Herstel van het wilde paradijs

.

.

Dit verhaal hoort bij het thema van mijn boek: “De heilige traagheid der dingen”, waar ook dit schilderij in thuishoort.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

“Er stond een interessant stukje in de krant” zegt mijn vriend. Hij woont een stukje verderop en om een uur of elf ga ik er altijd heen om koffie te drinken en te bespreken wat we hebben gelezen en beleefd. “Het gaat over een vrouw,” vertelt hij verder “en ze doet mee aan een onderzoek: Hoe is het om nu te eten als een jager verzamelaar. Leven van de wilde natuur dus. Het dieet is beperkt. Ze eet ook geen appels. Die zijn te ver doorgekweekt, zegt ze. Maar ze reist wel naar Schiphol om afgeschoten ganzen op te halen, en ze stopt dingen in de diepvries.” We raken erover in gesprek. “Waarom nemen die onderzoekers geen inheemse stammen voor hun onderzoek?” vraagt Dick, “Er zijn toch mensen die nog steeds op die manier leven?” Ik hoef niet lang na te denken. “Dit is interessanter,” zeg ik. “Het gaat over ons. Wat wij zouden doen, op de plek waar we leven. Als het onderzoek internationaal is, dan zijn er overal mensen die opeens na moeten denken hoe ze dat in ’s hemelsnaam moeten doen, op de plek waar ze zijn.”
Ik denk er nog de hele dag over na. Hoe zou ik het doen? Naar Schiphol reizen en een gans in de diepvries stoppen vind ik flauwekul. Hazen schieten doe ik ook niet, er zijn al anderen die dat doen en er zijn er al te weinig. Bovendien heerst er hazenmixomatose. Konijnen zijn er niet en onze kippen zijn allemaal opgegeten door steenmarters. O nee, kippen zijn niet wild, dus dat telt niet mee in het onderzoek. Tja, verder kun je nog eieren eten van weidevogels, maar die worden bedreigd door grootschalige landbouwmethoden en roofdieren. Bovendien mag dat niet meer, eieren eten van kievieten en grutto’s. Aan eetbare wilde planten vind je hier slechts een beperkt aantal soorten. Dat is dan vooral op het land van onze boerderij en bij niet al te nette woonkernen. Speenkruid voordat het bloeit is eetbaar. Ook is hier veel fluitenkruid* en heel veel brandnetel. Op dit terrein staan veel paardenbloemen, omdat het wilde nog een plek heeft. Daarbuiten stelt het weinig voor, het is hooguit hier en daar een plukje in de bermen. Veldzuring, in kleine hoeveelheden ook eetbaar, vind je ook maar weinig. Die worden selectief weggespoten. Er is dus maar weinig keus in het Friese weidegebied.
Een leven als jager verzamelaar werkt alleen opbouwend als je tegelijkertijd werkt aan een groeizaam leefgebied. Het is ongepast om alleen maar te nemen en er niet voor te zorgen. In feite verander je dan ook niks aan de mentaliteit die er nu is. Jager-verzamelaars van vroeger maakten deel uit van een groter geheel. Ze wisten precies wat en waar en hoeveel ze konden nemen. Dat kennen we niet meer. Ook een jager verzamelaar kan veeleisend zijn. Maar gaat het niet in eerste plaats om bescheidenheid en nederigheid, om je plek te kennen? Ik denk aan dieren en insecten. Werken aan het grote geheel, hier op de Swetteblom en daarbuiten. Hier werk ik, hopend dat deze bronplek zich zal uitbreiden. Steeds weer stel ik me voor hoe het eruit zal zien, een lange strook van bomen, die de snelweg in de verte verbergt. Hoe de oneindige rij auto’s langs de horizon langzaamaan steeds dunner wordt. En dat in plaats daarvan bomen zullen groeien. Langs de kilometerslange bosrand zullen mollen de grond losmaken en wilde zaden een bodem vinden en een uitnodiging vormen voor meer. Een evenwicht groeit, dat steeds meer leven aantrekt. Mijn bijdrage is maar klein, maar het is in elk geval een begin. De tien notenbomen die ik plantte zijn ook nog klein, het zal even duren voor ze noten dragen. De wind die er staat is hard, de kleine bomen hebben eronder te lijden. De omringende struiken moeten nog groeien, willen ze echt beschutting geven. Het zullen vooral de mensen na mij zijn, die ervan gaan profiteren. De kruiden en knollen moeten ook nog hun plek krijgen. Het groeit wel, maar vooralsnog valt er weinig te oogsten, veel wordt aangevreten. Alles van waarde duurt lang. Het duurt lang voor het er is. Zeker in onze tijd, waar het efficiëntydenken het gezonde evenwicht zo sterk heeft aangevreten. Gezond evenwicht en wilde natuur, het is met elkaar verbonden. We moeten het terugbrengen. Hoe eerder we daarmee beginnen hoe beter, het liefst samen en desnoods alleen.

Het leven van jager verzamelaar is zo goed als verleden tijd. Er is teveel gebeurd om dit nog te kunnen voortzetten. Eerst moeten we het paradijs herstellen.

* Fluitenkruid: niet te verwarren met het giftige dollekervel. Dollekervel is in het noorden nog nooit gevonden. Het is alleen gezien in Limburg, volgens een ecoloog.

.

.

Gelijkheid en rechtvaardigheid

Oprechte aandacht voor iedereen. Ook voor journalisten.

.

.

Zaterdag 22 maart liep ik naast een verslaggeefster van de Trouw. Het was tijdens de demonstratie in Amsterdam, tegen  rascisme en fascisme en zoals ik het zelf noem,  voor gelijkheid en rechtvaardigheid. Het was een plezier om haar geinterresseerde vragen te beantwoorden. Zelf schrijf ik ook.  Als schrijver doe je je best om op eigen wijze iets duidelijk te maken. Ook journalisten als zij doen dat, zij geven hun verslag zo objectief mogelijk maar toch op hun manier.  Elk mens zal dat anders doen. Daarom zeg ik dit:  het woord “mainstreammedia” is een vreemd woord en het spijt me het steeds vaker te horen. Het spijt me ook te horen dat een journalist als zij steeds vaker met wantrouwen bekeken wordt. “Tien jaar geleden was het nog heel anders”, zegt ze met een gepijnigde blik. “Gelukkig is er in deze demonstratie meer bereidheid om iets te vertellen”  zegt ze dan.

Mainstream bestaat niet.  De schrijvers zijn allemaal afzonderlijke mensen die hun vak uitoefenen. Niet iedereen vindt dezelfde dingen belangrijk. Dat is nou eenmaal zo.  Maar je kunt om te beginnen  gewoon luisteren naar wat iemand je wil vragen. Dan kun je daarna altijd nog beslissen of je antwoord geeft. Je zal zien: wat je van die ander denkt klopt vaker niet dan wel. Journalist of niet. Er zijn wel eens mensen die erop uit zijn om je voor gek te zetten. Dat is rot. Maar daar gaat het nu niet over.

Ik vraag nu de aandacht voor dit nieuwe, half engelse woord: “mainstreammedia”. Ik hoop dat het uitsterft. Ik pleit voor oprechte aandacht, voor elk mens afzonderlijk. Ook voor journalisten.

Deze foto is gemaakt door Irma Abelskamp.

.

Een van de hoofdreacteuren van de Trouw, Karel Smouter,  gaf zijn reactie:

Het is mij uit het hart gegrepen, je oproep. Deze term wordt gebruikt als een verdachtmaking.

Wachten op voltooiing

Het lastigste moment tijdens een scheppingsproces. Maar we zetten door. Het komt er.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er zijn veel soorten wachten. Er is een halsreikend wachten op de lente na de winter. Gespannen wachten op de uitslag van je examen. Ongeduldig wachten op je fiets die in reparatie staat. Of wachten op iets wat er al lang had moeten zijn en wat er nog steeds niet is. En dan toch geduldig door te gaan, met wachten. Zolang je wacht, ben je er nog steeds op gericht. Sommige dingen komen juist zodra je niet meer wacht. Maar dat is niet altijd zo. Er zijn zaken die echt concentratie vragen. Werken met een doel. Zoals het schrijven van een boek en het uitgeven ervan. Een boek als het bijna af is, dat is de lastigste tijd. Ik schrijf zo’n boek. Het heet: De heilige traagheid der dingen.

Het is klaar. Nou ja, nog net niet. En ik wacht. Ik wacht nog op het voorwoord, dat F.J. De Waard gaat schrijven. Maar ik wacht vooral op mijn vriend Dick, hij zal de correcties doen, maar begint nog steeds niet. Om de tijd te verdrijven plan ik andere zaken in mijn agenda. Een middag dansen, een uurtje bomen kijken anderhalf uur fietsen hiervandaan, ingaan op oproepen van de WildeWijk, helpen bij MeerBomenNu en bij de buurvrouw die een voederhaag plant voor de koeien. Ik ben nog nooit zo vaak achter elkaar weg geweest. Het lijkt allemaal leuk, maar langzaamaan drijf je dan wel weg van je doel. Het boek, dat bijna af is. Het is een riskant moment, om juist dan allemaal nieuwe dingen te beginnen, uit een soort van verveling. Juist dan zou het wachten met alle aandacht moeten gebeuren, zodat de energie zich verzamelt in plaats van verspreidt. Dat het wegvloeit in allerlei stroompjes die nergens heen leiden en verdampen in de zon.

Ik erken het. Ik zie het gebeuren en streep een paar afspraken door. Als eerste die van zondag. Ik moet een moment plannen, met Dick. Het boek moet op de eerste plaats komen en niet ergens in gaatjes tussendoor gestopt. Ik zeg het tegen mijn vriend: Zondag nemen we de eerste vijftig bladzijden door van je correcties. En dan doen we volgende week weer vijftig. Ritme. De regie nemen. Zo komt het er. En tussendoor wacht ik. Ik trek onkruid weg, maak het klusje bij de buurvrouw af, zodat haar heg een goede start krijgt. Dan ga ik weer naar huis en kijk over de velden. Over het ruige gras van de Swetteblom, een kleine boerderij aan de Swette. Hier gebeurt het. Dit is de bron vanwaaruit ik leef, vanwaaruit ik schrijf, en naar de wereld kijk. En nu is het wachten. Energie verzamelen voor wat gaat komen. De voltooiing, en alles wat daarna gebeurt. Wachten als enige echte optie. Het lastigste moment. Maar het zal lukken.

.

Zestig

.

.

Niet te geloven, ik ben al zestig!  Voor deze bijzondere dag ging ik naar mijn vertrouwde waddeneiland, Schiermonnikoog.

.

.

Mijn vriend Dick is mee.

.

.

Het uitzicht vanuit de kamer in hotel van de Werff .

.

En  zo komt er een nieuw jaar, met nog meer schilderijen, de uitgave van mijn tweede boek, en nieuwe ontmoetingen, vriendschappen en nieuwe kansen. Ik ben en blijf benieuwd. Het leven is net een caleidoscoop.

Eerst zij, dan ik

Een bosje voor de dieren

.

Dit is het andere bosje voor de dieren, bij het Verhalenpad, dat ik de afgelopen jaren plantte.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is voorbij, het plantwerk. Terwijl de vorst in de nachten over het veld kruipt en alles wit maakt, wortelen de bomen. Ik ben vrij. Voor even. Heerlijk is het weg te kruipen in mijn warme hol met een boek. Lang doen we over het eten koken, samen, en dan, aan tafel, nemen we met elkaar de dag door en het nieuws. De zuurbessen en het sporkehout staan er in. “Waarom plant je geen kruisbessen en zwarte bessen? Dat is toch veel lekkerder?” opperde een man van Staatsbosbeheer. Hij deed mee aan heggenvlechten in Menaam. Een tijdje later is het de boer die ongeveer het zelfde zegt. “Is er niks voor ons bij?” Nee, dit keer weinig. Van die zure bessen zullen we niet veel eten. En het sporkehout is hooguit te gebruiken als aanmaakhout. Maar dat is niet de bedoeling. Dit bosje is voor de aarde. Het dode hout is om te verteren en bodem op te bouwen. Niet om te stoken. En het levende hout, de bladeren en de bloesems zijn voor de talloze insecten. Het sporkehout, ook wel vuilboom genoemd, bloeit rijk en lang. Van mei tot september! Het wordt een paradijs voor bijen, hommels en vlinders. Er komen rupsen van het boomblauwtje en de citroenvlinder. Ik verheug me op de geurende gele bloemen van de berberis. En daarna zal het er barsten van de bessen. Van een afstand zal je het zien als een rode waas aan het einde van de weilanden. Alles voor de vogels. Er is genoeg voor de mensen. Mensen nemen steeds meer ruimte in. Ik denk dat het een kunst is om bescheiden te blijven. Te weten dat je niet de enige bent op de wereld.

Ik houd van de lange wintertijd. De mist, de rust op het land, de ruimte die de dieren dan hebben. Ik houd mijn pas in om te luisteren. Want straks kan ik dat wel vergeten. Straks, als het weer hoogzomer is. De zomer is een hectische tijd. Iedereen is bezig met leuke dingen doen, en elk paadje wordt belopen, elk plekje moet worden ontdekt. Ik ben steeds meer van de winter gaan houden. De mistige tijd, dat de paden verborgen blijven en de mensen rustiger zijn. Pal naast mijn huis is een klein veldje. Ik schreef er al vaak over. Een grote wilgeboom is daar neergevallen, zijn drie groten takken liggen als een ster uitgespreid op de grond, en van daaruit groeit een nieuw bos. Vanuit die oude takken de nieuwe takken. Erachter is de steiger met het water van de Swette. Het magische plekje wordt steeds meer ontdekt en drie maanden per jaar wordt het volledig overgenomen door grote groepen kampeerders. Mede daarom heb ik het nieuwe bosje geplant. Vijftig vuilbessen en vijftig stekelige zuurbessen. Voor de vogels en de dieren. De Vuilbessen worden bovendien dichte struiken waar je niet doorheen komt. De zuurbessen hebben de meest akelige stekels die je maar kan bedenken. In drukke tijden is het een toevluchtsoord. Ik heb er twee open plekken in gemaakt, die straks alleen nog maar bereikbaar zijn voor de vogels.

Goed voor mezelf zorgen is voor mij eerst goed voor de aarde zorgen. Het is prachtig om te zien hoe het hier steeds meer fladdert, krabbelt en kruipt. Ik hoor het tjilpen, piepen, een kreet in de nacht. Zo hoort het te zijn. Straks, als het bosje groot is, wordt het daar nog drukker. In de lente om te broeden. In de zomer om te schuilen voor de drukte. In de herfst voor de bessen. Dat is niet alleen goed voor hen, maar ook voor mij. Want hoe meer zij van de voor hen begeerlijke rode bessen eten, hoe meer er overblijft van mijn gele herfstframboos. Door geheel te dienen, heb ik er zelf profijt van. Dat heet: de wet der wederkerigheid. De aarde heeft ons veel te bieden, als we haar met liefde behandelen. In zo’n wereld hoef je niet meer overal naar toe. Alles is er al. Zeker als we onze handen uitsteken.

.

.

.

.

Gelukkig Tweeduizendvijfentwintig!

Tien kleine schilderijtjes om het te vieren.

.

Om het nieuwe jaar te begroeten maakte ik in drie uur tijd zestien kleine spontane schilderijtjes. Dit zijn er tien van.

.

De zee

.

Storm op het water. Visnetten binnenhalen met veiligheidslijn.

.

De rust keert weder

.

Vuurtoren als baken

.

Het groeten van de maan

.

Spelen met de wind

.

Edelstenen werpen naar de maan Of vangen?

.

Klimtocht naar het zwerk

.

Hemelschipper

.

Avondrust op de Noordzee

Bijna dakloos

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan.

.

,

Het is een donkere dag. De kachel brandt en het is lekker warm in huis. Bijna te warm. Ik heb het te goed geïsoleerd. Maar het is goed voor mijn luchtwegen, die warmte. Ik voel het. Dus laat maar even zo. Ik trek mijn blouse uit. Nu sta ik lekker in mijn hemdje. Ik ruim mijn huis op. Het kan dan wel klein zijn, maar ik noem het een huis, want dat is het voor mij. Een huis is de plek waar je woont. Om de kachel ligt hout te drogen. Er hangt ook een handdoekje naast. Ik zie dat een klein puntje ervan zwart is geschroeid. Gauw haal ik het weg. Ik zie geen rook en ruik niks. Blijkbaar was ik er op tijd bij. Ik vouw het op en prop het bovenin het overvolle sokkenkastje.
Zo. Wat ga ik doen vandaag? Het zijn dagen om binnen te blijven, bij de kachel. Dat doe ik dan ook. Ik schrijf verder aan de 19e versie van mijn boek. Kijk even naar de vogels. Dan pak ik een leesboek en ga in mijn leeshol zitten. Het is een goed boek, ik raak er helemaal door in de ban.

Opeens ruik ik iets. Rook. Eigenlijk best wel erg. Waar komt het vandaan? Ik loop naar de kachel om te kijken of er iets tegenaan hangt. Dat is niet zo. Ondertussen neemt de rook snel toe. De lucht begint te prikken in mijn ogen en slaat tegen mijn keel. Dan zie ik het. Het is het handdoekje. Het rookt! Gauw trek ik het weg uit het propvolle kastje. Ik vouw het uit elkaar. Het gloeit en smeult. Het is al bijna helemaal zwart geworden. Ik gooi het naar buiten en het smeult door. Ik klim er achteraan, probeer het uit te stampen, maar het lukt niet. Ik blijf stampen. Tot er eindelijk geen rook en geen vonken meer vanaf komen. Dan ga ik weer naar binnen.

Ik kijk naar het kastje. Er is een plank zwart geschroeid, aan de onderkant. Het had geen vijf minuten langer moeten duren. Stel je voor dat ik bij Dick koffie was gaan drinken. Of naar Leeuwarden was gegaan om verder te werken aan mijn nieuwe schilderij. Dan was ik thuisgekomen en dan was er niks meer over van mijn huis. Dan was ik dakloos geweest. Die ellende is mij gelukkig bespaard gebleven. Maar een ding heb ik wel geleerd. Als er iets zwart schroeit, tegen de kachel aan, dan stop ik dat gelijk in een kom water. Want ik wil hier graag nog vele jaren blijven wonen. In dit huis.

.

.

.

Traagheid met een deadline

.

.

Deze week geen luisterversie.

.

Traagheid met een deadline, bestaat dat? Het vraagt allerminst om gestage discipline om er stap voor stap naar toe te werken. Ik meen dat dit me aardig lukt. Er is een enkel vlaag van onrust, maar die laat ik niet winnen. Elke dag doe ik mijn ding, Ik schrijf en ik fiets op en neer naar Leeuwarden. Schilderen, naar de markt. Samenwerken met de mensen van het kunstatelier, eens in de twee weken zie ik ze. Een regelmatig weekritme is een grote steun. En ook mijn vriend Dick, die er van oktober tot juni is, en met wie ik de taken verdeel, het inkopen doen, eten koken. Als ik om elf uur binnen kom heeft hij het water voor de koffie al opgezet. Vaste regelmaat is een voorwaarde om nieuwe dingen op te kunnen bouwen. Zoals een boek. Of een nieuw bosje. Of een schilderij. Op dit moment ben ik met alle drie tegelijk bezig. Terwijl de dagen op zijn kortst zijn.

Het lijkt veel. Maar het is prima te doen, dankzij het leefritme. Ik loop naar mijn vriend, voer onderweg de koeien. Elke dag gaan mijn ogen langs dezelfde plekken. Steeds dezelfde zijn het, en toch is er veel te zien. Plassen in de wei die groeien en krimpen, een windvlaag die over het oppervlak strijkt. Bij Dick zijn wagen is een hele grote, naast de sloot. Daar is het land laag, en daar blijft al het water staan. Ik kijk er altijd naar, als ik er ben. Een zucht wind die over de vlakte strijkt. Ik kijk ook naar zijn huis, dat steeds schever zakt. Hij huurt het, dus doet er zelf niks aan. Heel anders dan het mijne, dat van mij is. Dat ik van binnen en buiten kan dromen, en dus altijd blijf onderhouden. Maar daar is het nu gaan tijd voor. Nu doe ik andere dingen. Het boek, de nieuwe bomen die komen, de schilderijen. Het hoort allemaal bij elkaar, en bij de boekpresentatie zal iedereen die wil dat kunnen zien. Maar zover is het nog niet. Eerst koffie. Ik loop het bordes op en ga naar binnen. Dick is er. Zoals bijna altijd.

Voor het schrijfwerk is een opmerkzame blik belangrijk. Rimpelingen in het water evengoed als gezichtsuitdrukkingen. Om herinneringen op te halen is rust nodig. December is een goeie tijd daarvoor. Ook voor “De heilige traagheid der dingen” is dat belangrijk. Mijn streven is om met nieuw jaar het boek naar Uitgeverij Zilt te sturen. Nu ik opnieuw het hele boek doorwerk, merk ik dat ik blij ben, met zulke scherpe herinneringen. Als een weefdraad verwerk ik ze door het boek, verschillende thema’s. Vooral als ik wakker word komen ze, als ik een paar dagen achter elkaar thuis ben. Het stille donkere bed is de beste plek om het te laten borrelen, verbindingen te leggen.: Dat ene stukje, daar moet iets bij. Het staat in verbinding en de ene toevoeging heeft invloed op de rest, die dan ook weer een beetje verandert. Langzaamaan verandert het boek wezenlijk. Het zijn geen losse stukken meer, doorspekt met meningen en conclusies. Die zijn er nog wel, maar alleen ter ondersteuning van het een verhaal. Het zijn niet de kralen waar ik mee rijg. Steeds meer wordt het een verhaal aan één stuk, een beleving waar de ander in zijn verbeelding mee kan gaan.

Eind december is de deadline, voor “De heilige traagheid der dingen”. Althans, het boek dan. Het komt er.

Omdat ik daar nu graag aan door wil werken, deze week geen luisterversie van dit verhaal.

De plek

.

Er ligt een prachtige uitdaging op je te wachten, een stoere reis naar de ongekende verten die je altijd al heb willen ontdekken. Of zijn het toch de mensen, is het de plek vlakbij, waar je hart voor klopt? Mijn verhaal.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst. Het duurt 15 minuten.

Vier jaar woon ik nu tussen de groene weiden van het Friese land. Ik werk aan het landschap, plant bomen en struiken. Altijd ben ik er voor het land en werk alleen. Ik voer de koeien, elke dag een hele winter lang. De boer is daar blij mee en de dieren kijken me tevreden na. Aan het eind van de dag kook ik samen met mijn vriend.
Er wonen hier nog een paar mensen bij de boerderij, aan de Swette. En toch, het is stil hier. Voor het schrijven is de plek waar ik woon perfect. Ook schilderen doe je alleen. Maar ik herinner mij de bedrijvige dagen, als rondvaartschipper in Utrecht. Ik mis dat steeds meer. Ik wil mijn leven daar opnieuw op inrichten. Dus ik vertel wat ik zoek als kunstenaar, een werkplek in de stad. Er komen tips binnen, kennissen willen me helpen.
Niet dat dit meteen iets oplevert. Als ik solliciteer op een atelier in de binnenstad val ik meteen buiten de boot. Dat zie ik als een teken. Ik kan mijn langdurige concentratie op deze stille plek nog niet onderbreken. Er moet nog iets. Het broeit al langer. Eerst is er een boek, dat erom vraagt geschreven te worden: “De heilige traagheid der dingen”. Dus ik schrijf. En omdat de uitgever ziek is, schrijf ik nog langer. Het wordt steeds beter.
Maar er komt geen afspraak. De uitgever blijft zwijgen. Dus ik besluit om tijdens het wachten schilderijen te maken die horen bij het boek. Eigenlijk is dat wel een heel goed idee! Een boek, een expositie, als één geheel. Ik zou anderen uit kunnen nodigen om de bijeenkomst te verrijken met muziek en verhalen. Maar dan kom ik weer op hetzelfde punt: De mensen moeten er zijn. Ze moeten het weten en ook nog graag willen. Als het netwerk ontbreekt, sta ik hier alsnog in mijn eentje.
Dat is een goede reden om cursussen te gaan doen. Ik ga olieverftechnieken doen op de kunstacademie. Daar hoor ik praten van een bruisplek: De Doas, in Leeuwarden. Ik laat er geen gras over groeien, meteen ga ik er heen. En zowaar: Hier word ik ontvangen. Ik vind een heel klein plekje, bij Froukje van Wilde Wijk. Het klikt. Op maandag en vrijdag kan ik daar schilderen. Het lijkt een beetje op een buurthuis. Ik ben er blij mee.

Dan komt het bericht van de uitgever. Mijn boek zal niet worden uitgegeven door Uitgeverij Louise. Hij laat weten dat hij rustiger aan wil doen. Zijn gezondheid vraagt erom. Hij moet gaan schrappen in zijn bezigheden. Het spijt hem heel erg en hij vertelt het mij persoonlijk, aan de telefoon.
Maak je niet bezorgd, ik red me wel, zeg ik.
Maar dan…. In een opwelling komt het omhoog: Als dit dan toch niet doorgaat, dan zou ik nu eindelijk eens naar Schotland kunnen gaan! Het is al tien jaar geleden dat ik de grens over ging. Ik houd me al zolang in! Het vuur vlamt op. Ik kan er zelfs fossielvrij naartoe gaan, zeilend! Dat past toch mooi bij de Heilige Traagheid der dingen! Ik zoek het uit: twee keer per jaar is er een kans. Echt zeezeilen. Wat een verhaal zou dat zijn. . . Maar eer het zover is, zal ik mer erop moeten richten. Helemaal. In alles. Bedachtzaam kijk ik op. Is dit wel wijs, nu?

Elke keer is het kiezen. Terwijl ik net in volle concentratie bezig bent, ligt tegelijkertijd het avontuur op de hoek. Stoere mannen staan klaar aan de kade. Ze verleiden je om mee te gaan en woeste baren te trotseren. Weg, naar verre kusten. Ongekende verten die je altijd al hebt willen verkennen. Verten, die nooit eindigen. De uitdaging waar je al zolang op wachtte. Soms kom je daar ineens in terecht, die oude opgespaarde behoefte, terwijl je alleen maar even het hoekje om gaat. Wat tref je daar dan aan? Precies vandaag kreeg ik dit gedicht binnen via de mail van Laurens JZ Koster:

Afscheid

Zul je voorzichtig zijn?
Ik weet wel
dat je maar een boodschap doet
hier om de hoek
en dat je niet gekleed bent
voor een lange reis

Je kus is licht
je blik gerust
en vredig zijn je hand en voet

Maar achter deze hoek
een werelddeel,
achter dit ogenblik
een zee van tijd

Zul je voorzichtig zijn?

Adriaan Moriën.

Ik zie de zee van tijd als de dood. Als je plotseling de concentratie breekt voor een wat al te spontane beslissing, zomaar om het hoekje, dan gebeuren er soms vreemde dingen.
Ik ben nu een vrouw van bijna zestig. Ik beheers me al jaren. Het is al zolang dat ik mij beheers. Dat die uitdaging als een steeds aanwezig verlangen sluimert, slaapt en soms wakker wordt. De wereld aan de andere kant van de zee is nog steeds een grote verrassing voor me. Kom op, wanneer ga ik?
Deze week sta ik naast boerin Jenneke, bij de melktap. Ze kijkt naar de fonkeling in mijn ogen. “Je bent hier alweer bijna klaar hè? En nou ga je weer weg? Hoelang ben je hier nou geweest?”
Gek om te horen. Als puntje bij paaltje komt, kost het me altijd moeite om weg te gaan. Hier wachten de bomen en de koeien op me. En de vogels. Het warme eten met Dick. Dat wil ik haar zeggen, maar ik zie twijfel in haar blik. Begrijpelijk. Een vrouw die woont in een woonwagen. Ze kwam aangereden en strandde op de camping. Voor haar, die hier al zolang woont, is dat nog maar kort geleden. Allicht dat ze denkt: dat is natuurlijk een avontuurlijk type, die ook zo weer weg is.

Het zet me aan het denken. Ik wil dat mensen weten wie ik ben, en wat ze aan me hebben. Je kan zeggen: als je dat zélf maar weet! Maar wat heb ik eraan te weten dat ik een heel communicatief mens ben, als de anderen dat niet weten? Een boeiend schilderij wat niet gezien wordt, boeit niet. En een prachtig muziekstuk vraagt om de emotie van een publiek. En een stenen pleintje vraagt om groene vingers die tegels kunnen wippen. Er is een bankje dat vraagt om thee te drinken in de pauze. Samen. Leven heeft bestendigheid nodig. En dat je elkaar kent.

En dan krijg ik dat berichtje van de Doas: “Wie belangstelling heeft voor lokaal 105, kan zich opgeven voor bezichtiging.” Gaandeweg merk ik dat het toch echt belangrijk voor me is. Niet die zeereis op zeil naar Schotland, hoezeer mijn hart daar ook naar uitgaat. Dat kan altijd nog. Want deze wens gaat dieper. De wens om gekend te worden, als mens. Een actieve rol in een gemeenschap geeft een basis, een plek om terug te komen. Ik wil dat atelier graag!
Maar dan bedenk ik me wat ik al heb. Stel dat lokaal 105 niet lukt, dan is er immers nog de plek bij Wilde Wijk. Het is klein, en ik moet steeds alles goed opruimen. Maar het is een prachtige kans die ik gekregen heb. En zo ontdek ik opnieuw: Niet grenzeloosheid maakt vrij. Je kunnen beheersen, dàt is de basis van vrijheid, zei Gandhi al, lang geleden. Ik kijk naar de mistige horizon. Morgen ga ik weer naar de Doas. Werken aan een nieuw schilderij.

.

.

.

.

Dat hoort eigenlijk niet

Voor het raam van mijn appartement is een zithoek. Op de stoelen ligt bagage. Van wie is dat?

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Op de kampeerboerderij op Schiermonnikoog is het rustig. “De Branding” heet de camping, en ik kom hier nu al vijfentwintig jaar. Het eiland was het tweede thuis van mijn man, voor ik hem kende. Gek genoeg ben ik er nooit samen met hem geweest. Pas na zijn dood heb ik de band met het eiland hersteld. Op de boerderij is intussen het één en ander veranderd. De oude boer is met pensioen en de jonge heeft het overgenomen. Er lopen weer kinderen rond. Alles gaat door. Ik krijg alleen geen verse melk meer. Maar het appartement is wel met meer smaak ingericht.

De twee kamers waar ik vier dagen verblijf, zijn op de begane grond. Het is alsof het plekje op mij ligt te wachten, en het is een gek idee dat er intussen al zoveel anderen hebben gelogeerd. Ik sta in de vertrouwde keukenhoek, het is ochtend, en ik ben net onder de douche uit. Een douche, helemaal voor mij alleen! Nog nagenietend loop ik naar de tafel om mijn ontbijtkom op te ruimen. Door het raam van de buitendeur zie ik de zithoek. Er staan allemaal tassen op de stoelen. Dat klopt eigenlijk niet, denk ik kritisch. Die zithoek hoort bij dit appartement. Meer nieuwsgierig dan geërgerd kijk ik door het grotere raam. Een man kijkt onbekommerd terug en zwaait vrolijk naar me. Hij heeft blauwe kinderogen. Ik zwaai terug en ga terug om mijn kom om te spoelen.

Even later zitten ze naast hun bagage. Ik zie het niet, ik hoor het, terwijl ik de warme kraan openzet. Het duurt even tot het heet is. Ik wacht en hoor ze praten, de man en een vrouw, ze zitten met hun ruggen tegen de muur aan, onder mijn aanrechtraampje. Hij zingt een liedje voor haar. Dan klinkt er gerammel. De blonde schoonmaakster komt langslopen met emmers. Ik zie nog net haar hoofd. “Waar blijft de koffie?” grapt de mannenstem. De schoonmaakster grijnst plichtmatig en loopt door. Ik draai de kraan dicht, loop naar de glazen deur en doe de schuif eraf. Als ik mijn kop om de hoek steek zie ik naast de man een jongere vrouw, met donkerblond haar in een nonchalante knot. “Willen jullie koffie?” vraag ik. Ze kijken blij verrast, vooral de jonge vrouw begint helemaal te stralen bij mijn vraag. Kan dit wel, hier zomaar gaan zitten, had ze zich afgevraagd. Ja, het kan dus. Er zijn zelfs mensen die er blij mee zijn, dat er eens iemand op hun bankje komt zitten. “Het is zo klaar!” zeg ik opgewekt. Ze hebben nog even tijd, voor de bus gaat. Ik zet de koffie en geef ze allebei een mok vol. We raken in een geanimeerd gesprek. Maar de vrouw houdt wel de tijd in de gaten. “We moeten nu echt weg, de bus gaat,” zegt ze. De bagage wordt rap op de rug gehesen, de bank is ineens weer leeg. Misschien komt er nog iemand, misschien niet. Hoe dan ook: Liever hoor ik lachen en zingen dan dat het moet zoals het hoort. Zeeën van stilte vind ik thuis wel weer terug. Thuis, aan de andere kant van de Waddenzee, tussen de groene weiden.

.