Naar het theater

Een voorstelling over Sicco Mansholt . . .

theatermansholt 003

.

Een grote kas met een eenvoudig houten decor. Er staat een telefoon en een oude radio. Achter het decor, grote bakken afgedekt met zwart zeil. Er zitten vissen in, zegt iemand. Langzaam stromen de rijen stoelen vol. Vier vrouwen op de tweede rij wachten op het begin van de voorstelling. Drie elegante dames en ik.
Als een bontgekleurde bohemien zit ik tussen vriendinnen in brons met kralenkettingen. „Zal ik mijn hoed afdoen?” vraag ik aan de mensen achter me. Ze lachen me hartelijk toe als ik mijn zwarte bolhoed voor ze af neem en op schoot leg. Dan wordt het stil. De voorstelling gaat beginnen.
Het verhaal van Sicco Mansholt.

Een jonge vrouw op het toneel zet de radio aan.
“Wat is er met u gebeurd, mijnheer Mansholt?” vraagt een krakerige stem.
“Ik heb mij laten corrumperen door het kapitalisme.”
“Maar is dat niet hetzelfde kapitalisme als datgene wat u in de EEG belichaamt?”
“Dat is volkomen juist. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de grote vraagstukken van deze tijd, zoals het milieu, de Noord-Zuid tegenstelling, de macht van de multinationals, niet meer zijn op te lossen binnen het kapitalistische systeem. Tegelijk stel ik vast dat ook de socialisten geen antwoord hebben. Ze komen niet verder dan een kleinzielige strijd over de verdeling van de welvaartskoek.”
Ik luister met volle concentratie. Het stuk begint serieus en valt met de deur in huis. Goed opletten. Hier gaat het over. Dit is de dramatiek van deze man, die zijn leven lang meewerkte aan een steeds grootschaliger landbouwsysteem. Tot hij er, vlak voor zijn pensionering, spijt van kreeg.
Hij komt het toneel op. Een oude man, in grijs gekleed. Acteur Helmert Woudenberg. Nu als Sicco Mansholt. Hardop vertelt hij wat hij ziet, als hij met zijn auto door het landschap rijdt. Kleine weilandjes, boeren op het erf waarvan hij weet hoe conservatief ze zijn. Bungelend boven de afgrond zijn ze het taaist, zegt hij.
De ene na de andere personage komt op. Sicco Mansholt omringd door zijn tweede man, zijn vrouw, zijn secretaresse. Ook is er zijn liefje, een jonge vrouw van 24, die hem zeer bewondert, nu hij het roer volkomen wil omdraaien. De man werkt zich bijna dood. Was het eerst om het systeem op de rails te helpen, nu is het om datzelfde systeem ter discussie te stellen. Uiteindelijk ligt hij afgepeigerd met een hartaanval in het ziekenhuis. Als hij er uit komt wil hij niets meer dan een oude droom tot leven brengen. Hij bouwt een boot en gaat de oceaan op. In zijn eentje.
Het toneelstuk sluit met een gedicht, dat ik in het Engels het mooiste vind.

The World stands out on either side
No wider than the heart is wide,
Above the World is stretched the sky,
No higher than the soul is high.

In gedachten zie ik mijzelf, de eenvoud van de kleine wagen waar ik woon. En straks, rijdend in een huifkar, dat mijn huis zal zijn. Storm mag woeden, machten werken zich te pletter voor goud. Maar ik ben waar ik ben.
De spelers komen glimlachend het toneel op. Het publiek klapt, juicht en gaat staan. Ik pak mijn hoedje en gooi hem in de lucht. Maar niet te hoog. Anders ben ik hem kwijt. Als het applaus is weggeëbd, lopen we tussen de rij stoelen door naar de uitgang. Daar is vuur. En bier en wijn. Tevreden warmen we ons bij de vlammen.

.  .  .  .  .  .

Klik op deze zin voor meer info over het Mansholt-theater.

Onlangs bekend: In 2015 komt er een vervolgtour op locaties in het oosten en het zuiden van het land.

Fietsen naar de ezels

Op reis, Liempde Zeist 002
Voor mijn voeten, op de vloer van mijn huisje ligt een rijtje spullen. Noten, rozijnen, gierst. Peren, peper en zout, de kaart van midden Nederland, regenkleding. Het kistje met de maquette ligt er naast. “Wiekies Kolibri, schitteren gouden letters op mat zwart. Daar zit mijn kleine, nieuwe wagen in. Ik ga weer op pad.
„Wéér op de fiets? “ vraagt Dick opgewekt.
“Dat is vér hoor!” zegt Ton “En met al die buien..”
Ja, ik weet dat het ver is. En soms erg nat. Maar toch doe ik het. Want ik ben moe van de grote stations, de voortschrijdende automatisering, de anonimiteit. Ik word niet blij van het gepiep van toegangspaaltjes. De groeiende rij van schreeuwerige fastfood loop ik gauw voorbij. Toiletten met razendsnelle klaphekjes vind ik eveneens geen vooruitgang. Ik heb steeds meer moeite met het opzetten van de noodzakelijke oogkleppen, om hier doorheen te kunnen lopen. Eigenlijk vind ik het zonde van mijn tijd. In een langere weg op eigen kracht, heb ik meer plezier.
Dus ik ga weer op de fiets. Langs de oeverlandroute, richting Utrecht. Eindoel is de ezelsociëteit in Zeist.
Vanavond ga ik alleen maar naar een camping in Liempde. Dat is niet ver. Maar er is wel een simpele houten hut met een bed. Daar slaap ik. De Oeverlandroute loopt er vlak langs, en de volgende morgen kan ik direkt beginnen met de bordjes te volgen. Ik ben benieuwd wie en wat ik tegenkom onderweg.
Ik kijk naar de spullen op de grond. Zou het allemaal passen? Nog even puzzelen. Het lukt vast.

Denkend aan Henk Kuiper

.

.

Bosmuisje voor het raam

.

Wazig staar ik uit het raam en volg vanuit mijn ooghoek het snelle gespring van een bosmuisje. Ik heb rouw. Er is iemand doodgegaan en gisteren was ik op de crematie. Henk Kuiper. Een man die ik slechts eenmaal ontmoette, maar aan wie ik regelmatig denk. Als ik in mijn eentje naar vogels luister. Of als ik me afvraag wat voor beestje het is, dat ik tegen een grassprietje omhoog zie kruipen. Dan kijk ik er naar, en nog eens en nog eens. De naam weet ik vaker niet dan wel. Nu zoek ik het op in een boek. Maar Henk had me vast veel kunnen vertellen, heel veel. Die wist ook dat je inkt kan maken uit de bolletjes van galwespen.
Ik herken zijn drang naar eenvoud. Hij was een man die veel van het leven hield en met eindeloos geduld de natuur observeerde. Een strijder tegen consumptiedwang. Henk heeft in een bakfiets gewoond, omdat een piepklein huis op wielen de enige manier was om regels te ontlopen. Hij maakte er een boekje van. „Huttonia,” heet het. Vijfentwintig jaar geleden kreeg ik het in handen. Geboeid las ik het in één keer uit. Ik wist toen nog niet dat ik zelf zoveel drastische keuzes zou gaan nemen in mijn leven. Nu ben ik het, die woont in een huisje op wielen.
Henk is hier eenmaal geweest. * Hij was toen al erg ziek. Mijn vriend John la Haye nam hem mee in de auto. Hij wilde ons al zolang aan elkaar voorstellen, maar het kwam er nooit van. Die dag was het eindelijk zo ver. Het was een mooie middag. Henk was erg blij.  “Het doet me zo goed, te zien dat er nog steeds mensen zijn die zo eenvoudig willen leven. ” zei hij. We vonden het alle drie jammer dat onze tijd zo snel voorbij was.
Het bosmuisje verdwijnt weer onder de cementemmer. Daar heeft hij zijn holletje. Terwijl ik hem zie wegglippen denk ik aan de man die ik gisteren sprak, op de crematie, een vriend van Henk. Hein, hovenier van bostuinen. Hij vertelde dat Henk ook naar Roemenië is geweest, en zag hoe eenvoudig de mensen daar nog leefden. Het is dezelfde reden dat dit land mij zo aantrok, en waarom ik de taal ben gaan leren. Zo waren er nog veel meer verhalen over deze man. Wat ik hoorde en zag is voor mijn opnieuw een bevestiging: Je kan elkaar nooit of maar eenmaal hebben ontmoet, en toch verbonden zijn. Wonderlijk. En toch heel gewoon. In wezen ben ik nooit alleen. Ik niet, jij niet, niemand niet.

* Lees: https://alowieke.wordpress.com/2013/06/19/als-het-broeit-bij-spreeuwen/

Het onderstaande filmpje geeft een kort en helder beeld van hem.

.

.

.

Mijn eigen kleine huisje

.

Klein huisje, tiny house, mijn pipowagen

Exclusief bordes,
is mijn huisje twee bij zes.

Zo goed ken ik de kurkvloer
de kachel en de kast
de rijkdom van de eenvoud
mijn plek waar alles past

Mussen kwekken in het gras
en drinken uit de ton
mijn hoofd is fris als lentelucht
zoveel wat ik er won

Wellicht is het meer een jas
waarin ik nu leef
en alles wat er niet in past
dat komt gewoon te geef

Hier waar sterren helder zijn
werk ik gestadig verder
aan wat er is en wat wil zijn
net als een bloemenherder

Het hart blijft zachtjes gloeien
niets wat persée moet
ik laat hier groeien wat er is
Kom, deel mijn overvloed

***
**
*

http://nos.nl/artikel/611348-de-armste-president-ter-wereld.html
“Met een klein huis heb je minder zorgen”, zegt ook de president van Uruguay.

.

.

Zelfgemaakte melk

Ontbijten Dick en ik
Zondag. Het is ochtend, en het is koud. Maar binnen niet. Ik heb de kachel weer warm gemaakt en het bed ingeklapt. Dick heeft de eettafel uitgeklapt en het is gezellig. Het ontbijt is eenvoudig, maar we doen er lekker lang over. We praten over van alles en nog wat. Nu gaat het over melk. Ik heb iets nieuws uitgeprobeerd. „Vind je het lekker?” vraag ik aan Dick, en ik kijk hem afwachtend aan. “Ja, heerlijk!” In zijn hand heeft hij een vers kopje koffie met de allereerste zelfgemaakte havermelk. Ik glim. Het is gelukt!
Ik heb het wel eens eerder geprobeerd met zilvervliesrijst, en dan door de zeef. In het recept stond dat ik een blender moest gebruiken maar ik wil liever niet meer apparaten. Mijn keukentje is maar klein. Toch lukte het me niet om daar het heerlijke romige goedje uit te krijgen dat ik in het recept beschreven zag. Het werd een kliederboel. En ik had een hele vieze zeef. Maar een recept met havermelk heb ik nog nergens gezien. Misschien omdat het zo belachelijk eenvoudig te maken is. Er komt geen blender of staafmixer aan te pas.
Ik liet de haver weken voor mijn ontbijt, een hele nacht. Samen met een klein handje rozijnen. Lekkere dikke havervlokken, uit een mooi wit papieren zakje. Biologisch. Ik zag dat het water steeds melkeriger werd. Laat ik het eens een beetje aanstampen, dacht ik. Ik pakte mijn stenen vijzel, en tussen de bedrijven door stampte ik wat. Met plezier zag ik de vloeistof steeds witter worden. Ik goot het goedje door de zeef, en klaar was het. Ik had ineens twee lekkere dingen. Geweekte haver met rozijnen, lekker door het fruit. En ik had melk voor in ons kopje koffie, zoet van de rozijnen.

Maandag. Dick is weer weg. De pot met vlokken is leeg. In de buurt is geen biologische kruidenier. Dus ik heb havervlokken gekocht bij de Emté, in Diessen.
“Hahne” staat erop. Maar twee-en-veertig eurocent voor een heel pakje vol. Verbazingwekkend, zo goedkoop. Ik maak het open. Het zijn kleine vlokjes, veel kleiner en stoffiger dan die van gisteren. Ik doe het in een kom met water en laat het staan. Stampen hoeft niet, dit is al bijna tot stof gestampt voordat het verpakt werd.
De volgende dag is het een dikke prut geworden. Ik druk de zeef erin en lepel de melk uit de zeef. Zo wordt die zeef niet zo vies als wanneer ik het papje erin gooi. De melk is wel romig, maar lang niet zo mooi als die van gisteren. De prut die overblijft in de kom, ziet er ook niet aantrekkelijk uit. Het lijkt wel papier maché. Voorzichtig proef ik en het smaakt ook zo. Ook de melk heeft een beetje een kartonsmaak.
Dit zal ik maar niemand voorschotelen. Ik ga maar eens uitkijken naar een vijf kilozak, met lekkere biologische havervlokken. Het liefst rechtstreeks van de graanpletterij.
Ik wist niet dat ik het zo leuk zou vinden om zo te experimenteren met voedsel en het vrienden te laten proeven. Al ben ik bijna negenenveertig, ik ontdek steeds nieuwe dingen.

Toch maar klein houden

Boomspiegel  (4)
De zon schijnt. Eindelijk worden we overgoten met licht, na die lange donkere dagen. De wind is guur, maar daar maal ik niet om. Het is een mooie dag om aan de slag te gaan. Ik sta bij de kleine boomgaard. Er staan achttien fruitbomen. Die heeft de beheerder geplant, Ton. Al dertig jaar geleden. Onder de bomen is gras. Het is keurig kortgehouden. Dat is het makkelijkste in onderhoud. En er is véél onderhoud. Weelderige ondergroei van kruiden en bloemen is er daarom nooit gekomen.
Maar nu mag ik iets gaan doen met die boomspiegels. Ik ben blij met dat vertrouwen en neem de tijd om over het idee na te denken. Waar ik rekening mee moet houden, is dat de grasmaaier er vlot tussendoor kan. Een-meter-tien moet er over blijven. Ton maait in stroken. Stroken in de lengte en stroken in de breedte, als een ruitjespatroon. In gedachten zie ik nog maar heel weinig gras. Alleen drie lange paden zijn overgebleven. Precies groot genoeg voor zijn maaiende racewagen. Onder de bomenrijen is alles begroeid. In de lange bedden zie ik de roze damastbloem, dezelfde die in mijn tuin staat. Het donkergroene blad is vrij groot en het bedekt de bodem rond de stam. De bloem kan je eten. Langs de randen van het perk staan muntplanten en andere kruiden. Ik kan het makkelijk plukken, zo pal naast het pad van gras.
Ik zie het haarscherp voor me. Dan vervliegt het visioen. Zover is het nog lang niet. Hoe ga ik dat doen, vraag ik me af, al die meterslange bedden. Er zijn konijnen. Die graven alles ondersteboven. Als dat zo is, dan heb ik gaas nodig, véél gaas. En palen. Ook veel. Waar haal ik dat vandaan? Ik heb maar vijf meter kippegaas, en dat spul is heel erg duur.
Nee, ik ga me hier niet in verslikken. Ik laat het hele idee voor wat het is. Ik begin gewoon met één boom. Eerst een perk uitzetten. Ik pak het rolletje touw uit mijn zak en kijk om me heen of ik iets van stokjes zie. Naast de rieten schutting liggen een paar stevige rietstengels die er tussen uit zijn gevallen. Ik raap ze op. Er vlak bij vind ik een ijzeren staafje, waarmee ik gaatjes kan prikken. Mooi zo. Nu heb ik alles. Netjes zet ik een vierkant uit en begin langs het touw met spitten. Zorgvuldig draai ik de grote kluiten gras om, zodat geen enkel sprietje er meer bovenuit steekt, en elke worm die ik zie, dek ik weer netjes onder. Ik kom maar één klein mierennestje tegen, en probeer ze zoveel mogelijk te sparen. Dan is de boomspiegel af. De bloemen komen later, laat eerst het gras maar doodgaan, daar onder die kluiten.

Het is een dag later. Ik zit in de zon aan tafel en drink een kop kruidenthee. Terwijl ik naar buiten kijk denk ik aan mijn werk van gisteren. Ik ben blij dat ik het zo klein heb gehouden. Hoewel we hier op dit moment met drie mensen zijn, ben ik de enige die tuiniert. Zolang dat zo is ga ik geen grote lappen grond omspitten. Zo is het, en niet anders.
De thee is op. Ik zet mijn glas op het aanrecht en pak mijn aantekeningen uit de kast. Verder met het boekje. Dat is nog een heel project.

Zeven maanden zonder

Simpel zonder
“Als één persoon zegt dat iets zo is, dan zou ik dat eerst onderzoeken.” zegt Dick. Het gaat over bruinkool. Ik ben bezig met de as uit mijn Zwitserse tegelkachel. ’s Nachts doe ik er een broodje bruinkool in, dan is de kachel de volgende ochtend nog steeds warm. Bruinkool gloeit lang door. Maar is mijn as dan nog vruchtbaar voor de bodem, dat is de vraag.
“Dat uitzoeken is toch lastig Dick,” zeg ik “zonder internet.” Dick vind het wel fijn, mijn internetvrije zone. Als we elkaar ontmoeten dan is er geen enkele stoorzender. Daar komt bij, hij is de hele dag al aan het internetten, voor zijn werk. Mijn leven ziet er heel anders uit. Om te internetten fiets ik vier kilometer naar Diessen, door het bos. Al sinds april. Hoe langer ik zonder internet ben, hoe minder ik er voor op pad ga. Als je ergens weinig in stopt, komt er ook steeds minder uit.

“Gesloten” staat er op de deur. Ik zet mijn fiets neer, naast het internetcafé. Daar staat een houten bankje. Nat van de regen. Met een vodje katoen, dat aan mijn fietskar hangt, veeg ik de druppels eraf. Voor mijn neus staat een auto geparkeerd, ik kan er nog net tussen met mijn benen. Ik kan ook nog drie kilometer doorfietsen naar de bieb in Hilvarenbeek. Maar dat doe ik niet. Ik blijf nu hier, op het houten bankje. De eigenaar van de auto komt terug. Hij kijkt me verbaasd aan en en bedankt me voor het passen op zijn wagen. `Graag gedaan`, zeg ik en buig me weer over het beeldschermpje. De tijd vliegt, als ik de onophoudelijke stroom mail aan het bijwerken ben. Er zit maar weinig bij wat echt voor mij bedoeld is. Toch is er zomaar een uur voorbij. Op mijn gemak van alles bekijken, bewerken en opzoeken, daar komt het niet van. Dat is bijna altijd zo. Ik begin dat nu te missen. Zonder internet in huis drijf ik langzaam maar zeker af, van de rest van de wereld. Zo voelt het. Als een eilandje.

Het was prettig, een lange poos zonder. Het gaf me rust om hier helemaal te zijn, zonder afleiding. Ik kon kijken naar wat ik nog allemaal heb. Het overbodige heb ik weggedaan. Een compacte verzameling boeken staat nu op de plank. Over planten, metselen, houtbewerking, spoorzoeken, vogels, insecten, schiemanskunst, en meer. Ik heb alles doorgenomen en weet nu precies waar ik aan toe ben met mijn spullen.
Zeven maanden zonder internet. Dat was het. Ik ben er klaar mee. Ik wil ook weer dingen lezen die niet op mijn boekenplank staan. En kletsen met vrienden. Soms vraagt iemand me naar foto’s en tekeningen. Zonder internet kan ik maar beperkt delen, wat ik hier uitwerk. Ik wil het zelf ook graag. Ik besef het nu. De internetvrije periode is voorbij. Maar nog niet helemaal. Eerst moet er aan gewerkt worden. Ik heb gevraagd om Wifi op de camping en de kans is groot dat het binnenkort voor elkaar komt. Iedereen die hier komt kan er dan van mee profiteren. Als het voor elkaar is vier ik een feestje. Ik zeg wel wanneer.

Inmiddels weten we meer. Onze camping ligt te ver van het snelle netwerk. We kunnen niet meer dan 2 MB krijgen en het kost een hoop geld om het aan te leggen. Geen Wifi dus. Ik kijk nog even wat ik nu ga doen.

Spin houd er bijna mee op.
De spin op mijn deur is niet meer zo ijverig.

Spin is weg
De volgende dag is hij verdwenen.

Bij deze beëindig ik het contract

Ik kap ermee

“Als het goed is, ben ik per twintig juni 2013 uitgeschreven”. Dat typte ik naar de KPN, om mijn mobiele internetcontract te beëindigen. Ik heb in het begin een dongel van ze gekregen, een wit stickje dat ik in mijn laptop moest stoppen. Dan heb je overal verbinding zeiden ze, waar je ook bent. Je betaalt een vast bedrag per maand en er zijn allerlei soorten abonnementen. Die kan je helemaal afstemmen op je behoefte. Maar wat is dat dan. Wat is mijn behoefte?
In dit geval rees de vraag, nadat ik dacht dat ik een grotere bundel wilde. Dat vond de KPN natuurlijk prima, maar op de dag dat het in zou gaan, zat ik opeens zonder verbinding. Ik heb drie keer de klantenservice gebeld en minutenlang gewacht. Ik ben naar de telefoonwinkel in Utrecht geweest. Daar konden ze niets doen als ik mijn laptop niet mee had. Daarna ben ik in de KPN winkel in Emmeloord geweest. Ik had mijn laptop mee. De jongen probeerde wat, maar kreeg het ook niet voor elkaar. Hij zei dat ik het zelf moest oplossen door de helpdesk te bellen. Dat was helemaal gratis. Maar ondertussen betaal ik wel voor een verbinding die er niet is. Ik hakte de knoop door. Laat maar, dacht ik. Ik doe geen moeite meer. Ik had al dagen niet meer naar dat kleine schermpje gekeken en werd er eigenlijk best rustig van.

Ik heb geen bedrijf meer waardoor ik altijd bereikbaar moet zijn. Elk moment op facebook kunnen kijken, voegt het iets toe voor mij? Verslavend gedrag is goed voor de groei-economie. Bedrijven verdienen aan allerlei soorten van verslaving. Maar ik doe niet meer mee.
Ik ga verder zonder internet in huis. Via de radio kan ik luisteren wat er gebeurt. Ik schrijf stukjes en berichten. Ik verzamel ze op momenten dat ik het verwerk. Ik maak een lijstje van wat ik wil weten en wat ik wil doen, en ga ervoor op pad. Zo eenvoudig is het nu.
Af en toe stap ik op de fiets en rijdt een stukje door het bos. Achter het bos ligt Diessen. Daar is een café waar WIFI is, en waar ik een glaasje sap drink tijdens het werk. Ze kennen me al. Ik kan ook doorfietsen naar Beek, naar de bieb. Daar ben ik nog niet geweest, maar dat komt nog wel. Mooie voorziening eigenlijk, zo’n openbare plek waar kennis ligt opgeslagen. Waar je kan werken en elkaar kan ontmoeten. Waar je ook een poster op kan hangen als je iets organiseert. Een echte plek, met mensen. Én internet.

Ik maak mezelf los van contracten die me binden aan de oude groei-economie. Het gaat niet in één keer en soms is het eenzaam. Maar ik word gedragen door de golf van deze tijd. Ik ben niet bang. Ik merk op dat veel mensen zich graag zouden willen bevrijden van een heel pakket aan lasten. Het gaat niet vanzelf. Ik vertel hoe ik het doe en wat ik ontdek. Er kan veel, als je wilt en geduld hebt. Als de dikke schil van lasten van ons afvalt, dan is er ruimte voor dat, wat van binnenuit wil groeien.

Ik word blij van een wereld die opleeft, en die groeit van binnenuit. Met oergezond zaad. Oude volksfeesten om het zaaigoed te bezingen, en de eindeloze vruchtbaarheid van de natuur. Zaad dat ontkiemt en zich vermeerdert waar het zich thuis voelt. Vruchten om te oogsten, smaakvol en kleurig uitgestald bij het oogstfeest. Verscheidenheid die zich uitbreidt. Alles en iedereen in zijn element. Daar ga ik voor.

.

.

.

.

Een melkbusje vol water

.

Een melkbusje van aluminium met vier liter water

.

 

Het is vrijdagmiddag half vier. Over het grasveld komt Dick aanfietsen, mijn vriend. Helemaal uit Eindhoven. Hij heeft een grote lach op zijn gezicht, een spiegel van de mijne, want we zijn allebei blij elkaar weer te zien. Het was alweer tien dagen geleden dat we afscheid namen. Een warme omhelzing. Ik zet koffie van het laatste water. Dick pakt het lege melkbusje van het aanrecht om water te halen. Hetzelfde busje heeft vroeger ook al dienst gedaan als fooienpot, in de werfkelder, tijdens bijeenkomsten. En nu zit mijn watervoorraad er in. Even later komt Dick terug met de gevulde bus, en ik zet het terug waar het stond. Ik hang de soeplepel weer over de rand heen. Daarmee kun je je glas vullen als je dorst hebt. Of het kommetje water verschonen, waarin je je handen kan wassen.
Naast de waterbus en de gootsteen zit ook een kraan en een knop. Toen ik hier net introk, kwam er water uit die kraan, als je op de knop drukte. Dat water kwam van onder de wagen weg. Daar stond een jerrycan met twintig liter erin en een pomp er aan vast. Die pompte het omhoog en zo leek het net een echte keuken zoals in een gewoon huis.
Ik kwam er al gauw achter dat ik daar helemaal niet zo blij mee was. Ik kon niet zien hoeveel water ik nog had. Net op momenten dat ik er niet op zat te wachten was het op. En als je je handen wast, gebruik je automatisch veel meer. Het lijkt in overvloed aanwezig te zijn. Dat ben je zo gewend, als je een kraan hebt. Opendraaien en uitgebreid laten stromen. Mensen die langskomen hebben het ook niet door. Maar het is toch maar twintig liter wat er in zo’n vaatje zit en een grotere wil ik ook niet, dat kost alleen maar ruimte. Bovendien, hoe meer ik ergens van hebt, hoe meer ik gebruik. Ik vind het ook fijn om het water te zien. En het is ook handig als ik kan zien hoeveel ik nog heb. Het melkbusje is niet te groot en niet te klein. Een leuk ding, vind ik. Er zit vier liter in, en in mijn eentje doe ik er anderhalve dag mee. Twee keer per week ga ik twee minuten onder de douche van de camping en was ik mijn haar.

Al doende merk ik wat ik echt nodig heb en leef met veel minder water. Ik heb een mooi compostemmertje, dus ik hoef ook geen drinkwater door de plee te spoelen. Het liefst zou ik mijn water zelf uit een put halen. Leuk, dat hijsen met een emmer. Maar die hebben we hier niet. Dus haal ik het maar gewoon uit de kraan van de campingkeuken. En als ik dan met Dick mijn vers gezette kopje koffie drink, dan geniet ik.

Vlak voor wij de koffie drinken....

Bevroren vensters

De andere kant van de kijkdoos

Ik word wakker en doe mijn ogen open. Het is veel lichter dan anders, zie ik. Vanuit mijn warme bed vraag ik me af hoe de wereld er vandaag uit ziet. Het is niet de warme gloed van de zon die ik zie door de gordijnen, het licht is witter. Ik verlaat mijn warme hol en schuif het dunne witte katoen opzij, dat voor mijn deur hangt. Het glas in de deur is het enige grote raam van mijn huisje. Er staan ijsbloemen op de ruit en ik maak met mijn adem en nagels een kijkgaatje. Nieuwsgierig kijk ik naar buiten. Ik zie dat er een dikke laag sneeuw ligt. Ik twijfel niet en volg het dagelijkse ritueel, net als anders. Dapper was ik me bij het aanrecht. Met het washandje. Ik heb een kom met water, net als mensen vroeger gebruikten. De afvoer van de gootsteen is dichtgevroren, dus ik gebruik een andere kom voor het vuile water. Als ik klaar ben, pak ik mijn koude kleren en trek ze aan. Brr, ik had liever mijn warme nachthemd nog even aangehouden. Als ik een poosje later klaarwakker en met koude handen en voeten op de bank zit, pak ik de computer. Ik heb er niet echt zin in vandaag. Misschien is er iemand die aan me gedacht heeft, dat zou al een stuk schelen. Ik steek de dongel er in en probeer verbinding te maken. Het lukt niet. Ik probeer het nog een keer en nog een keer, en ik krijg het steeds kouder. Ik weet dat ik er mee op moet houden en wat anders moet gaan doen. Nou voel ik me alleen maar dubbel zielig. Koud en ook nog zonder verbinding. En mijn beltegoed is ook op, dus ik kan niemand bellen. Zo zit ik op de bank te kniezen. Maar niet lang, want al gauw moet ik lachen om mezelf. Het is toch helemaal niet moeilijk om het weer wat leuker te maken… ik kan gewoon naar het dorp fietsen voor een opwaardeerkaart en wat andere boodschappen. Daar word ik dan ook nog lekker warm van. Het is toch al elf uur geweest als ik dat besluit neem. De wagen is inmiddels wat opgewarmd.
Als ik naar buiten ga zie ik geen zwijntje achter het hek bij de vijver, en ook geen pauw op het stille, witte terrein. Zouden ze ziek zijn of nog slapen? Ach die liggen natuurlijk gewoon in hun warme nest. Dieren weten wel beter. In de winter koesteren ze zich zo lang mogelijk in hun eigen lichaamswarmte. Die gaan zich niet staan wassen in de kou, voor de ijsbloemen van de ruiten zijn. Straks ben ik ziek en zij mankeren niks natuurlijk. Pas als ik terug kom van mijn boodschappen komt het zwijntje zijn nest uit, en knort vanuit de verte om voer. Ik haal een portie kattenbrokken voor hem uit de wagen en hij peuzelt ze tevreden op. Ik besluit om morgenochtend te doen wat hij ook doet. Zo min mogelijk energie verspillen.
De volgende dag heb ik een lichte oorpijn en mijn rechteroor zit potdicht. Het is nog veel kouder dan gisteren. Ik doe wat ik bedacht heb, toen ik naar het zwijntje keek. Als ik om negen uur opsta, houd ik mijn nachthemd aan. In mijn nest blijven liggen gaat me toch iets te ver. Ik trek al mijn kleren er over heen. Zo houd ik mijn eigen warmte nog een poos bij me. Ik vouw het beddengoed op, leg het boven de bank op een plank, net als anders. In de kachel liggen nog wat restanten bruinkool te gloeien, en ik krijg hem makkelijk weer brandende. Na het ontbijt doe ik een woonmantel om me heen en gooi af en toe een houtje op de kachel. Vanwege een technisch probleem kan ik hem op dit moment niet superheet stoken. Het is al twee uur in de middag als ik nog steeds met het wollen kleed om me heen en met koude handen aan mijn laptop zit te typen. Daarna wordt het langzaam warmer…
Ik heb Ton gebeld. Het is zeven uur als hij aan komt lopen met twee infraroodkachels, van 450 Watt. Ik mag ook zijn houtvoorraad gebruiken, tegen betaling. Dat is fijn, dan hoef ik niet te gaan sprokkelen en zagen in de sneeuw. Als het weer dooit zoek ik mijn hout zelf wel weer. Ik ben erg blij. Ik doe allebei de kachels tegelijk aan en verdrijf de kou uit mijn botten. Tot ik weer helemaal warm ben. Dan zet ik er eentje uit.

Ik ben nu hier, weg van de bewoonde wereld, dicht bij de natuur. Ik heb mijn huis van de hand gedaan en leef zo simpel als het maar kan. Maar natuurlijk hoeven we niet terug naar de tijd dat het leven bar en boos was in de winter. Mijn omstandigheden zijn nu erg minimaal, zeker met deze temperaturen onder de min vijftien. Maar door heel eenvoudig te leven, zie ik wat ik echt nodig heb. Ik wil geen groot huis meer.

Schrijven in ijs