Zestig

.

.

Niet te geloven, ik ben al zestig!  Voor deze bijzondere dag ging ik naar mijn vertrouwde waddeneiland, Schiermonnikoog.

.

.

Mijn vriend Dick is mee.

.

.

Het uitzicht vanuit de kamer in hotel van de Werff .

.

En  zo komt er een nieuw jaar, met nog meer schilderijen, de uitgave van mijn tweede boek, en nieuwe ontmoetingen, vriendschappen en nieuwe kansen. Ik ben en blijf benieuwd. Het leven is net een caleidoscoop.

Eerst zij, dan ik

Een bosje voor de dieren

.

Dit is het andere bosje voor de dieren, bij het Verhalenpad, dat ik de afgelopen jaren plantte.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is voorbij, het plantwerk. Terwijl de vorst in de nachten over het veld kruipt en alles wit maakt, wortelen de bomen. Ik ben vrij. Voor even. Heerlijk is het weg te kruipen in mijn warme hol met een boek. Lang doen we over het eten koken, samen, en dan, aan tafel, nemen we met elkaar de dag door en het nieuws. De zuurbessen en het sporkehout staan er in. “Waarom plant je geen kruisbessen en zwarte bessen? Dat is toch veel lekkerder?” opperde een man van Staatsbosbeheer. Hij deed mee aan heggenvlechten in Menaam. Een tijdje later is het de boer die ongeveer het zelfde zegt. “Is er niks voor ons bij?” Nee, dit keer weinig. Van die zure bessen zullen we niet veel eten. En het sporkehout is hooguit te gebruiken als aanmaakhout. Maar dat is niet de bedoeling. Dit bosje is voor de aarde. Het dode hout is om te verteren en bodem op te bouwen. Niet om te stoken. En het levende hout, de bladeren en de bloesems zijn voor de talloze insecten. Het sporkehout, ook wel vuilboom genoemd, bloeit rijk en lang. Van mei tot september! Het wordt een paradijs voor bijen, hommels en vlinders. Er komen rupsen van het boomblauwtje en de citroenvlinder. Ik verheug me op de geurende gele bloemen van de berberis. En daarna zal het er barsten van de bessen. Van een afstand zal je het zien als een rode waas aan het einde van de weilanden. Alles voor de vogels. Er is genoeg voor de mensen. Mensen nemen steeds meer ruimte in. Ik denk dat het een kunst is om bescheiden te blijven. Te weten dat je niet de enige bent op de wereld.

Ik houd van de lange wintertijd. De mist, de rust op het land, de ruimte die de dieren dan hebben. Ik houd mijn pas in om te luisteren. Want straks kan ik dat wel vergeten. Straks, als het weer hoogzomer is. De zomer is een hectische tijd. Iedereen is bezig met leuke dingen doen, en elk paadje wordt belopen, elk plekje moet worden ontdekt. Ik ben steeds meer van de winter gaan houden. De mistige tijd, dat de paden verborgen blijven en de mensen rustiger zijn. Pal naast mijn huis is een klein veldje. Ik schreef er al vaak over. Een grote wilgeboom is daar neergevallen, zijn drie groten takken liggen als een ster uitgespreid op de grond, en van daaruit groeit een nieuw bos. Vanuit die oude takken de nieuwe takken. Erachter is de steiger met het water van de Swette. Het magische plekje wordt steeds meer ontdekt en drie maanden per jaar wordt het volledig overgenomen door grote groepen kampeerders. Mede daarom heb ik het nieuwe bosje geplant. Vijftig vuilbessen en vijftig stekelige zuurbessen. Voor de vogels en de dieren. De Vuilbessen worden bovendien dichte struiken waar je niet doorheen komt. De zuurbessen hebben de meest akelige stekels die je maar kan bedenken. In drukke tijden is het een toevluchtsoord. Ik heb er twee open plekken in gemaakt, die straks alleen nog maar bereikbaar zijn voor de vogels.

Goed voor mezelf zorgen is voor mij eerst goed voor de aarde zorgen. Het is prachtig om te zien hoe het hier steeds meer fladdert, krabbelt en kruipt. Ik hoor het tjilpen, piepen, een kreet in de nacht. Zo hoort het te zijn. Straks, als het bosje groot is, wordt het daar nog drukker. In de lente om te broeden. In de zomer om te schuilen voor de drukte. In de herfst voor de bessen. Dat is niet alleen goed voor hen, maar ook voor mij. Want hoe meer zij van de voor hen begeerlijke rode bessen eten, hoe meer er overblijft van mijn gele herfstframboos. Door geheel te dienen, heb ik er zelf profijt van. Dat heet: de wet der wederkerigheid. De aarde heeft ons veel te bieden, als we haar met liefde behandelen. In zo’n wereld hoef je niet meer overal naar toe. Alles is er al. Zeker als we onze handen uitsteken.

.

.

.

.

Gelukkig Tweeduizendvijfentwintig!

Tien kleine schilderijtjes om het te vieren.

.

Om het nieuwe jaar te begroeten maakte ik in drie uur tijd zestien kleine spontane schilderijtjes. Dit zijn er tien van.

.

De zee

.

Storm op het water. Visnetten binnenhalen met veiligheidslijn.

.

De rust keert weder

.

Vuurtoren als baken

.

Het groeten van de maan

.

Spelen met de wind

.

Edelstenen werpen naar de maan Of vangen?

.

Klimtocht naar het zwerk

.

Hemelschipper

.

Avondrust op de Noordzee

Bijna dakloos

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan.

.

,

Het is een donkere dag. De kachel brandt en het is lekker warm in huis. Bijna te warm. Ik heb het te goed geïsoleerd. Maar het is goed voor mijn luchtwegen, die warmte. Ik voel het. Dus laat maar even zo. Ik trek mijn blouse uit. Nu sta ik lekker in mijn hemdje. Ik ruim mijn huis op. Het kan dan wel klein zijn, maar ik noem het een huis, want dat is het voor mij. Een huis is de plek waar je woont. Om de kachel ligt hout te drogen. Er hangt ook een handdoekje naast. Ik zie dat een klein puntje ervan zwart is geschroeid. Gauw haal ik het weg. Ik zie geen rook en ruik niks. Blijkbaar was ik er op tijd bij. Ik vouw het op en prop het bovenin het overvolle sokkenkastje.
Zo. Wat ga ik doen vandaag? Het zijn dagen om binnen te blijven, bij de kachel. Dat doe ik dan ook. Ik schrijf verder aan de 19e versie van mijn boek. Kijk even naar de vogels. Dan pak ik een leesboek en ga in mijn leeshol zitten. Het is een goed boek, ik raak er helemaal door in de ban.

Opeens ruik ik iets. Rook. Eigenlijk best wel erg. Waar komt het vandaan? Ik loop naar de kachel om te kijken of er iets tegenaan hangt. Dat is niet zo. Ondertussen neemt de rook snel toe. De lucht begint te prikken in mijn ogen en slaat tegen mijn keel. Dan zie ik het. Het is het handdoekje. Het rookt! Gauw trek ik het weg uit het propvolle kastje. Ik vouw het uit elkaar. Het gloeit en smeult. Het is al bijna helemaal zwart geworden. Ik gooi het naar buiten en het smeult door. Ik klim er achteraan, probeer het uit te stampen, maar het lukt niet. Ik blijf stampen. Tot er eindelijk geen rook en geen vonken meer vanaf komen. Dan ga ik weer naar binnen.

Ik kijk naar het kastje. Er is een plank zwart geschroeid, aan de onderkant. Het had geen vijf minuten langer moeten duren. Stel je voor dat ik bij Dick koffie was gaan drinken. Of naar Leeuwarden was gegaan om verder te werken aan mijn nieuwe schilderij. Dan was ik thuisgekomen en dan was er niks meer over van mijn huis. Dan was ik dakloos geweest. Die ellende is mij gelukkig bespaard gebleven. Maar een ding heb ik wel geleerd. Als er iets zwart schroeit, tegen de kachel aan, dan stop ik dat gelijk in een kom water. Want ik wil hier graag nog vele jaren blijven wonen. In dit huis.

.

.

.

Traagheid met een deadline

.

.

Deze week geen luisterversie.

.

Traagheid met een deadline, bestaat dat? Het vraagt allerminst om gestage discipline om er stap voor stap naar toe te werken. Ik meen dat dit me aardig lukt. Er is een enkel vlaag van onrust, maar die laat ik niet winnen. Elke dag doe ik mijn ding, Ik schrijf en ik fiets op en neer naar Leeuwarden. Schilderen, naar de markt. Samenwerken met de mensen van het kunstatelier, eens in de twee weken zie ik ze. Een regelmatig weekritme is een grote steun. En ook mijn vriend Dick, die er van oktober tot juni is, en met wie ik de taken verdeel, het inkopen doen, eten koken. Als ik om elf uur binnen kom heeft hij het water voor de koffie al opgezet. Vaste regelmaat is een voorwaarde om nieuwe dingen op te kunnen bouwen. Zoals een boek. Of een nieuw bosje. Of een schilderij. Op dit moment ben ik met alle drie tegelijk bezig. Terwijl de dagen op zijn kortst zijn.

Het lijkt veel. Maar het is prima te doen, dankzij het leefritme. Ik loop naar mijn vriend, voer onderweg de koeien. Elke dag gaan mijn ogen langs dezelfde plekken. Steeds dezelfde zijn het, en toch is er veel te zien. Plassen in de wei die groeien en krimpen, een windvlaag die over het oppervlak strijkt. Bij Dick zijn wagen is een hele grote, naast de sloot. Daar is het land laag, en daar blijft al het water staan. Ik kijk er altijd naar, als ik er ben. Een zucht wind die over de vlakte strijkt. Ik kijk ook naar zijn huis, dat steeds schever zakt. Hij huurt het, dus doet er zelf niks aan. Heel anders dan het mijne, dat van mij is. Dat ik van binnen en buiten kan dromen, en dus altijd blijf onderhouden. Maar daar is het nu gaan tijd voor. Nu doe ik andere dingen. Het boek, de nieuwe bomen die komen, de schilderijen. Het hoort allemaal bij elkaar, en bij de boekpresentatie zal iedereen die wil dat kunnen zien. Maar zover is het nog niet. Eerst koffie. Ik loop het bordes op en ga naar binnen. Dick is er. Zoals bijna altijd.

Voor het schrijfwerk is een opmerkzame blik belangrijk. Rimpelingen in het water evengoed als gezichtsuitdrukkingen. Om herinneringen op te halen is rust nodig. December is een goeie tijd daarvoor. Ook voor “De heilige traagheid der dingen” is dat belangrijk. Mijn streven is om met nieuw jaar het boek naar Uitgeverij Zilt te sturen. Nu ik opnieuw het hele boek doorwerk, merk ik dat ik blij ben, met zulke scherpe herinneringen. Als een weefdraad verwerk ik ze door het boek, verschillende thema’s. Vooral als ik wakker word komen ze, als ik een paar dagen achter elkaar thuis ben. Het stille donkere bed is de beste plek om het te laten borrelen, verbindingen te leggen.: Dat ene stukje, daar moet iets bij. Het staat in verbinding en de ene toevoeging heeft invloed op de rest, die dan ook weer een beetje verandert. Langzaamaan verandert het boek wezenlijk. Het zijn geen losse stukken meer, doorspekt met meningen en conclusies. Die zijn er nog wel, maar alleen ter ondersteuning van het een verhaal. Het zijn niet de kralen waar ik mee rijg. Steeds meer wordt het een verhaal aan één stuk, een beleving waar de ander in zijn verbeelding mee kan gaan.

Eind december is de deadline, voor “De heilige traagheid der dingen”. Althans, het boek dan. Het komt er.

Omdat ik daar nu graag aan door wil werken, deze week geen luisterversie van dit verhaal.

De plek

.

Er ligt een prachtige uitdaging op je te wachten, een stoere reis naar de ongekende verten die je altijd al heb willen ontdekken. Of zijn het toch de mensen, is het de plek vlakbij, waar je hart voor klopt? Mijn verhaal.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Het duurt 15 minuten.

Vier jaar woon ik nu tussen de groene weiden van het Friese land. Ik werk aan het landschap, plant bomen en struiken. Altijd ben ik er voor het land en werk alleen. Ik voer de koeien, elke dag een hele winter lang. De boer is daar blij mee en de dieren kijken me tevreden na. Aan het eind van de dag kook ik samen met mijn vriend.
Er wonen hier nog een paar mensen bij de boerderij, aan de Swette. En toch, het is stil hier. Voor het schrijven is de plek waar ik woon perfect. Ook schilderen doe je alleen. Maar ik herinner mij de bedrijvige dagen, als rondvaartschipper in Utrecht. Ik mis dat steeds meer. Ik wil mijn leven daar opnieuw op inrichten. Dus ik vertel wat ik zoek als kunstenaar, een werkplek in de stad. Er komen tips binnen, kennissen willen me helpen.
Niet dat dit meteen iets oplevert. Als ik solliciteer op een atelier in de binnenstad val ik meteen buiten de boot. Dat zie ik als een teken. Ik kan mijn langdurige concentratie op deze stille plek nog niet onderbreken. Er moet nog iets. Het broeit al langer. Eerst is er een boek, dat erom vraagt geschreven te worden: “De heilige traagheid der dingen”. Dus ik schrijf. En omdat de uitgever ziek is, schrijf ik nog langer. Het wordt steeds beter.
Maar er komt geen afspraak. De uitgever blijft zwijgen. Dus ik besluit om tijdens het wachten schilderijen te maken die horen bij het boek. Eigenlijk is dat wel een heel goed idee! Een boek, een expositie, als één geheel. Ik zou anderen uit kunnen nodigen om de bijeenkomst te verrijken met muziek en verhalen. Maar dan kom ik weer op hetzelfde punt: De mensen moeten er zijn. Ze moeten het weten en ook nog graag willen. Als het netwerk ontbreekt, sta ik hier alsnog in mijn eentje.
Dat is een goede reden om cursussen te gaan doen. Ik ga olieverftechnieken doen op de kunstacademie. Daar hoor ik praten van een bruisplek: De Doas, in Leeuwarden. Ik laat er geen gras over groeien, meteen ga ik er heen. En zowaar: Hier word ik ontvangen. Ik vind een heel klein plekje, bij Froukje van Wilde Wijk. Het klikt. Op maandag en vrijdag kan ik daar schilderen. Het lijkt een beetje op een buurthuis. Ik ben er blij mee.

Dan komt het bericht van de uitgever. Mijn boek zal niet worden uitgegeven door Uitgeverij Louise. Hij laat weten dat hij rustiger aan wil doen. Zijn gezondheid vraagt erom. Hij moet gaan schrappen in zijn bezigheden. Het spijt hem heel erg en hij vertelt het mij persoonlijk, aan de telefoon.
Maak je niet bezorgd, ik red me wel, zeg ik.
Maar dan…. In een opwelling komt het omhoog: Als dit dan toch niet doorgaat, dan zou ik nu eindelijk eens naar Schotland kunnen gaan! Het is al tien jaar geleden dat ik de grens over ging. Ik houd me al zolang in! Het vuur vlamt op. Ik kan er zelfs fossielvrij naartoe gaan, zeilend! Dat past toch mooi bij de Heilige Traagheid der dingen! Ik zoek het uit: twee keer per jaar is er een kans. Echt zeezeilen. Wat een verhaal zou dat zijn. . . Maar eer het zover is, zal ik mer erop moeten richten. Helemaal. In alles. Bedachtzaam kijk ik op. Is dit wel wijs, nu?

Elke keer is het kiezen. Terwijl ik net in volle concentratie bezig bent, ligt tegelijkertijd het avontuur op de hoek. Stoere mannen staan klaar aan de kade. Ze verleiden je om mee te gaan en woeste baren te trotseren. Weg, naar verre kusten. Ongekende verten die je altijd al hebt willen verkennen. Verten, die nooit eindigen. De uitdaging waar je al zolang op wachtte. Soms kom je daar ineens in terecht, die oude opgespaarde behoefte, terwijl je alleen maar even het hoekje om gaat. Wat tref je daar dan aan? Precies vandaag kreeg ik dit gedicht binnen via de mail van Laurens JZ Koster:

Afscheid

Zul je voorzichtig zijn?
Ik weet wel
dat je maar een boodschap doet
hier om de hoek
en dat je niet gekleed bent
voor een lange reis

Je kus is licht
je blik gerust
en vredig zijn je hand en voet

Maar achter deze hoek
een werelddeel,
achter dit ogenblik
een zee van tijd

Zul je voorzichtig zijn?

Adriaan Moriën.

Ik zie de zee van tijd als de dood. Als je plotseling de concentratie breekt voor een wat al te spontane beslissing, zomaar om het hoekje, dan gebeuren er soms vreemde dingen.
Ik ben nu een vrouw van bijna zestig. Ik beheers me al jaren. Het is al zolang dat ik mij beheers. Dat die uitdaging als een steeds aanwezig verlangen sluimert, slaapt en soms wakker wordt. De wereld aan de andere kant van de zee is nog steeds een grote verrassing voor me. Kom op, wanneer ga ik?
Deze week sta ik naast boerin Jenneke, bij de melktap. Ze kijkt naar de fonkeling in mijn ogen. “Je bent hier alweer bijna klaar hè? En nou ga je weer weg? Hoelang ben je hier nou geweest?”
Gek om te horen. Als puntje bij paaltje komt, kost het me altijd moeite om weg te gaan. Hier wachten de bomen en de koeien op me. En de vogels. Het warme eten met Dick. Dat wil ik haar zeggen, maar ik zie twijfel in haar blik. Begrijpelijk. Een vrouw die woont in een woonwagen. Ze kwam aangereden en strandde op de camping. Voor haar, die hier al zolang woont, is dat nog maar kort geleden. Allicht dat ze denkt: dat is natuurlijk een avontuurlijk type, die ook zo weer weg is.

Het zet me aan het denken. Ik wil dat mensen weten wie ik ben, en wat ze aan me hebben. Je kan zeggen: als je dat zélf maar weet! Maar wat heb ik eraan te weten dat ik een heel communicatief mens ben, als de anderen dat niet weten? Een boeiend schilderij wat niet gezien wordt, boeit niet. En een prachtig muziekstuk vraagt om de emotie van een publiek. En een stenen pleintje vraagt om groene vingers die tegels kunnen wippen. Er is een bankje dat vraagt om thee te drinken in de pauze. Samen. Leven heeft bestendigheid nodig. En dat je elkaar kent.

En dan krijg ik dat berichtje van de Doas: “Wie belangstelling heeft voor lokaal 105, kan zich opgeven voor bezichtiging.” Gaandeweg merk ik dat het toch echt belangrijk voor me is. Niet die zeereis op zeil naar Schotland, hoezeer mijn hart daar ook naar uitgaat. Dat kan altijd nog. Want deze wens gaat dieper. De wens om gekend te worden, als mens. Een actieve rol in een gemeenschap geeft een basis, een plek om terug te komen. Ik wil dat atelier graag!
Maar dan bedenk ik me wat ik al heb. Stel dat lokaal 105 niet lukt, dan is er immers nog de plek bij Wilde Wijk. Het is klein, en ik moet steeds alles goed opruimen. Maar het is een prachtige kans die ik gekregen heb. En zo ontdek ik opnieuw: Niet grenzeloosheid maakt vrij. Je kunnen beheersen, dàt is de basis van vrijheid, zei Gandhi al, lang geleden. Ik kijk naar de mistige horizon. Morgen ga ik weer naar de Doas. Werken aan een nieuw schilderij.

.

.

.

.

Dat hoort eigenlijk niet

Voor het raam van mijn appartement is een zithoek. Op de stoelen ligt bagage. Van wie is dat?

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Op de kampeerboerderij op Schiermonnikoog is het rustig. “De Branding” heet de camping, en ik kom hier nu al vijfentwintig jaar. Het eiland was het tweede thuis van mijn man, voor ik hem kende. Gek genoeg ben ik er nooit samen met hem geweest. Pas na zijn dood heb ik de band met het eiland hersteld. Op de boerderij is intussen het één en ander veranderd. De oude boer is met pensioen en de jonge heeft het overgenomen. Er lopen weer kinderen rond. Alles gaat door. Ik krijg alleen geen verse melk meer. Maar het appartement is wel met meer smaak ingericht.

De twee kamers waar ik vier dagen verblijf, zijn op de begane grond. Het is alsof het plekje op mij ligt te wachten, en het is een gek idee dat er intussen al zoveel anderen hebben gelogeerd. Ik sta in de vertrouwde keukenhoek, het is ochtend, en ik ben net onder de douche uit. Een douche, helemaal voor mij alleen! Nog nagenietend loop ik naar de tafel om mijn ontbijtkom op te ruimen. Door het raam van de buitendeur zie ik de zithoek. Er staan allemaal tassen op de stoelen. Dat klopt eigenlijk niet, denk ik kritisch. Die zithoek hoort bij dit appartement. Meer nieuwsgierig dan geërgerd kijk ik door het grotere raam. Een man kijkt onbekommerd terug en zwaait vrolijk naar me. Hij heeft blauwe kinderogen. Ik zwaai terug en ga terug om mijn kom om te spoelen.

Even later zitten ze naast hun bagage. Ik zie het niet, ik hoor het, terwijl ik de warme kraan openzet. Het duurt even tot het heet is. Ik wacht en hoor ze praten, de man en een vrouw, ze zitten met hun ruggen tegen de muur aan, onder mijn aanrechtraampje. Hij zingt een liedje voor haar. Dan klinkt er gerammel. De blonde schoonmaakster komt langslopen met emmers. Ik zie nog net haar hoofd. “Waar blijft de koffie?” grapt de mannenstem. De schoonmaakster grijnst plichtmatig en loopt door. Ik draai de kraan dicht, loop naar de glazen deur en doe de schuif eraf. Als ik mijn kop om de hoek steek zie ik naast de man een jongere vrouw, met donkerblond haar in een nonchalante knot. “Willen jullie koffie?” vraag ik. Ze kijken blij verrast, vooral de jonge vrouw begint helemaal te stralen bij mijn vraag. Kan dit wel, hier zomaar gaan zitten, had ze zich afgevraagd. Ja, het kan dus. Er zijn zelfs mensen die er blij mee zijn, dat er eens iemand op hun bankje komt zitten. “Het is zo klaar!” zeg ik opgewekt. Ze hebben nog even tijd, voor de bus gaat. Ik zet de koffie en geef ze allebei een mok vol. We raken in een geanimeerd gesprek. Maar de vrouw houdt wel de tijd in de gaten. “We moeten nu echt weg, de bus gaat,” zegt ze. De bagage wordt rap op de rug gehesen, de bank is ineens weer leeg. Misschien komt er nog iemand, misschien niet. Hoe dan ook: Liever hoor ik lachen en zingen dan dat het moet zoals het hoort. Zeeën van stilte vind ik thuis wel weer terug. Thuis, aan de andere kant van de Waddenzee, tussen de groene weiden.

.

Scheppen is heerlijk

Verder met planten

.

Liever luisteren? Zie onderaan de tekst.

.


Heerlijk hoe alle gedachten aan andere zaken verdwijnen, zodra ik weer met volle aandacht aan het werk ga. Werken aan het nieuwe bosje. Bosjes zijn bijzonder in dit weidelandschap, op de bodem van de Middelzee. Die moet eigenlijk kaal blijven, zeggen de Friezen, dat is historisch. Alleen bij de woonkernen mogen bomen staan. Wat ik doe is dus op het randje. Ik houd van werken op het randje. Zo kun je langzaam grenzen verleggen. Dus ik werk hier, op de grens, twee kilometer weg van de bewoonde wereld. Grenzenverleggers zijn altijd nodig. Want je weet maar nooit of de toekomst niet totaal anders wordt dan het verleden. Toch, ik blijf bescheiden, houd contact en ga niet te ver. Dat probeer ik. Maar ik kan het niet vaak vragen. Het is hier zo stil, negen maanden lang zie je hier alleen de mensen die er echt moeten zijn. Ze komen aan rijden over het grindpad. Ze rijden bijna altijd voorbij, want meestal moeten ze op de boerderij zijn. Om te weten of ik nog steeds binnen het acceptabele werk, check ik af en toe mijn buurman, de landschapshistoricus. Die is altijd met het weidegebied bezig. Maar dit keer hoef ik hem niks te vragen. Alles is duidelijk besproken met de boer. Het zijn struiken. Vuilbessen en zuurbessen. Het wordt een mooi dicht bosje, waarin vogels bescherming kunnen vinden. Winterkoninkjes kunnen onder de stekelige zuurbessen hun jongen grootbrengen. Het wordt een echte peuterspeelzaal, daar onder die takkenboel. Met veel insecten ook. Dat is hard nodig! Maar eerst moeten ze er komen. Dus dat wordt nog een hele hoop scheppen. Het hoeft niet snel, nee juist niet! Voor mij moet het een spel blijven. De spade gaat makkelijk de grond in. Het is niet te nat en niet te droog, precies goed. Na zoveel te hebben geplant op deze kleigrond weet ik inmiddels: Niet wachten met graven tot je de bomen krijgt. Dat is op zijn vroegst eind november pas. Dan is alles glibberig en zitten je laarzen zomaar vast in de drek. Wanneer de struiken ook zullen komen, nu ga ik eerst de weide afplaggen, gaten graven, compost aanbrengen (tot zover ik dat nog heb). Als de bomen dan komen, kunnen ze zo de grond in. Ik steek een grote pol gras weg. Er zit een nest vaalgele pissebedden onder. Zorgvuldig schep ik de hele familie naar een hoger gelegen plek en bedek ze weer. Straks is alles weer zeikensnat, dan waren ze verzopen. Nu heb ik ze gered. Het is secuur werk, de grond klaarmaken en tegelijkertijd aandacht schenken aan de bodemstructuur en de beestjes. De strook grond die ik al deels heb beplant, ligt aan de noordzijde van een dichte rij schietwilgen. Ik merk wat een verschil dat is, de bodem is onder de bomen een stuk korreliger dan in de taaie klei op de weidegrond. De helft van de strook heb ik vorig jaar ingeplant met elzen vooral. Nu wil ik de rest doen. Op dit stuk is het hele jaar niet gemaaid, en onder het lange gras zijn tal van muizengangen, die vervolgens weer bewoond worden door allerlei insecten. De muizen hebben de grond losgemaakt, zonde om dat allemaal weer plat te trappen. Dus ik maak eerst een pad, van plaggen. Een dijkje wordt het, en het steekt hoog boven de rest uit. Onderaan het dijkje is een wadi, een diepe kuil. Dat maakt het hoogteverschil nog veel groter. Echt een sensatie, in dit vlakke land, al zie je er straks niks meer van, als straks alles begroeid is. Toch is dit een mooi moment. De kunst van het voorbijgaande. Dit heb ik gemaakt, denk ik, en ik voel de voldoening, al komt hier haast niemand. Ik denk aan jongeren die niet weten wat ze willen doen. Ga lekker spelen, denk ik dan. Bomen planten, dijkjes maken. Of wat anders. Het is zo heerlijk! Het maakt je kop helemaal leeg. En dan het te zien groeien. Biodiversiteit op de Friese weide! Het verhaal gaat door.

Voor de luisterversie: Zoek iemand die goed kan voorlezen, want ik ben er deze week niet!

.

Het gaat door

Een zoektocht naar Ubuntu

.

.

Wakker liggen om een keuze te maken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is vijf uur in de ochtend. Ik lig in bed en ik ben kwaad. Maar het is op een goeie manier. Het doet me bezinnen wat dit betekent en wat ik ermee doe. Het is namelijk zo: Ongeveer een jaar geleden heb ik een bankje geplaatst, naast het pad. Ik noemde het een “Ubuntubankje”. De betekenis van het Afrikaanse Ubuntu is: Ik ben doordat wij zijn. Een bankje dus, voor iedereen. Door het grote geheel te dienen, deel ik mee in de oogst.
Het Ubuntubankje stond naast het pad, niet om in bezit te nemen, maar ten dienste van iedereen die er langs zou lopen. Ik hoopte daarmee vaker een praatje te kunnen maken, samen, op het bankje. Maar er zat nooit iemand. Auto’s reden hard voorbij. Mensen op de fiets keken recht vooruit, allemaal op weg ergens naartoe. Slechts eenmaal heb ik er op gezeten, samen met een tijdelijke buurvrouw. Die ging weer weg. En ik ging weer verder.

Alleen was ik bezig, samen met de bomen. Maar ik heb ook mensen nodig. En het Ubuntubankje werkte niet. Integendeel, zonder vragen was het twee keer verdwenen. Grote groepen kampeerders. Ze komen en gaan. Ik denk dat het anderen zijn, niet van hier. Anderen, met haast. De derde keer kwam het kapot terug. Een van de latten was gebroken, en in de kopse kanten zaten overal scheuren. Veel te zwaar belast. Het Ubuntuproject was mislukt. Kwaad was ik. En kwaad ben ik nog steeds. Ik lig in mijn hangmat en sta op scherp. Wat ga ik doen? Blijf ik nog jaren hier, werkend in hetzelfde bosje, naast een Ubuntubankje waar ik niks aan heb? Nee, dat ik in geen geval. Ik wil nu kiezen hoe ik actie onderneem. Over een week is mijn vriend er weer. Die is drie maanden weg geweest. Als hij er is wordt mijn keuze minder scherp. Het leven wordt dan te gemakkelijk. Het moet nu. De nacht is donker en de zaklamp ligt naast me. Ik doe hem aan en schijn op de wekker. Het is half zes geworden, slapen kan ik niet en wil ik niet. Dit is belangrijk.

Ineens schiet mij iets te binnen. Deze week kreeg ik een visitekaartje, van een vrouw met een deel- atelier. Ik had haar erom gevraagd, omdat ik al een tijdje aan het woekeren ben met de ruimte. Ik ben begonnen met schilderen, schilderijen voor bij mijn boek. Maar daar heb ik niet echt een plek voor. Na vier kleine, wil ik nu een heel groot schilderij maken, passend bij hetzelfde thema. En nu denk ik aan haar. Dat is het! Ik ga naar haar toe. Het bankje ruim ik op. Mijn weg leidt nu naar de stad. Daar zijn mensen. Daar moet een plek zijn waar het bruist. Waar ik kan schilderen, met mensen praten en samen dingen bedenken. Ik ga mijn focus verplaatsen. De bomen groeien ook wel door met minder zorg en aandacht. Het zijn geen jonkies meer. Blij doe ik mijn ogen dicht en slaap meteen.

Na twee uur slapen ben ik al weer wakker. Ik bel de vrouw van het kaartje. “Kom maar meteen” zegt ze. “Het is dinsdag. Ik ben er nu, en de anderen zijn er ook.” Het zijn beeldhouwers. Dat wist ik al. Als je schildert is dat stof niet handig, maar toch neem ik de uitnodiging dankbaar aan. Je weet maar nooit waar het toe leidt. Ik kijk op het kaartje. “De Doas” staat er op. Het is een bruisplek. Zowaar. Een oud bedrijfsgebouw vol creativiteit.

Die middag stap ik binnen. Het eerste wat ik zie is een restaurant, waar je goedkoop een maaltijd kan nuttigen. Ik word er meteen blij van. Na even te hebben gezocht, kom ik bij het atelier. Ze hebben net pauze. Ik heb chocoladetruffels meegenomen van de melktap. Het doosje is meteen leeg. Mooi zo, dat was de bedoeling. Ik ben van harte welkom om te komen werken in het atelier, maar voor schilderwerk kan ik hier niet terecht. “Ik kijk nog even verder in het gebouw” zeg ik en loop naar buiten. Gelijk zie ik een volgende deur. “Wildewijk.” staat er bij de deur. Binnen zitten drie vrouwen en een man. Een van de vrouwen is van rond de veertig met blond haar Ze kijk me meteen aan. Ik lach vriendelijk naar haar. “Wat is dit?” vraag ik, en wijs op het naambordje. Ze staat op en geeft bereidwillig antwoord. “Wildewijk, dat komt van Wat -wil- de- wijk. Het is een verbindingsplek. Op dinsdagmiddag hebben we inloopatelier. Nu dus. ” Mijn ogen staan wijd open. “O echt? Mag ik ook meedoen? Als iemand die niet in de wijk woont?” Ze kijkt bedenkelijk. “Eigenlijk is het wel voor mensen van onze buurt bedoelt.” Terwijl ze dat zegt gaat het als een flits door me heen. O, stel dat ik nergens terecht kan! Op de ene plek krijg je geen atelier omdat ze liever een dertiger hebben, op een andere plek hoor ik niet bij de doelgroep. Wat moet ik dan nog op dat dooie punt, aan het einde van een onverharde weg? De korte nacht doet de emotie opflakkeren tot een felle vlam. “Ik wil me verbinden!”roep ik uit. Het komt recht uit het hart en het komt aan. Haar blik wordt nieuwsgierig en hartelijk. “Okee! Je bent welkom.” Ik ga naar binnen en iedereen geeft me een hand. “Hee ben jij niet van de Swetteblom? Ik ken jou!” Het is een vrouw van zeventig. Ze heet Anneke. En ik moet de groeten doen aan de boer. Kijk, zo is de verbinding meteen gelegd. En voor mijzelf? Want daar ging het nu ten slotte om! Mijn behoefte aan mensen. Ik zal een manier vinden om samen te kunnen werken. En om mijn werk en het verhaal wat ik wil vertellen naar buiten te brengen, met anderen die hetzelfde willen. We zullen de krachten bundelen. Alle wegen leiden naar Rome, voor wie een doel heeft dat recht uit het hart komt. En dit zal er ongetwijfeld één van zijn. It giet troch!

Een week later, dus nadat ik dit verhaal schreef, bel ik met de blonde vrouw, Froukje. Ik mag een hoekje gebruiken als atelier. Werken in een gemeenschap, precies wat ik zocht.
.

.

De verleiding van verre inspiraties

Of het volgen van eigen pad.

.

.

Op de Vlierhof is altijd veel te doen en te bespreken. Voor mij is deze plek een welkome afwisseling. We zitten met een hele groep aan tafel en voor mij zit een Spaanse vrouw die engels spreekt.

“Jij plant bomen én je voert de koeien in de winter”. De vrouw voor me herhaalt wat ik net heb gezegd. “Kun je niet een deal sluiten met de boer? Voor elke winter dat je de koeien voert, een bepaald aantal bomen planten?” Ik lach. “Dat is een mooie! Nee, ik denk niet dat het zo werkt, bij deze boer. Hij is teveel gehecht aan zijn hooiland om het zomaar voor bomen om te ruilen. En hij is niet de enige. Het is al heel wat voor deze streek, wat er nu is, aan bomen.” Ze kijkt nadenkend voor zich uit, buigt zich dan weer naar voren, naar mij toe. Haar lange donkere haar hangt naast haar gezicht. De oude lichte muur van de Vlierhof is achter haar en straalt warm in de middagzon. “Ik ken een vrouw die wel alsmaar door gaat met bomen planten. Ze woont in Zweden en ze maakt er ook kunst van. Dat is zo bijzonder, je zou er eens moeten kijken!” Ze straalt bij de gedachte. “Zal ik je een link sturen?” Het eerste wat ik denk is: bomen planten in Zweden? Daar hebben ze toch al bomen in overvloed? Ze zal in elk geval geen weerstand krijgen, zoals hier in Friese weidegebied. Of in drukke steden met dure bouwgrond. Het staat ver van me af. “Het is vast heel inspirerend,” zeg ik “Maar wat als het té mooi is? Dan wil ik er heen. En als ik het heb gezien, dan komt de verleiding. Wat ik nu doe verbleekt daar dan bij. Hier bij de Friezen in dit lege land. Dat is dan ineens niet genoeg meer. Maar het is wel de alledaagse werkelijkheid.” Ze knikt. “Ja, je moet het toch doen met de mensen dáár. Misschien is dat wel zo.” Er klinkt gerammel van bestek. Ze beginnen met het opruimen van de eettafel.

Dat is dus de conclusie. Veel inspiraties zijn slechts flakkerende vlammen. Dingen die even snel komen als gaan. Eenzaam blijf je achter met de vraag wat nu. Een uitdaging is daarentegen, het pad te blijven volgen wat voor je eigen voeten ligt. Ook dat is soms eenzaam, maar je vind dan wél de stapstenen om ergens uit te komen op een manier die bij je past. Dat geeft dan voldoening die beklijft. Het duurt soms lang. Iedereen is met zijn eigen dingen bezig. Dat is dan zo.

Ik lach naar de vrouw. Ze stelt zinnige vragen. Maar nu is het tijd. Ik moet gaan pakken, en ga weer terug naar huis. De trein in naar het verre Noorden. Berberissen en vuilbessen bestellen bij Heg-en-Landschap. Het laatste stukje schilderwerk aan mijn wagen doen, voor de herfst begint. En dan verder met het boek en het volgende schilderij. Inspiratie is er genoeg. Maar zonder de nodige concentratie betekent dat helemaal niets. Best een uitdaging, die alledaagse werkelijkheid. Ik heb er mijn handen vol aan.

.

.