Boompjes enten, toch best moeilijk..

.

.

Deze week ben ik op doorreis. Ik bezoek vrienden in Utrecht, ga bij mijn vader langs in Emmeloord, en het laatste deel van mijn tocht leidt over Delft. Ik ga in één middag leren enten. Dat is de bedoeling. Fruitbomen enten. Als je een jong fruitboompje wil krijgen, of een jonge notenboom, kun je de vrucht in de grond stoppen. Maar de kans dat dit boompje net zoveel vruchten geeft als zijn moederboom is klein. Soms komt er helemaal niks, of zie je na vele jaren een paar hangen. Veel is het meestal niet. Het is bij de meeste fruitbomen maar één op de honderd zaailingen die goed vrucht dragen. In de Kaukasus hebben ze nog zaadvaste soorten, maar hier hebben we die nog niet. Dus als je meer van dezelfde bomen wilt, dan moet je ze enten. Je neemt een tak van de boom naar keuze, en je plaatst deze haarscherp op het levende groene cambium van de onderstam. Dat cambium zit vlak onder de bast en is maar heel dun. Je moet dus heel precies werken, met speciale mesjes, die heel scherp zijn.
Ik wil graag bomen leren enten, al een aantal jaren. Op mijn nieuwe land zou het een van de eerste dingen zijn die ik zou doen. Fruit en notenbomen planten. Dus ik heb het er voor over om vandaag een omweg te maken, helemaal over Delft. Om te leren enten. Ik stap het station uit en beladen met rugzak fiets ik op mijn vouwfietsje naar de Papaver. Een milieucentrum in een natuurgebiedje. Er zijn veel mensen op af gekomen, alle stoelen in de kleine zaal zijn bezet. Ik ben benieuwd. Ik weet dat ik handig ben in dit soort dingen en behoorlijk nauwkeurig kan werken. Linder van den Heerik vertelt. Daarna komen de takken de zaal in en krijgt iedereen een mesje. Ik pak vol verwachting een tak en begin te snijden. In een beweging, naar je tóe, en niet van je af, want dan wordt het niet recht maar krom, zegt Linder. Het is wennen, om naar me toe te snijden. Ik krijg de slag niet te pakken. Als het einde van de middag is gekomen, ligt de hele vloer bezaaid met stukgesneden takken. Veel mensen zijn hun ent al aan elkaar aan het plakken, de onderstam aan het takje. Maar ik heb nog steeds geen goeie snede gemaakt. Een vriendelijke jongen maakt een mooi entje voor me. Die van hem zijn mooi strak.
Is dat even tegenvallen. Moet ik toch veel gaan oefenen voor ik het kan. Dat had ik niet gedacht!

.

Zaden, bonen en pompoenen

.

Veel te veel voor mij, wie kan ik blij maken? Er is nog veel meer dan dit.

Al een paar dagen achter elkaar werk ik de hele dag in de tuin. De diepe geul langs het vijf en dertig meter lange hek is weer dicht en ingezaaid met bonen en erwten. Het gaas, waarvoor ik de geul groef, loopt tot veertig centimeter door onder de grond en is goed aan het hek bevestigd. Zo kunnen de konijnen en de muizen er niet onder door.

Ik heb leuke plannen. Ik wil een dijkje maken, zoals Sepp Holzer het beschrijft in zijn boek “Holzers permacultuur”. Een dijkje in de zon, vol eetbare bloemen en groenten, dwars door elkaar. Veel bloemen voor bijen, zoals boekweit. In deze streek zijn nauwelijks bloemen. Dat vind ik erg. Ik zie ook niets bij boerderijen. Mensen houden hier paarden, geiten, kippen en schapen of hebben een kleine boomgaard met gras er onder. Er zijn veel keurig gemaaide veldjes. Ook de meeste bermen worden kort gehouden. En het zwarte zand naast de oprit is netjes aangeharkt. De strepen staan erin. Zo hoort het in deze streek. Ik ben hier lang genoeg om rustig om me heen te kijken..

Het is een mooie kans te kunnen tuinieren zo vlak naast mijn woonwagen. Ik begin eenvoudig, met bonen en pompoenen. Ten slotte eet ik die graag, en het is handig als ik weet hoe ik het moet verbouwen. Met oogsten en maaltijden uit voedselbossen heb ik op dit moment nog maar weinig ervaring, maar ik leer. Er bestaan ook nog bijna geen voedselbossen en wat ik hier vind in de bossen om te eten is minimaal.

Dus begin ik gewoon met wat ik nodig heb en wat haalbaar is. Ik werk in de tuin en klus aan de wagen. Deze wagen moet straks klaar zijn om weg te kunnen rijden. Dat is het plan. In oktober houdt het seizoen hier op. Dan oogst ik mijn pompoenen en verder weet ik het niet. Ik weet niet hoe het dan verder gaat. Op dat moment zal het me helder zijn.

 

PS, Het is anders gelopen. Deze woonwagen was te zwaar en niet naar mijn zin. Een  jaar lang werkte ik aan een ontwerp voor een hele nieuwe wagen, die veel kleiner en lichter is en helemaal ingericht op mijn wensen. En nu ben in in de laatste fase van de bouw. Meer hierover in de categorie “Bouwen van de woonwagen.” Concrete toekomstplannen heb ik voorlopig niet en ik houd me er niet mee bezig tot het moment dat dit project is afgelopen. (Alowieke 13-03-2017)

https://alowieke.wordpress.com/category/bouwen-van-de-woonwagen/

Net op tijd!

.

 

Een tuin! Hij is er echt. En ik kan al beginnen met spitten. Een lapje grond is het. Heel gewoon, maar voor mij bijzonder. Want ik zorg dat er straks van alles op gaat groeien. Je kan het zien op de foto. Nu is het nog een stukje schapewei. Je kan aan de sneeuw bijna zien hoe groot het is. Het is niet supergroot maar het is ook niet klein. Kaalgevreten gras zie je, bezaaid met keutels en een hek er omheen. Maar veel gras blijft er niet van over straks. Dat is wat mij betreft de bedoeling. Er is al genoeg gras. Ik heb een grote bestelling zaad gedaan, allerlei bijzondere soorten, bij „De Nieuwe Tuin”, in België. Allemaal een- en twee jarigen. De postbode komt het brengen. Ik hoop deze week al. Want wat ik teveel heb kan ik dan weer weggeven op de zadenruilbeurs. Dat is in Den Bosch, zaterdag aanstaande. Het gaat nu snel. Ineens is het zover. De dooi is ingevallen, vogels claimen alvast hun nestelplek. De eerste zaden kunnen nu de grond in, een vroege erwt, tuinbonen. Oei, ik ben net op het nippertje met mijn besluit hier dit jaar te blijven! Wat fijn dat ik mijn groene vingers nu weer kan trainen. En het is zo vlakbij. Ik hoef niet eerst twintig minuten door de drukke stad te fietsen voor ik bij mijn landje ben. Ik hoef niet meer dan vijftig meter te lopen. Dus ik ga hard aan het werk deze week! Spitten, hekken plaatsen tegen vraat, verhoogde bedden maken. Want straks komt er nog veel meer… Daar heb ik een goudgeel vermoeden van.

Bijna lente, plannen maken!

Bijna lente!

“Verder achterom lopen!” roept een stem achter het ondoorzichtige glas van de deur. Dick en ik staan bij de herberg van Ton en Ine, in Haghorst. Ton en zijn vrouw Ine beheren samen de camping. Ik ben hier niet zomaar. Het contract van 2013 zal vandaag getekend worden. Ik verleng mijn tijd bij “D’n Bobbel”. We lopen naar de achterkant van het huis. Erachter ligt de dijk van het kanaal, met een kilometers lang fietspad. Ton opent de deur en verwelkomt ons. Op zijn Brabants worden we onthaald en even later zitten we met zijn vieren rond de houten tafel. De komende paar uur zijn we zoet, met veel verhalen, koffie, thee, en nogablokjes.

Zo vlak voor de lente aanbreekt, is de tijd van beslissingen. Ik vind het fijn. Nu wordt me steeds meer helder wat er dit jaar te gebeuren staat. Ik ga nog geen lange reizen maken. Het is nog te vroeg. Eerst goed aarden voor ik weer weg ga. Er is een hoop gebeurd, het laatste jaar. Het begin, dat ik hier heb gemaakt, kan ik beter nog een tijdje voedsel geven. Net als een zaailing die het beste opgroeit op de grond waar hij terecht komt. Zo’n klein boompje kan je maar beter een of twee jaar met rust laten voor je hem verplant. Dan groeit hij later des te beter. Dus ik blijf waar ik ben. Hoe ga ik nu verder?
Ik haal veel inspiratie uit de natuur, en uit toekomstdromen die ik al heb vanaf mijn kindertijd, toen ik nog op blote voeten in het Emmeloordse bos rondliep. Op het moment lees ik een boek dat erg bij me past.
“Holzer’s permacultuur” heet het. Ik kijk naar de foto op de kaft. Een brede goedmoedige man kijkt me aan, leunend op een spade tussen weelderig groen. Sepp Holzer is een boer in Oostenrijk, die meer dan veertig jaar geleden een drastische keuze maakte. Hij besloot alles te vergeten wat hij op de landbouwschool had geleerd, en beheerde zijn bedrijf vanaf dat moment in harmonie met de natuur. Hij haalde veel inspiratie uit ervaringen van zijn kindertijd. In het begin verklaarden velen hem voor gek, maar nu is hij een van de meest succesvolle boerenbedrijven daar. Later ontdekte hij dat de manier waarop hij bezig was, een naam had. “Permacultuur”.
Ik woon niet in Oostenrijk, en heb ook niet mijn leven lang op een boerderij doorgebracht. Maar de tijd dat ik als kind en als puber in het bos struinde ben ik nooit vergeten. Ook niet de keren dat ik op het land werkte bij boeren, en voor Copijn, tussen de hoveniers, en in het natuurgebied ’t Hol, in Utrecht. En mijn tuin, met het tuinhuis. Al een eeuwigheid popelen mijn vingers om weer met levende dingen bezig te zijn. Planten, dieren, levende aarde. Een paar jaar geleden ontdekte ik wat men noemt “De permacultuur”, en herkende er veel van mijn ideeën in terug, op heldere manier in structuur gebracht. Ik ontdekte dat er overal op de wereld mensen mee bezig zijn, en iedereen op zijn manier. De mogelijkheden zijn eindeloos. Ik weet dat ik hier geestverwanten kan vinden. Een goede reden om dit pad te betreden.
Iets willen is één. Of ik op tijd ben om ergens aan te sluiten, dat is een tweede. Maar tot mijn grote verrassing zag ik dat ik nog niet te laat was. Ik ontdekte een cursus, die dit jaar gegeven wordt in Rotterdam. De docenten heb ik wel eens ontmoet, en ik vind het erg leuk om met hen en anderen aan de slag te gaan. Ik heb me meteen aangemeld. Het zijn tien hele weekends, elke maand eentje. De rest van de tijd werk ik in tuinen.
Ik mag van Ton en Ine een tuin aanleggen vlakbij Juffrouw Kolibri. Dat is mooi, dan kan ik wat vergeten groenten zaaien. Ik wil ook graag zeldzaam zaad vermeerderen, van oude rassen.

We zullen zien wat er uit groeit, uit de tuin en uit de cursus..

.

Een eerlijke ruil

.

.

De veelbesproken dag is voorbij. Eenentwintig december tweeduizendtwaalf. Ik kijk om me heen om te zien of er iets is veranderd. Na een bewolkte dag komt de zon tevoorschijn vlak voor hij onder gaat. Ik zie een lucht met lichtblauw, oranje en violet. Een van die prachtige zonsondergangen. Verder lijkt alles hetzelfde. Maar dat zegt niet veel. Want niets is wat het lijkt, als je maar goed kijkt. Misschien zijn de dingen van buiten wel hetzelfde, maar zit het verschil van binnen. Zoals een bolletje onder de grond, die wil gaan groeien in de lente. Wie weet wat daar nog allemaal broeit onder de aarde, wat een uitweg zoekt. Ook onder de mensen broeit er iets, het gonst over voedsel en het herstellen van kringlopen. De een is er elk moment mee bezig, een ander vindt het gewoon lekker en gezellig om bij de plaatselijke tuinder zijn groenten en fruit te halen. Het lijkt soms alsof je een van de weinigen bent die met iets nieuws bezig is, of die dingen anders wil. Maar er zijn veel meer mensen mee bezig dan je weet. Verandering is net als ontkiemen, kleine groene puntjes die boven de grond uit komen, nauwelijiks te zien. Alles is nog dood en verrot en je moet het oude blad opzij schuiven om het te ontdekken. Want ze zijn er wel. Het zou best kunnen, dat dit moment, december 2012, zo ongeveer een dieptepunt is, en tegelijkertijd het einde van een lang traject. We zullen het pas kunnen zien als het geschiedenis is geworden. Dan zeggen we tegen elkaar: „Ja, vanaf die tijd begon de wereld te veranderen.”
Als deze dag een soort “mega-nieuwjaar” is, wat is dan mijn voornemen vraag ik mezelf af. Eigenlijk weet ik het al lange tijd. Er is niet veel magisch aan, en tegelijkertijd doet het wonderen, als het de juiste plek krijgt. Het zit me al jaren dwars dat ik het gewoon door de plee spoel. Poep, het bruine goud. Ik eet veel groente en fruit en geen vlees. Ook melkprodukten eet ik steeds minder. Het is niet dat ik er altijd zo bewust voor kies, ik heb er doodeenvoudig geen zin in. Als er iets is wat er nu wezenlijk verandert voor mij, dan is het dat. Mijn spijsvertering is anders dan vroeger en wat er dagelijks van mijn maaltijden overblijft is perfect voor goede compost.
Eergisteren heb ik een emmertje gemaakt. Mijn huisje is niet groot, en een complete wc met een grote compostbak eronder, dat kan ik niet bergen. Het emmertje is dus maar klein. Het staat duidelijk zichtbaar onder de bank. Wat er in zit ziet er uit als aarde en het ruikt naar aarde. We hebben geleerd dat poep vies is. Grote en kleine boodschappen worden gauw weggespoeld. Mensen die erover nadenken weten het wel. Dat het anders zou moeten. Maar ik heb geloof ik nog nooit iemand ontmoet die er gewoon op een dag mee begon. Het composteren van eigen uitwerpselen. Meestal wordt er lang over gepraat en gelezen. Er is niet altijd ruimte voor. Sommigen haken al af als ze horen dat ze evengoed rioolrechten moeten betalen. Een ander laat zich niet weerhouden en bouwt uiteindelijk het lang gewenste composttoilet. Of je koopt een Nonolet bij wat voorheen “De Twaalf Ambachten” heette. Maar ik wil niet wachten tot er een moment komt dat ik er ruimte voor heb. Ik wil niet alleen mijn keukenafval teruggeven aan de aarde, maar ook dat van mezelf. Ik zoek wel een plekje in het bos, als ik een tak meeneem voor de kachel. Dat lijkt me een eerlijke ruil. Er zijn nog steeds een hoop andere wezens op aarde en we hebben met alle leven een ding gemeen. We eten en we droppen de restanten in verteerde vorm, waaruit weer nieuw leven voortkomt. Het is een mooi ritueel, het klaarmaken van een emmertje. Er mag niet in geplast worden, alleen gepoept. De plas gaat ergens anders in. Het is even oefenen. In het emmertje komt een mengsel van zaagsel, zand en humusrijke aarde. Na elk bezoek aan het emmertje leg je er een papiertje overheen en dan weer een paar handjes zaagselaarde. ’t Ziet er prachtig uit, al zeg ik het zelf. Met deze kleine gift voeg ik daad bij woord. Natuurlijke kringlopen moeten gesloten worden, zodat alles zijn plek weer kan vinden. En ik begin bij mezelf. Het gaat over leven en laten leven. Wat voor mij afval is, is voedsel voor de aarde. Zonde om het de zee in te spoelen. Als ik hier ben, in mijn eigen wagen, dan is dit mijn gift. Mijn gift voor de aarde.

.

Een huis van leem en stro

.

Op de fiets in het donker

Op weg naar de Kleine Aarde

Op weg naar Boxtel. Vanavond is het tweede deel van de cursus strobalenbouw. Als ik mijn fiets pak, is het al donker. De maan is bijna vol maar verdwijnt regelmatig achter een wolk. De landweggetjes in Brabant zijn soms pikkedonker als er geen maan is, en ik heb geen licht. Nu is de weg naar Boxtel niet moeilijk,  gewoon rechtuit fietsen. Maar ik wil wel graag heelhuids aankomen. Ik besluit om de olielamp aan mijn stuur te hangen. Het is een prachtige antieke lamp en hij geeft veel licht. Met de grote lamp bungelend aan mijn stuur, merk ik tot mijn voldoening dat het uitstekend werkt. Auto’s rijden met een grote boog om me heen en veilig kom ik aan bij de Kleine Aarde.
De cursus is in het paveljoen, waar drie jaar aan gewerkt is. Het is nog maar net af. Wij zijn de eersten van buiten die er gebruik van maken. Langs het pad staan olielampjes en kerstverlichting om in het donker de weg te wijzen. Het paveljoen staat iets verder het terrein op. Ik zet mijn fiets neer onder het portaal bij de deur en bewonder de gemozaïekte vloer onder mijn voeten. Zonder mijn fiets op slot te zetten ga ik naar binnen en kom in een rond gebouw met veel ramen. Ik voel me er thuis. De muren zijn van leem en stro, en overdag schijnt bovenlangs het licht door allemaal gekleurde flessen. Maar nu is het donker buiten.
Er is een grote leemkachel in het midden die een heerlijke warmte geeft. De afvoer van de hete lucht loopt door een lemen bank, die rond de kachel loopt. Het vuurtje brandt al lekker. Het is een rocketstove. Een kachel die zuinig stookt en veel rendement heeft. Je kan eindeloos door fantaseren over de vormgeving ervan, en er is veel diversiteit in te vinden.
In de ronde ruimte liggen kunstig gemaakte kussens, van allerlei kleuren, in een grote cirkel onder de ramen. Ze liggen gewoon op de houten vloer, en het ziet er gezellig uit. Maar daar gaan wij niet zitten. Want we gaan aan het werk. Aan de andere kant staan de stoelen klaar en de beamer. De daaropvolgende drie uur schrijf ik me te pletter om alles wat Michel Post vertelt, bij te houden.

Voorbeeld van een flessenwand

Een flessenmuur

.

De cursus strobalenbouw

Het is een intensieve cursus, eigenlijk bedoeld voor professionals. Bij alles wat ik zie en hoor houd ik in gedachten: „Wat wil ik ermee?” De vragen die ik stel zijn zo praktisch mogelijk. Zo kom ik toch allerlei dingen te weten waar ik wat aan heb. Er komen vanavond zes bouwvormen aan bod. De bouwtekeningen vliegen in razend tempo over het beeldscherm. Alleen met opperste concentratie kan ik er de belangrijkste dingen uithalen. Gelukkig krijgen we aan het einde van de cursus het hele pakket aan drukwerk mee naar huis. Kan ik het nog eens nalezen.

Een van de eerste vragen die ik mezelf stel gaat over het fundament. Hoe maak je een begin. Er komt bijna altijd beton aan te pas en vlechtwerk met ijzer. Tenminste, hier in Nederland. Maar je kunt een fundament ook maken met ander materiaal, wat er in je buurt voor handen is. In het ronde paveljoen van Gezonde gronden in Den Haag deden ze het met stoeptegels. Ze hadden 2700 tegels nodig voor een oppervlakte van 50 M2. Die gingen een meter diep de grond in, in een cirkel van drie tegels breed. Op andere plekken hebben ze een fundament gemaakt van autobanden, die ze opvulden met grind. Isolerende schelpen en hydrokorrels worden ook vaak gebruikt in fundamenten. Het is de vraag waar je het makkelijkst aan kan komen en wat toegestaan is. Als het bouwwerk niet hoger is dan anderhalve meter, dan heb je in elk geval geen vergunning nodig en kan je zo beginnen. Maar dan mag je er niet in wonen, hier in Nederland.
Eén van de eerste dingen die ik weet over stro, is dat je moet uitkijken voor nattigheid. Stro mag nooit direct op de grond of op het beton. Dan trekt het vocht er in. Er komt altijd een houten rand onder. Die maak je van drie planken met een ruimte eronder. Daar kan je ook mooi je kabels in kwijt, tussen het isolatiemateriaal. Dat is een mooi begin. Ook iets anders heb ik onmiddellijk in mijn oren geknoopt. Dragende muren van stro, dat mag niet, hier in Nederland. Terwijl er niks mis mee is. Als je een rond strohuis bouwt , dan is een dak dat op de balen rust zelfs extra stabiliserend. Natuurlijk moet je er wel iets tussen stoppen om het gewicht van de draagbalken te verdelen.

.
Mijn conclusie in een notendop

.Als je me het op dit moment vraagt, dan zou ik graag een rond huis bouwen, met dragende stromuren. Een rond huis is sterker dan een vierkant huis, kan meer hebben. Zeker als je de balen plat neerlegt en conisch laat persen. Dan kan je ze gelijk in het rond neerleggen. Als de muren dragend zijn, dan bouw je het dak pas op het laatst, lijkt me. Dat is wel jammer, want als je het dak als eerste bouwt kun je lekker droog blijven tijdens het werk. En ook de strobalen blijven droog. Zonder dak boven je hoofd moet je gelijk het hele bouwplan aanpassen. Het tijdstip waarop je begint is dan erg belangrijk. Want als de strobalen eenmaal op het bouwterrein liggen moeten ze meteen verwerkt worden. Ze mogen nooit nat worden. Een landbouwzeil er over is ook niet zo’n goed idee. Als je het toch doet, dan zal je niet de eerste zijn die schimmel vindt op de bovenste balen. Er moet ventilatie zijn, anders komt er condens onder het zeil. Langdurige droogtes zijn misschien niet wenselijk, maar wel handig, bij het bouwen van een strohuis.

.

Ik zou graag bouwen in een land waar droge zomers zijn. Ooit. Dat is nu mijn wens.
Maar ik woon in een woonwagen. Zo is het. Wie weet hoe lang nog.

Ik schrijf me te pletter

De wensheuvel

.

.

Daar waar in stilte verbondenheid is, daar ligt de kiem van een nieuw begin.

Ik zit roerloos op de bank en luister. De vogels zijn zwijgzaam op deze grijze herfstdag. Een merel hoor ik. Even later een kraai die roept. Dan is het weer stil. De kachel tikt zachtjes, met gloeiend hout erin. Ik zit op mijn schapenvacht. Soms is de stilte bijna onverdraaglijk. Toch blijf ik zitten. En dan, als ik door de eerste weerzin heen ben, voel ik het. Ik ben verbonden. De grijze lucht lijkt lichter dan zonet, de kamer ruimer. Opgelucht haal ik diep adem. Je hebt maar een kleine plek nodig in je huis, waar je graag bent. Dat is genoeg. Bij mij is het mijn bank. Het huisje is klein maar groot genoeg.  En daar zit ik nu, op die bank.

Ik kijk door het raam boven het aanrecht, waar ik een stukje van de coniferenhaag zie. Ik hoor wat. Er komt wat aan. Een zware machine rijdt traag langs het onverharde pad, dat naar de camping leidt. Het overstemt alle geluiden. Een merel slaat alarm. Een groot gevaarte maait de berm. Ik verdraag het geluid tot het uiteindelijk in de verte verdwijnt en ik droom van een plek. Een plek waar niet geld en machines het leven op aarde domineren en manipuleren. Een plek waar alles mag zijn wat het is. Ik droom, net als  miljoenen mensen met mij van grond waar ik me mee kan verbinden en waar we samen de aarde kunnen verzorgen. Waar we onze handen vuil kunnen maken en kunnen laten groeien wat al ons leven lang onder de aarde lag te wachten. Als een woestijn, die na tientallen jaren weer tot bloei  komt. Zo wacht ik samen met anderen en werk verder aan de voorbereidingen.

In deze stilte is het of ik op een heuvel sta, en over de aarde kijk, samen met duizenden anderen. In die oeroude rust komt het beeld me steeds helderder voor ogen. Elke dag  groeit het. Tot het moment komt dat we de handen ineen kunnen slaan.. Sommigen zijn al begonnen, een  pril nieuw begin, anderen luisteren, net als ik en zullen weten wanneer het hun moment is. We zullen alles wat onder onze handen komt, laten groeien tot een weelderige tuin, en elke tuin is  verbonden met een andere. Alles is er al. Door wat groeit zijn plek te geven, geven we onszelf een plek. Bomen die vrucht dragen, kruiden die bloeien en geuren in de warme zon, en hangen te drogen op zolder. Kinderen rennen de kleine herdershond achterna op het veld. Langs de vijver drinken vogels tussen de waterkers en vliegen snel weer op. Onder een steen zie ik de staart van een salamander weg flitsen. Op deze denkbeeldige heuvel sta ik stil en zie het voor me. Laten we onze fantasie gebruiken en durven dromen. Onze beelden van wat zal zijn, rijgen zich aaneen en zo wordt het werkelijkheid. Zo kijken we uit over een aarde zoals we haar nog nooit hebben gezien. Dit is onze wensheuvel. De plek waar alles opnieuw begint.

.

Het is een mooie dag

 

.

Roemenië, 2012

 

Het is een mooie dag. De grootste hitte is voorbij, ik loop naar de beek, verscholen achter de bomen. Lola de hond blijft bij het huis. ik ben nog net  teveel een vreemde voor haar. Ik heb plastic schoenen meegenomen van Anet, die draagt ze in de beek om de stenen niet te voelen. Ik loop stroomopwaarts door het water en doe de plastic schoenen maar gauw weer uit. Veel lekkerder. De bodem van het beekje is soms zand, veel stenen en soms wat modderig, in de buurt van de wilgenbomen. Ik laat de modder lekker tussen mijn tenen sijpelen en balanceer op de stenen. Hoe langer ik loop hoe meer ik zie. Af en toe kom ik een blok leem tegen van een bijzondere kleur, groen of gelig. Ik zie een vogel aan het water die ik niet kende, ik had hem vanochtend ook al gezien. Ik ken nog maar zo weinig..! Het leek een kruising tussen een eend en een reiger.
Verderop is de oever afgekalfd, door hoog water. Het water komt soms wel twee meter hoog zie ik aan de plantenresten die in de wilgen hangen. Hier beginnen de velden, hooi is opgestoken en de mais staat er mooi bij. Ik ben blij de velden te zien. Het huis van Anet ligt in een soort kom, omringd door dicht geboomte. Thuis woon ik ook in een kom, maar dan van stenen huizen. Ik wil ruimte, de velden in, omhoog.

Ik klim de hoge zandwand op, om op de oever te komen. Het gras is net gemaaid. Ik trek de plastic schoenen weer aan tegen de harde stoppels en loop over het gras tussen twee maisvelden door. Aan het einde is een stenige zandweg. Ik steek over om verder de heuvel op te klimmen. Ik loop door een schitterende bloemenweide, zoemend van bijen en insecten. Als ik opkijk om te zien hoe het pad verder loopt, zie ik in de verte een paard grazen. Verderop zit een man op een kleine wagen. Buna Zuia, zeg ik en de man zegt hetzelfde en vraagt waar ik heen ga. “Kijken” zeg ik “boven”. Hij vraagt waar ik vandaag kom. “Ultima casa” zeg ik en vertel hem in gebrekkig Roemeens hoe mooi ik die bloemenweiden vond. Hij lacht en ik maak kenbaar dat ik weer verder ga.
Ik loop verder. Kleine appelbomen, gemaaide velden en overal hoopjes afgehakte jonge boompjes. Het bos begin een aantal meters verderop alweer uitbundig te groeien en de vele kleine acacia’s moeten flink in toom worden gehouden. Al ik bijna de top van de heuvel nader word ik verrast door een steile aflopende helling aan de andere kant. Ooit moeten hier zandverschuivingen zijn geweest. Het enige wat op deze afgrond groeit zijn beukenbomen, die hoog en meterslang de lucht in moeten schieten om bovenin blad te kunnen maken. Ik ga zitten om te kijken.

Dan ga ik verder de heuvel op. Ik hoef steeds minder te klimmen en er staan steeds meer eiken van grote omvang. Eromheen is het gras pas gemaaid. Bovenop de berg ontvouwt zich, tot mijn grote verrassing, een vlakte. De eiken zijn hier nog mooier. Ik loop een stukje over de vlakke top en wil net teruglopen als me iets merkwaardigs opvalt. Verderop houdt de grond opeens op en zie ik alleen maar lucht. Ik ga erheen en vergeet even adem te halen. Voor mijn voeten ligt een afgrond van wel dertig meter of meer, zoiets heb ik nog nooit gezien. In die enorme muren van zand vliegen tientallen zwaluwtjes heen en weer. Het is verder stil en ik zie niemand. Ik kan heel ver kijken, ver over de beboste heuvels. Ik zou willen dat ik hier mijn hangmatje op kon hangen en kon blijven slapen. Ik blijf lang staan kijken, tot ik met tegenzin verder ga. Ik zie ook bossen riet, wat gek, zo bovenop de heuvel is een klein vennetje. Er moet hier leemgrond onder zitten of zoiets.  Er staan een paar koeien bij te drinken.Terwijl ik er heen loop hoor ik hondengeblaf. De herder die erbij hoort komt naar me toe en houdt de honden op een afstand. Ze willen graag bijten zegt hij. Ook hij wil weten waar ik vandaan kom en waar ik heen ga. Ik ga weer terug nu, wijs ik ” Pe drum.” Verderop kijkt de andere man op de wagen me alweer glimlachend tegemoet. Hij vraagt van alles. Hoe oud ik ben, wat ik vanavond ga eten en hoeveel een brood in Nederland kost. Hij bekruizigt zichzelf bij het horen van die prijs en zegt dat je hier maar een lei betaalt. Dat is iets minder dan twintig cent.
Ik kijk naar zijn paard en vraag hoe hij heet. “Carl” zegt hij. Ik mag zijn wagen bewonderen en zijn gereedschap. Hij vraagt of ik morgen weer wil komen om te zien hoe hij het hooi bijeen harkt. Verderop  is ook nog weide die hij beheert. Ik knik blij. Dus morgen vroeg op en dezelfde weg weer vinden. Ik hoop dat ik hem terug zie. Dat weet je maar nooit hier.