Leefruimte

.

Uit het boek: Langs kantelende wegen, zie de link onderaan.

.

Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig. (De link naar het voorgelezen verhaal vind je onderaan. )

Op mijn blauwe klompen klos ik het bordes op van m’n vriend Dick. Het is een klein groen huisje, aan de rand van de weilanden. Het is klein, maar toch wel twee keer zo groot als dat van mij. Het is een heel eind lopen, om er te komen. Ik vind het leuk dat hij ook eenvoudig leeft.

De stormachtige wind waait hard over het weiland. Ik veeg mijn modderklompen af aan een opstaande rand. Voorzichtig doe ik de deur open. Hij draait naar buiten, ik moet uitkijken dat hij niet uit mijn handen klapt. Terwijl ik mijn klompen uitdoe, hoor ik binnen het geluid van de radio. Er is reclame. “Stem op 50+”, hoor ik een vrouw zeggen met een wat monotone stem. Dick fronst zijn wenkbrauwen en kijkt op van zijn laptop. “Dit vind ik zo’n irritante partij! Ze hebben het alleen maar over pietluttige geldzaakjes. Ze denken alleen aan zichzelf, terwijl ze gewoonlijk geld zat hebben.” Ik kijk hem aan. “Als ze alleen aan zichzelf denken, hoe kunnen ze dan samenwerken in een partij?” Vraag ik. En ik denk over zijn opmerking na, terwijl ik water opzet voor thee. “Om het tij te keren moeten we meer in verbanden gaan denken, als Ubuntu. Dat is best lastig in een wereld waarin mensen vooral denken aan hun eigenbelang. Is het dat wat je bedoelt?” Hij kijkt op. “Ja, dat”, zegt hij kort. Dan gaat hij weer door met schrijven. Dat is wat we gemeen hebben. Allebei schrijven we over een mooiere aarde, en wat je daaraan kan doen. Alleen schrijf ik vanuit mijn eigen leven, vaak praktisch, soms verdiepend en filosofisch. In de tijd dat ik ’s ochtends de Swette in stap en mijn oefeningen doe, leest hij elders in zijn huurhuisje de krant. Hij heeft een eigen website en houdt interviews. We praten er vaak over. Hoe maak je de wereld mooier. Waarom leven we liever in een tiny house?

Dick is niet de enige met wie ik daarover praat. Er komen soms mensen bij me langs, die er over na denken. Het gaat over landgebruik en mensen, geschiedenis en toekomst. Er is veel te delen. “De dieren hebben woningnood”, schrijft Natuurmonumenten aan de minister. Er is algehele woningnood, voor mensen én voor dieren. Reekalfjes die verstopt liggen in maisvelden worden kapotgereden door grote tractoren. Reekalfjes in natuurgebieden worden gedood en aangevreten door loslopende honden. Recreatie loopt fors uit de klauwen. Het is maar een voorbeeld. Overal is nood aan een plek onder de zon. Onder mens én dier. Wat kunnen we daar aan doen? Eén ding is duidelijk: We hebben nieuwe paden nodig.

Ik maak een klein begin. Samen met Linde werk ik aan een nieuw pad. Ik zie het als symbool voor een veel groter pad, waar ieder mens een begin aan kan maken. We laten een klein stuk land begroeien, Linde en ik. Het is een verhaal, dat je delen kan. Slechts een speldeknop is het, in het uitgestrekte biljartlaken van groene weilanden, maar toch, het ís iets.

Al die hectares met monotone akkers. Het tekort aan leefruimte. Hoe kan het anders, en wel zó, dat de boer er ook beter op wordt? Hiermee eindig ik. Precies op de dag van de verkiezingen. Ja, ik ga ook stemmen, en wel met deze vraag in mijn gedachten.

.

Luister hier

.

Bestel hier mijn boek: https://alowieke.blog/langs-kantelende-wegen-is-uit-bestellen-kan-hier/

Groene Verhalen, de site van Dick.

.

.

Een gedreven greppelkenner

.

.

Ik denk aan de twee die ik achter liet aan tafel, bezielde jonge mensen, beide zullen ze een rol spelen in de transformatie van mens en bodem. Hier, in ons eigen land. Ze zullen verbindingen herstellen en het contact met wat werkelijk van waarde is.

(Luister onderaan het verhaal naar het voorlezen)

.

Er komt iemand het veld oplopen met een rugzak. Vanuit mijn raam zie ik haar verende tred en doelbewust loopt ze op mijn huisje af. Het is Christien uit Leiden. Ze studeert culturele antropologie en is al twee keer op bezoek geweest om te praten over off grid leven en voedselbewustzijn. Ik help haar verder bij het vinden van boeiende contacten. Vandaag gaan we naar Jeroen. Jeroen is mijn buurman. Hij is tien jaar ouder dan Christien en twintig jaar jonger dan ik. Hij is landschapshistoricus en werkt alle zaterdagen bij een boer. De ecologische rijkdom van het culturele boerenlandschap, daar kan hij veel over vertellen. Mensenwerk ziet hij daarin als onmisbaar. Machines kunnen het nooit helemaal overnemen, met diezelfde aandacht. Dat is het gebied wat ook mij interesseert. Mensen. . . Culturele antropologie. . . Omdat ik een vruchtbaar grensgebied vermoed, wil ik ze vandaag aan elkaar voorstellen, Christien en Jeroen.

Ik sta nog in mijn hemd, mijn huid is fris en roze van het koude Swettewater. Een natte handdoek ligt op de grond. Ik hang de handdoek op boven de kachel en kleed me snel aan. Als Christien achter de wagen voor het raam staat, ben ik net precies klaar. “We gaan zo naar Jeroen hè?”zeg ik om het hoekje. “Ik kom er zo aan hoor!” Christien lacht en knikt. “Mag ik mijn rugzak bij jou achterlaten, met de camera?” Als alles klaar is lopen we samen het veld over naar het pad. Alle plassen zijn in korte tijd verdwenen, het veld is niet zompig meer. Er is flink gepompt, de gemalen hebben heel wat grondwater weggekregen uit de velden. Ik zie zoiets meteen. Toen ik van de week in de Swette mijn dagelijkse bad nam, stond het water wel meer dan dertig centimeter hoger. Na een dag was het al weg. Al het zoete grondwater is nu naar de zee gestroomd. Steeds meer mensen maken zich daar druk over. Het geeft problemen. Al meerdere jaren hadden we daarna een lange periode van droogte. Jeroen kan daar niet over uit. Dat ze steeds dezelfde fout maken, terwijl ze weten dat het anders moet. Water en land, het is zijn vakgebied. Greppels als cultuurlandschap wordt ook sterk ondergewaardeerd. We hebben de greppels nodig, hier in Friesland, voor de vochthuishouding. Niet alleen wij mensen hebben het water nodig, maar ook de weidevogels in de eerste plaats. In die keiharde drooggepompte grond is geen sikkepit aan voedsel te vinden.

Dit is het verhaal, wat hij vertelt, wanneer we met zijn drieën om de lage houten tafel zitten. Dit en nog veel meer. Ik zit op een klein stoeltje en nip van mijn hete thee. Ik stel vragen aan beide, en met zijn drieën komt er een boeiend gesprek op gang. Christien vertelt over haar eigen ervaringen. Ook Jeroen geniet. Dit is het verhaal wat hij zo graag wil delen. De bodem en de vogels, ze hebben het nodig. En wij mensen uiteindelijk ook. Wij mensen moeten het doen. Daarom is hij hier. “Hoe lang blijf je hier nog?” vraag ik hem. “Dat weet ik niet.” zegt hij. “Het doel is om 1000 aaneengesloten hectares aan greppellandschap te kunnen herstellen. We zoeken boeren die eraan mee willen werken, Het wordt een gebied vol kruiden en insecten. Het zal een plek bieden aan de grutto’s en andere weidevogels. Die ruimte is nodig. Met minder kan het niet.” Hij vertelt over de weide van de boer waar hij werkt, die daar voor bestemd is. “Het is veel te klein. Er blijft er geen eentje over, van de jongen. Zo’n vogelwei trekt marters aan en andere roofdieren. In een land waar verder niet veel te halen valt, is zo’n broedgebied hun provisiekast. Het moet veel groter. Duizend hectare is minimaal. Ik weet niet hoelang het duurt, voor we dat voor elkaar hebben. Zolang blijf ik hier.” Jeroen weet dat hij geduld moet hebben. Maar er zijn veel mensen die zich ervoor hebben verenigd. “De Kening fan de Greide,” die verbindt hen.

Ik blijf nog heel lang zitten. Dan sta ik op. Achter mij praten ze verder. De deur valt achter me dicht. Er zit geen klink op, hij blijft op een kier staan. Ik loop tussen de bomen door naar de Swette toe. Het is mistig. Ik denk aan de twee die ik achter liet aan tafel, bezielde jonge mensen, beide zullen ze een rol spelen in de transformatie van mens en bodem. Hier, in ons eigen land. Ze zullen verbindingen herstellen en het contact met wat werkelijk van waarde is. Ik staar in de mist en vraag me af wat mijn nu rol is. Dat weet niemand. Het is aan mij. En dan kom ik opnieuw op diezelfde gedachte. We moeten het laten zien. We moeten laten zien hoe het ook kan. Boeren doen dat, die de omslag maakten. Dat kost veel tijd. Maar ik kan het ook laten zien en horen, sneller en lichtvoetiger. Met verbeeldingskracht, ervaring en kleine observaties kan ik in woord en beeld laten zien wat er nog niet is. Verhalenpaden, ja! Songlines. Ik weet dat ze kronkelen. Wat is het volgende lied? Waar komen we uit?

.

.

.

.

.

De geur van Duindoorn in september

.

.

Het schelpenpad maakt

voor vele voeten een weg

de horizon kraakt

.

Zon rijst warm en traag

uit oranje bessenzee

vruchten die ik draag

.

Wortels in de kust

vlak voor de wereld afsterft

spreid ik levenslust

.

Hier en nergens anders

 

 

 

(Bezoek aan Schiermonnikoog met rijpe duindoornbessen.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Zwetend langs smeltende wakken

.

.

Tilburg. Ik ben er. Ik stap uit de trein, sjouw tussen de piepende poortjes door en check uit. Mijn winterjas is veel te warm. Hij was ooit van mijn moeder en nu heb ik hem aan. Met twee truien er nog onder, zweet ik de uitgang van het station uit. De lucht juicht lente, maar ik sleep me voort als een dweil. Ik loop verder, naar waar de bussen waren, maar er zijn geen bussen meer. Ik zie alleen hekken en allemaal afgezaagde platanen, die ooit zo fier het kleine plein opsierden. Ik draai me om en daar is een informatiebord. De bussen zijn verplaatst naar de andere kant van het station.
Ik loop de stationshal uit en zie in de verte bus 142 wegrijden. Tenminste, dat denk ik. Druipend van het zweet zet ik mijn rugzak op de grond en kijk naar het meisje naast me. “Bus gemist,” mopper ik. “ Die tijden zijn weer eens niet op elkaar afgestemd.”Het meisje zegt “ja” en kijkt gauw de andere kant op.
Ik speur naar een bankje om de warme IJslandse trui uit te doen, die ik onder mijn jas aan heb. Ik vind een plek waar niemand zit. Ik smijt mijn jas uit, prop de trui in mijn rugzak, hij past er nog net bij.

Ik heb het nog steeds warm. Zal ik alles uitgooien en een uur op het bankje gaan zitten? Ik zie mezelf zitten, een dame die de bus heeft gemist. Maar ik ben helemaal geen dame. En ik mis niks. Ik ga niet zitten wachten tot volgende komt, besluit ik. Ik ga gewoon lopen. Als ik mijn benen beweeg kom ik er vanzelf. Zeventien kilometer, dat kan best.
Ik doe mijn jas weer aan, pak mijn rugzak en steek mijn armen erin. De jas is warm, de tas voelt zwaar. Maar toch doe ik het. Er zijn zoveel mensen op de wereld die de bus niet kunnen nemen. Vandaag denk ik aan ze. Bovendien is het een mooie dag.
Terwijl ik de eerste passen maak, zie ik een bus wegrijden. “142” zie ik staan. Ik kan nog net de plaatsnaam onderscheiden. “Best” staat er op. Ik had de bus helemaal niet gemist. Maar nu wel. Misschien wilde ik hem wel missen. Ik hijs de rugzak wat hoger en begin vol goede moed aan een lange tocht.

.

Ik ga langs het kanaal.
Meerkoeten en eenden staan samen
op de smeltende ijsplaat

Het water,
een bevroren vlakte
waar tot voor kort de schepen
moedig scheurend voortgingen
krakende schotsen opzij duwend.

De koude vrieslucht ademt ijs
en zo vriest de vaargeul dicht.

Nu laat het water zich verleiden
door de warme lentelucht
en smelt onder poten van vogels
tot kleine golfjes in het late licht

De smeltweg als een toeverlaat
als een kronkelende beek
die zelf zijn richting kiest met
meerkoeten, spetterend en kwetterend
ver van de rechte oever
de strakke streep van het kanaal

Kon het maar altijd zo zijn
kronkelend los van gelikte lijnen.
Dat alles zijn liefste loop kon vinden

Ik droom en loop
in veel te warme winterjas
voort, op weg naar huis.

.

.

Gedachten bij ondergaande zon

Ik schreef dit blog vlak voor de nacht dat Trump de Amerikaanse verkiezingen won. Mensen zijn bang dat hier het zelfde gebeurt. Ik kan het me voorstellen. Maar ik ben niet bang. Ik duim voor de indianen in Dakota, met hun strijd voor schoon water, dat leven betekent. Ook in dit verhaal denk ik aan water, dat vloeit waar het niet gaan kan.

.

zonsondergang-met-nieuwe-wagen

.

Ik wil de zon zien ondergaan. Veel te lang heb ik het gemist, toen ik onder de grond in een Utrechtse catacombe woonde. Elke avond haal ik het in, als hij er is tenminste. Vandaag heb ik geluk, vlak voor een dik wolkenpakket de hemel in beslag neemt. Op mijn buik lig ik voor het grote raam en zie de lucht oranje kleuren. Ik kijk ernaar en overdenk de dag.

Vandaag heb ik aan de deuren gewerkt. Hele dikke deuren zijn het, want er komt een dikke laag wol in. De wol houdt de kou en de hitte tegen. Acht centimeter voor een huisje van dertien kubieke meter. Ik hoef maar een scheet te laten en het is al warm.
Of Nederland nou in een nieuwe ijstijd terecht komt of in een subtropisch klimaat met heftige stormen en slagregens, met mijn kleine wooncocon kan ik er vast tegen. De woonwagen wordt warm, sterk en veerkrachtig, net als ik. Mijn wagen groeit met mij mee, met wie ik ben en wat ik wens.
Waar gaan we heen? Ik hoop dat ik nog veel lieve, dappere en talentvolle mensen ontmoet. Mensen die niet in de eerste plaats aan zichzelf denken, maar die met elkaar werken aan iets moois. Gewoon, omdat ze er blij van worden.

Ik denk aan het landschapsboek dat ik zou willen maken. Ik zou graag rondreizen in het Nederland van de vroege middeleeuwen, toen het water nog kon gaan waar het wilde. Dat is al bijna duizend jaar geleden. Al zolang heeft elke vierkante meter van ons land een geplande bestemming. Wij moeten het water onder controle houden, anders wordt het ons de baas. Dat is een machtig mooi gegeven. Water fascineert me. Misschien ga ik daar iets mee doen, wordt dat mijn rode draad. Verhalen over het water, wat het neemt en wat het geeft, aan mensen en dieren, aan bomen en planten. Mijn tekeningen zullen weerspiegelingen laten zien en patronen die ze achter laat in het zand. Ik kan de wortels van de bomen tekenen, die als lange vingers de bodem in dringen om het kostbare vocht te bemachtigen en veel meer nog. Verder en verder vloeit het. Je weet nooit waar het uit komt. Vloeibare inspiratie blijft eeuwig verrassen. Zoals kinderen tijdloos bezig kunnen zijn met een schepje en een emmertje en tot hun verwondering iets kunnen maken waar ze versteld van staan…. Ik laat het verder stromen, ik zie het komen en weer gaan. Water komt overal. Water kan bergen verzetten, op lange duur.

De zon is nu bijna onder. Het wordt kouder. Ik trek een fleece deken over mijn schouders. Het wordt een koude nacht. Mijn nieuwe wagen wordt veel warmer dan deze, knusser ook. Wat zal ik daar fijn kunnen werken, diep in mijn wollen hol en praten met vrienden en kijken naar nog veel meer zonsondergangen. Nog even en het is er. Als de deuren erin zitten, dan ben ik al een heel eind.

.

.

bouwen-woonwagen-voordeur-kl-frm

.

bouwen-voordeuren-kl-frmbouwen-werkplaats-2-kl-frm

.

bouwen-woonwagen-voordeuren-dubbel-kl-frm

.

.

.

.VOETNOOT

Het laatste boek van de plank van Nyncke Lingsma, zo noem ik het gewoonlijk, maar dit keer is het het laatste boek uit de doos.

In de boekenkast van mijn moeder, kwam ik een lievelingsboek tegen, wat ik haar zelf heb gegeven in 1991, ik geloof dat ze het zelf nooit heeft gelezen, het zag er zo nieuw uit.
Nu ligt het ergens in de doos met spullen van haar. Ik kan het nog niet opbrengen om de doos te openen en het boek te pakken. Ik heb dus geen passage voor in de voetnoot. Het verlies is te vers. Maar Winnie de Poeh staat hoog op mijn lijstje.
Winnie met zijn filosofische eenvoud heart-emoticon
.
.

nyncker-voetnoot

.

.

.

.

Op weg naar een lichtere wereld.

zonsondergang-met-nieuwe-wagen.

.

Een hele verschijning

.

.

bouwen-eindfase-woonwagen

.

.

Dinsdag elf oktober. Als ik wakker word, schijnt de zon met goud licht door het witte gordijn van het keukenraampje. Ik draai me om in bed, om ernaar te kijken. De lakens zijn koud en klam, waar ik niet lig. Gauw trek ik het dekbed op zijn plaats, zodat ik weer onder het warme stuk lig. Ik staar naar boven. Drie vliegen zitten roerloos op het plafond. In de hoek van het bed ligt een zakdoek. Die is Dick zeker vergeten, toen hij gisteren weer terug fietste naar Eindhoven. Over tien dagen is hij er weer.
Hoewel ik weer alleen ben op het veld, voel ik me tevreden. Het is fijn om thuis te zijn. Het was heerlijk op Schiermonnikoog en ik heb genoten van de ruimte en het ongerepte landschap. Ik heb gedanst op stille plekken in de duinen.
Terugkomen was lastig. Het veld was verlaten, zoals bijna altijd. Ik zei wazig gedag tegen de kippen. Er zijn vele zingende roodborstjes, koolmezen die me begroeten in de ochtend, en er zijn muizen die wegschieten tussen de struiken. Er is zelfs een uil, ’s avonds in de schemering. Maar als ik ben weggeweest, dan is dat allemaal niet meer genoeg, dan zie ik het ineens niet meer. Er is iets wilds in mij, dat wil uitbreken en ik vraag me af: „Wat dòe ik hier?! Ga ik hier voor de vijfde maal de winter in mijn eentje doorbrengen? Moet dat nou echt?“

Maar ik weet dondersgoed wat ik hier doe. Ik bouw een wagen. Daar draait het om. Afmaken, tot het rolt. Hoe rustiger ik de dingen aanpak, hoe grondiger en hoe groter de kans van slagen. Het krijgt steeds meer de vorm die ik twee jaar geleden uitgetekend heb.
De wagen staat op een andere plek, en ik heb alles eromheen opgeruimd voor een frisse nieuwe start. Mijn nieuwe huisje straalt in de najaarszon. Nu kan je haar ook van afstand kan bekijken. Soms komt er iemand. „Het is echt een verschijning, ik ben onder de indruk“ zegt èèn van de buren genietend. Ik word warm van het compliment. Het geeft nog mèèr energie dan mijn favoriete kom havermout.

De laatste loodjes kunnen zwaar zijn. Er is veel werk aan de wanden, het dak, de luifel en de twee goten. En natuurlijk werken we aan het verplaatsbare systeem van zonnepanelen. Veel is boven het hoofd.

Om met het dak bezig te gaan, ga je binnen op de werktafel staan. En dan moet je jezelf tussen de dakspanten door zien te wurmen, tot je er met je borst en schouders boven uitsteekt. Je staat dan klem en je kan je niet meer omdraaien. Als je dat wilt, dan moet je eerst weer terug.
Of je neemt de trap. Er is een uitklaptrap die altijd wiebelt. Die ga ik op en af, soms dag na dag. Nu en dan laat ik iets vallen. Dan klauter ik naar beneden en weer naar boven. Maar ik heb het er allemaal voor over. Want o, wat wordt het mooi! Het wordt mooier dan ik had kunnen bedenken…

Ik ga nu eerst de ramen erin zetten, voor het gaat regenen. En zo blijven we keuzes maken, de ene na de andere…

 

.

.

Zonnige panelenpraat

Blogtek panelenpraat kl frm

Ik loop met mijn mobieltje op de weg. Daar heb ik een betere ontvangst en het is lekker om even te wandelen. De zon straalt warm terwijl het al sinterklaas is geweest. Gek hoor.
„Hallo met Johan!“ zegt een opgewekte stem door de telefoon.
„Hoi, met Alowieke.“
„Hee, Alowieke!“ roept Johan verrast.
„Mooie berekening heb je gemaakt.“ begin ik en kijk naar de blote huid van mijn arm. Ik heb mijn mouwen opgestroopt. Het is ècht warm!
Johan helpt mij een systeem uit te denken, met zonnepanelen. Het is zijn werk, en hij is creatief en denkt duurzaam. Dus dat klikt wel. Ik ga het zelf in elkaar zetten, straks. Dan weet ik ook wat ik moet doen als er wat mee is.
„Ik zou wel wat extra vermogen willen hebben“, vertel ik hem „Dat infraroodpaneel kan in oktober wel eens heel handig zijn, als het dagenlang mistig is en het sprokkelhout nat.“ Ik kijk naar de zacht wiegende takken, die donker afsteken tegen de blauwe lucht en kuier langzaam verder weg van de camping.
„Ja, dat denk ik ook.“ denkt Johan met me mee, “ En in die tijd is het nog licht genoeg, voor een goede stroomopbrengst.“
Ik vertel hem iets wat ik sinds kort heb bedacht. Een idee waar ik graag op door fantaseer.
„Weet je, als ik dat infraroodpaneel niet gebruik in de zomer, dan kan ik die energie mooi gebruiken voor wat anders. Ik kan iets doen met film en geluid. Misschien wordt het wel een solarbioscoopje.“
„Ik ben benieuwd!“ zegt hij vrolijk.
„Het is wel zwaar,“ ga ik door „Een accu van meer dan vijftig kilo is best veel…“
„Hoeveel weegt je wagen, weet je dat?“
„Achthonderd kilo, exclusief bagage. Dat schat ik in.”
„Nou…“ zegt hij verbaasd „Waarom maak je je dan druk over die vijfentwintig kilo extra?“
„Ja dat lijkt niks, maar als je dat bij alles denkt, dan wordt het tòch zwaar!“
Het blijft een steeds terugkerend thema. Aan de zwaartekracht kan ik me niet onttrekken. Je moet er slim mee omgaan. Johan kent de beperking ook.
„Klopt, dat ken ik als ik mijn rugzak inpak. Dan wil ik ook altijd zo min mogelijk meenemen, het wordt gauw te veel,“ zegt hij.
Ik loop met mijn blauwe klompen in de berm en keer om, om terug te lopen. Al gauw gaat Johan verder. „Heee! Waar ik nu opeens aan denk, je kan ook lithiumbatterijen nemen. Dat zijn de nieuwste en die werken met ionen. Ze zijn lichter en gaan langer mee.”
„Ja!“ roep ik enthousiast. „Ik heb er over gelezen. Die wil ik heel graag. Het lijkt me een goede investering.“
„Ik zoek het graag voor je uit,“ zegt Johan tevreden. „Ik heb er nog geen ervaring mee, maar ik vind dit heel interessant en ik vind het leuk dat je zo enthousiast reageert“
„Prima, dan hoor ik nog van je! Ik ga nu verder. Tot kijk!“
Johan wil graag gauw komt kijken en zegt me gedag. Ik loop het pad op van de camping, terug naar mijn woonwagen.

O, het is zo spannend, dat alles steeds meer wordt wat het worden moet. Soms ben ik zo blij dat alles lukt zoals ik het bedacht heb en dat anderen zo fijn meedenken. Ik kan het zo bijzonder vinden, dat ik de slaap niet vatten kan. Op de donkere wand boven mijn bed projecteert mijn verbeelding de nieuwe wagen, die groeit. En ik kijk ernaar, met grote ogen. Als een kind voor zijn verjaardag, zo kan ik mij verheugen. Dit is de plek, waarin ik straks mijn leven zal voortzetten. Klein en kleurrijk en beweeglijk, als een echte kolibrie.

Link van Johan: http://ecosynergy.nl/

Lithium-IJzer-Fosfor-accu’s (LFPo) zijn vier keer zo licht, en veel beter voor het milieu. Ze zijn duurder, maar stukken efficiënter in het gebruik, zo verdien je het geld van de aanschaf weer terug. De laadtijd is ook veel korter. Ik wacht op bericht van Johan, maar ben heel benieuwd hierover.

Aan de overkant

.

.

EEN EEUWENOUD DILEMMA

eeuwenoud liefdesverhaal

.

.

Zo even was hun omarming nog innig. Een man en een vrouw staan stil naast elkaar. Zij is klein, taai en lenig, haar lange dikke vlecht glanst als rood goud in de zon. Zijn brede schouders hangen werkeloos neer onder zwart-grijs haar. Als bevroren staan ze te staren naar de kloof voor hun voeten, waar alle speelsheid van zojuist in verdwenen lijkt te zijn. Aan de andere kant zijn heuvels vol kamille, duizendblad, korenbloem, klaprozen en nog veel meer. Een groepje lindebomen geurt weldadig. Kleine rotspartijen en bosjes strekken zich uit als een vlekkendeken. Er doorheen zijn diverse kronkelwegen te onderscheiden. Het kruidige weiland lokt en geurt. Er graast een wit gevlekt paard en een ezel. De schimmel loopt omlaag naar een meertje, omringd door riet, elzen en wilgen. Ze kijkt naar de soepele tred en ziet hoe het dier zich vooroverbuigt om te drinken. Ze kijkt vragend naar haar lief, die nog steeds naast haar staat. Hun omhelzing zindert nog na, als een stroom van het klaarste water. Het geeft haar kracht. Ze kàn het, weet ze. Juìst nu!
“Nee,” antwoordt hij haar vragende blik, “ik spring niet. Jij bent jong en vol energie, ik ben oud.” Ze kijkt hem ontsteld aan. “Jij oud? Dat dènk je maar. Was het niet heerlijk, te ravotten in de rivier en klommen we niet in de hoogste bomen?”
“Nee. Ik doe het niet. Veel te groot, dat land aan de overkant. En wat heb ik daar? Hier heb ik een huis en een vijver met vissen erin. En mijn hondje. Ik kan het niet.”
“Dan spring ik alleen,” zegt ze. Ze neemt een aanloop en maakt een sprong als een reuzenpanter. Tegelijkertijd gebeurt er iets merkwaardigs. Terwijl ze door de lucht vliegt, verdwijnt het ravijn. Maar zodra haar voeten de grond raken is het er weer. Ze staat aan de overkant van een gapende spleet.
“Zag je het?!” roept ze hoopvol, “Jij kan het òòk!”
“Nee,” zegt hij “Ik denk niet dat ik dat ook kan.”
“Ik ga nu verder,” de woorden komen met moeite uit haar mond. “Lief, kom mee! Dan kunnen we samen jong zijn in dit prachtige land.”
“Ik kan het niet. Jij bent een optimist en je kan bergen verzetten. Ik niet. Ik geloof er niet in.”
Ze draait zich resoluut om en loopt verder. Duizend kleuren groen breken in het licht van haar tranen. Nog een paar maal kijkt ze achter zich, strekt haar armen zo breed uit, alsof ze de hemel wil omvatten. De hemel boven haar hoofd is het enige wat ze nog met hem deelt. Zijn profiel verdwijnt langzaam in de verte. Hij kan nog steeds springen, denkt ze. Maar toch blijft ze niet staan. Het kronkelpad voor haar voeten lokt, het lijkt een eigen leven te leiden. En veel dieren lijken haar als nieuwkomer te willen zien, de roodborst, het paard en de ezel. Vanuit de struiken kijken er nog meer toe, die wel nieuwsgierig, maar minder dapper zijn. Om haar hoofd zoemt een dikke hommel. Dan hoort ze voetstappen. Over het pad loopt een man, hij komt rustig haar kant op. In zijn hand heeft hij een dienblad, met geurend brood en een rode theepot er op. “Welkom!” roept hij stralend. Ze lacht terug.

Herfstfeest

 

herfstdansers 001

.

Ik zit op mijn schapenvacht bij de kachel. Het hout knettert zachtjes en een lichte harsgeur vult mijn woonwagen. Een kreet van een kraai trekt mijn blik naar buiten. Ik kijk door het raam, naast me. De stilte op het veld lijkt nog intenser nu het herfst is. Dezelfde bosjes als in de lange warme zomer, omgrenzen het veld. Mezen vliegen af en aan, merels vechten in het gras. En toch is het nu anders. Onder een loden lucht verkleurt de bomenrand tot een bruingrijze strook. Als ik me voorover buig, kan ik de oranjegele beukenhagen zien. Ze lijken wel te stralen..

De ene dag na de andere rijgt zich aanéén tot een solide ketting van donkere parels. Ik houd ze in handen en koester ze. Wat een geschenk, dat ik hiermee mag werken. Ik bereid me voor op het werk dat komt, straks. Ik glimlach.

En nu. Al een paar dagen zijn alle buren weg en mijn vriend is te druk om te komen. In mijn eentje werk ik door. Het is tijd voor het wekelijkse verhaal. De hele dag heb ik nog niemand gezien, behalve Ton de beheerder, die de dieren kwam voeren. Op dagen als deze is het de knaloranje radio, die mijn ritme maakt, me vertelt wanneer het weekend is. Aan het einde van elke werkdag is het zover. Ook vandaag. Ik druk op de knop. Radio 4 moet ik hebben. Ik draai er aan voor de juiste ontvangst, tot het geluid zuiver is en zonder ruis. Ik hoor nog net de hartelijke, meisjesachtige stem van Dieuwertje Blok. Het zijn de eerste woorden die ik vandaag hoor. “Na het nieuws van zeven uur kunt u luisteren naar Passaggio, met Lex Bohlmeijer. Geniet u van de avond!” zegt ze op zo’n levendige toon, dat ik bijna hardop zou antwoorden: “Ja hoor, doe ik!”

Passaggio is een programma vol afwisselende muziek. Veel ervan heb ik nog nooit gehoord. Ik luister ook graag naar Lex’s korte vertelsels, interviews en gedichten. Zijn stem lijkt veel op die van een verre, dierbare vriend van me. Maar toch, hij kent me niet. Gek is dat. Ook erna laat ik de muziek aan. De avond is vol harmonie en aanstekelijke ritmes. Ik neurie zachtjes mee en dans op de paar vierkante meters die mijn huis rijk is. Mijn eigen herfstfeestje.

.

Dit verhaal leest ook lekker met radio 4 erbij:

http://www.radio4.nl/live

Herfstwerk

herfstwerk 0002

De lucht is grijs als een grauw laken. Het motregent. Ik ben klaar met ontbijten en de dagelijkse oefeningen. Wat nu? De grijze stilte maakt me traag. Ik besluit om eerst een rondje te gaan lopen, voor ik aan het werk ga. Om mijn woonwagen scharrelen bruine kippen en wit-met-zwarte, op zoek naar zaad en beestjes in het gras.
Ik loop het trapje af van het bordes en verder het gras over, tussen de bosjes door, het zandpad op. Het monotone geluid van landbouwmachines, dat pas nog onophoudelijk klonk, is gestopt. De horizon verdwijnt in een mistige verte. Waar deze zomer uitgestrekte maisvlaktes lagen, zie ik nu omgeploegde akkers met her en der uitstekende stompjes stengel. De zanderige grond is donker van de regen. Er vliegt een groepje kauwtjes, verder is er geen beest te zien. Als ik langs de wei van de manege loop, schrik ik op van een koppel patrijzen, dat de vlucht kiest. Maar konijnen zie ik nergens, geloof ik. De jagers hebben goed hun best gedaan.
De vochtige kou doet mijn vingers verstijven. Ik trek aan de mouwen van mijn jas, tot ver over mijn vingers. Het begint iets harder te regenen en ik loop stevig door. Ik wil graag nog een tak uit het bos halen, voor die kletsnat geregend is. Ik wil geen nat hout in mijn kachel. De onderkant van mijn klompen is ook vochtig en geeft wat mee, als ik op een takje of steentje stap. Ik zal er binnenkort wel doorheen gaan.
Even later ben ik bij het bos. De tak die ik heb klaargelegd, ligt achter een bos grote varens. Ik neem hem op mijn schouder en wandel terug. De beboste oase van de camping is van verre te zien, over de rechte weg. Daar is de grinderige oprit al. Ik loop door naar het natte veld. Aan de rand ervan, tegen een bosje, staat mijn roestrode woonwagentje, nog steeds omringd door bloemen. Mijn thuis. De tak leg ik te drogen onder de wagen.
Als ik binnenkom straalt een heerlijke warmte mij tegemoet. Mijn kachel is een beste. Hij gééft warmte en houdt het nog vast ook. Want mijn huisje doet dat niet. Het zijn maar dunne wandjes.
De nieuwe wagen wordt anders. Zo’n zware kachel neem ik echt niet mee op reis. Dus er komt een dikke laag schapenwol die kou buiten moet houden. Wol neemt vocht op en laat het ook weer los. Zo heb ik geen last van condens en eventuele schimmels.
Op mijn witte werk- en eettafel ligt een dik boek vol tekeningen en berekeningen. Soms wel vier of vijf keer herzien. Vorige week heb ik drie dagen besteed om al het soortelijk gewicht op te tellen, van de materialen die ik nodig heb. Inclusief kachel. Ik was er duizelig van.
Ik ben al zolang bezig. . . Mijn blik glijdt van het boek naar het raam. De kippen schuilen onder een afdakje, samen met een klein konijntje.
De herfst is echt begonnen. Grauwe luchten, regenval, het is me best. Het werk ligt klaar op tafel, de kachel gloeit knus en warm. Ik ga er wat moois van maken.

Ontwerpboek wiekieskolibri 001