Het riet

Riet wordt gezien als een lastige oeverplant. Maar het verdient zoveel meer. Vandaag het oog op riet

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het heeft nog nooit zoveel geregend in een winter, zegt de boer. En hij is al in de zeventig, en is hier maar weinig weg geweest. Dus hij heeft er een goeie kijk op. De greppels staan vol water en de pellets die ik er in het begin van de winter overheen heb gelegd, bewijzen nu hun nut. Wie niet zo zorgvuldig is met zijn omgeving, wordt in deze tijd afgestraft. Mensen die graag met hun auto over het gras rijden tot vlak voor hun deur, ontvangen hun beloning. Diepe moddersporen staan vol met water en grote plassen strekken zich steeds verder uit rond hun verwaarloosde stacaravan. Ook op de onverharde weg staan de kuilen vol plassen en het water in de Swette staat hoger dan ooit.
Maar de vogels zijn blij. Het is nu veilig voor ze. Weinig mensen hebben er zin in, om drassige weilanden over te steken, en marters en andere roofdieren ook niet. De vogels hebben het rijk alleen, samen met de hazen. En niet alleen de vogels hebben er baat bij. Ook het riet. Riet houdt van afwisselend natte en droge periodes. Na, zo’n regenachtige winter kan je een kurkdroge zomer hebben. Dat is prima, voor het riet. Als je niks doet, groeit het elk jaar een paar meter je land in. Geen wonder dat boeren er tuk op zijn om dat opdringerige gewas elk jaar terug te dringen. Maar liever zag ik het anders. Bij goed natuurbeheer maai je niet elk jaar alles. Je doet het in fasen. Ecologisch beheer, heet dat volgens mij. We moeten het riet niet alleen als een opdringerige oeverplant zien.

Want riet is ook een zegen. De wuivende halmen, die ruisen in de wind. Het hoort bij dit land, en alles wat leeft mist het, als het er niet meer is. De smienten poedelen en fluiten ongezien in de sloot, beschermd door hoge stengels. Geritsel verraadt een verstopte haas, die op een sukkeldrafje wegloopt, als ik te dichtbij kom. De lange halmen zorgen voor beschutting. Watervogels, spinnetjes, insecten, ze gebruiken het riet graag, en regelmatig buitelt er een pimpelmees of schiet er een kwiek winterkoninkje weg, op zoek naar beestjes.
Het grootste gedeelte van het riet is echter dit jaar gemaaid langs de sloot, bij het Verhalenpad. Dat doet het Wetterskip. Zo is de afspraak. Volgend jaar mag het weer blijven groeien, dan rijden ze op het land aan de overkant van de sloot en dan doen ze hier alleen maar het randje. Het jaar daarop komen ze weer hier. Om en om. Zo is dat geregeld. Het hele land is één groot netwerk van dat soort regelingen. We werken als mieren aan elke vierkante meter en alles is vastgelegd. En het riet, dat ooit hele vlakten bedekte, is nu gereduceerd tot hier en daar een pluk. Één zo’n plukje staat nu bij mij, boven op de bult. Daar komen de machines niet. Daar is nog een beetje wildernis, al is het dan aangelegd en enigszins beheerd.
Het is jammer dat het riet om is, maar ook fijn. Het moet toch enigszins in toom worden gehouden, als je ook andere planten wilt laten groeien. En ik kan het goed gebruiken. Verlekkerd kijk ik ernaar. De oogst is groot. In dikke pakken ligt het naast de sloot. Ik heb mijn handschoenen aangetrokken en pak een flinke arm vol, om het dan in de kruiwagen te stoppen. Wel voorzichtig! Ervaring heeft geleerd het nooit onbeschermd te doen. Soms zit er onder de berg riet ineens een stengel die wél vast zit. Als je daar hard aan trekt snijdt hij als een mes door je vel heen. Het kan wekenlang duren voor zo’n wond weer is genezen. Dus ik kijk wel uit. Zonder bloederige toestanden laad ik de hele kruiwagen vol.

Ik gebruik het niet als dakbedekking. Maar wel voor een ruige schutting, breed bij elkaar gebonden. Er zitten vaak vogels in, op zoek naar insecten. Ook het paadje naar mijn huis toe, is ermee bedekt. Had ik dat niet gedaan, dan sopte ik elke dag in de modder. Ik ben het riet heel dankbaar, dat ik nu mijn schoenen schoon kan houden. Maar er is nog meer waar ik het voor gebruik, en misschien is dat wel het allerbelangrijkste. Het maaisel verzamel ik en ik leg het op het land. Elke keer opnieuw. Een dikke laag mulch, van riet en gras. Onder die laag komen wormen en duizendpoten te wonen. Er zitten talloze spinnetjes in. Waar ik het neerleg, worden de dikke pollen gras onderdrukt en in plaats daarvan komt er overal speenkruid op. Een vrolijk tapijt van gele bloemetjes laat weten wanneer de lente echt begonnen is. Het riet vergaat, langzaam wordt het bros, en dan komt het als kleine snippers in de bodem terecht. En terwijl het bodemleven ervoor zorgt dat het langzaam verder verteert, maakt het de stijve klei luchtiger en beter geschikt voor beplanting. Het riet maakt de grond gezond en los. Daarom stop ik er zoveel tijd in, elke keer weer. Intens tevreden kijk ik naar mijn Verhalenpad, waar het als een mantel de bodem bedekt, rond de door mij geplante bomen en struiken. Riet is lastig, maar ook prachtig en voor zoveel dingen te gebruiken!

Eén ding heeft riet wel nodig. Het vraagt een offer. Dat offer is geduld. En geduld is als een boom, waarvan de wortels bitter zijn, maar de vruchten O zo zoet!

(Een bekend Perzisch spreekwoord.)

Luisteren? Klik hier.

Ik heb nog een aantal dingen niet verteld over riet. Een belangrijke daarvan, is dat het de bodem zuivert. Je kan een rietveld aanleggen en daar je afvoer op uit laten lopen. Zo kun je je poep en plas omzetten in bruikbaar organisch materiaal. Dat gebeurt ook, bij ecodorpen en zelfvoorzienende gemeenschappen. Ze noemen het een helofytenfilter. Het bodemleven rond de plant doet het toverwerk. Ze veranderen de afvalstoffen in voeding voor de plant. Van de moerasplant krijgen ze de zuurstof, die ze nodig hebben om onder water te kunnen leven. Dat is maar een klein fragment van een wondere bodemwereld. Zelf heb ik geen afvoer nodig, en ook geen helofytenfilter. Ik composteer in een poepdoos met zaagsel en leg het resultaat langs het Verhalenpad. Zo gaan de verhalen rond. Op allerlei manieren.

Mooi toeval, dat Koos Dijksterhuis ongeveer gelijktijdig met een column over riet kwam. Eén keer in de drie jaar maaien is genoeg, zegt hij. Je krijgt er alleen maar een schonere sloot van. .https://www.trouw.nl/es-bfaa3029

Contouren van een nieuw verhaal

.

Een verhaal begint met ruimte

.

De luisterversie en het liedje vind je onderaan de tekst.

Hier sta ik dan. Nog steeds woon ik in het rijdende Verhalenhuis, dat wellicht nooit meer rijden zal. Maar verhalen groeien er des te meer. In en om huis worden ze steeds talrijker. Maar ook verder gebeurt er veel. Ik sta stil en kijk. En terwijl ik luister bedenk ik me, wat is eigenlijk een goed verhaal, en hoe groeit het?

De chaos wordt steeds groter. Het oude verhaal werkt niet meer, al hopen velen nog van wel. Zoals we nu leven, kan het niet eindeloos door gaan. De Aarde raakt uitgeput. Kloven worden dieper, grenzen versterkt. De één houdt vast aan wat ooit was, de ander schreeuwt zijn buurman doof dat hij los moet laten. Aan een dood paard hoef je niet te trekken. En elkaar doof schreeuwen helpt ook niet. We hebben een nieuw verhaal nodig. Een verhaal om een vitale toekomst in te gaan. Dat geluid gaat steeds vaker op. Maar hoe? Is het een plan, dat van A tot Z uitgedacht moet worden? En door wie dan? Begin je zo eigenlijk wel een nieuw verhaal? Door het helemaal uit te denken?

Een nieuw verhaal kan alleen overleven als het van iedereen is. Dat kun je niet bedenken, dat moet groeien. Misschien is het als een kind, dat geboren wordt. Wat doet een kind als hij net een nieuwe wereld wordt ingeperst? Je zou raar opkijken, als het meteen zou opspringen, zodra de navelstreng is doorgeknipt. En dat hij zou roepen: “Waar is mijn smartphone?!” Je zou je doodschrikken van zo’n kind, dat zulke zaken opeist zodra het adem kan halen.

Ik heb nooit een geboorte meegemaakt, behalve mijn eigen. Daar weet ik weinig meer van. Maar volgens mij begint het met diep inademen en een keel opzetten. Niet om de omstanders iets duidelijk te maken, maar gewoon omdat je er opeens bent, in een volkomen andere wereld. En dan begin je je grote teen te bewegen, gaan de ogen open, is er licht en donker. Contouren beginnen langzaam duidelijk te worden, tot je steeds meer herkent. Verbaasd kijk je naar de mensen boven je wieg.

Begint elk nieuw verhaal zo? Met verwarring, schrik, en de gewaarwording? Ik zie wel een gelijkenis met hoe het nu is. We zijn in een andere wereld beland dan die we altijd gedacht of gehoopt hadden. En wat dan, na het schreeuwen. Eerst kijk je om je heen. Er is licht en er is donker. Je kijkt ernaar, zonder te oordelen. Je laat de contouren tot je doordringen. En dan ontdek je wat je kunt. Je hebt vingers en voeten. Zo begint een verhaal. De natuur kan ons daar veel in leren. Het leven, zoals het is.

Ik kijk wat ik kan. Ik plant bomen langs het Verhalenpad. Voor ik er was, stond er geen één. Ik werk eraan. Maar de Verhalen groeien vooral als ik er niet ben. Ik beweeg me stil, om niet te storen. Maar het is wel goed dat ik er ben, anders was er niemand die de verhalen kon zien en vertellen. Bovendien zouden ze er niet eens zijn, zonder mij. De verhalen worden uit mijn handen geboren. Ik schep. Ik kijk waar het droog is en waar nat. Daar houd ik rekening mee. Sommige dingen houden van droog, andere helemaal niet. In de lage stukken is het zompig. Het heeft veel geregend. De modder sopt onder mijn klompen. Vanuit het niets vliegt een vogel op. Geruisloos. Ik herken een velduil. De ruigte op de bult bevalt hem kennelijk. Hij vliegt helemaal naar achteren, ver weg van mij. Ik grijns. Het land dat ik verzorg krijgt steeds meer verhaal. Al weten weinigen ervan, ik ben er trots op. Als ik er niet geweest was, was alles riet geworden, dat één keer per jaar werd afgemaaid. Dan hadden vele verhalen die er nu zijn geen kans gehad.

Tussen het riet heb ik open stukken gemaakt. Het hele jaar door heb ik het bijgehouden. Door steeds te maaien zijn er nu open ruimtes, hier en daar beschut met opgroeiend struikgewas en riet dat ik wel gewoon laat staan. Er groeit nu veldkers tussendoor. Dat smaakt naar radijs. En in de lente komt er massaal speenkruid op. Ook lekker. Zolang je nog geen gele bloemetjes ziet, kan je er sla van maken. En het bijzondere is, tussen het gras en de kruiden is het één gatenkaas van muizenholletjes. Daarom kwam die velduil langs. En de torenvalken en de reiger. Maar er gebeurt meer. Muizen maken de grond los. Het zaad dat daar valt, komt met graagte op. Soms strooi ik zelf zaad in die losse grond. Inheemse bloemen die er nog niet zijn. Ik kijk wat er gebeurt, en pas mijn plan daar steeds op aan. Trek brandnetels uit voor ze zaad maken. Alles begint met kijken. In feite zijn de verhalen er al. Maar ze krijgen pas gestalte als je ze ziet, en er wat mee doet. Zo begint het.

Ja, een nieuw verhaal maken. Hoe doe je dat met een heel land? Begint het met protest? Keihard schreeuwen? Volgens mij hebben we dat al gedaan. Ieder op zijn manier. Wellicht is het tijd om te accepteren dat het gewoon zo is. Je kunt het totaal niet met de ander eens zijn. Dan kun je blijven roepen. Maar je kunt het ook gewoon laten zijn. En ontdekken dat je handen en voeten hebt. Het schip zal vast wel ergens stranden. Het werkt zoals het werkt. Gebruik je energie om de nieuwe contouren verkennen. Beweeg je teen, je voet, begin te lopen. Een nieuw Verhalenpad groeit ook niet in een dag. Soms ben je het zat. Maar je gaat door. Het groeit. En uiteindelijk wordt het wat. Toch.

Alles eindigt en begint
de één verliest de ander wint
de bal gaat naar de overkant
waar hij in de sloot belandt

Hé wat draag je op je rug
leg het weg en kom weer terug
haal adem en blijf heel stil staan
want straks komt de bal
er weer aan

(Maar eerst moeten we hem uit de sloot halen.)

Liedje en luisterversie:

.

.

Maanfeest op eigen bodem

Sjamanen gebruiken voor hun rituelen soms hout dat traditioneel heilig is. Het zijn meestal oude tradities van indianen, die letterlijk worden overgenomen. Ook bij ons. Het hout komt van bomen die steeds meer in hun voortbestaan worden bedreigd. Maar wensen meenemen het universum in, dat kunnen onze heilige bomen toch ook? Als het van jouw liefste boom komt, dan is de wens veel sterker.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Ik zit aan tafel bij Gina. Gina is kunstenares, met net zoveel hart voor de aarde als ik. Beiden kennen we de Oerfloed, een hectare grond aan de rand van Leeuwarden. Tussen de weiden valt het ruige bosje extra op. Het vormt een schuilplaats voor vele dieren, en de vrijwilligers die er werken, komen er graag.

“Ik heb me afgemeld van de vrijwillgersapp,” zeg ik. “Die stroom aan berichten, ik vond het veel te veel. Maar nou hoor ik helemaal niks meer!” Gina kijkt verrast op. “Oh, wil je dat graag? Laatst hadden we een maanfeest. Had je daarbij willen zijn? Dan geef ik het je de volgende keer door!” Ik beaam dat ik dat graag zou willen. “Het was zo bijzonder,” vertelt ze “Er was een vrouw die een heilig ritueel met ons heeft gedaan.” Dat boeit me. Er is een groeiende behoefte aan rituelen. Er komen veel mensen op af. Het doet iets. Wat? Aandachtig volg ik wat ze vertelt. “Ze had palissanderhout meegenomen.” Ik knik opgewekt. Palissanderhout, dat ken ik goed. Mijn man, die niet meer leeft, heeft mij ooit een mes gegeven, met een heft van palissander. Zo bijzonder vind ik dat bruinrode hout met de donkere strepen, het moet wel een toverboom zijn geweest, waar zulk hout vandaan komt. “Heb je die kleur gezien??” vraag ik gepassioneerd “Nee,” zegt ze. “Het was donker en ik zat er ver vandaan. We kregen allemaal een stukje, en dat moesten we in het vuur gooien.” Verbouwereerd kijk ik haar aan. “In het vuur? Wat zonde!!” Ze haalt haar schouders op. “Ja zie je, het is nou eenmaal heilig hout. Het hoorde erbij. Het vuur neemt de wens mee het universum in. Het heilige palissander kan dat.” Haar ogen stralen. De warme herinnering komt boven, aan dat mooie ritueel, dat hen die avond samenbond. De wensen voor de toekomst die fonkelden als sterren. “Maar kan dat alleen met palissander? Hebben we hier geen heilige bomen meer?” vraag ik verbaasd.

“Ja,” zegt ze nadenkend. “Het komt wel helemaal van een ander continent. Dat is een lange weg. En zulke bomen zijn er steeds minder. En wensen meenemen, het universum in, dat kunnen onze heilige bomen ook.”

“Het is zo dringend nodig, dat we de band met onze eigen bodem herstellen. We moeten ons land weer heilig zien te maken. Hoe kun je dit ritueel ook anders doen?” Stil kijk ik naar de kat, die net binnengekomen is door het luikje, en die rollebolt over een tafel die geheel bedekt is met bruine schapenwol. Het is voor haar kunstwerk, een boom, gebouwd op een oude kinderwagen, omgetoverd tot een sprookje vol verrassingen. De bruine wol heeft allerlei tinten en is prachtig om aarde weer te geven. Aarde, die bijzondere wereld, die het bodemleven omhult. Aarde, bodemleven. Ja, Gina weet precies wat ik bedoel, als ik het heb over heilig land. Het is of ik bij haar nog sneller op ideeën kom. “Je kan iedereen vooraf een berichtje sturen,” begin ik. “En dan vragen of ze iets mee willen nemen van hun lievelingsplek.” De kunstenares tegenover me fonkelt van enthousiasme. “O ja, en dat hoeft helemaal niet veel te zijn. Het kan gewoon een eikeltje zijn of zoiets. Als het voor jou maar veel betekent!” Ik aarzel even. “Dat doet niets af aan het bijzondere van het ritueel, zoals het was, met dat mooie hout van ver. Dat die vrouw dat ritueel zo mooi kon leiden, dat is belangrijk.” Gina knikt ernstig. “Ja, het was heel magisch en mooi. En het bracht ons tot dit idee. Het was prachtig, maar hier wordt ik nóg blijer van!” Ze lacht opnieuw.

Soms moet je samenzijn om tot iets nieuws te komen. Samenzijn, voor een volgende stap, die we tegelijkertijd nemen. Je bent nooit alleen. Er zijn altijd anderen, die met hetzelfde bezig zijn. Soms ontmoet je elkaar. De volgende keer ben ik erbij, als er een maanfeest is. Zeker weten.

Meer over palissanderhout:

Braziliaans Palissander: Dalbergia Nigra. Volgens de IUCN is de populatie kwetsbaar. Braziliaans palissanderhout wordt bedreigd door illegale houtkap en verlies van leefgebied. Vandaag is er slechts 7% van zijn oorspronkelijke dekking over en de Braziliaans palissanderhout komt nu alleen nog hier en daar, in kleine populaties voor. Het groeit sowieso alleen aan de kust, het oosten van Brazilië. Hij vormt daar de hoogste boom van een van de uitgebreidste ecosystemen ter wereld. Er groeien wel 8000 plantensoorten omheen. Ondanks de hoge mate van ontbossing, wordt het Atlantische Woud nog steeds beschouwd als een van de meest voorkomende de top vijf van hotspots op het gebied van biodiversiteit ter wereld. Bomen zijn erg belangrijk in een ecosysteem. De palissander is namelijk bestand tegen een breed scala aan klimatologische omstandigheden. En stikstofbindende bacteriën en schimmels in de wortels zorgen ervoor dat de soort kan overleven in bodems met weinig voedingsstoffen. Daarmee maakt de boom ook voor andere plantensoorten leven mogelijk. Zonder deze reuzen verandert het landschap steeds sneller in een woestijn.

Een boom die zo bedreigd wordt in zijn voortbestaan, is vooral heilig op de plek waar hij groeit. Laten we onze heilige bomen zelf weer planten en ze koesteren, voor de generaties na ons.

.

Ook goed nieuws:

Een organisatie in Brazilië, bekend als Dalbergia Preservation, zet kleine plantages op voor herbebossing. Ze zijn ook bedoeld om de genetische diversiteit te beschermen. Uit de resterende bomen worden zaden geoogst, om hun voortbestaan in de toekomst te verzekeren. Hun doel op langere termijn is ook om hout van deze soort te kunnen blijven leveren. Het hout is namelijk erg populair om zijn vele toepassingen. Om dit doel te bereiken bieden ze zaden of zaailingen aan kleine gemeenschappen om op hun eigen land te groeien. De bomen zijn welkom in het agrarische landschap en voorziet gemeenschappen tegelijkertijd van wat extra inkomen. De soort heeft een beschermde status. Je mag het niet zomaar invoeren en als je het doet mag het geen commercieel belang dienen.

Ook een andere tak van de familie, de Dalbergia latifolia in India, is ernstig bedreigd, en moet worden beschermd. Ook voor deze soort heb je een vergunning nodig, als je het hout wilt invoeren.

Bron: https://www.bgci.org/wp/wp-content/uploads/2023/02/Brazilian-Rosewood-Global-Trees-PDF-version.pdf

https://www.researchgate.net/publication/331087377_In_vitro_Propagation_and_Mass_multiplication_of_Dalbergia_latifolia_Roxb_An_Vulnerable_Tree_Species_from_Eastern_Ghats_Tamil_Nadu_India

https://www.rvo.nl/onderwerpen/cites/cites-soort/dalbergia

.

.

Ze vroeg het me

“Zou je me nog één keer kunnen vertellen wat het nou precies voor je betekent?” Ik moest haar vraag laten bezinken. Er kwam een gedicht uit voort.

.

.

Klik hier beneden voor de luisterversie.

En dan is er het moment dat ik moet vertellen waar het mij om gaat. Ze vroeg het me, een Friese vrouw. Ik was door haar gevraagd voor Nacht van de Nacht, om een verhaal te laten horen. Het werd verteltheater zonder vaste tekst, en ik noemde het “Landen”. Het gaat over mij, maar vooral gaat het over de Ander. Een inheemse man in de Amazone. Ik wilde mijn verhaal verbinden met dat van hem. Het op weg gaan, het niet-weten waar mijn nieuwe thuis is, het gevoel van eenzaamheid dat mij soms overviel, wilde ik vergelijken met het veel grotere ontheemd zijn, wat hem en zijn stamgenoten constant bedreigt. Daarom noemde ik het “Landen.” Door te landen verbinden we ons met de ander en met de aarde. Maken we ons thuis en maken we vrede. Dat wilde ik duidelijk maken. Ik weet niet of het gelukt is. Ik heb het ze niet gevraagd.

Na afloop vroeg de organisator me (diezelfde vrouw): “Zou je me nog één keer een korte tekst op kunnen sturen over wat “Landen!” nou precies voor je betekent?” Ik moest het laten bezinken.

Ik deed het. Er kwam dit gedicht uit voort.

Landen!

Ergens is het misgegaan
waar mannen machines wrochtten
zich almaar verder verheven vochten
en boven de aarde gingen staan

Ergens keert de hoop weerom
waar handen eendrachtig humus maken
en via de Aarde elkander raken
zaaien, planten, met zachte trom

Ergens is het misgegaan
waar mensen zichzelf bekroonden
en de Ander met pek beloonden
die hen met liefde voor wilde gaan

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

PS

Voor wie niet weet wat pek is: Een zwarte, brandbare vloeistof die overblijft na destillatie van houtteer. Later werd het ook van steenkool gemaakt. Als het koud is wordt het vreselijk stroperig, als het heet is kan je het gieten. Het werd gebruikt om daken en schepen waterdicht te maken. Dat laatste noemt men: “breeuwen”. Ook werd, in een ver verleden, bij oorlog brandende pek over de stadsmuur gegooid, om de vijand, die met ladders omhoog wilde klimmen, te begieten. Hoe dat is, om dat te voelen, daar ga ik nu maar niet over in detail.

.

Ergens wil de hoop weer bloeien
ergens in die aardse weelde
waar ’t warme hart nog bloesems teelde
die haat doet smelten, rivieren vloeien

Alles wat Is zal ons helpen
Liefde zal ons boeien.

.

.

Voorbij het persoonlijke

We kunnen ons focussen op onze eigen ontwikkeling, onze eigen gezondheid. Maar dan begint het pas. Want we hebben vooral elkaar hard nodig om de aarde en de samenleving gezond te maken.

.

Voorbij het persoonlijke

Ik ben bij Josie. Josie woont ook in een woonwagen. Ze is een kleurrijke vrouw en haar deur staat altijd open voor gasten. Lang geleden was ze eens bij me langs geweest, en ik besloot haar nu ook met een bezoek te vereren.
Ze schenkt me koffie in met havermelk en al snel raken we in een boeiend gesprek. “Ik ga een cursus doen,” zegt ze. “Het gaat erover dat je gezondheid van binnenuit kan creëren.” Haar ogen glimmen. “Ik ben heel benieuwd…. Je zou zelfs je eigen kanker kunnen genezen.” Dat laatste klinkt voorzichtig.
“Dat is mooi,” zeg ik en ben even stil om het op me in te laten werken. “Toch vraag ik me af, ligt de oorzaak wel altijd in jezelf? Als het Pfas verbindingen regent is het dweilen met de kraan open, lijkt mij.” Ze schrikt op. “Ja natuurlijk moeten we dat óók aanpakken.”
Ik wil haar verhaal niet meteen afbreken met mijn opmerking. Dus ik ga in op wat ze eigenlijk bedoelde. “Ik heb ooit mijn been gebroken. Het was een frontale botsing waarbij ik de dood in ogen heb gekeken. Ik was nog jong en heb daar veel van geleerd. Zou dat voor elk ongeval kunnen gelden?”
“Ik denk dat je er zelf voor kiest, wat er in je leven gebeurt” zegt ze.
“Ze zeggen wel eens, je krijgt wat je aankan. Bedoel je dat?” vraag ik haar.
“Ja, dat. Pech bestaat niet. Dat denk ik. Alles is een kans om als mens te kunnen groeien.”
Ik neem een slok van de heerlijke koffie en vind het een mooie uitkomst. We praten nog lang door. Tevreden verlaat ik uiteindelijk haar woonwagen en we zwaaien goedendag.

Ik stap de trein in, en laat het Friese land aan me voorbij glijden. Ondertussen vraag ik me af of pech echt niet bestaat. Als je van je eigen frustraties kanker krijgt is dat niet wat anders dan wanneer je het krijgt terwijl je naast een bollenveld woont? Als mijnbouw de rivier vergiftigt, de rivier waarvan je volk afhankelijk is, is dat dan ook een levensles? Als domme pech niet bestaat, bestaat goed geluk dan ook niet? Ik denk toch echt dat ik van geluk mag spreken, met mijn acht en vijftig jaar in Nederland. Al ging mijn persoonlijk leven niet over rozen, om mij heen is in elk geval geen oorlog en geweld. Er was rust om te verwerken. Die rust heeft niet iedereen. Ik heb nooit hoeven vluchten. Godzijdank.

We zwemmen en zeilen onze eigen routes. Voor de één is het spelevaren, de ander kan nauwelijks het hoofd boven water houden. Zijn we niet ook verantwoordelijk voor elkaar? Met elkaar maken we immers de wereld zoals die is.

“Mensen willen graag dat het leven maakbaar is, maar dat is het niet. Niet altijd.” zegt archeoloog Martine van den Berg. Ik las over haar in het Nederlands Dagblad. Ze deed onderzoek naar de invloed van rampen op de samenleving en kwam erachter dat er maar bar weinig wordt geleerd. “Gewoontes zijn hardnekkig, en slijten even hard als marmer” zong Herman van Veen. Water moet eerst tot de lippen staan, wil een samenleving veranderen, zegt Martine. Een kleine groep wil wel, maar vormt dan nog steeds een minderheid. Neem klimaatverandering. Of de pandemie. Inmiddels weet iedereen dat er wat moet gebeuren. Dat de groei-economie de grond onder onze voeten vandaan vreet. Maar des te fanatieker wordt er teruggegrepen naar het oude normaal. Winst, concurrentie, korte termijn denken.

Daar sta je dan, met je goede bedoelingen. En om je niet verloren te voelen, kun je altijd nog koning op de vierkante meter zijn. Jezelf ontwikkelen. Maar daarmee is het nog niet klaar, dat weten we dondersgoed. We beginnen pas. Het moet verder gaan dan het persoonlijke. Want in je eentje stop je niet de spullenstroom bij de afvalverwerker. Het gif in het grondwater, microplastics in de vissen, of het stikstofprobleem. Je stopt niet het geweld en de oorlog. Het is de les van alle mensen samen, om samen verantwoordelijk te zijn voor onze aarde. En dat wie meer heeft, de ander ondersteunt. Dat degene die meer geluk heeft, de ander helpt, die pech heeft, Dat is de grootste uitdaging van dit moment.

De trein stopt. Op het perron staat een bord met “Mantgum”. Ik stap uit en wuif naar de machinist. Hij zwaait terug. Ha! Dat is alweer mooi meegenomen.

.

Dit is een citaat uit het boek “Ontrafeld” van Martine van den Berg:

We zijn door onze technologische vermogens ongelooflijk flexibel. In theorie zouden we als mensheid in staat moeten zijn om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te beperken. Maar een mondiaal probleem kun je niet oplossen met lokale compromissen. Het vereist niet alleen technologische oplossingen, maar ook internationale samenwerking, onderlinge solidariteit en persoonlijke offers. Onze collectieve weerbaarheid zal de komende eeuwen tot het uiterste op de proef worden gesteld.

Luister nog even naar het liedje aan het einde:

Ik ben waar ik ben
en ik denk aan jou
Ik weet niet of ik je ken
of wat ik zeggen zou
Maar ik geef de boodschap door
Aan een ander luist’rend oor.

.

Vier manieren om te helpen

De bossen, de mensen, hier en daar.

.

Tekening van Afra Hartog

Een lage herfstzon schijnt over de weilanden. Alleen een balorige bende kraaien verstoort de rust. Wat kunnen die een herrie maken. Naast me staat een kop koffie. Ja, het leven is goed voor me. Maar soms, als ik weer een boek over Afghanistan lees, of zie hoe het er in het Amazonegebied aan toe gaat, dan gebeurt er iets met me. Ik wil me inzetten voor die mensen. Net als ik, verlangen ze naar een gezond bestaan op een gezonde aarde. Gewoon leven. Voor mij dagelijkse kost. Maar voor hen is niks vanzelfsprekend. De uitzichtloosheid keert almaar terug als een mager spook. Waarom houd ik me bezig met zulke nare dingen? Het is omdat het nodig is. Een noodzaak die puur uit mezelf komt. Er is niemand die erom vraagt. Er is ook niemand die me vraagt om erover te vertellen, hoe het is, daar, ver weg. Als er een vraag komt, dan willen mensen iets weten over mij. Over mijn leven, mijn reis. Het gaat altijd over mij. En jou. Wat ik gedaan heb, beleefd heb, mijn successen, mijn grapjes. Jij lacht, luistert en maakt jouw grapjes. Ja. We blijven lachen. En spelen.

Maar behalve dat is er meer, verder weg. Het vraagt mijn aandacht. Daarom aarzel ik als mensen me opnieuw vragen, om te vertellen van mijn reis, mijn wagen, mijn leven. Want steeds weer, als het stil is, denk ik aan die ander. Die anderen, ver weg, die niet de luxe hebben om te praten over de reis die ze maakten. Die niet kunnen uitweiden over hun innerlijke ontwikkeling. Anderen die alleen maar kunnen vluchten, van hier naar daar. Sommigen hebben nog een thuis, maar hoe lang nog, als dat van alle kanten wordt bedreigd? Een bestaan in rust en vrede is niet alleen goed voor de mensen, maar ook voor de aarde. Als de mensen in het Amazonewoud ongestoord kunnen leven, met elkaar, op hun eigen land, dan zucht de bodem opgelucht. Dan kunnen de bomen weer rustig gaan slapen en meedeinen met het trage ritme van de seizoenen. Dan kunnen ze met hun zacht ritselende bladeren weer beschermers worden. Beschermers, die ze altijd zijn geweest en nog steeds willen zijn. Beschermers van mens en dier.Door zelf met de aarde bezig te zijn, verbind ik me met hen. Mijn bomen zoeken het grondwater op. En het grondwater is verbonden met onze vaart, de Swette, die naar het Ijsselmeer leidt. Het Ijsselmeer, dat verbonden is met al het water op de wereld. Bomen nemen het op via hun wortels. Grondwater, hemelwater. Water, bomen bodem. Dat zijn de verhalen van mijn Verhalenpad. Van hier naar verder, naar overal.

Ik verbind me met de aarde op meer manieren. In totaal zijn er vier belangrijke zaken, waar ik mijn energie aan schenk. Behalve het Verhalenpad zijn er nog drie. Via de werkgroep zet ik me in voor een ander handelsbeleid. We willen af van de moordende concurrentie op wereldschaal. Steeds weer worden er nieuwe handelscontracten afgesloten in de landbouw. Het zijn landen overal ter wereld waarmee afspraken worden gemaakt. De gevolgen zijn niet te overzien en het land van inheemse mensen gaat eraan kapot. Maar het reikt veel verder dan dat. (Zie ook de petitie)

Ik steun Survival International. Een organisatie die het voor inheemse stammen opneemt, al sinds 1969. Door op te komen voor hun rechten, worden regelmatig overwinningen behaald. Het gaat om hun land. Het land van hun voorouders, de eindeloze wouden, die allang niet meer zo eindeloos zijn. Want vele wegen doorkruisen de gemeenschappen van bomen en mensen. De bossen slapen niet meer, ze kunnen niet meer beschermen. De wegen zijn als messen, vandaar uit wordt er steeds meer kapot gemaakt. Deze organisatie vecht voor hun rechten. Dat het land niet nog verder wordt vernield. Overal ter wereld hebben ze contact met inheemse mensen. Ook in het Amazonegebied. Daar ligt vooral mijn aandacht.

De derde is Treesistance. Het is een woordspeling op resistance. Dat betekent verzet. Het betekent dus eigenlijk “Verzet voor de bomen”. Zorgt Survival International met name voor de grote lijnen, zij zorgen voor activistische uitvoering in praktijk. Met het geld van donateurs worden boswachters betaald. Zij krijgen waterdichte schoenen, een goeie uitrusting en GPS mee, om illegale houthakkers op te speuren. Ze werken ook met drones. In een tijd waarin de techniek zo razendsnel gaat, moet je het verzet met diezelfde techniek aanpakken.

Ik kan deze donaties in stilte laten lopen, maar door het uit te dragen kan het een dubbele rente opleveren. Ik vertel dit omdat het voor mij belangrijk is. Belangrijker dan de reis die ik maakte, of hoe mooi ik mijn wagen helemaal zelf heb gebouwd. Ik vertel het om het voor mezelf te herhalen: “Dit is het, waar het mij om gaat.” Ik vertel het voor jullie. Graag wil ik verhalen vertellen vanuit mijn eigen beleving. Maar soms is die er niet, en moet ik putten uit verhalen van anderen. Anderen, ver weg. Misschien zal ik ze op een dag ontmoeten. Misschien. .

.

https://www.survivalinternational.nl/

.

Treesistance:

Na de ceremonie begint het pas

Ik zag de film: Kiva, call of wisdomkeepers. Dit is een verhaal dat meegaat in de stroom, en tegelijkertijd kritisch is.

.

Tekening van Afra Hartog

Tekening van Afra Hartog.

.

Onderaan de tekst vind je de luisterversie.

“Alles draait om energie. Elke plek en elke taal heeft een trillingsfrequentie. Met elkaar zijn we een eenheid.” Ja, dat zijn woorden waar ik me best in kan vinden. Het is als een symfonie, de lichte tonen vullen de donkere aan. Dat spreekt mij aan. Toch praten maar weinig mensen over taal. Over het algemeen zijn het de eerste vier woorden die ik overal terug hoor komen: “Alles draait om energie.” Het echoot door yogaklassen, onder moderne monnikskappen, over het alternatieve podium en het gonst bij spirituele ceremonies. Vooral in het engels. Het enthousiasme waarmee dit wordt gepresenteerd is prachtig, maar gaat vaak snel, vind ik. Moeten we niet vertragen, om er ook echt iets mee te kunnen? Vertragen, om te luisteren. Om te zien, wat er nodig is.

Ik zit in het Lewinskitheater in Sneek. Een kleine informele zaal, vol lekkere stoelen en kleine tafeltjes. Naast me zit Natasja. Ik ken haar van facebook en zij kent mij van mijn blogs. Het is toevallig dat ik haar tref. Zij was net zo verrast als ik. We kijken naar de film: “Kiva, the call of wisdomkeepers”. Kiva, de naam van een bontgekleurde, warmhartige ceremonie met zijn oorsprong in oeroude tijden. Wisdomkeepers van overal ter wereld komen er jaarlijks bij elkaar. Het houdt de moed erin, de energie van de bijeenkomsten maakt dat mensen hun eigen cultuur en hun voorouders blijven herinneren. Het is wat je bent, het is je identiteit die je met de aarde verbindt. “Met elkaar houden we de band met de aarde levend”, zeggen twee vrouwen, in het rood gekleed, zittend aan het water. “Dat geeft hoop.”
Na afloop vertelt de maakster van de film wat een eer het voor haar was, dat ze als beginnend filmster dit alles mocht vastleggen. Al bleven de ceremonies zelf grotendeels buiten beeld, de interviews maakten dat helemaal goed.

Na haar neemt een Friezin plaats op het podium. Ze zit in kleermakerszit op de houten vloer, vlak voor een grote drum. In haar lange blonde haar steekt een veer en nog iets, wat ik niet kan onderscheiden. “De stammen van onder de zeespiegel gaan een belangrijke rol spelen” citeert ze enkele wisdomkeepers. “Dus, waar blijven de Friezen?!” Ze straalt als ze haar verhaal vertelt en de woorden komen vanzelf, zegt ze. Ze praat en praat en gaat ver over de afgesproken tijd. Ik luister met plezier. Het gaat over slangen, uilen, taal, en wat er in ons is. Herkenbaar. Het is in het Fries en ik versta (bijna) alles.

Het is al laat, als de documentaire maakster weer het woord neemt. Ze houdt het kort. “Uiteindelijk moet het niet alleen bij ceremonies blijven,” eindigt ze haar verhaal. “Er is vooral actie nodig. De rivieren moeten weer schoon worden.” Dat is haar laatste zin. Ja, zo is het. En er moet nog veel meer gebeuren. Wat jammer dat het al zo laat is. Met die vraag had het gesprek met het publiek losgemaakt kunnen worden. Wat kunnen we doen? Wat is nodig en hoe zie je jouw volgende stap daarin? Wat doe je al? Daar kun je nog wel een week mee zoet zijn. Of langer. Een avond is kort.

“Ik denk dat we allemaal wisdomkeepers zijn, “elders” die anderen onderwijzen” zegt Natasja naast mij. “Jij misschien nog iets meer dan ik.” Ik zou me vereerd kunnen voelen bij die woorden maar vandaag laat het me onverschillig. De woorden komen dan ook wat stroperig uit mijn mond. “Ik denk de laatste tijd juist, wat heb ik nou eigenlijk te vertellen…” Ze is even stil. “Tja,” zegt ze.

Ik ga verder. “Er zijn momenten dat ik woorden had, en dat er inzichten stroomden als water. Maar woorden bestaan vooral als je met een ander bent. Ogen die kijken en oren die gespitst zijn. Dat inspireert. Ik kan blijven schrijven over het water waar ik naar kijk, over de rimpelingen in het ochtendlicht en alles wat er groeit, maar langzaam verdwijnt de sprankeling als er niemand naast me staat, van wie ik weet dat die luistert. We hebben elkaar nodig. Zelfs de eenzaamste kluizenaar leeft op als hij zijn inzichten kan delen met die ene ziel die hem opzoekt. Of een betekenisvolle blik kan delen met de ander. Ik kan vertellen over de aarde, onder mijn voeten. Maar mijn buren hebben het druk. Ja, ik schrijf erover. Maar ik weet niet wie het leest. Ik zie de ogen niet. Ik hoor niks. Het droogt op.”

Natasja en ik staan op. Natasja spreekt met de Friezin en loopt dan weg. Ik ga ook naar haar toe, de Friezin met haar lange hoogblonde haar. Ik vraag naar de veer, die ze er in heeft gestoken. Die is van een uil, zegt ze. Ik zeg dat ik het beeld van de uil herken. “Ja,” zegt ze “Het gaat om de energie.” Ik wil vertellen hoe mooi het is als woorden komen als een levende stroom. Maar zover komt het niet. Ze kijkt me niet aan. “O! Achter jou staan ook mensen te wachten,” abrupt breekt ze mijn zin af. “Wees kort. Wat wil je zeggen? ” Ineens weet ik het niet meer. Laat maar zitten, denk ik. Zo belangrijk was het vast niet. “Deze avond heeft me wel goed gedaan,” zeg ik nog. Ze glimlacht en nu kijkt ze me wèl aan. “Vanmiddag voelde ik me wat houterig en…” Ik kan het niet meteen uitleggen. Zeker niet als er mensen achter me staan te wachten. Ze begrijpt kennelijk meteen wat ik wil zeggen. Dat is wel makkelijk, dan kunnen we het kort houden. Beslist kijkt ze me aan. “Dat kwam omdat je wist dat je hierheen ging,” zegt ze. “Het was de energie die je voorbereidde.” Ik lach naar haar. Aardig, dat ze kennelijk precies weet wat er speelt. Maar als ik wegloop vraag ik me af wat ze daar nou eigenlijk over kan zeggen als ze me maar zo kort gesproken heeft.

Als we allemaal bewaarders zijn van de wijsheid, dan zal daar een eindeloze variatie in zijn. De een heeft wijsheid in zijn handen, de ander in de klank van haar stem. De een speelt een instrument en de ander speelt met woorden. Een oude boer kan je het verhaal van het riet vertellen, en hoe het riet hem wijsheid leert. Een goede veehouder kent zijn koeien. Er zijn mensen van het water en mensen van het land. Van de dijk en van de stad. Mensen van de vlakte en mensen van de bergen. Allemaal hebben we een eigen verhaal. Als we willen dat er iets verandert, dan zal elk verhaal gehoord moeten worden. Luisteren, luisteren, luisteren. Na de ceremonie begint het pas.

En ik sta op het Friese veld, in de vroege ochtend. En hak het riet langs het Verhalenpad. Anders groeit het dicht. Ik wacht en kijk. Ik spreek af met mensen, meestal vrouwen. In Sneek, in Menaam, in Leeuwarden. Waar gaat het verhaal verder? En hoe? Ik weet het niet. Ik hoef ook niet alles te weten. Als we maar blijven bewegen. De ontmoeting volgt. Ik luister. Ik zal weten wat er nodig is, precies op het juiste moment.

.

.

There wo’nt be english translations anymore. But now, in the end, I really like to know if there was someone who liked them. Can you give a reaction please?

De taaie tijd van verwachting . . . (The tough time of expectation)

Dagen van gestage regen drenkt de gebarsten bodem tot hij zacht is.

.

Wilgenroosje

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? You can find it underneath.

Iets wat langzaam groeit bouwt levensvatbaarheid op. Het is een taaie tijd van verwachting, met gebarsten klei en blad dat knispert van droogte. Maar eens valt de regen en barst de knop.

Het is het eerste wat ik doe. Ik heb mijn pyjama nog aan en zelfs mijn oefeningen nog niet gedaan. Het zonlicht schijnt als zilver over de dauw, die als een glinsterende druppeldeken over de weide heen ligt. Ik loop door het gras, nog dromerig van de slaap. Ik stroop mijn pyjamabroek wat op, anders wordt hij kletsnat. Het hoekje om bij de sloot, het weiland over naar die ene plek. Het paradijs. Het wilde pad dat ik met eigen handen schiep. De zon hielp mij. En de regen, de sloten, de beestjes in de grond. En natuurlijk, de dertien kuub compost.

Bij de ingang blijf ik staan, naast het bordje met de vervaagde tekst. Je kan het nog net lezen, vergrijzende letters in romig wit. “Verhalenpad”. Er heeft zelden iemand naar gevraagd. Behalve die kinderen, in het begin. Ze kwamen naar me toe: “Waar zijn de verhalen?” Ik moest lachen. Ik heb het ze laten zien. Spinnetjes, in het gras. Heel veel spinnetjes die verhalen schrijven met heel veel pootjes.

Op sommige plekken is het gras nu al helemaal verdwenen. Een tapijt van zilverschoon strekt zicht uit. In de lente zullen gele bloemen stralen als sterren. Het plantje hoort hier thuis, maar evengoed heb ik er hard aan gewerkt dat het er kwam. Heb gegraasd als een geit. Elke dag opnieuw. Gras uittrekken en steeds weer neerleggen, eromheen. Dikke pollen uitsteken, ruimte maken. Niet met hele vlaktes tegelijk, maar dan weer hier, dan weer daar. Als je het niet weet, dan zie je het niet, al dat werk. Zoals vaak. Je moet het horen.

En nu sta ik hier, in de frisse vroege ochtend, aan het begin van het pad. Het is als een dompeling. Als je dit ziet, vergeet je alles. Achter de hoog opgegroeide haag bloeit van alles. Wit en lila raapzaad, roze wilgenroosjes, een concert aan bloemen zingt me tegemoet. Hier en daar zie ik een stipje geel van mosterdzaad en het paars van de twaalfjarige luzerne. Naarmate het jaar verstrijkt wordt het steeds uitbundiger. Een veldmuisje kruipt gauw weg onder een bosje geel veldlathyrus. In de verte schudt een haas de druppels van zijn vacht. De zeven torenvalken zie ik vandaag niet. Zelfs geen eentje. De blauwe kiekendief ook niet. Ik weet niet waar ze zijn. Ze komen wel weer terug. Eten zat.

Er groeit een palet aan verhalen. En er komen er nog veel meer.

Ik heb nu een paar keer iemand rond kunnen leiden. Gisteren vroeg iemand mij erom. Een vrouw, even oud als ik. Niet omdat ze bessen wilde eten of zo. Gewoon omdat ze het wilde zien, en mijn verhaal wilde horen. Dat is best bijzonder. De meeste mensen willen zelf iets, of verzinnen hun eigen verhaal. Ze lopen het liefst in hun eentje en laten hun fantasie gaan. Een enkeling neemt een vriendin mee om alles te laten zien. Ze komen als ik er niet ben. Dat kan natuurlijk ook. Ten slotte is het een verhalenpad. Hoe meer verhalen hoe beter. Ook zonder mij gaat het door. Maar toch wil ik ook zelf wel eens mijn verhaal vertellen. Mijn verhaal in het weelderige groen, dat groeide met eelt op mijn handen en zweet op de rug. Met beelden en woorden die net zo goed moeten groeien als de mispel en de lijsterbes. Hoe langer je wacht, hoe dieper het gaat. Maar als het er is, dan is het er. Al zie je het nog niet. Net als wortels in de grond. Het groeit. Eens komt het verhaal naar buiten. Als een barstende knop, vol levenslust na een droge lente. Dagen van gestage regen drenkt de gebarsten bodem tot hij zacht is. Het verhaal is taai, en wacht op het juiste moment. Net als de knop van een bloem. Of als zaad in de grond.

Zo is het. Nu. Hier, daar, overal.

.

De bloemen worden wakker
ze glinst’ren van de dauw
Ze knikken met hun kopjes
Kom hier, kom nu, kom gauw!
Zacht ritselt gindse lindeboom
en lispt als in een droom
Goedendag, goedendag mijn liefste,
Goedendag.

Lied, geïnspireerd door een oud Hollands wiegelied. Maar ik keerde het naar de ochtend.
In de luisterversie hoor je “werkfee” in plaats van “liefste”. Het laatste vond ik toch beter passen in de droom.

.

.

,

.

.

.

Zilverschoon

.

.

Rozenbottel

.

.


Ruwe berk (3,5 jaar oud, 2,5 jaar na aanplant)

.

.

.

.

The tough time of expactation

.

Days of steady rain soak the cracked soil until it is soft.

Something that grows slowly builds viability. It’s a tough time of anticipation, with cracked clay and leaves crackling with drought. But one day the rain falls and the bud bursts.

It’s the first thing I do when I wake up. I’m still in my pajamas and haven’t even done my exercises yet. The sunlight shines like silver over the dew, which lies like a glittering blanket of drops over the meadow. I walk through the grass, still dreamy with sleep. I roll up my pajama bottoms, otherwise they will get soaking wet. Around the corner at the ditch, across the meadow to that one place. The Paradise. The wild path I created with my own hands. The sun helped me. And the rain, the ditches, the bugs in the ground. And of course, the thirteen cubic meters of compost.

I stop at the entrance, next to the sign with the faded text. You can just read it, aging letters in creamy white. “Story Path”. Rarely has anyone asked about it. Except for those kids, in the beginning. They came to me: “Where are the stories?” I laughed. I showed them. Spiders in the grass. Lots of little spiders writing stories with lots of legs.

In some places the grass has already completely disappeared. A carpet of silver beauty stretches out. In spring, yellow flowers will shine like stars. The plant belongs here, but I also worked hard to get it there. Grazed like a goat. Every day again. Pull out grass and put it down again and again, around it. Stick out thick clumps, make room. Not with whole plains at once, but then here, then there. If you have no idea, you don’t see it, all that work. As often. You have to hear about it.

And now here I am, in the crisp early morning, at the beginning of the path. It’s like a immersion. When you see this, you forget everything. Everything blooms behind the high-grown hedge. White and lilac rapeseed, pink willowherbs, a concert of flowers sings to me. Here and there I see a speck of yellow from mustard seed and the purple from twelve-year-old alfalfa. As the year goes by, it gets more and more exuberant. A field mouse quickly crawls away under a bush of yellow field lathyrus. In the distance, a hare shakes the drops from its fur. I don’t see the seven kestrels today. Not even one. Not even the hen harrier. I don’t know where they are. They’ll be back. Sat eating.

A palette of stories is growing. And many more are coming.

I’ve been able to show someone around a few times now. Someone asked me about it yesterday. A woman, the same age as me. Not because she wanted to eat berries or anything. Just because she wanted to see it and hear my story. That’s pretty special. Most people want something for themselves, or make up their own story. They prefer to walk alone and let their imagination run wild. A few bring a friend to show them everything. They come when I’m not there. That is also possible, of course. Finally, it is a story trail. The more stories the better. It goes on without me. Now, and when I m dead. But I ‘m still living, and I also want to tell my own story. My story in the lush green that grew with calluses on my hands and sweat on the back. With images and words that should grow just as well as the medlar and the mountain ash. The longer you wait, the deeper it goes. But if it’s there, it’s there. Even if you don’t see it yet. Like roots in the ground. It grows. Once the story comes out. Like a bursting bud, full of zest for life after a dry spring. Days of steady rain soak the cracked soil until it is soft. The story is tough, waiting for the right time. Like the bud of a flower. Or as a seed in the ground.

That’s how it is. Now. Here, there, everywhere.

.

Song, inspired by an old Dutch lullaby.

The flowers wake up early
they glisten with dew
They nod their kind heads
Come now, the world is new!
Softly rustles yonder linden tree
and lisps special to me,
Lovely day, lovely day, my dearest, lovely day.

Weg van de gewenning. . . (A Way form the habbit)

Alles begint en eindigt bij het parkeren van je auto.

.

Niet parkeren.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to read the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

Vanuit mijn huis kan ik het net zien, tussen alle begroeiing door. Het veld, de sloot, met de rietkraag eromheen, en het weiland erachter. Het weiland in de zomer is anders dan in de winter. In de winter is alles verlaten. Het enige wat je hoort is het gekwetter van spreeuwen en het staccato geroep van de kramsvogels wanneer ze je zien. Het geluid van hun vleugels, wanneer ze massaal opvliegen. In de zomer zijn de kramsvogels weg. Andere vogels trekken zich terug op andere weiden, die helaas niet biologisch zijn en lang niet zo onberoerd als de onze. Voor onze boer is de wei om te hooien en wilde bloemen te laten groeien. Voor de weekendgasten, op weg naar hun feestje, is het vooral een lege ruimte. Wat doe je daarmee? Natuurlijk, een balletje trappen. Maar in de eerste plaats: je auto neerzetten. Of je nou links stemt of rechts, Groenlinks of BBB, bijna iedereen doet het. Gewoontes zijn hardnekkig. Ik denk: Als we het in deze oververhitte wereld anders willen, zullen we ergens moeten beginnen. Verandering van gewoontes.

Wanneer ik net mijn huis op orde heb, komt de eerste auto aanrijden. Hij parkeert achter de sloot met een snelle draai in. Het is het laagste stuk. Als het winter was, had hij nu vastgezeten. Het heeft nu ook veel geregend, maar zompig is het nog niet. Ik kijk er goed naar en realiseer me iets. Op die plek groeit mijn thee! Smalle weegbree is het, voor de luchtwegen. Het staat op een bijzonder plekje. Nadat een dampendhete berg bladcompost de hele grasmat had verschroeid, was het enige wat overleefde dit zaad. Het zaad van de weegbree. Nu het staat daar, in een mooie cirkel, dicht op elkaar, zonder ook maar één grassprietje ertussen. Ik ben er blij mee. Ik loop erheen en zie inderdaad een spoor, dwars erdoorheen. De automobilist had er zeker zin in, dat feestje. Hij is met een vaartje doorgeschoten in zijn achteruit, een heel eind het weiland op.

Ik loop naar de kampeerders. Er zijn er al een paar bezig hun tent op te zetten. Hun jonge stemmen klinken vrolijk en opgewekt. Er staat zachtjes een muziekje aan, rustige lichtvoetige jazz is het. “Hoi!” roep ik “Er is iemand door mijn thee gereden.” Ik kijk verkennend rond. De jongen die het laatst aankwam komt meteen naar me toe. Hij loopt met me mee en geïnteresseerd ziet hij wat hij eerst niet zag. “Goh,” zegt hij “Ja zeg! Ik denk dat de anderen dit ook niet zien. Ik zal het omheinen, met een touw.” Hij gaat meteen aan de slag. Ondertussen stelt hij allerlei vragen, hoezo die kruiden op deze plek, en helpt het inderdaad zo goed voor de luchtwegen. Met plezier geef ik antwoord. Maar zijn auto staat nog steeds midden in de wei. Ik wijs hem op een hoger stuk, vlak langs de weg. “Daar is beter. Daar parkeren vaker auto’s” zeg ik “Als je hem midden op het veld laat staan, dan zetten de anderen hun auto’s er straks naast. Dan ben jij het voorbeeld. Beter van niet.” Hij snapt het meteen en zet zijn auto neer op de gewezen plek.

Het leven bestaat uit talloze gewoontes. Met elkaar maken we ons bestaan op aarde, zoals het is. Inmiddels erkent iedereen dat het anders moet. Dat we de natuur meer plek moeten geven, gewoon, waar we wonen. Steeds meer mensen begrijpen hoe belangrijk een losse humusrijke bodem is, als basis voor al het leven. De meeste snappen het wel, maar hoe pas je dat toe? Je doet wat je doet en de agenda zit vol. Je schiet van het één naar het andere, en schiet gauw door. Dat is vergeeflijk, maar daar begint het wel mee. De verandering.

Later die dag kom ik er weer terug. Ik knip de platgereden blaadjes af om te drogen. Vertederd kijk ik naar het witte touw, dat mijn thee omheint. En naar de drie geparkeerde auto’s, op het hoge stuk, vlak langs de weg. Die jonge lui zijn toch niet gek! Opnieuw denk ik, wie weet kan het. Wie weet komt het toch, uiteindelijk, allemaal goed.

.

.

A Way from the habbit

From my house I can just see it, through all the vegetation in front of the window. The field, the ditch, with the reed around it, and the meadow behind it. The pasture in the summer is different than in the winter. In winter everything is deserted. All you hear is the twitter of starlings and the staccato calls of the fieldfares when they see you. The sound of their wings, when they take flight. In the summer the fieldfares are gone. Other birds retreat to other pastures, which unfortunately are not organic and not nearly as untouched as ours. For our farmer, the meadow is for making hay and growing wild flowers. For the weekend guests, on their way to their party, it is mainly an empty space. What do you do with that? Of course, kick a ball. But first of all: park your car. Whether you vote left or right, Groenlinks or BBB, almost everyone does. Habits are persistent. I think: If we want to change things in this overheated world, we have to start somewhere. Change of habits. Everything starts and ends with parking your car.

When I’ve just got my house in order, the first car drives up. He parks behind the ditch with a quick turn. It’s the lowest part. If it were winter, he would be stuck by now. It has also rained a lot now, but it is not soggy yet. I look closely and realize something. That’s where my tea grows! Narrow plantain it is, for the respiratory health. It is in a special place. After a steaming hot mound of leaf compost scorched the entire turf, the only thing that survived was this seed. The seed of the plantain. Now it’s there, in a nice circle, close together, without a single blade of grass in between. I’m happy with it. I walk towards it and indeed see a track, right through it. The motorist was certainly looking forward to that party. He sped along in reverse, a long way out into the pasture.

I walk to the campers. Some of them are already setting up their tents. Their young voices sound cheerful. There is soft music playing, quiet light-footed jazz it is. “Hi!” I shout “Someone drove through my tea.” I look around. The boy who arrived last comes straight to me. He walks with me and with interest he sees what he didn’t see before. “Gosh,” he says “Yes! I don’t think the others see this either. I will fence it in with a rope.” He immediately gets to work. In the meantime he asks all kinds of questions, why those herbs in this place, and does it indeed help so well for the airways. I will answer with pleasure. But his car is still in the middle of the meadow. I point him to a higher area, close to the road. “There is better. Cars park there more often” I say “If you leave it in the middle of the field, the others will park their cars next to it. Then you are the example. Better not.” He immediately understands and parks his car at the designated spot.

Life consists of countless habits. Together we make our existence on earth, as it is. Everyone now recognizes that things have to be done differently. That we should give nature more space, just where we live. More and more people understand how important a loose, humus-rich soil is, as the basis for all life. Most get it, but how do you apply it? You do what you do and the agenda is full. You shoot from one thing to the next, and quickly shoot through. That’s forgivable, but that’s where it starts. The change.

I’ll be back later that day. I cut off the flattened leaves to dry. Endeared, I look at the white rope that surrounds my tea. And to the three parked cars, on the high part, close to the road. Those young people aren’t crazy! Again I think, who knows. Who knows, maybe it will all work out in the end.

Er is toekomst . . . (There is future)

Een verhaal over de tegenstelling tussen efficienty en verwondering, of ontzag.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

You can find the ENGLISH translation underneath.

“Als ik dan elke dag riet aan het snijden ben. . .” begin ik te vertellen. . . Naast me, op de lange bult, staat een bezoeker. Hij kwam vooral omdat hij hier bessen had gezien. Of hij die mocht plukken. Dat vond ik prima, maar dan wel met een verhaal erbij. Tenslotte is dit geen Eetpad, maar allereerst een Verhalenpad. “dan voel ik me zo klein in dit landschap” vervolg ik mijn verhaal. “Alles zou riet zijn, zonder ons. Eindeloos, tot de horizon. Sta ik daar met mijn sikkel.” Maar de man is niet gevoelig voor poëzie. “Ja.” Hij glimlacht geruststellend. “Maar dat hoeft niet meer. Daarvoor hebben we machines.” Ik schud mijn hoofd. “Dat is niet wat ik bedoel. Als je met de hand werkt, met je voeten op de klei, dan voel je je veel meer verbonden met het land.” Zijn mond hangt een beetje open. “O..” zegt hij. We lopen een stukje verder, want hij ziet een bessenstruik. Gretig begint hij te plukken. “We moeten meer bessen eten,” zegt hij kauwend. Ik kijk het een poosje aan. “Laat je nog wat over?” vraag ik dan droogjes. Hij schrikt op. “O ja”. Dan vertel ik verder over het werk. “Ik hak vooral riet met de sikkel. Dat is wel doorwerken, al die meters.” Hij kijkt me vaderlijk aan. “Je kan ook een bosmaaier gebruiken,” licht hij me voor. Maar ik ben zeer beslist in mijn antwoord. “O nee. Geen bosmaaier hier. Een bosmaaier maakt blind en doof. Op een Verhalenpad leer je juist verhalen zien. En te horen. Ik kijk liever naar een broedende vogel in plaats van per ongeluk zijn nest stuk te raggen.” Hij kijkt schuldbewust. Alsof hij het persoonlijk was, die dat deed. Alsof hij het eigenlijk niet goed mag keuren, dat door mechanisatie zoveel over het hoofd wordt gezien. Maar ja. Het moet wel. Denkt hij.

De volgende dag sta ik daar weer. Maar dan alleen. Het is nog vroeg, half acht in de ochtend. De zon is nog niet achter de sluierwolken vandaan gekomen. Ik houd van die koelte. Straks zal het vast weer broeierig worden. In mijn hand heb ik dit keer de heggenschaar. Daarmee kan ik preciezer werken. Op mijn hurken waggel ik door het gras om beginnende rietstengeltjes kort en klein te maken. Het gaat toch verrassend snel. Ik kom bij een hoger bosje, dat ik rond een stokroos gelaten heb. De lange stengels zijn omgewaaid door de storm, maar hij bloeit gewoon door, op de grond. Mooie grote bloemen, vol hommels, een zoemend bloemenbosje is het. Steeds dichter kom ik bij de stengels. Het geluid van de heggenschaar is het enige wat ik hoor. Het is windstil en zelfs de karekiet in het riet houdt zijn snavel. Tik tik, doet de schaar. Maar dan ineens krioelt het, daar waar eerst beschutting was van gras en klein riet, vlak achter de bloemen. Nu is het er kaal. Mieren lopen kris kras door elkaar, en beginnen eieren naar buiten te brengen. Een bruinoranje nachtvlinder hipt ongelukkig rond. Hij springt op mijn toegestoken vinger. Ik heb zijn linker vleugel afgeknipt. Stom. Ik wist het immers best, dit bosje moest ik zo laten. Ik ben te ver gegaan.

Ik probeer dit steeds te voorkomen. Al werkend blijf ik kijken. Ik ziet de hommel, die uit zijn hol komt en trek me respectvol terug. Er is immers genoeg werk. Dus ik ga verder bij de hazelaars, brandnetels uittrekken, gele wortels met kluiten eraan. Ik schud ze uit en gooi ze op een hoop. De brandnetels voor me bloeien nog niet. Ze zijn fris en groen, de blaadjes. Dan zie ik opnieuw die kleine zwarte bolletjes op het blad. Het zouden korrels aarde kunnen zijn, die ik daar rondgestrooid heb. Maar ze zijn perfect rond van vorm en liggen op gelijke afstand van elkaar. Dat trekt mijn aandacht. Even verderop zie ik een kleine zwart met grijs gestreepte rups. Ah, het zijn dus toch eitjes! Opnieuw stop ik. Ik heb immers al een heel stuk gedaan, de rest mag blijven voorde vlinders . Ik loop terug. Het is tijd voor pauze. Bij de entree staat een bos verdwaalde oeverplanten, die zich als lange tongen achter de haag verzamelen, in de vochtige greppel. Ik weet dat daar in die buurt een kleine hommel woont, onder het pellet dat daar ergens ligt te rotten. Ik laat het. Al betekent het meer werk, om het steeds weer te begrenzen. Op een dag zal dat steeds minder worden. Op een dag.

Even later zit ik tevreden in mijn kas koffie te drinken. Voor de deur loopt een stel meiden langs, het zijn dertigers. Hun tentjes staan hier op het veld en ze zijn op weg naar mijn buurvrouw. Glimlachend kijken ze bij mij naar binnen. Ik weet, het ziet er knus uit. Ik roep naar ze: “Denken jullie aan de vlinder??” Want natuurlijk, ik heb het ze verteld. Elke dag om dezelfde tijd zit er een Atalanta te zonnen op het zandpaadje. “Ja!” roept de een, “We lopen er steeds met een grote boog omheen!” Mijn glimlach verbreed zich tot een grijns. Glanzend kijk ik ze na. Er is toekomst.

.

.

THERE IS FUTURE.

A story about the contradiction between efficiency and wonder, or awe.

.

“When I am cutting reeds every day. . .” I start my story. Next to me, on the long hump, is a visitor. He came mainly because he had seen berries here. If he could pick it. I thought that was fine, but with a story to go with it. After all, this is not a Food Path, but first and foremost a Story Path. “I feel so small in this landscape” I continue. “Everything would be reeds without us. Endless, to the horizon. And I stand here with my sickle.” But the man is not sensitive to poetry. “Yes.” He smiles reassuringly. “But that is no longer necessary. We have machines for that.” I shake my head. “That’s not what I mean. When you work by hand, with your feet on the clay, you feel much more connected to the land.” His mouth hangs open a little. “Oh…” he says. We walk a little further, because he sees a berry bush. He eagerly begins to pick. “We need to eat more berries,” he says, chewing. I watch it for a while. “Do you leave some left?” I ask dryly. He startles. “Oh yeah”. Then I tell him more about the work. “I mainly chop reeds with the sickle. That means continuing to work, all those meters.” He looks at me paternally. “You can also use a brushcutter,” he explains. But I am very firm in my answer. “Oh no. No brushcutter here. A brushcutter makes blind and deaf. On a Story Path you learn to see stories. And to hear. I’d rather watch a nesting bird than accidentally destroy its nest.” He looks guilty. As if it was him personally who did that. As if he shouldn’t actually approve of the fact that so much is overlooked due to mechanization. But yeah. It has to, he thinks.

The next day I am there again. But then alone. It is still early, half past eight in the morning. The sun has not yet come out from behind the veil clouds. I like that coolness. Soon it will be sweltering again. In my hand I have the hedge trimmer this time. This allows me to work more precisely. On my haunches, I waddle through the grass to cut budding reed stems short and small. It goes surprisingly fast. I come to a higher bush, which I left around a hollyhock. The long stems have been blown over by the storm, but it continues to bloom on the ground. Beautiful large flowers, full of bumblebees, it is a humming bunch of flowers. I get closer and closer to the stems. The sound of the hedge trimmer is all I hear. There is no wind and even the reed warbler keeps its beak in the reeds. Tap tap, do the scissors. But then suddenly it is teeming there, where there used to be shelter of grass and small reeds, just behind the flowers. Now it is bare. Ants criss-cross each other, and begin to bring out eggs. A brown-orange moth hops around unhappily. He jumps on my stabbed finger. I cut off his left wing. Stupid. After all, I knew best, I had to leave this bush as it was. I’ve gone too far.

I always try to avoid this. I keep watching while working. I see the bumblebee coming out of its hole and respectfully withdraw. After all, there is enough work. So I move on to the hazels, pull up nettles, yellow roots with clods on them. I shake them out and toss them in a pile. The nettles in front of me haven’t bloomed yet. They are fresh and green, the leaves. Then I see those little black dots on the leaf again. It could be grains of earth that I scattered there. But they are perfectly round in shape and are equidistant from each other. That catches my attention. A little further on I see a small black and gray striped caterpillar. Ah, so they are eggs! Again I stop. After all, I’ve already done a lot, the rest can stay for the butterflies. I walk back. It’s time for a break. At the entrance there is a bunch of stray shore plants, which gather like long tongues behind the hedge, in the low moist ground. I know there’s a little bumblebee living in that neighborhood, under the pellet that’s rotting there somewhere. I leave it. Although it means more work to limit it again and again. One day it will become less and less. One day…

A little later I am satisfied in my greenhouse drinking coffee. A group of girls walk by in front of the door, they are in their thirties. Their tents are here on the field and they are on their way to my neighbor. They smile at me. I know, it looks cozy. I call out to them: “Do you remember the butterfly??” Of course, I told them. Every day at the same time there is an Atalanta sunbathing on the sandy path. “Yes!” shouts one, “We always walk around it!” My smile widened into a grin. I stare at them gleefully. There is future.