Onder een flapperend zeil

In de storm maken we ons allemaal klein om niet weg te waaien.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Er zit een vlinder in het markies. Stevig houdt hij zich vast, achter het flapperende randje van het scherm, terwijl de storm zijn tentakels om het hoekje van de wagen heen slaat. Hij laat zich niet wegblazen! Het is een Atalanta. Een vlinder die misschien wel ouder is dan één jaar. Hij heeft in elk geval een wijs plekje gevonden, om te schuilen. Alsof hij dat veel vaker gedaan heeft. Beneden hem, op de tegels, zit een vlieg. Hij drukt zich in een hoekje tegen een plank aan en maakt zich zo klein mogelijk. De wind staat er vol bovenop.
Aan de overkant van de weg hangt een hangmat in de bosjes. Het scherm dat erboven is gespannen, klappert hard heen en weer. Het is van een jongen die bij het groepje hoort, dat daar kampeert. De jongen van de hangmat is de leider, op deze onstuimige middag. Samen met de andere jongens heeft hij een windscherm gemaakt om de uren tijdens de storm toch genoeglijk door te kunnen brengen. Het waait flink maar het regent niet en regelmatig schijnt de zon. De hoge bomen maken een hoop herrie, maar toch hoor ik hun stemmen nog, die onder het zeil vandaan komen.
Ik ben nieuwsgierig, loop erheen en buk me. “Welkom” zegt de hangmatjongen, die als eerste opkijkt. Hij stelt zich voor als Thijn. Er is maar weinig ruimte onder het lichtbruine katoenen zeil. Ik kijk recht in twee vrolijke ogen. “Gezellig hier” zeg ik. “Aan de andere kant van de haag is minder wind, maar dit is net zo leuk. Mooi gedaan zeg!” De jongen knikt grijnzend.
“Knap hè,” begin ik dan “Wij doen zoveel moeite om het onszelf makkelijk te maken. Maar dat zelfs al die kleine beestjes het toch elke keer weer redden in storm en regen. Een vlieg drukt zich plat in een hoekje, een vlinder zet zich schrap en ze wachten allemaal tot het voorbij is. Ze rusten even uit van al dat geweld, en dan vliegen ze weer vrolijk weg, in de zon.” Ik kijk naar de vier anderen. Allemaal zitten we in een klein hoekje gedrukt, net als de vlieg. Het zeil staat zo schuin, dat de wind eroverheen blaast. “We kunnen veel van de natuur leren!” zegt Thijn stralend. Even blijf ik zitten, hier, tussen de anderen en kijk naar de toppen van de bomen die hard heen en weer zwaaien. Zelfs die kwetsbare vlinders weten zich te redden met dit weer. Ze nemen het zoals het is, houden zich taai en wachten tot het over is. Daarna zijn ze alles weer vergeten. De zon schijnt en ze komen weer bij. Wat zijn mensen eigenlijk zwak, dat de meesten zelfs voor een buitje al de hielen lichten. Ik zeg daar iets over en Thijn knikt nadrukkelijk. Als het aan hem ligt, dan ligt hij veel vaker in een hangmat in het bos. “Eén op de honderd vierkante meters is asfalt,” zegt hij. “Jullie mogen je hier gelukkig prijzen.” En dat doe ik. Uit dankbaarheid plant ik bomen. “We zullen ze nog hard nodig hebben in de toekomst” zeg ik. Thijn vertelt dat hij houten poppetjes maakt. Het liefst van essenhout. Een jongen naar mijn hart. Van mij mogen daar nog veel meer van komen.

.

Mestgepraat terwijl ik slaap

Grijnzen om de BBB terwijl ik slaperig naar de lege weide kijk.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is stil en koel. Binnen brand nog steeds de kachel. De bomen die ik wilde planten zijn geplant en de boomspiegels zijn verzorgd en bedekt met blad en riet. Het zaad dat ik wilde zaaien is gezaaid en wacht op warmere tijden. Het boek dat ik maakte, ligt op het bureau bij een uitgever te wachten. En nu? Elke keer als ik een doel gehaald heb, komt er een periode van dromerige tijdloosheid. Het is heerlijk om even niets te hoeven en te willen. Ik lig op de bank van mijn vriend door het raam te kijken. Het weiland is wijd en groen. Er bloeien paardebloemen en hier en daar een pinksterbloem. Mijn vriend luistert naar een podcast over de kabinetsformatie. Ik laat het langs me heengaan. Landbouw is het grootste struikelblok. Ja, dat wisten we al. Het struikelblok dat ze veel te lang onder het bed hebben geschoven. De grote poepparade. Nu kunnen ze er niet meer omheen. Europa zegt nee. Het is genoeg geweest. Nederland heeft keer op keer een uitzonderingspositie gekregen met zijn mest. Het is afgelopen en uit. Als Nederland wil doorgaan, dan volgen er boetes. Het schijnt dat de BBB een idee heeft, om het probleem op te lossen. Ik hoor het, nu, op de radio. Ik spits nu toch even mijn oren. Wat zeggen ze? Vijftienduizend gigantische plastic zakken op de weilanden leggen en daar die miljarden liters mest in stoppen. “Is dat geen grap?” vraag ik aan mijn vriend, die het helemaal heeft gevolgd. “Nee, geen grapje. Ze menen het serieus.” Hij grijnst erbij.

Op de radio praten ze verder. Ik kijk uit over de ongerepte wei. De ruimte die er is. Als de BBB dat maar niet ontdekt! Ik zie ze al komen, al die vrachtwagens vol mest over ons smalle onverharde pad, om met hijskranen plastic zakken te vullen, zo groot als distributiecentra. Echt niet! Het is hier goed zo. Hier is de mestgeur beduidend minder, dan elders in het land. We hebben maar twee koeien. De mesthoop die wij hebben stinkt niet. Het is mooi spul, dat lang heeft liggen rijpen. Mensen komen het halen, voor hun tuin. Zo kan het ook.

Ik lig nog steeds op mijn buik uit het raam te kijken. De lucht is fris en de wind komt van zee en de wolkenlucht verandert continue. Een loodgrijze rol veegt langzaam onder witte wolkenkoppen door. Helder blauw ertussenin. Een straal zonlicht doet opeens het hele land schitteren van frisheid. De paardebloemen lichten op als duizend gouden zonnen. Ik kijk en kijk, en langzaam vallen mijn ogen dicht en mijn nek ontspant zich.

Wat een rijkdom om tijdens het kijken naar een wolkenlucht in slaap te vallen. Dat het gras mag groeien tot het gehooid wordt. Geen distributiecentra of torenhoge zakken met mest in het land. De wolken komen van zee. Ze gaan hun eigen gang, onbelemmerd door mensendingen. Ik kijk hoe ze wegdrijven. Het geluid van de radio verdwijnt op de achtergrond. Als witte droomwolk zweef ik over de aarde, raak de boomtoppen, bevochtig het blad. Langzaam zak ik in de heerlijke wereld, tussen slapen en waken.

.

Verwelkoming van het esdoornjaar

Hoe een gehekelde zaailing geliefd werd.

.

Twee zaailingen van esdoorns.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is miezerig. Het Verhalenpad is te drassig om met de kruiwagen te rijden. Eigenlijk moet dat nog, de berg compost is nog niet helemaal weg. Zo nat is het! De eenden vinden het heerlijk, al die plassen. Ik zie ze overal kuieren, alleen of in groepjes. Maar boeren en hoveniers worden er mesjokke van. Er moet ingezaaid worden, maar daar is het telkens weer te nat voor. Ik heb ook nog een paar zakjes met zaad. Het zijn kleine zakjes van Joop. Na zeventien jaar tuinieren en planten heb ik het inmiddels afgeleerd om al te enthousiast te beginnen. Ik weet hoe bordjes met namen al gauw verdwijnen in een wir war van groen. Die verdraaide diversiteit ook! Ik moest die eerste keer erg om mezelf lachen. Natúúrlijk gaat het anders dan ik bedacht had. Op nieuwe grond die honderden jaren niks anders kent dan weide en riet, moet je ook niet al te hoogmoedig zijn, met zaaiwerk. Tussen de bomen en heesters die ik plantte, groeit al genoeg. Wilgenroosje, speenkruid, gele melkdistel, kaardebol, paardebloemen, veldkers, zilverschoon, hondsdraf, om maar eens enkele te noemen. De twaalfjarige luzerne die ik zaaide, zijn allemaal opgegeten door de hazen. De drie salieplanten trokken het niet. Ook de lijsterbes heeft er moeite mee. De klei valt ze zwaar. Het is een optimistische struik, die graag weer opnieuw begint. Maar als de bodem zo ontoegankelijk is, raakt ze ook snel ontmoedigd. Het is boeiend om te zien hoe dingen goed gaan, maar ook hoe moeizaam het kan zijn. Ik doe er dus alles aan om de overgang van weide naar bostuin te bespoedigen, zodat meer planten zich thuis zullen voelen. Zeker op harde weidegrond in een overgangsfase.

Ik herinner me de dag dat ik bomen haalde, bij MeerbomenNu. Ik ontmoette daar een kloek groepje vrouwen en een enthousiaste man. De man bleek de leiding te hebben, hij was één van de twee opperhoofden van het land. Tjeerd, heette hij. “Hé ben jij Alowieke!” riep hij tot mijn verrassing. Hij had van me gehoord, en was mijn blog gaan volgen. We hadden een levendig gesprek. “Misschien kun je daar ook wel een voedselbos planten!” zei hij. Ik vertelde dat de boer het daar inderdaad over gehad heeft. “Maar ik heb het idee niet met beide handen aangegrepen“ ging ik verder “Ik denk dat enige terughoudendheid op zijn plek is. Ik weet nu hoeveel werk het is. Het is keiharde weidegrond en na vijftien centimeter begint de stijve grijze zeeklei.” Hij keek bedenkelijk. “Ja, dan moet je eenvoudig beginnen.” Hij geeft me gelijk zijn advies. “Begin met esdoorns.” Aan dat idee moet ik wennen. Eén van de eerste dingen die ik leerde van de hoveniers bij Copijn, was esdoorns uittrekken. Voor je het weet heb je ze overal. Esdoorns, die plant ik dus niet. Ik vertel hem dat ik vooral wilgen en elzen heb geplant. En ook nog een zootje hazelaars, notenbomen, berken, lijsterbessen, maar dan wel met heel veel compost erbij. Ook plantte ik veel bomen op het hoge stuk, waar ze niet kunnen verzuipen. “Het is een mooi begin, voor een voedselbos. Maar voor een hele hectare is dat een hele opgave,” zei ik.

Nu kijk ik naar de esdoorns achter mijn huis. Ik heb er zeventien omgezaagd. Ze zijn allemaal weer vrolijk uitgelopen, tot mooie compacte bosjes. Gaandeweg ben ik ze steeds meer gaan waarderen. Er zitten graag vogels in en ik hoor ze de hele dag. Daar achter mijn kleine huis, daar komt verder niemand. De esdoornstruiken geven wat beschutting, want ondergroei is er nauwelijks onder de hoog opschietende schietwilgen.

.

Allemaal zaailingen van esdoorns

.

Deze lente is het bezaaid met piepkleine esdoorns. Overal zie ik de kiemen opkomen, op alle paden, langs de bosranden, tussen de tegels. Nog nooit heb ik er zoveel gezien. Je zal maar hovenier zijn en ze allemaal uit moeten trekken! De natte winter was kennelijk ideaal voor het zaad. Overal zijn de helikopters heen gedwarreld, de harde herfstwinden hebben ze ver gedragen. Maar de boer lacht erom. Als je ze maait, dan verdwijnen ze wel, zegt hij. Ik ben benieuwd. Er zullen vast heel wat kieren en spleten zijn, waar ze een tijd ongezien hun gang kunnen gaan. En tussen de bomen en bosjes zullen ze overal opkomen, net als in het riet. Eenmaal wortels gemaakt, krijg je ze moeilijk meer weg.
Maar langzaam maar zeker ben ik er anders tegenaan gaan kijken. De esdoorns horen hier. Ik zal ze niet meer tegenhouden. Laat ze de grond maar klaarmaken voor de anderen, samen met de wilgen en de elzen. Als ze groter zijn zal ik ze knotten, net als de esdoorns achter mijn huis. Het wordt laag kreupelhout, en dat is fijne beschutting voor de dieren. De takken zullen de bodem verrijken en steeds geschikter maken voor anderen. Er is wat er is en daar kan ik steeds vaker blij om zijn. Ik vind een manier om er mee om te gaan, zodat het verrijkend werkt voor alles. Toch maar eens vaker met mensen als Tjeerd praten. Het opperhoofd bij de bomenplanters. Er valt nog veel uit te wisselen.

.

.

We moeten voeten in aarde maken

.

De brug van droom naar een gastvrije bodem.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

De droom kan zo mooi zijn. In een droom kan je de werkelijkheid opkleuren, verlichten, je kan weggetjes maken die er nooit geweest zijn. Wat recht is kan je laten kronkelen en vervuilde rivieren zijn in je gedachten zo helder als kristal. Jarenlang kun je dromen over een bos dat bulkt van allerlei soorten. En je kunt dromen hoe donker het daar is, onder al die kruinen. Je voelt aan de oude stammen vol scheuren in de schors. Je laat lange baarden van mos langs je hoofd gaan zoals je nog nooit in het echt hebt gevoeld. In je droom kan alles.
Tot je op de harde natte klei terecht komt, waar het bos moet komen, dat je zo mooi had bedacht. Waar de jonge bomen met hun wortels tegen een stijve muur aanbotsen. En als ze dan eindelijk met veel moeite kunnen doordringen in de ongastvrije massa, dan wordt het winter, gaat het regenen, en verzuipen ze in de natte klei. Of je staat op de zandgrond en wekenlange droogte teert al het leven uit. De jonge loten die je hebt geplant verdorren tot armzalige sprietjes en gaan dood.

Dat kan anders. In een tijd van toenemende extremen is een rustige, volhardende houding nodig. Ideeën zijn als lucht, ze komen even snel als ze gaan. Aan een idee alleen heb je niks. Er zijn al er al gauw teveel van. Brainstorms genoeg op deze aardkloot. Dromen zijn al wat bestendiger dan ideeën, ze bestrijken een langere tijd om te wortelen in je hart. Vervlecht het idee met hoop en behandel dit met zachtheid en geduld.

Vuur op zijn tijd is goed, maar let op dat het niet te hoog oplaait, op onwillekeurige momenten.

Teveel aan vuur verschroeit de aanzet tot groei, knoppen die nog maar zo klein zijn dat je ze nauwelijks ziet. De piepkleine aanzet tot wortelgroei, die bodem zoekt. Een vurige droom zonder bodem glipt uit je handen en daar sta je dan. Vol onrust en volkomen alleen met weer een illusie minder. En hoe meer er uit je handen glijdt, hoe meer gaten er vallen. Het geeft ruimte aan anderen, waar je niet voor gekozen hebt. Gespuis dat het belang niet dient. Ze komen als virussen in een lichaam dat zijn weerstand kwijt is. Als verwarde zwervers die niet weten wat ze moeten. De gaten zijn het begin van het verval.

Ja, Dat kan anders, heel anders. Een droom heeft een rustperiode nodig en een blik die kan doorvorsen of het moment daar is of niet. Het hart is getraind in geduld om in stilte te zien of de tijd rijp is, om te zien wat levensvatbaar is en wat moet wachten of wat onverbiddelijk moet worden doorgestreept. Stap voor stap worden keuzes gemaakt. De vitale delen krijgen de aandacht en krijgen wat ze nodig hebben. Er is wat er is, elk mens, elke boom op dit unieke moment, alles wat is moet zo zijn. Daar ga je vanuit. Dat is de basis, daar kies je voor. En dan kom je in de stroom op gang, die meewerkt. Op het land groeien de bomen die het wél redden op de natte klei of de droge grond. Je verbetert de omstandigheden, meer en meer, zonder haast of dwang. Langzaam maar zeker komt de beloning. Dieren die weg waren keren terug. Zaden die je ooit strooide, komen ineens op. Planten die je nog nooit gezien had, komen spontaan omhoog en tot bloei. Het begin is gemaakt. Zodra er iets is wat voeten in aarde maakt, kan het andere daar steun bij vinden. Zo bouwen we aan een vitale plek, in een vitale wereld. Al is het begin klein, met rust en volharding groeit het. Een bodem voor alles wat voeten in aarde zoekt.

Dingen langzaam doen is het geheim van de transformatie. (Kazuaki Tanahashi, 1933)

Nieuw jaar, nieuw boek

De donkere tijd, is een tijd om terug te kijken, te ordenen en te kiezen. In het nieuwe lichtjaar komt de uitwerking. Voor mij is dat het schrijven van mijn tweede boek. Ik ben al begonnen.

.

Terugkijken en nieuwe keuzes nemen.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Opnieuw buldert de wind om mijn kleine huis. De stille mist is in het tumult verdreven en een egaal grijs wolkendek vult de hemel tot aan de horizon. Nog even, en dan is het zover. Wanneer de uren korter worden en de tijd langzamer dan ooit lijkt te gaan, dan komt het moment waar velen naar uitzien. De zonnewende. Langzaam verandert het land en de lucht. Het licht keert terug, elke dag een beetje. De lucht klaart op en de vrieskou kleurt de wangen rood en kloeke harten worden gevuld met nieuwe hoop.

Wat mij nieuwe hoop geeft, is het schrijven aan het nieuwe boek. De werktitel is: “De heilige traagheid der dingen.” Het is een vervolg op het “Wandelprotest tegen de rotgang der dingen”. De leus die ook de titel had kunnen zijn, van mijn eerste boek, “Langs kantelende wegen”. Het tweede boek is een logisch vervolg. Ik lees opnieuw de teksten vanaf juni 2020, en daarop inspireer ik het verhaal. Ik haal er alinea’s uit, en plaats ze in een groter verband. Het is heel bevredigend om te doen.

Hoewel ik in “Kantelende wegen” heb uitgelegd dat ik probeerde zo langzaam mogelijk te gaan, is dat lang niet bij iedereen doorgedrongen. Wie zelf denkt aan het eeuwige vooruit, het avontuur, nog meer nieuwe landschappen en ontmoetingen, die denkt er niet aan. Die leest mijn boek als een opéénvolging van allerlei ontmoetingen, zonder de rode draad te zien. Maar die is er wel. Mijn grondhouding berust op stilte. Op traagheid. En het kon nóg trager, heel veel trager. Nog meer toegewijd aan elke beweging, elke vleugelslag, elke bries die in de kruinen van de bomen waait. Aristoteles zei: “Het universele zit in de diepte, niet in de breedte. Het berust op fijnzinnige principes, met een intense aandacht voor detail.”

Dus van daaruit groeit het nieuwe boek. Van al maar voort, naar stille groei van binnenuit. Wortelen in de diepte en het universele erin ontdekken. Leven vanuit zien en zijn. Het staat vol natuurbeschrijvingen en mijmeringen. Ook zijn er gedachten over inheemse mensen elders op de wereld, met wie we verbonden zijn. Ik werk gestadig door, 8 tot 10 uur per week. Ik weet nu dat dit mijn hoofdzaak is. Straks, als de zon terugkeert en de dagen lengen, dan heb ik meer energie om er nog meer tijd in te kunnen stoppen. Als de keus eenmaal gemaakt is, dan wordt het wat. Dit is de tijd om terug te kijken, te ordenen en keuzes te maken. Na de zonnewende komt de uitwerking van het nieuwe. Dat is wat tijd met ons doet. In elk geval met mij. Het ritme van de seizoenen is als een kolkende rivier. Soms wild, soms stil. En wij tollen mee met de tijd.

Ik wens jullie een mooie zonnewende en alle goeds in het nieuwe lichtjaar. Ik zie er naar uit om jullie straks te laten zien wat ik gemaakt heb.

.

Zo’n dompeling doet wat

Hoe je onafhankelijk en fris elke dag opnieuw kan beginnen.

.

.

Voor de luisterversie, klik op de knop onderaan de tekst.

Mensen hebben elkaar altijd al opgehitst. Het is niet iets specifieks van deze tijd. Maar soms twijfel ik eraan of we met elkaar wel wijzer worden. Of moet alle ellende eerst worden uitgeëtterd voor we er klaar voor zijn? Meningen knallen alle kanten op, en sommigen worden erg fanatiek. Of het nou gaat over Palestijnen, Israëli’s, of dichter bij huis, over asielzoekers, buren, of wolven. Het legt een vertroebelende sluier over alles heen. Gisteren ging ik naar huis, na zo’n emotioneel onheilsverhaal te hebben aangehoord. Het was niet dat ik er aan bleef denken, en toch bleef het onbehaaglijk kleven, als een drabbig laagje in een waterfles. Wat moet je daar nou mee?

Ik ontdek het telkens weer. Het is dezelfde plek en steeds weer anders. Je zou het heilig kunnen noemen. Het kleine veldje over tussen de oude wilgenbomen, de nieuwe steiger op. De steiger waar vele handen aan meewerkten. Deze plek aan de Swette wordt gekoesterd door velen, en goddank, het is nog steeds openbaar. Er zijn er meer, die doen als ik. Ik zie ze komen en gaan. Op de fiets, of lopend. Ze komen voor de dompeling. Even maar, dat is genoeg. Ook zij weten hoe heilzaam het is. Een ochtendbad lost alles op, ik merk het meteen. Of ik er nou helemaal in ga, of dat ik alleen mijn gezicht was. Ik zie de eenden, luister naar de mezen, golf mee met de rimpelingen in het water. Ik kijk achter me, naar de bult, waar ik zoveel struiken heb geplant. Waar ik altijd riet aan het sjouwen ben om humus te maken voor de bodem. De bult, vol muizengaten. En ik vraag me af of de velduil er nog zit, die zo hard kan schreeuwen. Ik gooi een plens van het frisse nat in mijn gezicht. Een vis springt op uit het water, in de verte hoor ik de torenvalk. Al die dingen komen samen als ik daar ben. Daar, bij het heerlijke koele water. Ik was alle sluiers van me af. Zo blijf ik authentiek en onafhankelijk. Alleen zo kan ik met liefde en energie voor deze plek blijven zorgen. En voor de Aarde. Zulke plekken zijn van levensbelang. Overal. Ze maken dat we ons steeds opnieuw kunnen inzetten voor wat er nodig is. Dat mag nooit worden onderschat. Nooit.

.

Ik hoef geen poort (I don’t need a gate)

.

Onder zeil gaan in een eenvoudig huisje

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you like to hear the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

.

Over het pad loop Maaike, met haar twee honden. Ze woont in een camper, dan weer hier, dan daar. Af en toe komt ze weer bij ons langs op de Swetteblom.

“Hoi!” roep ik.
“Hoi!” lacht ze “Mooie kas heb je gebouwd. Elke keer als ik je zie ben je meer geworteld en minder nomade.”
“En toch ben ik het nog steeds, een nomade.”
“Hoe dan?” vraagt ze, met opgetrokken wenkbrauwen.
“Ik noem mezelf een nomade omdat ik te gast ben, op aarde.”
Ze knikt begrijpend.
“Daarom laat ik de ingang zoals hij is. Zonder trapje, onder een zeil door. Dan blijf ik bescheiden.”

Even later loop ik terug naar mijn eenvoudige stolp. Na zes jaar ben ik er nog steeds tevreden mee. De luiken zijn nu gesloten, want de zon schijnt warm, nu het bijna juni is. Toch is het binnen niet donker. Het licht schijnt zacht door het dakraam naar binnen. Zo mooi vind ik dat. Hier vind ik altijd de concentratie om te schrijven. Ik noem het: Mijn wooncocon. -Mijn-. Het is ook niet makkelijk om binnen te komen in mijn domein. Mensen die voor het eerst komen snappen niet eens waar de deur zit. Ik heb er over gefantaseerd, een poort te maken. Een poort die mijn mooie, goed gebouwde wagen waard is. Een poort, gemetseld van oude stenen. Ik zie het al helemaal voor me, een hele dikke is het, als van een stadswal. Als een afgebrokkelde muur, die er al honderd jaar staat. Met een glas in lood raam erin en een dikke houten deur, die rond is, van boven. Zo had ik het bedacht. Maar ik doe het niet.
Waarom zou ik een poort maken naar de ingang van mijn huis? Ben ik zo belangrijk? Waarom al die moeite? In de verte loopt Maaike verder, met haar honden, als éen van de vele voorbijgangers. Ik spreek ze op het pad. Hoeveel tijd heb ik wel niet besteed aan die terloopse gesprekken? Altijd buiten, altijd in de beweging van het moment. Nee, geen stenen poort.

Ik loop het veld over naar mijn huis. Langs de roze en witte bloemen, die weelderig tegen de rieten wand aangroeien. Een koolwitje fladdert langs. Bundels riet zijn tegen een pallet aangebonden. Het pallet wordt aan de andere kant gestut door een werkbankje van aluminium. Dat had ik toevallig. Zo is het al vanaf de eerste week dat ik hier stond, en ik heb het niet veranderd. Al twee-en-een-half jaar niet.
Ik til mijn rechterbeen op, en stap over het bankje heen. Voorzichtig, anders gooi ik de flessen om die erop staan, de waterflessen die wachten op een schoonmaakbeurt. Er is niet veel ruimte, mijn rug aait langs de houten wand van de wagen. Dan het andere been. Ik zet mijn linkervoet naast het rechter. Vlak langs de wand schuifel ik verder. Ik let op dat ik de jonge notenbomen niet aanraak. Die staan hier in de beschutting van de rietwand wortels te krijgen. Ze staan in grote potten, met een groeizame bodemmix en doen het goed.

Na vijf passen schuifelen kom ik bij het bordes. Over het bordes hangt een transparant zeil, tegen de wind. Daar achter heb ik hoge wilgenstammen geplant, ook tegen de wind. Ze lopen al goed uit. Maar een rijtje bomen is niet genoeg, als het hier gaat spoken. Het zeil is gemaakt van gewapend plastic. En al is het een eenvoudige oplossing, het werkt prima. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik een meisje ben, die haar hut in gaat. Elke dag een avontuur. Ik buk mijn hoofd en duw het zeil opzij. Nu komt de hoge stap, het bordes op. Er is expres geen trapje. Voor sommige bezoekers is dat heel wat. Ik denk aan mijn pa van drie-en-negentig. Elk jaar komt hij langs, op mijn verjaardag. Zelfs hij kan het nog! Al moet hij zich wel even vasthouden. De moeite die ik moet doen houd me wakker en fit. Dat ik onder het zeil door moet kruipen, herinnert me eraan dat ik een nomade ben. Alles is tijdelijk, ook mijn verblijf op deze grond. Waarom zou ik zoveel tijd besteden aan een poort en aan een mooie ingang? Zo’n poort kan ik beter voor iets anders bouwen.

Dit huis is voor mij, en voor niemand anders. Dit is de plek waar ik onder zeil ga.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

I don’t need a gate in front of my house. I am just a guest on earth and meet people on the road. A rooted nomad, that’s what I am.

.

Heb je de film al gezien? Drie jaar lang maakte ik opnames, met dit resultaat.

Did you see the movie? In three years I built my house and I made a documentary of it.

Voor je kwam, was het anders (Before you came. . .)

.

.

Ze weten niet hoe het was. Hoe het was, voor ze kwamen, de mensen. Drie grote tenten staan er, op het meest geliefde veldje van de hele streek. Het veld is maar klein maar het is een wild heiligdom, met de oude wilg aan het water. Het is geliefd, bij mensen en dieren. Het is omringd door bomen, maar je kunt tussen de stammen door kijken naar wat erachter ligt. Het ligt iets hoger ten opzichte van de weilanden. Als deze plek weer zee werd, dan was het mogelijk een eilandje. Zo heet het ook, “De Pôlle” is eiland in het Fries. Dorpelingen komen er graag even zwemmen. Heel even, er in en er uit. Ook sommige kampeerders doen het zo. Kleine tentjes, stil genieten. Die respectvolle bezoekjes vol stille bewondering, daar geniet ik van, evenveel als van de torenvalk. Die had zijn nest in de hoge populieren, aan de andere kant van het grote veld. Ik hoorde de jongen schreeuwen, heel hard. Kikikikikiki! Prachtig. Ze hebben heel wat muizen opgegeten en ze jaagden de kraaien weg.

Even bijzonder zijn de kramsvogels. Tot een week geleden waren ze er nog steeds. Je ziet ze niet meteen, maar je hoort ze. En als je dan opkijkt, vliegen ze op als een zwerm en zoeken hun toevlucht in dezelfde rij populieren als de torenvalk. Het is een stille hoek, waar niemand komt. In de vroege ochtendstond kijk ik lang uit het raam. Ik wacht met naar buiten gaan, want alles is vol leven, in de lente. De hazen lopen vlak langs mijn raam naar de Pôlle en verdwijnen onder de grote omgevallen wilg, met zijn gescheurde stam. Uit die liggende stam schiet een heel wilgenbos omhoog. Er fluiten vinken, karekieten en steeds weer hoor je het winterkoninkje. Er zitten houtduiven en andere vogels die het landschap even rustig willen bekijken zonder opgejaagd te worden.

En nu staan er die drie grote tenten. Het veld is helemaal vol en het lange gras vol fluitekruid en paarse dovenetel is plat. Verderop, op de weide, zijn drie, soms vier auto’s geparkeerd. Al op de eerste dag zijn de kramsvogels verdwenen. Ook de torenvalk kiest kennelijk het hazenpad, net als de hazen zelf. Ik hoor ze niet meer en zie ze niet meer. Maar de mensen genieten van de barbecue, en de kinderen kunnen lekker varen en ravotten in het veld. De merels fluiten in de vroege ochtend, vlak naast hun tent. Die laten zich niet wegjagen. Stil liggen de mensen in hun tenten. Ademloos liggen ze te luisteren, bij het ontwaken. Dat is het beste moment.

Het is heel gewoon. Iedereen doet het, op vakantie gaan. Of fijn met de hele familie of vriendengroep eropuit. Soms ook alleen, naar een ver eiland barstensvol natuur. Je huurt een auto of een scooter en scheurt het hele gebied af. De natuur is heerlijk om in weg te vluchten, om op adem te komen. Je komt aan op een romantisch plekje en je denkt: “Zo is het hier dus.” Maar je weet niet hoe het was voordat je kwam. Je weet niet welke dieren gevlucht zijn omdat jij hier nu bent. Vakantie breekt de sleur. Maar het breekt ook iets anders, en dat is een levende gemeenschap die daar rustig zijn gang ging. Welke paden heb je zonder te weten doorkruist? Je denkt misschien dat je de plek kent, wellicht kom je er elk jaar. Maar je bent en blijft een gast, die eigenlijk maar heel weinig weet.

Het waren best aardige mensen. Toch haal ik opgelucht adem, nu de rust is wedergekeerd. Om mijn huis scharrelen de eenden weer en merels trekken wormen uit de natte bodem. Maar de torenvalken zijn na vier dagen nog steeds niet terug, en ook de kramsvogels niet. Misschien wilden ze toch al weggaan, en was dit wel een goede reden. Misschien komen ze nog terug. De kraaien hebben de plek van de torenvalken weer ingenomen. De hazen hebben zich teruggetrokken in de meest verre rietkragen. Stil sta ik voor het raam en kijk naar buiten. Ook ik ben een passant, te gast op aarde.

.

.

PS: Nog steeds denk ik wel eens aan de rondvaarten die ik vroeger deed. Dat was toch wel heel sympathiek, ook voor de natuur. Heel rustig laat je de mensen alles zien. Versiering met ballonnen daar doen we niet aan en ook harde muziek niet. Alleen akoestisch. De dieren schrikken niet meer, ze kennen de boot. Op het land blijft het rustig. Alles kan gewoon zijn gang gaan. Je houdt de mensen dichtbij elkaar. Je hebt een korte inspirerende ontmoeting, drinkt thee op het terras en dan gaan ze weer. De parkeerplaats is helemaal aan het begin, vlak naast de theetent. De mensen hoeven niet meer helemaal het terrein op. Er is plaats voor zestien auto’s en er staat een hoge heg omheen. Zo zie ik het voor me. Dit zou ik nog steeds liever doen dan een camping runnen. Dit, met mijn schippersverleden in gedachten. Maar ja, ik ben hier te gast!

.

NEDERLANDS

ENGELS

A group arrives at a beautifull wild place, with big tents. With so many stuff, do you still enjoy what lives there? I realize again, we are guests on earth. The simpler you live, the more you see.

Breek de muur, bewaak de stilte (Break the wall, guard the silence)

.

.

Ik ben bezorgd over het toenemend geweld van geluiden. Het verstikt verhalen en verwondering. Dat hebben we nodig om te zien wat van waarde is. Ik sta in het veld als stille activist.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to hear the ENGLISH translation? Click in the button underneath the text.

Ik ben aan het werk bij de bult. Het Verhalenpad heeft voedsel nodig. Takken, riet, mulch. Planten, zaad en bomen. En vooral, rust en tijd. Gras wordt niet overal rigoureus afgemaaid, maar komt her en der tot bloei. De muizen eten het zaad en maken gangen onder de gevallen halmen. De muizen zijn nu weg. Er vlogen soms wel vier roofvogels tegelijk. Het gras is dun uitgedroogd hooi geworden en ik trek het zo weg. De bodem eronder is prachtig rul gemaakt door al die holletjes. Ik grijns tevreden. Hier kan ik mooi twaalfjarige luzerne zaaien! Goddank weten maar weinigen van dit Verhalenpad. Rust en tijd is even nodig als compost. Ik loop er voorzichtig langs om de bodem niet te pletten. Ik waak over de grond. Ik kijk en verwonder me. Verwondering heeft stilte nodig.Van ontzag word je vanzelf stil.

Net wanneer ik me dit bedenk klinkt er een toenemend gedreun. Het komt snel dichterbij. Onder de grijze wolken schieten vijf straaljagers voorbij, in formatie. Wat vliegen ze laag! Wat een kik moet dat geven om samen op te vliegen en zo hard. Het lawaai doordringt alles. In een mum zijn ze weer voorbij en het gebrom sterft langzaam weg. De enorme groep smienten in de sloot vliegt op met een alarmerend gefluit. Een groep ganzen komt paniekerig aanvliegen in de ijzig koude wind. Gakkend maken ze een halve cirkel en gaan dan toch weer terug. Langzaam keert de rust weer terug.

De volgende dag staan er mannen in het veld. Ze hebben honden en jachtgeweren. Ze zijn met zijn vieren en in elke wei staat een jager, doodstil te loeren. Maar niet in onze wei. Daar mogen ze niet komen. De laatste jager staat precies aan de rand van het stuk wat ik altijd met rust laat. In de permacultuur noemen we het zone 5, de Wilde Hoek, het heilige der heilige. Gewaarschuwd loop ik er heen. De caramelkleurige hond zit nog naast hem, maar dat kan zo veranderen. Die honden rennen overal achteraan en trekken zich niks aan van grenzen. Maar hier mogen ze niet komen. Als ze het toch doen stuur ik ze weg. Ik loop tot ik vlak bij hem ben. Hij staat aan de overkant van de sloot. Twintig meter is er tussen mij en hem. Hij heft zijn geweer, net als ik even niet kijk. Er klinkt een knal. Ik vloek en sta stijf stil. De man hoort het en kijkt naar me, met ontastbare onverschilligheid. Wat nu te doen? Hij mag daar staan, dat is niet illegaal. Maar ik kan wel iets anders doen, waardoor ik zijn jacht kan belemmeren. Ik ga zingen. Hazen zien de stille jager niet, in het bruin gekleed, als een standbeeld bij de sloot. Maar als ik zing weet de haas dat er mensen zijn. Ik schraap mijn keel en begin. Op mijn hurken trek ik het gras uit bij de jonge bomen. Ik ga op in het werk en zing het ene lied na het andere. Als ik weer op sta zie ik dat de jager weg is. Ook de andere jagers zijn in geen velden of wegen te bekennen. De smienten zijn ook weg. Ik zie ze nergens meer.

Het duurt twee dagen voor ze terug zijn. Het zijn schrikkerige vogels, net als de aalscholver die vaak bij ons in de buurt is. De zwarte vogel heeft een dikke nek en kan hele grote vissen doorslikken. Zijn kop lijkt ook op een vis. Bij de Swetteblom is veel voedsel voor hem, dat weet ik van de hengelaars. Ik vind de aalscholver een paar dagen later. Stil ligt hij in diepe slaap bij de steiger. Totaal uitgeput of verzwakt. Ik herinner me de waterscooter die gisteren voorbij raasde. Het gebrul, de golven. Arme aalscholver. Eerst straaljagers en knallende geweren, en daarna dit. Constant op de vlucht. Als je vlucht kan je niet eten. Ook heeft een aalscholver tijd nodig om rustig op te drogen, want hij heeft geen vet op zijn veren. Met al dat gedoe is het daar vast niet van gekomen. Met die ijskoude wind is hij misschien wel onderkoeld geraakt. Misschien was hij al wat ouder, maar toch…

Waarom gebeurt dit? Het wordt steeds erger. Ik ben bezorgd over het toenemende geweld van geluiden. Het verstikt de verhalen en de verwondering, die we nodig hebben om te blijven zien wat van waarde is. “Ze komen wel weer terug”, zeggen de jagers over de dieren. De straaljagerpiloten en de waterscooteraar zeggen precies hetzelfde. Ze gaan hun gang en kijken niet achterom. Het riet beweegt wild in de golven. Het lawaai groeit en groeit. Vogels vliegen in paniek in de scherpe koude wind. Ze verliezen energie en kunnen ondertussen niet eten. De aalscholver ligt kapot op de kant. “Ze komen wel weer terug” zeggen de mannen. Maar er komt een einde aan. Als elk geluid een steen is, dan is het met elkaar een muur. Achter de muur ligt de verwondering. Er zijn openingen in de muur, maar steeds minder. Tot de dag komt dat we er niet meer bij kunnen. Zover mag het niet komen. Ik ben hier. Ik werk aan het Verhalenpad. Geen mensenverhalen, nee. Het zijn de verhalen van “niet mensen” die daar groeien. Ze hebben ruimte nodig. Weinig buren komen kijken, naar wat ik doe. Maar ik werk eraan als een stille activist. En vele ogen kijken mee. Kleine zwarte ogen. Breek de muur, bewaak de stilte. Voor hen, voor ons, voor alles.

.

NEDERLANDS

ENGELS

I am worried about the increasing violence of sounds. It crashes stories and wonderment. And that ’s what we need to see what is of value. Here I stand as a silent activist.

Het raadsel van qi en de slijmzwam (The riddle of qi and the slimemold)

.

Raadselen die overal doorheen gaan, als de schering en inslag van een ondoorgrondelijk weefwerk.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Do you want to listen to the ENGLISH translation? Click on the button underneath.

Raadselen boeien. Mysteries maken nieuwsgierig. Van de week zag ik een polletje gras, met sneeuw erop. Hé dacht ik, dat kan niet. Er ligt geen sneeuw. Ik liep erheen en raakte het aan met mijn vinger. Het kleefde. En nu ik er met mijn neus bovenop stond, zag ik dat de substantie een wat hoekige structuur had. Wat later vertelden ze me dat het de grote kalkzwam was, een slijmzwam. Slijmzwammen zijn een buitengewoon boeiend raadsel. Ze bestaan uit een hele massa organismen, die zich als één wezen gedragen. Het kruipt langzaam voort en het vindt zijn weg door miniscule gaatjes, als je het in een doosje stopt. Hoe kan een kwakje drab zo intelligent zijn! Raadselen gaan overal dwars doorheen, als de schering en inslag van een ondoorgrondelijk weefwerk. De oude gedachten van o.a. Lao Tze trachtten dat weefwerk te doorzien. Hij bekeek de schepping bekeek vanuit een heel andere tijd en cultuur dan de onze. Daarover heb ik mij ook enorm verbaasd.

Ik denk dat ik vijftien was, toen ik voor het eerst de Chinese I Tjing in handen kreeg. Ik ging er meteen mee naar de vriendin, met wie ik graag filosofeerde over het leven. Het eeuwenoude boek doorziet de wegen die onze energie gaat en schetst beelden als oorzaak en gevolg. Het is ontstaan in een andere tijd, in een land met andere maatschappelijke verhoudingen. Toch is het nog steeds goed te vatten en dat vond ik toen ook. Voor ons bevatte het een raadselachtige magie, die in ons schoolse leven vrijwel ontbrak. Hoe kon het dat een paar muntjes precies het juiste antwoord gaven? Eens stelden we de vraag: “Is het waar wat dit boek ons zegt?” We schrokken van het antwoord. “Je moet de meester niet onnodig lastigvallen”, was de uitkomst. We hadden vanaf dat moment geen enkele twijfel meer dat dit boek op één of andere manier werkte. Bovendien, er waren wijzere mensen mee bezig geweest dan wij, domme kinderen. In het lange voorwoord stond een heel verhaal van de grondlegger van de analytische psychologie, Carl Jung. Het ging over synchroniciteit. Ik las graag over Jung en hield van zijn boek over de mens en zijn symbolen.
Ook toen ik ouder werd, verdiepte ik mij in andere levenswijzen en religies. Ik las soms van Tagore, een Indische dichter en filosoof die in de hele natuur het goddelijke zag. Ik geloofde niet in een God die als een vader in de hemel was, los van de aarde en de schepping, voor mij was alles verweven. Tijdens een godsdienstles heb ik daar over gesproken. De docent keek me ontsteld aan. “Maar wij zijn Christenen!” riep hij. Ik zat ten slotte op een Christelijke school. Soms brengen mensen elkaar boodschappen die compleet uit een andere wereld komen. Zo ging dat ook in de zeventiende eeuw. Maar dan andersom.

In de zeventiende eeuw brachten jezuïtische missionarissen de nieuwe Europese wetenschap naar China. De Chinese geletterden waren geïntrigeerd en uitermate verheugd om ideeën te kunnen bestuderen als de relatieve posities van de hemellichamen, de fasen van Venus en het bestaan van het primum mobile – ideeën die in Europa eerst grote opschudding hadden veroorzaakt. Maar ze stonden versteld van het idee dat een god ingekapseld zat in een tiende onbeweeglijk hemel aan de buitenrand van de kosmos. Waarom zou de godheid, die de jezuïeten de “Heer van de Schepping’ noemden, er genoegen mee nemen om zich te beperken tot een klein deel van het universum dat hij had geschapen? De confucianistische geleerde FangYizhi (1611 -1671) concludeerde dat men in het Westen was gespecialiseerd in materieel onderzoek, maar gebrekkig in het begrijpen van de oorspronkelijke kracht. Qi. De essentie van het zijn, die duistere en samenbindende lagen van mysteries.

Dit lees ik in het boek “Heilige natuur” van Karen Armstrong. In de zeventiende eeuw verdween de magie, de mythe. De logica won en dit ging drie eeuwen door, schrijft ze. Ook een ander schreef hierover, vanuit een heel andere hoek, de bosbouw. Het kan niet anders, of een man van de natuur weet iets van onnoembare energie, die alles doordringt. Le Clerq schrijft dit in zijn boek, 1943 , Boomspiegel voor de wandelaar:

Er zal wel niemand zijn die zou willen betwisten dat de negentiende eeuw de eeuw der grote ontdekkingen is geweest. De wetenschap is in die honderd jaar meer vooruitgegaan dan in de vierduizend jaren die eraan voorafgingen. Deze snelle ontwikkeling heeft een enorme invloed gehad op ons gehele leven, en zij gaat nog steeds in onverminderd tempo verder. (.) De grote vlucht, welke de natuurwetenschappen namen, deed bij velen het idee ontstaan, dat zij er nu ook alles van wisten. Hoe knapper de mensen werden, hoe eigenwijzer. Inderdaad, men werd erg knap in scheikunde, geologie, mineralogie en allerlei andere wetenschappen. Maar men vergat, dat de eigenlijke levensfuncties van de planten nog nagenoeg geheel onbekend terrein waren. De knapheidswaan was echter zo sterk, dat men zonder dralen de bossen te lijf ging, gewapend met de pas verworven en ten dele nog zeer onrijpe kennis. Bosbouw werd een rekensom. En voor een bedrijf, dat zo op de natuur is aangewezen, is dat zeer gevaarlijk.

Hoe knapper hoe eigenwijzer, zegt le Clerq. Hadden de wetenschappers ook maar naar de Chinezen geluisterd. De knapheidswaan is tot in onze tijd doorgeschoten. Dat is ernstig. Pas in onze tijd leren we heel langzaam, hoe weinig we weten. En dat alles samenhangt, dat er een onderaards internet is, dat het plantenleven met elkaar verbindt. Dat het niet alleen maar strijd om het bestaan is met enkel afgescheidenheid. Het raadsel ligt in de verbinding. De slijmzwam is het meest extreme voorbeeld. Hoe kan een groep eencellige wezens zich als één intelligent organisme gedragen! Daar kunnen wij nog wat van leren. Met vele eindeloze discussies zijn we nog geen stap verder gekomen. Kijk naar de slijmzwam en leer hoe te gaan. Snel gaat het niet, maar dat is niet erg.

.

.

NEDERLANDS:

ENGELS:

How can a group of single-celled creatures behave like one intelligent organism! We can learn something from that. With many endless discussions we have not gotten any further. Look at the slime mold and learn how to go. It’s not fast, but that’s okay.

.