blijft Schiermonnikoog. Het eiland waar je kan verdwalen.

.

.

Een van de bekende vrouwelijke ontdekkingsreizigers: https://nl.wikipedia.org/wiki/Freya_Stark

Scheppen is heerlijk

Verder met planten

.

Liever luisteren? Zie onderaan de tekst.

.


Heerlijk hoe alle gedachten aan andere zaken verdwijnen, zodra ik weer met volle aandacht aan het werk ga. Werken aan het nieuwe bosje. Bosjes zijn bijzonder in dit weidelandschap, op de bodem van de Middelzee. Die moet eigenlijk kaal blijven, zeggen de Friezen, dat is historisch. Alleen bij de woonkernen mogen bomen staan. Wat ik doe is dus op het randje. Ik houd van werken op het randje. Zo kun je langzaam grenzen verleggen. Dus ik werk hier, op de grens, twee kilometer weg van de bewoonde wereld. Grenzenverleggers zijn altijd nodig. Want je weet maar nooit of de toekomst niet totaal anders wordt dan het verleden. Toch, ik blijf bescheiden, houd contact en ga niet te ver. Dat probeer ik. Maar ik kan het niet vaak vragen. Het is hier zo stil, negen maanden lang zie je hier alleen de mensen die er echt moeten zijn. Ze komen aan rijden over het grindpad. Ze rijden bijna altijd voorbij, want meestal moeten ze op de boerderij zijn. Om te weten of ik nog steeds binnen het acceptabele werk, check ik af en toe mijn buurman, de landschapshistoricus. Die is altijd met het weidegebied bezig. Maar dit keer hoef ik hem niks te vragen. Alles is duidelijk besproken met de boer. Het zijn struiken. Vuilbessen en zuurbessen. Het wordt een mooi dicht bosje, waarin vogels bescherming kunnen vinden. Winterkoninkjes kunnen onder de stekelige zuurbessen hun jongen grootbrengen. Het wordt een echte peuterspeelzaal, daar onder die takkenboel. Met veel insecten ook. Dat is hard nodig! Maar eerst moeten ze er komen. Dus dat wordt nog een hele hoop scheppen. Het hoeft niet snel, nee juist niet! Voor mij moet het een spel blijven. De spade gaat makkelijk de grond in. Het is niet te nat en niet te droog, precies goed. Na zoveel te hebben geplant op deze kleigrond weet ik inmiddels: Niet wachten met graven tot je de bomen krijgt. Dat is op zijn vroegst eind november pas. Dan is alles glibberig en zitten je laarzen zomaar vast in de drek. Wanneer de struiken ook zullen komen, nu ga ik eerst de weide afplaggen, gaten graven, compost aanbrengen (tot zover ik dat nog heb). Als de bomen dan komen, kunnen ze zo de grond in. Ik steek een grote pol gras weg. Er zit een nest vaalgele pissebedden onder. Zorgvuldig schep ik de hele familie naar een hoger gelegen plek en bedek ze weer. Straks is alles weer zeikensnat, dan waren ze verzopen. Nu heb ik ze gered. Het is secuur werk, de grond klaarmaken en tegelijkertijd aandacht schenken aan de bodemstructuur en de beestjes. De strook grond die ik al deels heb beplant, ligt aan de noordzijde van een dichte rij schietwilgen. Ik merk wat een verschil dat is, de bodem is onder de bomen een stuk korreliger dan in de taaie klei op de weidegrond. De helft van de strook heb ik vorig jaar ingeplant met elzen vooral. Nu wil ik de rest doen. Op dit stuk is het hele jaar niet gemaaid, en onder het lange gras zijn tal van muizengangen, die vervolgens weer bewoond worden door allerlei insecten. De muizen hebben de grond losgemaakt, zonde om dat allemaal weer plat te trappen. Dus ik maak eerst een pad, van plaggen. Een dijkje wordt het, en het steekt hoog boven de rest uit. Onderaan het dijkje is een wadi, een diepe kuil. Dat maakt het hoogteverschil nog veel groter. Echt een sensatie, in dit vlakke land, al zie je er straks niks meer van, als straks alles begroeid is. Toch is dit een mooi moment. De kunst van het voorbijgaande. Dit heb ik gemaakt, denk ik, en ik voel de voldoening, al komt hier haast niemand. Ik denk aan jongeren die niet weten wat ze willen doen. Ga lekker spelen, denk ik dan. Bomen planten, dijkjes maken. Of wat anders. Het is zo heerlijk! Het maakt je kop helemaal leeg. En dan het te zien groeien. Biodiversiteit op de Friese weide! Het verhaal gaat door.

Voor de luisterversie: Zoek iemand die goed kan voorlezen, want ik ben er deze week niet!

.

Het was er al voor ik er was

De droom van mij was de droom van mijn moeder en velen die haar voorgingen.

.

Tekening Alowieke 1991

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Alles begint met een droom. Er zijn rottige dromen en lieve dromen. Onvoorstelbare grote dromen en kleine voor de hand liggende dromen. De één droomt van meisjes, de ander van jongens. Nadat mijn moeder kort na elkaar drie zonen had gekregen, kwam er een paar jaar niemand meer bij. En toen ze op een dag een kinderboek kocht om uit voor te lezen, zal ze gedroomd hebben van een meisje. Ik zag haar wens terug in vorm van dit kleine pocketboek. Ik had het nog nooit gezien, voor ik het vond. En al die zestig jaar moet het daar gelegen hebben, in de oude blankhouten kast, daar op de onderste plank.
Ik kijk ernaar. Op de kaft zie je een klein grietje dat over een hek klimt. “Emmekes kleine bos” heet het. Een meisje met lang haar en een tuinbroek aan zie ik. Maar ook zie ik de droom van een groene aarde en bronnen die ongehinderd mogen stromen.
Wie kan mij vertellen wanneer een droom begint? Ik was niet de eerste. Droomde mijn moeder die droom al, voor ik geboren werd? Dan is mijn bos ook haar bos. Het meisje waar ze over las, ben ik, en zij liet mij geboren worden.

Ik lees over Emmeke. Ze laat kleine bomen groeien en plant ze naast een vijver. In de vijver is een bron die alsmaar door borrelt. Het hart van alles was er groeit. Ze sluit vriendschappen met de beestjes die er wonen. Ik kijk naar het meisje. Ze zit schrijlings op het hek en kijkt om, naar iets wat aan de andere kant gebeurt. Emmeke ken ik maar wat goed. De Emmeke in mij groeide uit tot een werker. Een vrouw met vuile handen, maar met een innerlijke bron die nooit opgehouden is te vloeien.

.

Tekening Alowieke 1991

En uiteindelijk is het daar, het kleine bos, vol beestjes. De droom die mijn moeder al gedroomd heeft, eens, toen ze dit boekje las. Ik droom het verhaal dat mijn moeder las en werk het uit op mijn manier. Het heeft een naam gekregen: “Het Verhalenpad.” Ergens in het uitgestrekte weidelandschap kun je het vinden. De kleine bomen worden al groter. Het paadje dat ertussen door loopt is maar smal. Het is een pad van nog maar drie jaar oud. Maar eigenlijk is het al veel ouder. Overal is het, opgegroeid en neergevallen, gekoesterd als droom en als ontkiemend zaad onder een bed van mos. Het groeit in handen van allen die beginnen te popelen. En al zijn er hekken en is er prikkeldraad, niets zal ze tegenhouden.
Ik kan mijn moeder niet meer vragen, wat ze dacht, toen ze dit boekje kocht. Maar in gedachten laat ik haar zien wat ik liet groeien. En met mijn nieuwe boek hoop ik nieuwe dromen te zaaien, die uit zullen groeien tot dikke wortelbaarden in de bodem. Maar ook in takken vol blad en bloesems, met vogels en insecten. Groeien zal het. En geduld ook, en respect. En besef, van de heilige traagheid der dingen.

.

.

.

De tekeningen komen uit mijn dagboek van 1991. In die tijd leefde ik geïsoleerd op een kamertje van 12 m2 met een gebroken been, die ik opliep bij een verkeersongeluk. Het duurde 2 jaar voor het genas, en in die tijd heb ik veel getekend en gedicht. Het zijn dromen en inspiraties die nu nog altijd de basis vormen van mijn leven. Ook in het grote schilderij dat ik de komende tijd ga maken, zal het terugkomen.

PS: Dit is de eerste pagina van mijn boek, “De heilige traagheid der dingen” dat volgend jaar uitkomt.