Kleine verwarring na kleurrijk bezoek

Muildier voor zigeunerwagen

.

Ik sta in de deur en kijk het veld over. Ik verwacht een vriend. Leuk, het gebeurt niet vaak. Fiets langs het kanaal,” zei ik hem. “Dat is een mooie route.” Dat zou hij doen, mijn vriend Marc.

Ik zie nog niemand en keer om, naar binnen. Op dat moment hoor ik rinkelende belletjes, luider en luider. Ik draai me om en zie een echte zigeunerwagen het veld op rijden. De wagen stopt en ik loop er naar toe. Ik zie twee mensen op de bok. Ik herken ze.

Wat leuk dat jullie er zijn! We hebben elkaar al eerder ontmoet, is ’t niet?”

“Ja, dat was vorig jaar.” zegt de man van het stel. Hij ziet er uit als een ouwe hippie met lang zwartgrijs haar in een staart,  levendige bruine ogen. Naast hem zit zijn vrouw, hip gekleed in een paarse legging. Voor de wagen staat een klein muildier, prachtig opgetuigd, met glimmende riemen en rode pluimen. Het lijkt alsof ze al jaren zo de wereld doortrekken.

“Weet je nog dat ik vorig jaar zei dat ik een wagen ging bouwen?” vervolgt hij, “Nu is het klaar. Dit is onze eerste tocht.”

Hij vertelt vol enthousiasme en laat alles zien. Het is een heel kleine wagen, met ronde huif. Als je op de bok staat kan je er over heen kijken. De huif heeft geen zijramen. Er is een kleine ruimte waarin ik net kan staan, op de verlaagde vloer. Hij legt uit hoe handig het is, de ruimte op de as,  tussen de wielen te gebruiken. “Ja”, erken ik,  “Ik heb kastruimte ontworpen, op die plek.”

De man is nog lang niet uitverteld. Er is zoveel om te laten zien! Er is een bedbank, uitschuifbaar. Hij vouwt zijn handen en laat met zijn vingers zien hoe je het lattenwerk uit elkaar kan schuiven. Het idee is zo simpel en doeltreffend, dat ik verbaasd ben dat ik het nog niet eerder heb gezien of bedacht.

Hij vertelt me nog veel meer en bij vertrek zegt hij: “Kom vanavond voor een borrel en neem je schetsboek en maquette mee.”

“Neeeee!” zeg ik luidkeels. “Voor vandaag is het genoeg. Ik heb alweer zoveel gezien, anders raak ik helemaal in de war. Ik kom morgenochtend koffie drinken. Okee?”

“Dat is goed.” zegt hij tevreden, en zo gaat ieder terug naar zijn eigen stekkie.

.

De volgende ochtend kijk ik opgewekt naar buiten, waar het tentje van Marc staat. Ik zie hem nog niet. Rond de zigeunerwagen is het ook stil. Terwijl ik koffie zet komt het veld langzaam tot leven. Onder een stralende, tijdloze hemel gaat ieder zijn gang en kletsen we verder, nog urenlang. Tot ik iedereen heb uitgezwaaid en het veld leeg achterblijft.

Ik staar naar het groene gras en de lucht daarboven. Ik denk aan het ontwerp van mijn eigen zigeunerwagen, “Wiekie’s Kolibri”.  Ik vraag me af, is wat ik gemaakt heb goed? Of zal ik opnieuw beginnen? Ik loop naar de tafel, pak pen en papier. Aarzelend begin ik te tekenen. Een wagen die lager is, zodat je er overheen kan kijken. Kan ik daar wel in leven? En het is zò anders dan mijn eerste ontwerp! Trouwens, ik mis de stroom en de geestdrift. Met plezier herinner ik me de dagen die in sneltreinvaart voorbij gingen, uren die verstreken zonder besef van tijd, terwijl ik nadacht, tekende en knutselde. “Dit is niet te herhalen.” besef ik met een stelligheid die mezelf verrast. Ik leg mijn pen neer en neem ik het kleine groene wagentje in handen. “Dit is de mijne, en geen andere. Dit is wat ik ga maken.”

Opgelucht draai ik me om naar het aanrecht. Eerst thee, dan verder.

.

.

Latcho Drom

Latcho Drom”, staat er op de wagen die ik van binnen mocht bekijken. Het betekent “Goede reis”. Een bekende groet onder Roma. Er bestaat een documentairefilm met dezelfde naam van Tony Gatlif,  waarin het harde leven van zigeuners wordt getoond, in allerlei landen. Veel muziek en dans.

.

.

Links:

“Wiekie’s Kolibri” : https://alowieke.wordpress.com/2014/06/19/vanuit-de-chaos-komt-het/

“Latcho Drom”: http://vorige.nrc.nl/film/article2425783.ece/Latcho_Drom

Kippen!

Haan in mijn tuin

.

Ik heb een tuin voor mijn deur. Ik onderhoud het zelf. Een weelderige boel is het geworden, vol verrassingen. Het kostte veel geduld en nu is het zoals het is. Maar één hoekje heeft nog teveel zwarte grond, naar mijn zin. Daar moet het nog groeien.
Ik kijk langs een kier van het witte gordijn naar buiten. Een blauwe lucht schemert tussen het luchtige bladerdak van de vlier. Het lijkt een aangename dag te worden. Ik heb de gordijnen vast dicht gedaan om de koelte vast te houden en ook heb ik vogelzaad gestrooid, onder de haagbeuk en de kerspruim. Door mijn kier zie ik alles daarbuiten. Het fladdert en scharrelt. Ze woelen en pikken. Een ringmus gooit zijn borst met met volle kracht tegen een dorre pol gras, die in de weg ligt. Ik glimlach.
Dan hoor ik opeens een luid gekukel in de bosjes. Het is het nieuwe haantje. Wat doet hij daar, met zijn twee hennetjes? Gewaarschuwd kijk ik door het zijraampje en zie ze de tuin in lopen, tussen de bosjes en verder. Naar zaad zoekend schrapen ze rakelings langs mijn kleine plantgoed, en lopen er bovenop.
Resoluut doe ik de deur open. “Wat mot dat!” roep ik. Ik pak de langwerpige steen die ik helemaal meegenomen heb uit Roemenië, en slinger hem de tuin in. Alle vogeltjes vliegen weg. De kippen rennen op een holletje het hoekje om. Ze begrijpen me meteen. Ik ga de tuin in om mijn steen weer op te halen. Ik zie hem nergens meer. Nou ja. Dan maar geen steen uit Roemenië.
Na een minuut zie ik de kippen vanuit een andere hoek terugkeren. Lekker zaad en leuke scharrelhoekjes lokken. Dat onthoudt een kip goed. De rest zal ze een worst wezen.

Daar sta ik dan. Gooien met stenen lijkt zinloos en primitief. Ik moet iets anders bedenken. Ik besluit om barrières neer te leggen. Materiaal genoeg. Ik loop naar het bosje verderop en raap een armvol takjes op. Ze liggen er genoeg, er is deze winter flink gesnoeid. Ik zet ze rechtop in de grond, tussen de planten. Even sta ik ernaar te kijken. Kan ik nog meer doen? Ik herinner me de stapel stenen en kapotte dakpannen naast het pad bij de oprit. Die zijn ook handig. In meerdere opzichten zelfs. Ze houden meteen het vocht vast in de grond, en de steen zelf houdt warmte vast. Fijn voor kleine plantjes, die nog groeien moeten. Dat doe ik. Met mijn fietskar hobbel ik er heen en stapel de kar flink vol.

Uiteindelijk ligt mijn tuin vol rode scherven en staan overal stokjes. Om te testen heb ik nieuw zaad gestrooid. Terwijl ik er bij sta zie ik de kippen terugkeren. Ze lopen er gewoon tussendoor en krabben er lustig op los. Ik stuur de kippen weg, pak een stapel zwarte potjes achter mij en maak de compositie nog ingewikkelder. Even later kijk ik van een afstandje. De lichte plastic bakjes gooien ze gewoon om. Uiteindelijk werp ik de ene barrière op na de andere. Als mijn tuin vol takkenzooi, potjes en keramiekscherven ligt, kijk ik vol spanning toe. Opnieuw komen ze terug en .. wagen zich er niet meer in! Twee heggenmussen pikken ongestoord. Een koolmees zit bovenop een neergegooid takkenbosje. Hij kijkt of er nog zonnebloempitten liggen. Opgelucht begin ik eindelijk aan mijn ontbijt.

 

kippenbarrières

 

kippenbarrieres

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

kippenbarrières

Ik geloof dat het nu toch eindelijk gelukt is..

 

 

 

In het spoor van zwijntje

In het spoor van zwijntje

In oktober kwam Ton, de eigenaar van het terrein, vertellen dat zwijntje dood in zijn hok lag. Nogal onverwacht, het hangbuikzwijntje was een gezond en opgewekt dier. Hij liep op een stuk grond van zo’n duizend vierkante meter met een grote vijver er in. Aan de ene kant van de vijver is een bosje, met walnoten, elzen, berken en olmen. Ook vlier en hazelaar staat er, langs de randen. Aan de andere kant van de vijver heeft Ton de bomen en struiken gesnoeid en gedeeltelijk gekapt. Ooit was er op deze plek een weelde aan oeverplanten. Tot zwijntje kwam. Toen was het zijn landje.
In de lente groef hij wortels op en at wat los en vast zat. Hij lustte bijna alles. Alleen waterpeper, dat lustte hij niet. Dat spul lijkt veel op perzikkruid, maar het wordt groter en het lancetvormige blad is vlekkeloos groen. De smaak is scherp en peperig. Ik snap best dat zwijntje het niet lustte. Wij hebben het wel eens gegeten in het vroege voorjaar. Als je het kookt wordt het zurig. Best lekker, voor een keer.
Zwijntje is er nu niet meer. Maar zijn sporen zijn overduidelijk. Over de hele oever en langs de hekken, is de grond keihard geworden van zoveel jaren zwijnenpootjes. De rijke begroeiing is verdwenen. Waterpeper is de grote overwinnaar. Het wint terrein. Ook buiten het hek kruipt het verder, in het gras, tussen de frambozen die langs de rand staan. In het voorjaar ben ik begonnen met uittrekken. Dat ging makkelijk. Dikke massa’s waren het, die ik met handenvol tegelijk uit de grond trok. Overal liggen nu bergen te verteren. Goed voor de bodem. Er wonen kikkertjes onder.

Vandaag wil ik eens lekker aan de gang. Ik loop naar de boomstronk, die bij het hek ligt. Op die plek zet ik mijn schep tegen het hek. Dan zet ik mijn voet op de stronk. Als ik die als opstapje gebruik, kan ik eroverheen klimmen. Aan de andere kant neem ik mijn spade in de hand en kijk om me heen. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik mis overzicht. Ik besluit om eerst paadjes te scheppen, door de bovenlaag van de harde grond weg te halen. Er ontstaat al snel een mooi effen kronkelpad. Nu is het geen wildernis meer, maar een wilde tuin. Paadjes maken, dat doet al een hoop.
Vanaf het versgeschepte pad kan ik alles goed zien. Tussen de dichte begroeiing van peperige stengels staan overal miniboompjes. Bijna net zo dicht bezaaid als de waterpeper. Het is nu nog onzichtbaar, maar ik weet dat er hier een ondoordringbaar bos komt met berken en elzen, als we niks doen. En we willen hier niet zo’n bos. We willen ondergroei, onder de bomen en bloeiende oever- en weideplanten. Zulke plekken zijn hard nodig, hier tussen de omgeploegde zandwoestijnen. Ik wil de woestijn kleiner maken, niet groter. Daarom wied ik niet alles, want de bodem mag niet kaal worden. Ik laat ook dingen staan. Want wat er is, dat is er. Het liefst laat ik andere planten staan dan waterpeper. De enkelingen of kleine groepjes, die dapper hun best doen tussen de monotone massa.
Verderop staan potjes met opgroeiend zaad erin, uit Roemenië. Dat ga ik straks planten. Als het kan zet ik er eetbare planten tussen, lekker divers. Ik ontdek steeds vaker, dat een plant eetbaar is, waarvan ik het niet wist. Er is nog zoveel wat ik niet weet.

Dit is oude grond, de plek heeft al veel gezichten gezien. Nu is het Ton, die de eigenaar is, al vijfentwintig jaar. Op deze minicamping zijn natuurliefhebbers erg welkom. Kunstenaars ook trouwens. Ik zelf bereid me voor op mijn vertrek met de zigeunerwagen die ik aan het bouwen ben.
Vroeg of laat zullen anderen het werk voortzetten. En dan neem ik afscheid van dit groeiende paradijsje.

 

 

De grote vijver

 

Ps. In het weekend van 5 en 6 juli brandt hier het vuur en is iedereen die wil welkom om te komen. Lees het bericht op mijn facebookpagina.

https://m.facebook.com/alowieke.vanbeusekom

Vanuit de chaos komt het

Vanuit de chaos

.

De anders zo schone en witte tafel, is nu een puinhoop. Stukjes ijzerdraad, dik karton, snippers, lijm, potloden, een zinkplaat, een stanleymes. Ik maak iets. En als ik echt iets maak, dan weet ik verder niks meer. Het kind in mij schittert en straalt. Niks opruimen. Gedreven voortgaan, zonder tijdsbesef. Ik drink een glas water, eet een appel en ga verder, uur na uur. En zo zie ik het voor mijn ogen ontstaan. Mijn handen maken precies dat, wat al tekenend in mijn gedachten begon te groeien. Al dagenlang. Mijn eigen zigeunerwagen. Het idee groeit niet alleen in mijn hoofd, het groeit ook in mijn vingers. “Wiekie’s Kolibri”, zo heet het.

De telefoon gaat. Het is Kees. Ik heb hem al lang niet gesproken, hij is druk en woont de helft van de tijd ergens in de Karpaten.
“Ik heb een paar van je verhalen gelezen. Je schrijft heel wat af zeg! Maar wat is nou precies je plan? Ga je weer weg daar? Maar de composthoop is pas volgend jaar klaar voor gebruik. Dat kan ik niet helemaal rijmen.”
“Nee joh!” zeg ik “Ik ben nog lang niet weg. Voor ik mijn wagen af is ben ik wel een paar jaar verder.”
“Dat is toch zo gebeurd! Als de jongens er wat vaart achter zetten…”
“Maar Kees, ik ga hem zelf bouwen! Het wordt helemaal mijn ding.”
Het is even stil aan de andere kant.
“Goh,” hoor ik dan.
“En voor het onderstel ga je naar de smid,” begrijpt mijn vriend nu.
“Zo is het. En ik verheug me er op. Ik heb jarenlang roest moeten bikken, vuil en schimmels moeten schrapen voor ik kon beginnen met iets constructiefs. Dit keer krijg ik een glanzend, nieuw begin. Een onderstel speciaal voor mij gemaakt!”
“Ja, ik kan me voorstellen dat je er zin in hebt.”
“Die wagenbouwer zit niet ver van de aardehuizen in Olst. Dan laat ik daar mijn maquette zien en kunnen we praten over bouwen en pionieren.”
“Kom maar gauw eens langs,” zegt Kees. “Ik hoor graag meer van je.”
“Doe ik!” roep ik. Want ik vind het altijd leuk om Kees te zien.

Ik leg de telefoon weer opzij, en kijk naar mijn tafel.
Toch eerst maar even opruimen.

. .

.
Wiekie's zigeunerwagen

De achterkant krijgt straks een markies. Er zijn twee deurtjes boven en onder. Achter de onderste is een klein uitschuifbaar keukentje. De ramen erboven kunnen open, en de raampjes zijn ook nog te sluiten met luikjes.

Wiekie's Kolibri in het gras

De voorkant heeft ook vier deurtjes. Ik heb vooralsnog geen luifeltje gemaakt. Het was Dick zijn idee om in plaats daar van een tafel op te hangen, boven de deur, vastgemaakt in twee of vier ogen, op de deurpost.

Wiekie's pipowagen

Hij is nu zo goed als af, alleen nog een paar details.

Wiekie's maquette

 

De eerste stap

Bezoek smid Bas

.

Ik heb mijn mobieltje in de hand en voor me ligt de bouwtekening. Mijn toekomstige wagen. Op de tekening zie je contouren van een smal onderstel. Wiekie’s Kolibri. Dat wordt het, klein en beweeglijk.
“Mogen de wielen er gewoon naast of wilt u ingebouwde wielkasten?” vraagt de man aan de andere kant van de lijn. “Ingebouwde wielkasten.” zeg ik, “Het moet zo licht mogelijk worden. Er komt een trekdier voor”. Hij noteert in stilte en concludeert kort. “Langzaam verkeer dus.”
“Ja”, zeg ik. We gaan verder. Hij noteert alles wat nodig is voor een inschatting van de kosten.

De smidse die ik gevonden heb, is gespecialiseerd in het maken van aparte aanhangers. Ik ben blij dat er zo’n bedrijf bestaat. Zou het kunnen, wat ik bedacht heb? Of niet? Ik ga het onderzoeken. Niet alleen bij deze ene.
Er is nog een smid. Ik ken hem. Hij woont vlakbij, in Middelbeers. Bij hem ga ik ook langs. Bas is een vent in de bloei van zijn leven en zijn bedrijf bloeit ook, want hij is goed in zijn vak.

Ik kom aanfietsen en zie dat de grote schuifdeur op een kier staat. Ze zijn er dus. Ik zet mijn fiets op de standaard en ga naar binnen. Er lopen twee jongens, de één strompelt met een gipspoot. Zigzaggend loop ik tussen het staal door. “Is Bas er ook?” vraag ik.
“Ja, die is er. Hij zit boven in zijn kantoor.”
Ik loop de stalen trap op, naar een kleine overloop. Er is maar één deur. Ik doe hem open en achter het bureau zit de jonge baas te werken. Hij kijkt op. Ik zie zijn ogen groter worden, alsof hij iets niet gelooft en het ook wel grappig vindt.
“Kun je dit voor me maken?” vraag ik vastbesloten.
Ik leg de tekening voor hem neer, met alle maten en werkzaamheden er bij.
Hij kijkt er naar en zijn blik wordt serieuzer.
“Maar hier ga je toch niet in wonen?” vraagt hij wat aarzelend.
“Jawel!” roep ik luchtig, “Ik heb nog een heleboel spullen die ik niet gebruik. Het kan nóg kleiner.”
Hij lacht vermakelijk en kijkt opnieuw. Terwijl hij mijn tekenboek doorbladert vertel ik hem meer over mijn project.
“Dat is nogal wat,” zegt hij. “Eigenlijk heb ik het veel te druk hiervoor, zeker nu een van de jongens een gebroken been heeft.”
Ik vertel dat ik ook een specialist in Warnsveld heb gevraagd er naar te kijken.
“Luister dan eerst wat hij te vertellen heeft en kom dan terug. Hij als specialist kan zo’n wagen veel sneller en goedkoper maken dan ik, waarschijnlijk. Of misschien ook niet. We kunnen vergelijken.”
Ik knik. Dat vind ik een goed idee.
“Okee, ik kom terug. Dag Bas!”
“Doei!” zegt Bas en buigt zich weer voorover.

Spannend is het. Het is nog veel werk. Maar ik heb tijd en zin. En dan, als het af is, wat gebeurt er dan? Waar zal het me brengen? Ik wil planten en dierenleven gaan tekenen en landschappen en hun mensen. Schrijven, waarnemen en onderzoeken. Maar… wat er uiteindelijk gaat gebeuren, dat weet ik toch echt niet. Dat weet niemand.

.

Elf juni was het.

De ontdekkingstocht van Wiekie Kolibrie

Creatief proces bouwen zigeunerwagen

Soms gebeurt er iets, wat de vlam opnieuw ontsteekt. Een aanleiding die een pad doet oplichten, dat voorheen nog in het duister lag. Vandaag was zo’n dag.

Er is een jongen bij me op bezoek. Erik. Hij is op de bakfiets en slaapt daarin. Zijn bakfiets staat achter mijn wagen. We zitten aan tafel te praten.
“ Heb je mijn huif al gezien?” vraagt Erik. Nee, die heb ik nog niet gezien. Maar ik kan de kleine huif wel zien, vanuit het raam. “Ik ga meteen even kijken,” zeg ik. Hij loopt met me mee en ik kijk. Best ruim, vind ik. “Je kan er met zijn tweeën slapen.” zegt Erik trots. Dat interesseert me. Hoe je met zo’n kleine ruimte toch uit de voeten kan. Mijn eigen wagen is een villa, vergeleken bij dit kleine voertuig.
We praten nog de hele avond, maken muziek en laten onze eigen liedjes en gedichten horen. Heerlijk. De volgende dag nemen we afscheid. Hij pakt zijn huif weer in en fietst verder.

Ik ben aan het denken gezet. Ik wil straks ook verder, langs bossen, heide, heuvels, meren en rivieren. Planten en dieren zien en uittekenen. Vragen stellen aan voorbijgangers, over wat dan ook. Daarvoor heb ik een vervoermiddel nodig dat niet zo groot en lomp is als deze woonwagen. Ik heb ook nog steeds het naambord niet gemaakt. “Juffrouw Kolibrie.” Ik heb er van begin af aan al geen puf voor. Nou weet ik waarom. Deze wagen is een tussenstation.
Ik begin te tekenen. Het wordt een veel kleinere woonwagen, voortgetrokken door een muildier. Of twee. Ikzelf loop er naast. De wagen is smal van onderen en loopt naar boven breder uit, met schuine wanden. Net als een schip. Ik kan makkelijk om de wagen heen kijken, naar achteren.

Ik ben binnen. De tafel en twee bankjes zijn ingeklapt zodat de vloer vrij is en ik maak een heel klein dansje.
Achterin is het bed. Er ligt iemand in, een vriendin die is blijven slapen. De keuken is buiten.
Ik wil thee zetten en loop naar de achterkant, waar de markies is uitgeklapt. Daar zijn twee onderdeurtjes en twee bovendeurtjes. De bovenste zijn half open. Er achter kijkt mijn vriendin slaperig naar buiten. “Al wakker?” vraag ik. “Nog niet helemaal….” zegt ze. Ik ga verder met wat ik van plan was. Als ik de onderste twee deurtjes opendoe,  is daar een vrij diepe kast. Het is de helft van de ruimte die onder het bed zit. Aan de twee opengeslagen deurtjes zijn handige plankjes gemaakt, zoals in een koelkastdeur. Daar vind ik potjes en voorraden. Ik pak de thee er uit. In de kast zelf heb ik een kookplank aangebracht. Nu schuif ik die naar buiten. Het motregent een beetje. Ik ben blij met mijn mooie markies, die me droog houdt. Markiezen horen op woonwagens. Vroeger stonden de mensen er ook al onder te rommelen. Ik hoor een gaap van boven komen.
Verwarde blonde haren vallen over de rand van het bed. Het is een warme nacht geweest. De bovendeurtjes aan het hoofdeinde zijn de hele tijd open gebleven. Ik zet thee en ondertussen wordt ze wakker. Boven mijn kleine aanrechtje kijkt ze wat ik aan het doen ben. “Lekker geslapen?” vraag ik, en reik haar een dampend kopje aan. “Ja heerlijk, dank!” zegt ze. Wat is het leven toch verrukkelijk.

Ik fantaseer en zie het voor me. Wat is het meest essentiële wat ik nodig heb. Dan kijk ik wat de maten zijn, van mijn bedenksel. Gaandeweg komt er iets uit met magische afmetingen. De breedte en lengtematen komen me ineens erg bekend voor. Het lijkt op mijn oude rondvaartboot! Het ruim had dezelfde afmeting!

Wat heb je nou nodig in het leven?
“Vier-meter-veertig!” roep ik blij.

.

.

Wiekies kolibri met paardje

.

Wiekie's Kolibri, zigeunerwagen onderweg

.

.

Wij houden van rotzooi

.

.

Ik kijk naar dat ene hoekje onder mijn wagen. Daar staat een kleine groene gasfles. Al een hele poos. Maar eigenlijk hoort hij daar niet. De fles staat te wachten onder mijn wagen, want hij is leeg. Ik besluit niet langer uit te stellen, en hem vandaag in te wisselen. Ik pak het ijzeren ding bij het handvat en met een kleine zwaai komt hij in mijn fietskarretje terecht. Ik ga op pad.
Als ik net een eindje op weg ben, zie ik een kleine oude man langs de weg. Hij is iets aan het doen met prikkeldraad, naast de sloot van het grasland. Achter hem ligt een lange zanderige oprit naar een oud boerderijtje. Zou hij nou degene zijn die daar woont? Ik kijk altijd graag naar die oude boerderij. Tussen het huis en de weg in is een mooi weitje. Er graast een paard. Een echte wei is het, vol ridderzuring, klaver, weegbree, kruipende boterbloem… Ik aarzel niet en houd stil.

“Goeiemorgen!” roep ik. De man onderbreekt meteen zijn werk, en komt op zijn gemak naar me toe lopen. „Ik ben doof,” zegt hij “Okee,” antwoord ik, “dan zal ik duidelijk praten.” Ik vraag of hij hier woont. Dat is inderdaad zo en hij steekt meteen van wal. De weiden rond het huis zijn van hem, kom ik te weten. Een kleinere voor het paard en de acht hectare ernaast verhuurt hij aan een boer aan de overkant. Die boer heeft wel honderd koeien en die moeten allemaal blijven eten. “Het gáát maar door,” zegt de oude man, “maaien, drijfmest spuiten zodat het gras in noodvaart omhoog schiet, en dan hooien. Met geweld! Er is geen bloem meer te zien. Soms ligt er wel eens wat koeienstront ergens. Maar de vogels moeten de mest van die koeien niet. Er zit niks in. Niets aan voeding. Dat is bij mijn paard wel anders. Zijn stront, die plukken ze meteen helemaal uit elkaar.”
Ik kijk naar het paardje. Hij ziet er goed uit. Hij is al vijfentwintig, hoor ik. “Ja en ikzelf ben al zeventig! Daarom heb ik een deel van de paardenwei ook aan de boer verhuurd. Ik heb geen zin meer in al dat beregenen. Nu ben ik het prikkeldraad aan het weghalen, zodat ze straks makkelijk van het land de weg op kunnen rijden. Ze gaan weer maaien.”
Hij vertelt hoe het hooien vroeger ging. Het gras was toen nog stug, lang en vol rotzooi. Dat rolde makkelijk op. Het gras van tegenwoordig is zo slap, dat kun je niet meer rollen. Nu moeten ze het inpakken. In plastic.
Ondertussen vraag ik me af wat hij bedoelt met rotzooi, tot hij verder praat. “Wij houden van rotzooi.” zegt hij. “ Het is veel beter voor de dieren.” Ik begrijp dat hij bloemen en kruiden bedoelt. Hij werpt een spijtige blik op de monotone grasvlakte en richt zich dan weer tot mij.
“Maar ach, ik heb het goed. Ik krijg mijn AOW, mijn pensioen, en het de opbrengst van de huur. En verder doen ze maar.”

Toch hij vertelt nog veel verhalen. Over de reeën die zijn verdwenen. Over de nesten van de vinken die steeds maar uit elkaar op de grond vallen. Bovendien hadden de vogels vroeger nattigheid, om hun nesten aan elkaar te plakken. Stront lag toen gewoon boven de grond. Perfect bouwmateriaal. Maar er ligt geen stront meer op de lege weides. Het is allemaal geïnjecteerde drijfmest. En hoe lang is het al geleden, dat hij kivietseieren heeft gezien? Hij kan het zich niet meer herinneren.
Toch is er iets wat blijft. Want het volgende moment hoor ik een schel gekras, dat vanachter zijn huis weg komt. “Wat is dát?” vraag ik nieuwsgierig. “O, dat is nest jonge steenuilen. Die zitten daar al járen…”

Wat zie ik

.

Wat zie ik? Voeten in het gras

 

Het is ochtend en heerlijk weer. Voor ik weer aan het werk ga maak ik eerst een wandeling, besluit ik. Ik doe een kort jurkje aan en ga naar buiten. De zon schijnt warm en een harde bries waait verkoelend langs mijn blote huid. Als ik het zandpad naast de camping op loop, stuift het droge stof tussen mijn tenen en in mijn sandalen. Ik doe ze uit en loop met mijn schoeisel in de hand verder. Even verderop kan ik op het gras lopen van het hooiland. Het is van de manege, een minuut of vijf fietsen hier vandaan. Ik zie de paarden lopen als ik naar Haghorst rijd. Hun grasland ligt pal achter de dikke rij bomen van ons terrein. Het gras ziet er gezond en stevig uit. Er wordt gelukkig nooit geploegd, alleen gemaaid en geoogst. Na het oogsten wordt er geïnjecteerd met drijfmest.

.Wat zie ik ? Gras

Nu is het gras half lang. Onder het gras zie ik lange strepen van voren in de grond. Dat is van de messen. Met die messen maken ze snedes van een centimeter of vier. Achter het mes komt gelijk de spuit met mest. De bagger loopt in de voren. Zo gaat het. Je blijft de strepen zien tot het gras te lang wordt, als littekens in de bodem. Op plekken waar minder gras is, zie ik hier en daar wormenhoopjes. Ze zien er uit als torentjes van zand. Het is ook zand. Zand in vorm van wormenpoep. Ik vind ze leuk, die torentjes. Maar als de grond nat is zie je ze beter. Deze lente waren het er ontzettend veel. Toch zie ik dat ze er nog zitten, de wormen. Ik had gehoord dat ze massaal stikken in land waar ze drijfmest injecteren. Kennelijk valt het mee. Maar bij ons op het terrein zijn het er meer.

Achter het grote grasveld ligt een akker van een boer uit de buurt. Ik heb hem alleen van afstand gezien op zijn trekker.
Vorig jaar heeft het land een tijd braak gelegen. De eerste pioniers kwamen dapper tevoorschijn. Perzikkruid, zwaluwtong, veldkers, valse kamille.. Voor de boer zaaide, heeft hij de beginnende wildernis platgespoten en omgeploegd. Ik wist wel dat het zo ging. Maar toen ik het voor het eerst zag geloofde ik mijn ogen niet. Onthutsend. Wat een dode massa, op zo’n groene stralende lentedag. (*) En dat zomaar opeens, van de ene dag op de andere leeft er niks meer. En waar is de boer? Geen mens te bekennen. Als een boer een keer zijn trekker uitstapt, moet je er als de kippen bij zijn als je hem wilt leren kennen. Voor je het weet zie je hem het hele jaar niet meer.
Ik ben aan het einde van de akker en hier buigt het pad af naar rechts. Eerst langs de uitbundig bloeiende strook van Brabants landschap. Vorig jaar was het een armzalig strookje langs de grote akker, vol trekkersporen. Verder zag je nog wat kleine boompjes die het volhielden. Dit jaar blijft de boer meer op eigen land. En óf dat scheelt!
Voor ik het bos in loop, komt er eerst een rijtje zielige eiken. Ze vormen een frontlinie langs dit pad, dat de bosrand markeert. Voor de eiken sta ik stil en werp een laatste blik op de bewuste akker. Ik kan nog steeds niet goed thuisbrengen wat er nu op groeit. Het blad lijkt op snijbiet, en er tussen staan grote velden gras van een wat robuuste soort. Het overheerst al het andere. Ik vraag me af, is dit gras nou een onkruid dat resistent is tegen het gif roundup? En wat is dat blad dan, netjes in rijtjes daartussen in? Ach…. wellicht zijn het gewoon groenbemesters, gezaaid door de boer. Zou hij straks alles weer doodspuiten? Ik blijf kijken. Elke dag opnieuw. En vragen. Want niets blijft ooit hetzelfde. Ook mensen niet.

.

Wat zie ik? Planten in het zand

Link:

Verhandeling over glycosfaat: http://www.brabantsemilieufederatie.nl/sites/www.brabantsemilieufederatie.nl/files/2%20stedelijk%20gebied/glyfosaat/121030%20samenvatting_onderzoek_greenpeace.pdf

.

 

Het zit al in de grond

Het zit al in de grond

 

Zo dansen we en dromen we
totdat de stilte chaos zingt
en er vanuit dat wat al was
een nieuwe tijd begint

Ik ben er en zal niet vertrekken
voor nieuw leven is gekomen
ik luister naar wat er hier groeit
en naar de stem van bomen

Daar staan ze
met hun wortels diep
Soms hoor ik hoe ze groeien
hoe ze spraken toen ik sliep

Slaap maar Wiekie-Kolibri
houd vol, het duurt nog even
Wat komt, dat zit al in de grond
De tijd zal helpen weven.

.

.

Aardappels in een penenveld en de man met de stok

AArdappelsin Penenveld

Ik fiets richting Diessen. Als ik het bos uit kom is daar een veld aardappels. Langs de rand van het veld staan de grootsten en daar kijk ik altijd naar. In het midden van het veld loopt een man langs de rijen, met een stok. Het zwaait er wat mee heen en weer, alsof het een wiggelroede is. Hij heeft iets op zijn buik hangen. Ik kan niet zien wat het is en fiets verder, want aan het einde van het veld is iemand in de greppel bezig. Misschien weet hij het wel.
Het is een oude man, zie ik als ik dichter bij kom. De man kijkt verrast op en groet me vriendelijk. Hij vraagt waar ik vandaan kom, en ik vertel hem waar ik verblijf. Dan pas geeft hij antwoord op mijn vraag. „Wat hij doet?”antwoordt hij, “Ik weet het niet. Hij was net ook al op dat andere veld bezig. Er staan penen in. Misschien is hij aan het spuiten.” Hij gaat intussen verder met zijn werk, staande op de droge bodem van de sloot. Hij gaat handig om met een klein minizeisje waarmee hij alles op buikhoogte afsnijdt. “Mooi gereedschap heeft u, “ zeg ik. “Jaja! Ik doe de hele sloot met de hand. Dat zouden zij daar ook moeten doen!” Hij wijst verontwaardigd naar de man op het veld en de kleine zeis zwaait vervaarlijk door de lucht. “Ze hebben dit jaar al vier of vijf keer gespoten. Nou nou nou, dat is toch niet normaal meer.”
Ik ben het met hem eens.
“U zegt dat het een wortelveld is.” ga ik verder “Ik dacht dat het aardappels waren.”
“Ja, dat zijn aardappels van vorig jaar. Het was een slecht jaar, en er zijn een hoop kleintjes aan de oogst ontsnapt. Die groeien nu verder.”
“Maar hoe komt het dan dat ze aan de rand het grootst zijn, en het meest?”
“Aan de bosrand groeit het altijd het slechtst. Daar blijven de meeste kleintjes over.” zegt hij.
Ik ben onthutst. Wat ik dacht te zien blijkt anders te zijn. Is het dan niet zo, dat de randen van het veld juist het vruchtbaarst zijn? Of doen aardappels het slecht bij eikenbomen vanwege het looizuur? Tegen de man zeg ik niets van mijn overwegingen.
“Maar nú doen ze het in elk geval prima!” roep ik.
De man grinnikt alsof ik een ironisch grapje maak en gaat verder met zijn werk. Ik stap weer op de fiets.
Ergens anders zie ik nog iemand bij hetzelfde veld staan. Ik stop. Op mijn vraag of hij de boer is, zegt hij “Nee.”
“Wat is die man daar aan het doen, weet u dat?” Ik wijs naar de kerel in het veld. Hij loopt nog steeds te zwaaien met zijn toverstok.
“Aardappels wegspuiten.” zegt hij. “Anders groeien de penen niet hè!” lacht hij.
Gek om dat iemand dat met zoveel zorgeloosheid te horen zeggen. Het verbaast me telkens weer. Vaak besef ik hoe weinig ik weet. Ik wil eigenlijk ook zo min mogelijk weten, zeker nu, in de lente. Ik wil zíjn, zien en ruiken. Maar hoe weinig ik ook weet, één ding weet ik wel. Dit verradelijke goedje is zéker niet onschuldig. De ouwe weet het. En vast nog veel meer boeren en burgers. Eigenlijk weten ze het dondersgoed. Durf er maar eens bij stil te staan.