Het lijkt wel oorlog op de akker

.

.

`Het lijkt wel oorlog`, zegt een jongen die naast een van de tentjes staat. Een grote stofwolk waait over het veld van de Augustehoeve, over de bossages en over het dak. Er lopen mensen met ontwerptekeningen in de hand, voor de grond die rond de hoeve ligt. Ze doen hier een tiendaagse cursus permacultuur en ze proberen zich niets van het het geraas en het stof aan te trekken. Met aandacht buigen ze zich in groepjes over hun werk. De wolk van stuifzand is zo groot dat de tenjes maar klein lijken. Achter de tentjes is een hek van twee meter hoog. Heras hekwerk. Rakelings daarlangs rijdt een enorme combine. Met veel kabaal worden erwten geoogst. Het lijkt erop dat ze niet zullen stoppen voor het klaar is. Verderop zijn nog drie van dezelfde machines. `Het is niet minder dan dertig hectare wat geoogst moet worden,` vertelt de jongen ernstig. Het geraas van de machines begon vanochtend om zes uur, pal naast de kleine tentjes startten de kolossen hun motor en reden rakelings langs de slapende mensen. `Net oorlog` zegt de jongen nog eens en kijkt gefrustreerd naar de langsrazende combine, die net weer een rijtje af heeft.
Hier zijn wij een avond en een ochtend te gast. Ik slaap met oordopjes in, maar evengoed beleef ik een onrustige nacht. Als we wakker worden, zijn ze nog steeds bezig. De cursisten gaan weer gemotiveerd aan het werk, geslapen of niet geslapen. Wij pakken onze fiets om weer te vertrekken. Het veld is nu kaal, er staat niets meer op. Aan het einde ervan staan de vier grote wagens in een cirkel om een klein groepje jongelui heen. Vier kleine mensen, drie jongens en een meisje ontbijten gezellig in de ochtendzon. Het ziet er heel onschuldig uit. Weten zij veel, wat er aan de andere kant van het hek is.

Ik moet denken aan de tijd toen ik zeventien was. Ik heb vakantiewerk gedaan, bij de Machinering. Ik heb duizenden smeerwortels uitgetrokken, in de polder, tussen de rijen bieten. Geen moment heb ik me afgevraagd wat voor plant dat was, die smeerwortel. Dat is nu dertig jaar geleden. Het boerenbedrijf wordt steeds grootschaliger, tot monsterlijke proporties. Anders is het niet meer winstgevend, men ziet geen andere uitweg. De jongeren die de machines besturen, die willen alleen maar werk en stellen geen vragen. Ze doen wat ze krijgen opgedragen. Voor de mensen in de tentjes bestaan ze eigenlijk niet. Hetzelfde geldt vise versa. Wie weet het, wat er aan de andere kant is van het hek, welke mensen? Waarom eigenlijk, een hek? Wat is oorlog? En is schaalvergroting ècht de enige manier? Veel vraagtekens. Wij fietsen verder, naar de stille camping bij Haghorst.

Meer over de Augustehoeve: http://www.augustehoeve.nl/

.

Rotspul, bestaat dat?

.

 

„Hondsdraf? Dat is rotspul!” hoorde ik pas. Zo’n plantje dat overal maar tussendoorkruipt, dat wordt meestal niet gewaardeerd. Het komt op in gazons, daar waar mensen gras willen hebben. Inplaats van het glanzend groene raaigras, zie je dan een paarse zee met beestjes die er rondvliegen. Dat is niet de bedoeling van een gazon. Flora en fauna delen we in. Zoals we het zelf willen zien. Nuttig en niet nuttig. Hondsdraf is niet nuttig. Zeker niet in het gazon. Smeerwortel en hoefblad ook niet. Dus dat moet weg. Maar er is een wereld die veel groter is dan wat we weten. De bodem en de bijen en beestjes hebben wellicht iets heel anders nodig. En wij hebben hun weer nodig. Dus wat is wijs?
Ik doe het zelf ook. Ik kies ook welke planten ik niet wil en welke ik wel wil. Ik haal weg wat dominant is, maar er mag altijd wat van blijven staan. Alles heeft zijn funktie. Op kweekgras wordt bijvoorbeeld veel gescholden. Maar ik wist niet dat kweekgras goed is voor de stofwisseling en voor de huid. Dat weet ik pas sinds gisteren. Misschien doet kweek in de bodem ook wel dingen die de bodem gezond maakt. Geneest het niet alleen mijn huid, maar ook de huid van onze planeet, de bodem onder mijn voeten. En dan trek ik het er zomaar uit.
In de permacultuur probeert men funkties te achterhalen, van de plant die er groeit. En dan ruil je die plant voor een andere, die dezelfde rol speelt, maar nóg meer funkties heeft. Een plant waar je ook nog goed van kan eten. Of mandjes van kan vlechten. Of een windhaag van kan maken. En graag een plant die we mooier vinden dan kweek, en makkelijker te verwijderen wanneer wij dat willen. Dan halen we alle kweek weg tot het laatste halmpje, en zetten we er andere plantjes voor in de plaats. Het liefst met grote vruchten en een rijke oogst. Ik ken die verleiding om zo snel mogelijk een grote oogst binnen te halen. En er is dikwijls commerciele noodzaak. Maar wat geven we en wat nemen we?
Ook in de permacultuur zijn mensen hongerig naar kennis, naar feiten die houvast bieden in hun tuinontwerp, of boerderij. Wat is zinvol en wat niet. Je kan dingen lezen op internet of in boeken, en horen van anderen. Maar elke plek is anders, en heeft iets anders nodig. En de natuur is flink in beweging. Alles verandert in hoog tempo. Bodem, klimaat en hele ecosystemen. Wat weet ik nou eigenlijk. Zo weinig toch… Daarom kijk ik maar gewoon. Naar dat hondsdrafje. Of naar de smeerwortel of het kleine hoefblad. Wat staat het daar te doen, op die plek? Hoe ziet het er uit? De aarde geeft zelf aan wat ze nodig heeft. Ik wil daar eerst lekker lang naar kijken en luisteren. Er valt vast en zeker een hoop plezier te beleven aan dingen waar ik nog niks van weet. Misschien vraagt het land wel om iets heel anders, dan ik kan bedenken. Voor mij is het zoiets als een relatie. Pas na een tijd weet je van elkaar wat je prettig en niet prettig vindt. Dan begint er iets te groeien wat blijvend kan zijn. Op deze ontdekkingstocht is er niemand die mij werkelijk kan vertellen wat ik moet doen. Of waar ik naar moet kijken. Gelukkig maar.

Maar groente komt toch uit de kas?!

.

e2-bk-randje-dra

Ik heb net de Smeerwortel water gegeven, die ik een tijdje terug in de berm heb geplant. Ik wilde hem graag in mijn buurt, het jonge blad is lekker om te roerbakken, en het is een prachtig kruid, ontstekingsremmend, verzachtend en genezend. Het zit tjokvol voedingsstoffen, en bevat twee keer zoveel kalium als stalmest. Dat zouden de boeren moeten weten, die ze rigoreus hun land uit werken. Tussen Esbeek en Haghorst is er maar een enkele te vinden.
Ik kijk nog eens tevreden naar mijn plant, hier tussen het nogal eentonige gras onder het jonge boompje. Hij doet het goed. Er zit een bijtje op. Een dikke wollige bij. Bijen houden ook van Smeerwortel. Hij kruipt in alle bloemetjes. Mijn fiets staat er naast, met een karretje eraan vast. Daarmee ga ik nog meer Smeerwortels halen, tien kilometer verderop, helemaal voorbij Esbeek. Daar staan er veel. Er komt een groep jongens voorbij, ook op de fiets. Eentje vraagt in het voorbijgaan wat ik doe. “Dit is een plant voor de bijen, die hebben hier helemaal niks te eten!” roep ik hem na. “Wat zou dat dan?!” roept hij verongelijkt, vanuit de verte.
Even later heb ik de groep ingehaald. “Gaat u nou dat hele eind fietsen voor een plánt?” vraagt hetzelfde jongetje. Ik houd vaart in en kijk hem aan. Hij is bijna thuis. De school is in Oirschot, thuis is in Diessen, vertelt hij. Dat is een heel eind. Toch begrijpt hij niet dat iemand het er voor over heeft om hetzelfde eind te trappen voor een plant. Ik leg hem nog eens uit waarom. “We hebben de bijen nodig voor de bestuiving, anders groeit er geen fruit en ook andere dingen niet.” “Maar groente en fruit komt toch gewoon uit een kas?” vraagt hij dan. “Heel veel niet”, zeg ik. “En overal in de natuur zijn bijen nodig. Ik wil niet alleen bijen in eigen tuin, ik wil overal bijen. En ik vind het zo leuk, dat gezoem van die beestjes…” zeg ik genietend. Hij lacht.

 

.

 

Zaadbom zijn in de woestijn

.

.

Een zaadbom is een bal van zand, klei en voedingstoffen met zaden erin. Gooien ermee wordt „Guerillagardening” genoemd. Leuk om te doen, gooien met die ballen, die dan in vergeten hoekjes uit elkaar patsen. Maar als je later gaat kijken wat er is opgekomen, dan zie je slechts hier en daar een bloemetje. „Er is iemand nodig die de uitgegooide zaden nazorg geeft, anders wordt het niks.” Dat zei een ervaren bommengooier op een actiedag van ASEED. Het is alweer even geleden, maar ik moet er nog wel eens aan denken, als ik me afvraag wat ik hier kan doen, op deze plek.

Er zijn veel luwtes, op het terrein. Een oase is het, tussen de uitgestrekte stoffige akkers. Er staan allerlei bloesem- en fruitbomen. Het terrein is omringt door dikke bomenhagen met allerlei soorten. In de lente is het hier een gezoem van jewelste. Allemaal bijen. Maar nu niet meer. De bloesembomen zijn opgehouden met bloeien en bloemen zijn er maar weinig. Dat is op heel veel plaatsen zo, in ons land. Maar insecten zijn hier wel veel, tussen de bomen en bij de donkere vijver. Het grote kort gemaaide grasveld staat vol madelieven en klaver. En paardenbloemen op hele korte steeltjes. Maar de bijen hebben er niks aan, helaas.
Mens en dier zijn gewend geraakt aan schaarste. Er zijn best grote natuurgebieden, de Campina, de Utrecht, en de lange strook langs de Beerze. Je ziet er veel fietsers op een mooie dag. Er zijn ook veel boeren, die landbouw bedrijven zoals het hun geleerd is. Ze houden koeien, of varkens in stallen. Maar wat je ziet zijn eentonige stoffige akkers, met drijfmest en gif. Hooilanden met maar een soort gras en zonder bloemen. Dagjesmensen fietsen er gauw doorheen, door die saaie vlaktes, op weg naar de leukere stukken.
Op de weilanden met een natuurvriendelijk beleid is uitzicht vaak geel. Het is de kruipende boterbloem die overheerst. Er is een schaarste aan bijenbloemen, en diversiteit. Maar de bermen en de randen van akkers zijn een uitdaging voor schatzoekers. Dat ene bijzonder plantje te vinden, in deze omgeving. Die paar vlinders die overleven aan de rand van het veld, waar minder gespoten wordt. Je kunt er een sport van maken ze te vinden en ze te helpen overleven. Gelukkig zijn die mensen er.

In dit land ben ik nu terechtgekomen. Voorlopig is dit mijn stek. Wat heb ik hier te doen? Ik kan van mijn tuin een zaadbom maken. Het boeit me wat er allemaal opkomt uit de grond en ik bekijk elke vierkante centimeter. Tuin betekent voor mij voedsel, maar is ook kunst. Kunst van de aarde zelf. Niet na te maken en niet te verzinnen. Ik geniet ervan. Ik wil het helpen groeien. Tot het zo uitbundig is dat je er sprakeloos van wordt.
Ik ben ook begonnen met het uitplanten van wilde bloemen in bermen en op plekken waar niet gemaaid wordt. Bloemen voor de bijen, maar ook eetbaar voor ons, of met geneeskrachtige eigenschappen. Smeerwortel en witte dovenetel gaan goed. En ik deel een paar zeldzame groenten uit, zoals Bremer scheerkool. Ik hoop dat mensen het zaad laten schieten, voor vermeerdering en niet gewoon alles opeten.
Wat ik doe is klein. Alle grote dingen zijn ooit klein begonnen. Als een zaadbom. Hoe meer zaadbommen hoe liever, wat mij betreft. Wie wil ook zaadbom zijn op deze plek? Het terrein is groot en er is veel mogelijk hier. Wagens om in te wonen en grond om zelf ook een tuin te beginnen. Dan kunnen onze tuinen zich aaneenrijgen. Het kan! Samen kunnen we meer.

Een wereldwijde demonstratie

Het is zaterdagmiddag, in Wageningen. Ik heb mijn bord meegenomen, “Share and Care”, staat erop. Velen met mij zijn de straat op gegaan voor een wereldwijd protest. Geweldig. Honderd-duizenden mensen demonstreren tegelijk, vandaag. Is dat ooit eerder gebeurd, vraag ik me af. Het gaat om niets anders dan onze aarde, deze mars tegen Monsanto. Een bedrijf dat enorme macht heeft op de wereldmarkt. Een demonstratie tegen gif, tegen genetisch gemanipuleerde zaden. Dat is heel kort gezegd. Maar er is meer. Er kleven veel oneindig veel verhalen aan, meer dan ik ooit zou kunnen vertellen. Vooral heel veel leed. Maar er is veel in beweging!

Het is een flink eind lopen, vanuit Wageningen de stad uit. Ik kan het begin en het einde van de stoet niet zien. Het is een bonte optocht, mensen van jong tot oud, joelende roodharige vrouwen met bloemen in de haren, mannen met grote borden op hun blote schouders waarop een tekst staat over zaad. Kinderen plukken bloemen of slapen in een kinderwagen. Een lange stoet slingert langs een landelijke weg. Tot we bij een pand aankomen van Monsanto. Het staat met grote oranje letters op een fantasieloos, vierkant gebouw. De Universiteit van Wageningen werkt hier mee aan onderzoek. Dit is ons einddoel, en hier houden we halt.
Waar het terrein van Monsanto begint, daar leggen we onze bloemen neer, voor de doden. Doden die we niet kennen, en waar de meesten nooit van horen. Mensen die het slachtoffer werden van deze wereldmacht. Tijdens de hele tocht was het een chaos van geluiden, geroep van leuzen, en muziek, maar hier is het stil. Ik sta tussen de anderen en leg mijn boeket neer, dat ik onderweg heb geplukt. Boterbloemen, fluitekruid, heermoes en lange madelieven.
Ik denk aan de boeren, kleine boeren wereldwijd, die hun eigen traditionele landbouwmethodes moesten vergeten, om zaad van Monsanto, kunstmest en bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Ik denk aan de dwang die hier bij te pas komt, en de schat aan eeuwenoude kennis die verloren gaat in allerlei culturen. Monsanto zegt dat landbouw zonder chemische middelen elitair is. De geweldloze communicatie zegt, dat een oordeel meer over jezelf vertelt dan over de ander. Elitair? Ik vind het schrijnend. Boeren overal ter wereld betalen zich blauw aan investeringen. Zoals in India. Ze zien de eerste paar jaar een goede oogst, zoals beloofd. Maar al rap loopt de opbrengst terug. De veel te eenzijdige kunstmest werkt niet meer, de insecticide ook niet, het land degenereert en verliest zijn vruchtbare bodem. Veel kleine boeren kunnen de schulden niet terug betalen. Uit wanhoop en ellende maken velen een einde aan hun leven.
Dit gebeurt niet alleen in India of Afrika, ook in Nederland komt het voor dat boeren geen uitweg zien. Of in Amerika. Alleen de rijksten kunnen overleven, en kopen het land van kleine boeren op. Steeds grotere peperdure olieslurpende machines walsen over de aarde en transformeren haar tot een eenheidsworst zonder leven. Voor wie?

Elke plant, elk dier, elk mens heeft een eigen plek. De plek waar je in je element bent. Op natte zandgrond of in rotsachtige bergen. In de zompige klei aan de koele zee, of op een warme hoogvlakte. Als reiziger kun je je verwonderen over al die verschillen, en hoe uitbundig de natuur is met al haar gaven. Hoe hartelijk de mensen je kunnen onthalen met alles wat ze in huis hebben. Als één bedrijf patent heeft op de gehele voedselproductie, en al het zaad dat op grote schaal wordt verbouwd, dan verdwijnen al die soorten, dan is er geen thuis meer voor niets en niemand. Dan is er niets dat zijn eigen plek nog heeft. Inclusief de mensen zelf, met al hun kleuren, gewoontes en cultuur. De aarde kan niet zonder deze rijkdommen. Alles heeft elkaar nodig.
Wat er onder mensen wereldwijd in beroering is, is niet te overzien. Maar duizenden kleine initiatieven rijgen zich langzaam maar zeker aaneen. Het groeit uit tot een beweging die niet tegen te houden is. We zijn niet alleen, dat is zeker. En alles wat er is werkt mee. Ik ook. Vanuit mijn kleine wagen, tussen dooie akkers in Brabant.

De foto aan de kop komt van de site van “Earth matters”

Ik geef ze weg

.

Hubbard pompoenplantje.

Het regent dat het giet. Dat is fijn voor de tuin, want er valt een hoop in te halen. De planten mogen nog best een stukje groeien van mij. Ik ben hard aan het werk geweest, er is nu veel te wieden. En niet alleen in de tuin is er werk, ik kweek ook zaden op in kleine kasjes. Ik heb ze gemaakt van houten groentekistjes, tegels, plastic, een oude ruit, een deur met een barst in het glas. Er zijn nu een heleboel planten opgegroeid. Pompoenen, citroenkomkommers, courgettes, blauwschokkers. Het zijn er veel meer dan er in mijn tuin passen. En de doos met zaden is nog lang niet leeg. Ik wil ze weggeven. Vooral de planten en zaden die je niet in elke winkel kan kopen. En ik hoop dat mensen ze ook weer doorgeven.
Dus wat ik graag wilde, dat gebeurde. Deze week gaf ik de eerste plantjes weg. Het was een spontane ontmoeting. Op een mooie zonnige dag fietste ik een stukje op met een man uit Moergestel. Hij had altijd en de stad gewoond en vertelde blij en trots dat hij vorig jaar voor het eerst zijn eigen aardappelen had geoogst. Hij wilde best een stukje omrijden voor een paar plantjes. Planten met een verhaal, dat zijn de mooiste, vond hij.
Ik heb de man uit Moersgestel een komkommerplantje en een pompoenplant gegeven. Het Is een Hubbard, die straks knoeperds van pompoenen maakt. De grond waar hij zoveel plezier in had lag pal achter zijn huis. Het was van de gemeente , maar die deed er niet veel mee en dus ging hij lekker zijn gangetje daar, op die veertig vierkante meter. Hij had ook aardpeer gekregen van iemand. `Nog nooit van gehoord , zei hij, maar ze groeiden goed. Het begrip stadslandbouw was hem vreemd. Maar de beste man begint gewoon. Omdat de kans er is, pal naast zijn huis nota bene. En het gebeurt steeds meer, want gemeenten hebben steeds minder geld voor onderhoud. Een goeie zaak. Grond in bruikleen geven aan burgers. Ik heb hem gevraagd het zaad van de planten door te geven. Dat vond hij vanzelfsprekend. Veel mensen vinden het leuk, zaden en plantjes ruilen. Ook deze man hield ervan. Het is gezellig. En als mensen steeds vaker met elkaar gaan kletsen hoe ze hun zaad vermeerderen en hoe ze hun composthoop bijhouden, dan ziet de wereld er al heel anders uit.

Ik wilde alleen dat ik hem iets meer had verteld over de plant, de verzorging en het zaad. De volgende keer geef ik er een verhaaltje bij. Het zou leuk zijn de man op de fiets nog eens terug te zien. Hier, bij Juffrouw Kolibri.

De luistertuin

.

 

Ik volg het nieuws
niet op de voet
Ik ben ermee gestopt
De storm, de veelheid
maakt me doof
voor wat al lang
mijn aandacht roept

Piepend, zoemend en krioelend
Een schuilplaats
in een stille stronk
bijen, hommels en springstaartjes
Mijn huis dat is mijn honk

Elke plek
een web van leven
verweven met
nog heel veel meer

Hier sta ik dan
met open mond
en kijk zo vaak ik kan
naar wat er opgroeit
uit de grond
En wat er is
daarboven

.

Scheppend werk

.

.

Ik graaf en schep. Wat een stuk van de schapeweide was, wordt nu een tuin. Alleen al het maken ervan is een spel. De vogels om me heen zingen om het hardst, en ik werk door want de lente komt er aan. Ik schep aarde en staal mijn spieren. Her en der ontstaat een heuveltje en daarna verdwijnt het weer naar elders. Het is nog niet direct te zien wat het moet gaan worden, maar ikzelf zie het helder voor me. Het beeld verandert en past zich aan, terwijl ik werk.
Ik scheid zorgvuldig het onderliggende zand van de vruchtbare bovenlaag. Die bovenlaag moet straks ook weer boven komen, alles heeft zijn plek en dat is niet voor niets. De aarde onder het gras is hard en platgestampt door de schapen. Het is zandgrond. Er hebben ook koeien gelopen, een geel oormerk diep onder de grond herinnert aan vervlogen tijden.
Liever schep ik helemaal niet in aarde, want je kunt het maar beter zoveel mogelijk met rust laten. Vooral geen grondlagen door elkaar gaan gooien. De bodem zit tjokvol micro-organismen. En dat wordt danig verstoord door al dat gegraaf. Maar ik doe het wel, één maal, om de grond los te maken en een wal te maken. Er is een hoop wat ik niet kan zien, maar wormen zie ik wel. Ik ben op elke beweging gespitst. Als ik een wurm zie spartelen, of bewegingloos zie lijden in de droge buitenlucht, dan stop ik hem onder een omgekeerde grasplag. Ik weet niet of hij daar zelf ook naar toe wilde, maar het lijkt me beter dan uitdrogen of opgegeten worden. Daarna pak ik mijn soldatenschep en graaf weer verder.
Ik bouw een kleine dijk met takken er binnen in, uit het boek van Holzer. Het is erg leuk om te maken. De takken onder de aarde zorgen voor heel wat jaren voeding, ze zullen langzaam verteren tot humus.
Terwijl ik ernaar kijk, zie ik dat het de vorm van een oorschelp heeft gekregen. De open kant is naar het zuiden gericht, om zoveel mogelijk zon op te vangen. In de schelp is de luwte. In het midden heb ik een klein vennetje gemaakt, een speelse ven op de plek van de gehoorgang. Eigenlijk is het een luistertuin. Een luistertuin in de vorm van een oor. Dat klopt wel, want ik luister veel. Naar de vogels, en naar de mensen hier.
Nu staat het vennetje droog. Je kunt goed de verschillende grondlagen zien, als je in de kuil kijkt. De aarde is donker, soms pikzwart. Diep daaronder zie je geel zand. Waarschijnlijk is er hier voor de ontginning een ven geweest. Die was waarschijnlijk een stuk groter dan mijn kleine kuil. Ik hoop dat het een poosje veel gaat regenen. Ik wil zien wat er gebeurt. Ik wil water zien in de ven, zaaien en wilde planten ontdekken, kijken wat er groeit. Mijn handen zijn stijf van het vele scheppen, vanochtend werd ik wakker met slapende vingers. Even wat zwaaien en strekken. Dan weer verder. Nog maar een klein stukje. Dan is het scheppen klaar.

PS: Vannacht heeft het zoveel geregend dat er water in mijn vijvertje stond!

Aarde, zweet en hamerslagen

.

.

Het is weekend. Paasweekend. Ik ben een paar dagen ergens anders, Dick is ook mee. Een plek waar mensen zijn, en waar wordt gebouwd. We zijn net aangekomen in Olst. Langzaam verrijst daar, aan de rand van het dorp, iets bijzonders. Grenzend aan boerenakkers wordt de ene na de andere wand gebouwd. Dikke wanden, gemaakt van autobanden. Een heel rijtje mensen staat met hamers de ene na de andere band vol te stampen met aarde. Het worden aardehuizen.
We lopen over het terrein. Een vriendelijke man laat ons alles zien. Verderop zijn de eerste huizen al klaar. De voorgevels zijn geïsoleerd met stro en bestreken met leemstuk. We mogen binnen kijken, in een van de huizen. Het is een aangename verrassing. Het is lekker warm binnen en het zonlicht schijnt overvloedig door de grote ramen. Ik zie een oud boerenvenster in een lemen binnenwand en een prachtig mozaïek met parelmoer. Het licht wordt erdoor weerkaatst en ik word er rustig van als ik ernaar kijk. De bewoners hebben er met passie aan gewerkt, dat zie je zo. Dit soort details kiezen de mensen zelf, voor hun huis. Dat zijn de leukste dingen, zegt onze gids opgewekt. Dan gaan we weer verder, naar de kast met werkschoenen. Het is tijd om te beginnen.

Een paar uur later hebben we onze spieren flink gebruikt. We zitten in de loods. Hier is een gezellige zit- en eetruimte gemaakt. De tafel staat vol met leeg gegeten borden. We hebben hard meegewerkt en de lekkere soep smaakt er nog beter door. Het werk bestaat op dit moment vooral uit aarde in banden stampen, tot een zwaar stabiel geheel. Van afgedankte autobanden worden dikke muren gemaakt. Ze worden in lange rijen opgestapeld, en moeten stijf en keihard opgevuld worden met zand. Achter de bandenwanden komt straks een heuvel. Maar zover is het nog lang niet. Er ligt nog veel werk te doen. In totaal worden er 23 huizen gebouwd, voornamelijk met vrijwilligers, en de toekomstige bewoners zelf. Ik vind het leuk en interessant om hier te zijn. Gezellig ook.
Tegen de wand aan is een rocketstove gebouwd, een soort leemkachel, met een bank eraan vast, die een heerlijk warmte afgeeft. Op de warme lemen bank zit een man met een stuk of wat kinderen om zich heen. Hij speelt gitaar, terwijl hij ook nog een dreumes op schoot heeft.
Ik praat met Ruurdje, een van de initiatiefneemsters. Net vertelde ik over mijn woonwagen en de tuin waarmee ik begonnen ben. We hebben het over het verschil tussen het woord verplichting, een taak die van buiten af wordt opgelegd, en het engelse woord “commitment”. Je maakt met jezelf een afspraak om ergens mee door te gaan, om iets waar te maken, zegt Ruurdje. Voor mij gaat het over toewijding, besef ik. Ik ben me ervan bewust hoe klein mijn projectje is vergeleken bij het hunne. En hoe overzichtelijk. Ruurdje vertelt over de tegenslagen die ze moesten verwerken terwijl ze hun droom wilden realiseren, en al de concessies die ze moesten doen. En nog steeds. Alles wat gebouwd wordt, gebeurt uit naam van de vereniging, die bestaat uit de toekomstige bewoners. Er moet over veel zaken vergaderd worden. Ik heb bewondering voor ze. Voor haar en de mensen die hier al die jaren aan werken en zullen werken. Ik kom graag een keer terug.
Ik ben hier maar even. Straks ga ik weer naar mijn eigen stekkie. Mijn woonwagen in Brabant. De tuin roept me. Mijn eigen kleine project. Ik ben er al druk zat mee. En wie weet wat hier mijn rol is. Soms groeit iets wat klein bedoeld is onverwacht groot, soms ben je daar blij mee, soms minder. Daar hebben we lang niet altijd iets over te beslissen. Het gebeurt. Als zaad goed terecht komt. Wie zal het zeggen. Het is maar goed dat we het niet allemaal van te voren weten.

.

Een werker op weg over bandenwand in aanleg.

 

Snijdende wind over kale akkers

.

.

Al een aantal dagen snijdt een meedogenloze ijskoude wind over de uitgestrekte kale akkers. Dick en ik hebben allebei een joekel van een tak gevonden in het bos, een van een den en een van een lariks. Ze zijn allebei voor de kachel, dat is nog steeds hard nodig. Vooral de Lariks is zwaar, het hout staat er om bekend, maar Dick is een grote vent met brede schouders, hij tilt het makkelijk. We lopen dwars over het weiland, waar onlangs nog drijfmest is geïnjecteerd. De bodem is in langwerpige stroken gesneden, er staan groeven in de grond. Als je goed kijkt zie je de opgedroogde stront zitten, wijs ik Dick.
Dan naderen we de rand van het maisveld. Althans, het veld waar opnieuw mais moet gaan groeien. De stoppels van vorig jaar hebben ze onlangs omgeploegd. „Laten we hier maar niet overheen lopen”, zegt Dick. De grond is kaal en zwart. “Ik begrijp niet waarom ze niet meer boomhagen planten”, zeg ik. Mais houdt toch ook van een luwe plek, moet je eens zien wat voor een afstand de wind aflegt over die enorme vlakte. Tot Middelbeers is nauwelijks een obstakel te zien. In de zomer wordt verderop spinazie verbouwd, en overal zie je hooiland met één soort gras erop.Te natte grond kan je alleen maar gebruiken voor grasland. Of bossen. Daarom is dat. Er staan nauwelijks bloemen of kruiden in het gras. Toch wordt in Middelbeers streekhoning verkocht. Ik ben benieuwd waar die bijen dat dan vandaan halen. In de verte kan je de weg naar Middelbeers zien, omzoomd met bomen. Langs die weg is land met coniferen, allemaal miniboompjes in rijtjes. Het bedrijf heeft dertig polen in dienst, en de coniferen zijn voor de export. Ze gaan naar Roemenië, is mij verteld. Daarachter ligt het bos van de Baest, een productiebos met sparren en wat beuken ertussen, om het verzuren van de grond tegen te gaan. Maar dat kan je van af hier niet zien, dat bos. Het bos waar wij net uitkomen is veel dichterbij, een klein stukje lopen maar.
We lopen langs de rand van het omgeploegde veld naar het verharde fietspad. Ik verheug me op de warmte van de kachel, en het samen koffie drinken. Lekker terug in mijn kleine stolp, precies groot genoeg en heel gezellig. Mijn eigen huisje op wielen, dat nu tussen de akkers van Brabantse boeren staat. Als het warmer wordt ga ik leren trekker rijden. Ik weet al bij wie.

.