Doorgaan in een omgekeerde wereld

Samenstelling van symbolen: Aarde, het groeien, de hemel. Je vindt dit bovenin de nok van mijn huis. In zijn geheel straalt het blijmoedige volharding uit.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik niks hoef, deze lente. De grond is vochtig en de bomen doen het goed. Het Verhalenpad zit vol met dieren. Als ik aan kom lopen vliegen er bijna altijd twee houtduiven weg. Ze scharrelen bij de drogende grashalmen op de grond. Ik maaide het met de zeis. In dikke bossen liggen ze daar, nog altijd. Langzaam slinken ze, door wind, regen en zon en het zaad dat eraan zat verdwijnt in de vogelmagen. Later op de dag, om twaalf uur, komen de mussen. Die komen vooral voor hun zandbad, in de losse grond onder de struiken. Ze maken kuiltjes in de grond, met hun vleugels. Van mij mogen ze. Ondertussen graaft de mol tussen de lila bladramanas en de wilgenroosjes haar gangen. De bloemen bloeien nog net zo hard, al worden de blaadjes wel wat geel van al dat gegraaf. Het wilgenroosje heeft er daarentegen geen last van. Het kan best dat de mol daar dieper onderdoor duikt, want hij kan wel tot twee meter komen, in hogere gebieden dan hier. Het is ook een goed teken, zo’n mol. Er zitten dus veel wormen in de grond. Een mol in je tuin is dus eigenlijk een compliment. Veel “rommel” in je tuin zorgt daarvoor. Maaisel niet opruimen maar laten liggen. Het snoeihout niet verbranden, maar teruggeven aan de bodem. Ook andere dieren komen daar op af. Net als iedereen heb ik ook naaktslakken. Die lust de mol ook. Ik laat hem dus lekker zijn gang gaan. Ik mag me gelukkig prijzen, met al die medewerkers. En er zijn meer eters. In de berke- en wilgebomen zitten rupsjes. Die eten alle blaadjes op. Het geeft niet, er komen vanzelf weer nieuwe. Maar soms komt er een familie pimpelmezen, om ze op te eten. De mol maakt de grond los, de mezen eten de rupsen. Er gebeurt van alles, ook buiten mijn aanwezigheid. Een gemeenschap, en alles werkt samen.

Dus ik kan het me permitteren om een tijdje lui te zijn en lig bij m’n vriend op de bank. Wat een luxe is dat. Ik denk aan al die mensen met overvolle agenda’s. Of landen waar het oorlog is en waar je nooit rustig een middagdutje kan doen. Ik denk aan defensie, waar nu meer geld naartoe moet. De energieslurpende verdediging van ons continent, Europa, ten koste van de aarde. Wat hield ons bezig? Het klimaat. Verontreiniging van water en bodem. Er moest meer natuur komen. Dat alles is nu niet belangrijk meer. “We moeten voor onszelf gaan zorgen” zeggen ze. Ik dacht dat dat over voedsel ging, en kringlooplandbouw. Streekvoeding voor levensonderhoud. Maar nee, voor jezelf zorgen betekent in eerste plaats dat je jezelf kan verdedigen. Dat er wapens zijn en een leger. Terwijl oorlog juist overal ter wereld voor voedselproblemen zorgt en dus het tegenovergestelde doet. Mensen kunnen niet meer voor zichzelf zorgen. Waar oorlog is, wordt het land verwoest. Mensen vluchten er weg of hebben voedselhulp nodig. Je kunt beter investeren in vrede dan in wapens.

Mijn vriend leest voor. “Mensen in vinexwijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben”. Het is een artikel uit Vrij Nederland. Ook vinexmensen vinden het leger en grensbewaking het belangrijkst. Dan zullen ze zich kunnen vinden in de huidige politiek. Europa voelt zich vooral verenigd door het hebben van een gezamenlijke vijand. Dus niet door elkaar, door het water dat door onze landen stroomt naar de zee, niet door samen te zorgen voor vruchtbaar land en leven. Gelukkig zijn er nog anderen. Mensen die doorgaan met zaaien, planten en vredestichten. En vertrouwen hebben en zaden delen. Al gaat het met vallen en opstaan. Er is nog veel te doen. Maar vergeet niet om lui te zijn.

.

.

Welvaart, broederschap en beschaving

Twee jongens gaan me voor in het donker, naar de veerpont over het IJ. Een dag later, wachtend bij het stationsgebouw, word ik geraakt door een beeldhouwwerk in de gevel.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Daar zit ik dan, op mijn hurken in het gras. Ik ben er speciaal voor naar Amsterdam gegaan, dit feest. Het regent al de hele avond en alle toespraken en muziek, alle mensen die ernaar luisteren zitten eensgezind onder een grote tarp. De avond is nog niet ten einde, maar ik kom toch maar overeind. Het is tijd om terug te gaan naar het hotel. Dat is aan de andere kant van het centrum en dan ook nog aan de andere kant van het IJ. Dat is nog een heel eind. Ik doe mijn regenkleding aan en pak mijn fiets. Na een paar seconden zie ik de groene broek al glimmen in het donker. Het water valt met bakken uit de lucht. Ik probeer mijn natte haar nog even tot een knotje te frummelen, zodat het niet in mijn nek druipt. Het valt steeds naar beneden. Ik laat het.
Naar de veerpont is vijf minuten fietsen. Als ik er aankom, zie ik een jongen, die in het donker onder de overkapping zit, aan tafel, met een opengeklapte laptop en een waterfles. Hij is de enige. De pont is nergens te bekennen.
“Vaart hij nog?” vraag ik.
“De laatste komt nog. Maar aan de andere kant is er nog één. Die gaat ook langer door dan deze.” Hij legt uit hoe ik er moet komen. Fietspad af, links met de bocht mee, bruggetje over.
“Okay!” zeg ik.
Er komen twee jongens aan fietsen. Grote glimmende regenjassen, hun koppen gebogen over het stuur. Ik stop en kijk wat ze gaan doen.
“Ik ga geen uur wachten”, zegt de één.
“Moeten jullie ook oversteken?” vraag ik, terwijl ik dichterbij fiets.
“Ja”, zeggen ze “Jij ook? Fiets maar met ons mee.”
We volgen het steenrode fietspad door de bosjes, langs het veldje met de liggende boomstammen. Bijna terug naar het Mandelahuisje en verder. Daar ligt de sluis met gesloten deuren. Over de sluisdeuren is een smal pad, niet breder dan de deuren zelf, met een hekje er langs. Met de fiets kan je er net overheen, maar je moet hem eerst een beetje optillen om op de sluisdeuren te komen. Onder mij klinkt het geluid van de stromende regen in het water. “Dit lijkt de middeleeuwen wel!” roept de jongen die voor me loopt. “Het heeft wel wat…”
Ik volg ze naar de veerpont. De heldere lampen verlichten een dek vol mensen. De meesten met een fiets, anderen zonder. Ik herken de vrouw naast me, met haar zoon. “Hee, Otis! Jij hebt vanavond gewonnen hè?” roep ik. Het blonde joch grijnst breed en knikt. De mensen staan geduldig te wachten. Sommigen praten met elkaar. Ik las gisteren in de krant dat er een plan ligt om een brug te maken. Dan kan de veerpont worden opgeheven. Maar de uitvoering is vreselijk ingewikkeld en de mensen willen het niet. “Hou toch op!” roepen ze. Al dat gedoe! En ze willen hun pont helemaal niet kwijt.

De veerboot vertrekt. Aan de overkant ligt het Centraal Station.

De volgende ochtend ben ik daar opnieuw, en dit keer om naar huis te gaan. Ik heb geen haast en kijk naar het prachtige stationsgebouw van onze hoofdstad. Er zijn beeldhouwwerken in gemetseld. Hele voorstellingen zijn het met een eveneens gebeeldhouwde lijst erom. Er zit gaas voor, tegen de duiven. Ik kijk naar alle afbeeldingen. Er zijn zes lijsten, en eronder staat waar ze over gaan. Drie aan de linkerkant van de ingang: Elektriciteit, Nijverheid, Stoom. Aan de rechterkant: Welvaart, broederschap, beschaving. Bij de laatste blijf ik staan. Er staan vier mensen op. Twee mannen trekken eendrachtig een visnet omhoog. Er is een vrouw, losjes en liefdevol ligt haar arm over de schouder van het kind. Met haar andere arm heeft ze een grote mand fruit vast, die balanceert op haar hoofd. Alles straalt overvloed uit en zorg voor elkaar. Dát is beschaving. Wat een prachtig beeld! Hoeveel mensen hebben hier al naar gekeken, tijdens het wachten? Het zet aan het denken. Vaak zie ik een ander begrip over beschaving, dat veel meer over technologie gaat. Ik denk aan de grote plannen voor de nieuwe brug. De zogenaamde “vooruitgang”. Alles moet sneller en makkelijker. Ik denk aan al die mensen, die zo geduldig op het dek stonden te wachten. Die helemaal geen brug hoeven. De jongens die me hielpen er te komen, over het smalle bruggetje van de sluis. Zorg voor elkaar maakt een beschaving levend. Toch is dit niet waar overheden de meeste energie in steken. Soms lijkt het wel manisch, die drang naar vernieuwing, groter, sneller en verder. Techneuten en politici zouden eens wat vaker op de fiets moeten gaan, het pontje nemen en dan naar dit prachtige beeld kijken. Maar de ontwikkelingen gaan door. Ondanks de hoge kosten en de tegenstand komt hier wellicht toch die brug, zoals overal, waar iedereen dan anoniem overheen scheurt. Waar je uit moet kijken dat je niet van de sokken wordt gereden. Terwijl het zo duidelijk is: Uiteindelijk kijken we liever naar vrolijke jongens, die rustig voor ons uit rijden, die ons lachend de weg wijzen over het smalle bruggetje van de sluis. Dàt is beschaving.

.

.

.

Het boek houdt niet van druk

Elk boek heeft zijn eigen energie. Ook “De heilige traagheid der dingen.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Na een onafgebroken tijd van blauwe luchten is het wolkendek teruggekeerd. Goddank. De felle zon wordt getemperd. Als je uit de trein vanuit Eindhoven komt, dan is de hemel boven een Friese weide een totaal andere ervaring. Zo hard is het licht. Dat komt door de schone lucht. Er is geen filter. ’s Ochtends en ’s avonds houd ik van de zon. Midden op de dag vlucht ik van haar weg. Dan verkies ik mijn koele wooncocon, met het aangename bovenlicht. Indirect licht is heerlijk om je te concentreren op het schrijfwerk.
Ik bewoon mijn huis nu zeven jaar, zorg er goed voor en dat mag van mij zo blijven.

Mijn naaste omgeving is in die zeven jaar regelmatig veranderd. Van Brabant liet ik me naar Friesland brengen, op een trailer, in 2018. De eerste negen maanden leefde ik in een beginnende ecogemeenschap, samen met mijn 350 bomen en een heleboel werk. Via via kwam ik bij deze boer terecht, aan de Swette. Ik kon meteen verder gaan met planten.

Bomen willen wortelen, en dat deden ze ook. Na de lente kwam de zomer. Ik zag ze groeien. Maar ik moest verder. Met moeite nam ik afscheid van de plek waar ik mijn thuis gevonden had en maakte me klaar om te vertrekken. Het plan was immers om een reis te maken en daar een boek over te schrijven. Wie A zegt moet ook B zeggen. Ik kon er ook niet onderuit, want ik had het aangekondigd in al mijn schrijfsels en bovendien: de televisie kwam.

Drie maanden trok ik door het Noorden van Friesland en landde in de nazomer in Rotstergaast. Opnieuw stond ik negen maanden op een plek. Het was de oprit van een vriendin. Precies de goede plek om te schrijven en de vriendin was inspirerend gezelschap. Na die negen maanden kwam het boek bij Uitgeverij Louise terecht. In nov 2020 was de boekpresentatie van “Langs kantelende wegen.” Een levendig boek, vol verrassende wendingen en ontmoetingen. Voor de boekpresentatie keerde ik terug naar de boerderij aan de Swette. Ik mocht blijven staan, met mijn huisje. Meer bomen mochten er komen op dit stukje boerenland. Inmiddels ben ik hier nu drie en een half jaar bezig, maar voor mijn gevoel is het veel en veel langer.

Mijn nieuwe boek is dan ook heel anders dan het eerste met een totaal ander tijdsgevoel: “De heilige traagheid der dingen.” Het ligt bij een uitgever. Tijdens het wachten op antwoord, laat ik het aan vijf verschillende mensen lezen. De eerste, een journaliste die ik ken van de Correspondent, zegt dat ze het inspirerend en tegelijkertijd vervreemdend vind. Hoe bedoel je, vroeg ik. Voor ze daar antwoord op geeft, leest ze eerst het boek uit. Ze is nu halverwege. De tweede leest het in de tijd dat hij niks te doen heeft. Hij heeft er plezier in en is thuis in het onderwerp. Hij is ook halverwege. De derde is druk en is het vergeten. De vierde is mijn vriend, die zich vooral stort op de stortbuien van nieuws en “De traagheid der dingen” past daar kennelijk minder goed in, want hij is nog niet verder gekomen dan hoofdstuk één. De vijfde die ik vroeg, heeft ook mijn vorige boek geredigeerd. Dat was een andere rol. Maar ook nu begon hij meteen heel actief met opmerkingen plaatsen, zonder eerst het hele boek te lezen. Dat werd hij al snel moe. Ik vermoed dan ook dat het boek van je vraagt om je te verplaatsen in het zelfde tijdsbesef als waarin het geschreven is. Als je stil bent, dagen de verbanden op, de diepere laag onder de woorden.

Het boek houdt niet van druk. Misschien moeten mensen eerst rustig worden om het te lezen en is de meerderheid er niet aan toe. Elk boek heeft zijn eigen energie. Hoe het zich openvouwt voor de verschillende lezers, dat weet niemand. Dat is de magie. Ik weet niet wanneer het zover is. Maar de publicatie komt precies op tijd. Daar ben ik van overtuigd.

Meidoornbloesem

.

.

De lente begint teder en sluierwolken verzachten het licht. Het land is nog vochtig en planten en bomen ontluiken. De eerste knoppen barsten open, terwijl de laatste vorstige nachten voorbijgaan. Sommigen zijn aarzelend, anderen enthousiast. Steeds verder openen ze zich, nu duidelijk is dat de koude winden voorbij zijn. De vele regen is geabsorbeerd door de bodem of weggespoeld in de stroom. Uitbundig groen en bloesems stralen alsof ze de bruid zijn. Weiden tot aan de horizon wuiven in de wind. En dan komt de felle zon terug, dagenlang. Een harde droge wind waait. De kleibodem begint weer te barsten, de velden zijn gemaaid. De prille lente is weer voorbij. Maar niet zonder dat ik dit gedicht heb geschreven.

De koude wind is eindelijk klaar
klaar issie met loeien
Lieve mens verbaas je maar 
hoe alles weer gaat groeien
hoe de tedere tovenaar
de meidoorns weer doet bloeien
langs de kant de ooievaar
terwijl de twee gelieven roeien 
Met bloemen in hun haar

(Deze week bij uitzondering geen geluidsopname)

Landherstel gaat stap voor stap

.

.

Landherstel is lastig. Er zijn veel meningen, en alles is anders als vroeger. Concurrentie maakt dat het snel moet en zo goedkoop mogelijk. Alleen samenwerking maakt dat we zaken stap voor stap uit kunnen werken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is het einde van de middag. Ik heb hard gewerkt, gras, riet en brandnetels weggehaald waar het nodig was, en op andere plekken laten staan. Een smeerwortel uitgegraven en verplant, die elke keer bij het hooien om gemaaid werd. Terwijl ik naar huis fiets met vieze handen, remt op het campingpad een auto met mijn buurman erin, de Friese landschapshistoricus, gespecialiseerd in greppellandschap. Ik sta stil en hij draait het raampje open.
“Hoi. Heb je een nieuwe auto?” vraag ik. “Nee, geleend van mijn ouders. Ik moest voor mijn werk op twee plekken in Friesland zijn. We hebben gesproken over hoe we het greppellandschap kunnen herstellen. Nou, dat is niet makkelijk. Al die verschillende meningen en belangen, dat krijg je nooit bij elkaar. De ecoloog is romantisch, de boer is pragmatisch. En dan die weide, dat moet ook weer vol kruiden komen te staan. Hoe krijg je dat ooit voor elkaar, als daar decennialang kunstmest is gestrooid? Misschien dat we maar niets moeten doen.” Ik luister aandachtig terwijl hij doorpraat. “Het is bijna niet te doen om het te herstellen zoals het was. Het land is ooit met de hand geschept, en daar is heel lang over gedaan. Nu zou je dat moeten doen met een loonwerker, die er in één keer een bult bovenop gooit. Is dat hetzelfde? Nee. Dan krijg je iets heel anders.”
Wat deze jongen omhoog haalt, dat heb ik me al vaak voorgesteld. Al die mannen met spades. Hoe het was, om op je op een koude dag gewoon in het zweet te werken. Als er iets gebeuren moest, moest je daar voor je spieren gebruiken. Alles had een menselijke maat, en je kon het aanpassen aan omstandigheden. Dat is nu wel anders.
De greppelkenner fronst. “Als de BBB het voor het zeggen krijgt, dan zijn er over tien jaar nog maar een paar boeren over. Die maken het nog grootschaliger dan het is en dan hebben we pas echt een “Silent spring”. Zijn bezorgdheid is gegrond. In de provincie is de BBB de grootste partij. “Meer leefbaarheid op het platteland” is de kreet waarmee ze stemmen wonnen. Ik vraag me af hoe ze die belofte waar gaan maken.
“Er kan van alles gebeuren,” zeg ik tegen mijn buur. “Het is maar de vraag hoe het verder gaat. Als alles steeds grootschaliger wordt, zijn er juist steeds minder mensen nodig op het platteland. Dat betekent volgens mij juist veel minder leefbaarheid. Dat is het tegenovergestelde van wat ze zeggen.” Hij glimlacht ironisch. Heel even. Dan verzacht zijn blik terwijl hij naar zijn kleine huis kijkt, daar achter de dikke stam van een abeel en de bloeiende meidoorns. “Ja, we moeten maar zien. In elk geval ga ik er hier wat moois van maken. Daarvan krijg ik een goed gevoel.”

Thuis vinden we voldoening in het werk van onze handen. Grote plannen om de wereld te redden zijn voor ons als mens eerder bezwaarlijk dan dat ze iets oplossen. Want ook de zogenaamde oplossing is vaak grootschalig en snel. Natuurlijk ga je niet meer met een spade aan het werk, maar met een graafmachine. Het gaat om geld en tijd. Vele handen maken licht werk, maar met een wereld waarin het steeds meer ieder voor zich is, krijg je dat niet meer voor elkaar. Realistisch is dat je moet blijven concurreren om te overleven. Terwijl herstel, zoals het vroeger ging, veel meer om samenwerking gaat.
De wet der wederkerigheid is de enige grond waarop een beschaving kan overleven. Met dit heilige principe hebben culturen het duizenden jaren overleeft. Wat je krijgt geef je door. Wat je eet, keert als voeding terug naar de aarde, niet ondankbaar en achteloos als afval, maar als gift. Liever voeg je er nog iets aan toe, zodat het meerwaarde krijgt. Maar er is heel veel genomen. Dat heeft ons een gemakkelijk leven gegeven, waarin we over veel dingen niet meer na hoeven te denken. Grote bedrijven zorgen daarvoor. Maar van achteren kruipen de gevolgen naar ons toe. Daarover breken we nu ons hoofd. Gemak en concurrentiestrijd blijken op den duur veel te kosten. Hoe herstel je wat kapot was. Hoe maak je de wereld gezond.

Landschappen zijn ver verwijderd geraakt van wat ze ooit waren. Bloemen en kruiden verdwijnen, en er zijn te weinig insecten om ze te bestuiven. Hoe krijgen we dat ooit terug? Het zijn gang laten gaan, niets doen? Dat kan, hier en daar zou ik zeggen. Maar niet alléén.

Want aandacht maakt dat het groeit. Elke dag dat je ernaar kijkt, steek je er energie in. Dat is wat ontbreekt. Het gaat niet om de bult, die in een dag door een loonwerker wordt opgeworpen, de volle wagens die heen en weer rijden en worden leeggekiept. Dat betekent alleen maar meer van hetzelfde. Het land heeft óns nodig. Alleen liefdevolle aandacht zorgt voor herstel. Je ziet het veranderen. Inheemse planten en bijen krijgen een kans. Kruidenweiden, bomenhagen. Vele ogen en handen kunnen veel doen. Daar zijn voorbeelden van. MeerbomenNu, bijvoorbeeld. Er zijn te weinig vrijwilligers, want de vraag is groot. Twee miljoen bomen kregen een nieuwe plek. Bomen die anders gerooid waren. Ze staan nu in tuinen, langs akkers en boerderijen op het platteland, in kleine bosjes, overal komen ze terecht. Kun je zoiets ook doen met een greppellandschap? Juist door de kleinschaligheid kan het aantrekkelijk worden en uitgroeien tot iets groots.

Er is geen éénduidende oplossing. Het is steeds anders, op elk moment, op elke plek. Kleine stappen en veel meer uitwisseling zal ons verrassingen brengen waar je blij van wordt.

Aandacht voor het leven is onze enige weg terug. De heilige traagheid der dingen dient te worden gerespecteerd. Je kan dat een romantische gedachte vinden. Maar het feit is onverbiddelijk. Het is de enige manier om als mensheid op aarde te gast mogen blijven. Stap voor stap, zo kunnen we het land herstellen.

.

.

Kijk hoe de mieren het doen, al die korrels, één voor één! Geen eindeloze discussies en er komt geen trekker aan te pas.

.

Mestgepraat terwijl ik slaap

Grijnzen om de BBB terwijl ik slaperig naar de lege weide kijk.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is stil en koel. Binnen brand nog steeds de kachel. De bomen die ik wilde planten zijn geplant en de boomspiegels zijn verzorgd en bedekt met blad en riet. Het zaad dat ik wilde zaaien is gezaaid en wacht op warmere tijden. Het boek dat ik maakte, ligt op het bureau bij een uitgever te wachten. En nu? Elke keer als ik een doel gehaald heb, komt er een periode van dromerige tijdloosheid. Het is heerlijk om even niets te hoeven en te willen. Ik lig op de bank van mijn vriend door het raam te kijken. Het weiland is wijd en groen. Er bloeien paardebloemen en hier en daar een pinksterbloem. Mijn vriend luistert naar een podcast over de kabinetsformatie. Ik laat het langs me heengaan. Landbouw is het grootste struikelblok. Ja, dat wisten we al. Het struikelblok dat ze veel te lang onder het bed hebben geschoven. De grote poepparade. Nu kunnen ze er niet meer omheen. Europa zegt nee. Het is genoeg geweest. Nederland heeft keer op keer een uitzonderingspositie gekregen met zijn mest. Het is afgelopen en uit. Als Nederland wil doorgaan, dan volgen er boetes. Het schijnt dat de BBB een idee heeft, om het probleem op te lossen. Ik hoor het, nu, op de radio. Ik spits nu toch even mijn oren. Wat zeggen ze? Vijftienduizend gigantische plastic zakken op de weilanden leggen en daar die miljarden liters mest in stoppen. “Is dat geen grap?” vraag ik aan mijn vriend, die het helemaal heeft gevolgd. “Nee, geen grapje. Ze menen het serieus.” Hij grijnst erbij.

Op de radio praten ze verder. Ik kijk uit over de ongerepte wei. De ruimte die er is. Als de BBB dat maar niet ontdekt! Ik zie ze al komen, al die vrachtwagens vol mest over ons smalle onverharde pad, om met hijskranen plastic zakken te vullen, zo groot als distributiecentra. Echt niet! Het is hier goed zo. Hier is de mestgeur beduidend minder, dan elders in het land. We hebben maar twee koeien. De mesthoop die wij hebben stinkt niet. Het is mooi spul, dat lang heeft liggen rijpen. Mensen komen het halen, voor hun tuin. Zo kan het ook.

Ik lig nog steeds op mijn buik uit het raam te kijken. De lucht is fris en de wind komt van zee en de wolkenlucht verandert continue. Een loodgrijze rol veegt langzaam onder witte wolkenkoppen door. Helder blauw ertussenin. Een straal zonlicht doet opeens het hele land schitteren van frisheid. De paardebloemen lichten op als duizend gouden zonnen. Ik kijk en kijk, en langzaam vallen mijn ogen dicht en mijn nek ontspant zich.

Wat een rijkdom om tijdens het kijken naar een wolkenlucht in slaap te vallen. Dat het gras mag groeien tot het gehooid wordt. Geen distributiecentra of torenhoge zakken met mest in het land. De wolken komen van zee. Ze gaan hun eigen gang, onbelemmerd door mensendingen. Ik kijk hoe ze wegdrijven. Het geluid van de radio verdwijnt op de achtergrond. Als witte droomwolk zweef ik over de aarde, raak de boomtoppen, bevochtig het blad. Langzaam zak ik in de heerlijke wereld, tussen slapen en waken.

.

Wij zijn de rivier

De Whanganui en de Swette, de Rijn en de Lek, het is de stroom die ons het leven geeft. “Wij zijn de rivier”, zeggen de Maori in Nieuw Zeeland.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Het was alweer een tijd geleden, dat ik elke dag in de Swette zwom. Af en toe deed ik het nog wel eens. Maar het ritme was eruit. Op een ochtend keek ik uit het raam naar de uitkomende esdoorn, en besefte dat ik er vorig jaar veel intenser van genoot, de prille lente, de ontluikende kleuren. Hoe kan dat? Ineens wist ik het. Het was doordat ik niet meer in de Swette kom. Ik miste het, de dagelijkse dompeling. Te kijken naar het licht in de kabbelende golfjes, de weerspiegeling van de wolken. De eenden die langzaam wegzwemmen. Het water dat langs mij naar het IJsselmeer stroomt, en dan, door de vissenpoort, naar zee. Het water, nu nog ijskoud, maakt me wakker en gezond. Ik sta in de stroom en spreek mijn liefste wensen uit. Door het een tijd niet te doen, besef je pas wat het doet. Het werkt echt. Ik besta meer, mijn bloed stroomt vitaler door mijn lichaam, wanneer ik dit doe.

Water is leven. Voor iedereen en alles. Voor de Maori is de rivier een voorouder, niet als mens, maar als entiteit. Hij is enorm belangrijk voor ze. De Maori wonen al eeuwenlang in Nieuw Zeeland. Ver voordat de eerste ontdekkingsreizigers voet aan land zetten, beheerden zij de Aarde en was de rivier de Whanganui hun levensader. De Whanganui ontspringt bij één van de drie vulkanen die het eiland heeft. Vandaar stroomt hij bijna driehonderd kilometer lang, slingerend het land door. Vroeger was de stroom een avontuur. Soms was hij breed en rustig, dan weer wild en woest in stroomversnellingen. Maar de rivier is getemd. De stroomversnellingen zijn er niet meer, de rotsen waar ze langs liepen, zijn door middel van dynamiet uit elkaar gesprongen. Pijnlijk. Maar met trots kan de regering verkondigen dat de Whanganui de langst bevaarbare rivier is. De Maori blijven zingen. “De rivier geeft ons het leven mee, vanuit de bron tot aan de Zee.” Maar de rivier is niet alleen zijn stroomversnellingen, maar ook zijn hoofd verloren. Gelijk na de bron is een waterkrachtcentrale gebouwd, daar hoog in de bergen. Iets wat bedwongen wordt en getemd, wat uitgebuit wordt voor steeds meer economische belangen, raakt zijn identiteit kwijt. In Engeland is dat nog veel erger. Daar heeft Tatcher in de vorige eeuw de drinkwatervoorziening verkocht aan een buitenlands bedrijf. Het gaat nu helemaal fout, wateren raken vervuild en het bedrijf voelt zich niet verantwoordelijk. Dat kost immers veel te veel. Het is vreselijk moeilijk om het weer terug te draaien. De stemmen van inheemse volkeren blijven ons erop wijzen hoe belangrijk het is. “Wij zijn de rivier” blijven de Maori zeggen, en hun kreet wordt nu wereldwijd in bioscopen, documentaires en artikelen verspreid. Zij vormen met elkaar de stem van de waterstroom. Het feit dat er zonder te vragen zoveel is ingegrepen, is een zware belediging voor hen. Al honderdvijftig jaar vochten zij ervoor, de rivier moest gerespecteerd worden. En toen in de jaren zeventig het water vuiler en vuiler werd, vochten ze nog harder. Door de beschaving werden ze gezien als verschoppelingen, niet meer dan de afvalput die de stroom was geworden. “Wij zijn de rivier” blijven ze herhalen. De industrieën die hun afval loosden moesten worden aangepakt. De Maori werden zelfbewuster. Hun cultuur is niet dood.

Er is steeds meer naar ze geluisterd. En nu is eindelijk de Whanganui in zijn identiteit gerespecteerd door de regering. De rivier is een rechtspersoon geworden. Hiermee reiken twee culturen, zolang in conflict, elkaar eindelijk de hand. Twee mensen vertegenwoordigen de stem van de rivier. Uit beide culturen één. De Maori zingen hun krachtige lied, begeleid door een traditionele dans. Maar ze zijn er nog niet. De kop van de rivier moet worden teruggewonnen. Daar bovenop de berg. Pas dan is de stroom weer zichzelf.

“De rivier geeft ons het leven mee, vanuit de bron tot aan de zee.”

Terwijl ik net weer begonnen ben met mijn dagelijkse bezoek aan de Swette, komt dit verhaal naar me toe. Het verhaal van de Wharangui en zijn mensen. Ja, denk ik, ik voel die band ook, met het water. Ik heb het altijd gevoeld. Misschien minder sterk dan het oude volk, omdat ik er niet direct afhankelijk van ben. Zij hebben de rivier echt nodig. Tot voor kort, althans. Tot in de jaren zestig was hun levensstijl nog geheel zelfvoorzienend. De rivier was hun dokter, hun voedselbron en hun speelplaats. Met hun boten konden ze zichzelf en hun vracht vervoeren. Nog steeds weten ze precies waar de achttien verschillende vissoorten gevangen kunnen worden. De rivier als ziel van hun bestaan. Zij plaatsen zichzelf niet boven, maar middenin het grote web van leven. Nog steeds is dat de kern van hun cultuur. Maar de meeste Maori van nu zijn nog nooit op de rivier geweest. De band met de voorouders vervaagt. En juist daarom is het nu zo belangrijk, dat de band wordt herstelt. Niet alleen daar, in Nieuw Zeeland, maar overal. Mijn bezoek aan de Swette is een bezoek aan het water dat de hele wereld over gaat. Het is mijn band, met alles. Ik dompel mijn hoofd onder. Ik voel het en denk aan ze. De Maori, die het flikten. Eindelijk wordt hun rivier gezien. Eindelijk is hij gerespecteerd, in de wet. En het water neemt de boodschap mee. Ik roep het, als ik opkijk vanuit het water. Het kan, het kan!

Http://www.greenculturelab.com/mensenrechten-voor-de-rivier-Whanganui/

http://youtu.be/YQZzRSzxhLI?si=70D3JNNvUUNdzsH

http://www.2doc.nl/documentaires/2020/03/wij-zijn-de-rivier.html

.

Verwelkoming van het esdoornjaar

Hoe een gehekelde zaailing geliefd werd.

.

Twee zaailingen van esdoorns.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is miezerig. Het Verhalenpad is te drassig om met de kruiwagen te rijden. Eigenlijk moet dat nog, de berg compost is nog niet helemaal weg. Zo nat is het! De eenden vinden het heerlijk, al die plassen. Ik zie ze overal kuieren, alleen of in groepjes. Maar boeren en hoveniers worden er mesjokke van. Er moet ingezaaid worden, maar daar is het telkens weer te nat voor. Ik heb ook nog een paar zakjes met zaad. Het zijn kleine zakjes van Joop. Na zeventien jaar tuinieren en planten heb ik het inmiddels afgeleerd om al te enthousiast te beginnen. Ik weet hoe bordjes met namen al gauw verdwijnen in een wir war van groen. Die verdraaide diversiteit ook! Ik moest die eerste keer erg om mezelf lachen. Natúúrlijk gaat het anders dan ik bedacht had. Op nieuwe grond die honderden jaren niks anders kent dan weide en riet, moet je ook niet al te hoogmoedig zijn, met zaaiwerk. Tussen de bomen en heesters die ik plantte, groeit al genoeg. Wilgenroosje, speenkruid, gele melkdistel, kaardebol, paardebloemen, veldkers, zilverschoon, hondsdraf, om maar eens enkele te noemen. De twaalfjarige luzerne die ik zaaide, zijn allemaal opgegeten door de hazen. De drie salieplanten trokken het niet. Ook de lijsterbes heeft er moeite mee. De klei valt ze zwaar. Het is een optimistische struik, die graag weer opnieuw begint. Maar als de bodem zo ontoegankelijk is, raakt ze ook snel ontmoedigd. Het is boeiend om te zien hoe dingen goed gaan, maar ook hoe moeizaam het kan zijn. Ik doe er dus alles aan om de overgang van weide naar bostuin te bespoedigen, zodat meer planten zich thuis zullen voelen. Zeker op harde weidegrond in een overgangsfase.

Ik herinner me de dag dat ik bomen haalde, bij MeerbomenNu. Ik ontmoette daar een kloek groepje vrouwen en een enthousiaste man. De man bleek de leiding te hebben, hij was één van de twee opperhoofden van het land. Tjeerd, heette hij. “Hé ben jij Alowieke!” riep hij tot mijn verrassing. Hij had van me gehoord, en was mijn blog gaan volgen. We hadden een levendig gesprek. “Misschien kun je daar ook wel een voedselbos planten!” zei hij. Ik vertelde dat de boer het daar inderdaad over gehad heeft. “Maar ik heb het idee niet met beide handen aangegrepen“ ging ik verder “Ik denk dat enige terughoudendheid op zijn plek is. Ik weet nu hoeveel werk het is. Het is keiharde weidegrond en na vijftien centimeter begint de stijve grijze zeeklei.” Hij keek bedenkelijk. “Ja, dan moet je eenvoudig beginnen.” Hij geeft me gelijk zijn advies. “Begin met esdoorns.” Aan dat idee moet ik wennen. Eén van de eerste dingen die ik leerde van de hoveniers bij Copijn, was esdoorns uittrekken. Voor je het weet heb je ze overal. Esdoorns, die plant ik dus niet. Ik vertel hem dat ik vooral wilgen en elzen heb geplant. En ook nog een zootje hazelaars, notenbomen, berken, lijsterbessen, maar dan wel met heel veel compost erbij. Ook plantte ik veel bomen op het hoge stuk, waar ze niet kunnen verzuipen. “Het is een mooi begin, voor een voedselbos. Maar voor een hele hectare is dat een hele opgave,” zei ik.

Nu kijk ik naar de esdoorns achter mijn huis. Ik heb er zeventien omgezaagd. Ze zijn allemaal weer vrolijk uitgelopen, tot mooie compacte bosjes. Gaandeweg ben ik ze steeds meer gaan waarderen. Er zitten graag vogels in en ik hoor ze de hele dag. Daar achter mijn kleine huis, daar komt verder niemand. De esdoornstruiken geven wat beschutting, want ondergroei is er nauwelijks onder de hoog opschietende schietwilgen.

.

Allemaal zaailingen van esdoorns

.

Deze lente is het bezaaid met piepkleine esdoorns. Overal zie ik de kiemen opkomen, op alle paden, langs de bosranden, tussen de tegels. Nog nooit heb ik er zoveel gezien. Je zal maar hovenier zijn en ze allemaal uit moeten trekken! De natte winter was kennelijk ideaal voor het zaad. Overal zijn de helikopters heen gedwarreld, de harde herfstwinden hebben ze ver gedragen. Maar de boer lacht erom. Als je ze maait, dan verdwijnen ze wel, zegt hij. Ik ben benieuwd. Er zullen vast heel wat kieren en spleten zijn, waar ze een tijd ongezien hun gang kunnen gaan. En tussen de bomen en bosjes zullen ze overal opkomen, net als in het riet. Eenmaal wortels gemaakt, krijg je ze moeilijk meer weg.
Maar langzaam maar zeker ben ik er anders tegenaan gaan kijken. De esdoorns horen hier. Ik zal ze niet meer tegenhouden. Laat ze de grond maar klaarmaken voor de anderen, samen met de wilgen en de elzen. Als ze groter zijn zal ik ze knotten, net als de esdoorns achter mijn huis. Het wordt laag kreupelhout, en dat is fijne beschutting voor de dieren. De takken zullen de bodem verrijken en steeds geschikter maken voor anderen. Er is wat er is en daar kan ik steeds vaker blij om zijn. Ik vind een manier om er mee om te gaan, zodat het verrijkend werkt voor alles. Toch maar eens vaker met mensen als Tjeerd praten. Het opperhoofd bij de bomenplanters. Er valt nog veel uit te wisselen.

.

.

Natuurherstel van binnenuit

.

.

Liever luisteren? klik op de knop onderaan.

“Nederlanders zijn geweldig met natuur!” zegt David Attenborough in een wat ouder artikel. Met open mond lees ik zijn uitspraak. Waar haalt hij dát nou vandaan? Ik wil de tijd nemen om de rest te lezen, schenk een kop thee in en ga weer zitten. Ik lees al snel waarom hij in deze hersenkronkel verzeild is geraakt. Eigenlijk is het vrij logisch, vanuit hem gezien. De Nederlanders geven het meeste uit aan natuurorganisaties. Dat is het dus. Tja, wat weet hij er nou van. Hoe wij hier in een spagaat liggen tussen wat we zouden willen en wat het is. Onze natuur gaat hard achteruit, maar we zijn de beste donateurs. Je zou het de natuurparadox van de Nederlanders kunnen noemen.

We willen wel groen, maar dan niet de rommel ervan, en niet teveel werk. Grote wooncoöporaties vertalen dat als: “Mensen willen het netjes hebben om het huis”. Die norm is de bijl waar men mee hakt, en het wordt strak en rigide uitgevoerd. Is er dan eens een huurder met groene vingers, dan worden die vingers eerder afgehakt dan gestimuleerd. Zodra de huurder vertrekt wordt het grootste gedeelte van zijn werk met de grond gelijk gemaakt. Een enkele coöperatie doet het wel, huizen met een basistuin aanbieden. Een grasperk. Of een tegelplaats met één boompje. Het is een begin, maar toch vrij karig. Het trieste gevolg is nog altijd, dat vijftig procent van de stadstuinen betegeld is.

Ook op het platteland is de toestand schrijnend. Ouderen weten nog hoe het was, de elzenhagen in Brabant, de greppels in het Noorden, de vele vogels en bloemen in de wei. In de boeken van Thijssen kun je landschappen zien waar je stijl van achterover slaat. Er is in vijftig jaar verschrikkelijk veel veranderd. “Tja, zo is het nou eenmaal. Er moet brood op de plank komen.” Met het hoofd tussen de schouders fietst hij door, de man die het graag anders zou zien. De aardappels die er moeten groeien zijn voor de export. Als het vakantie is, vlucht men massaal het land uit, naar landen waar nog wél natuur is.

Hij is niet de enige, die zijn gevoel van verlies onder het kleed stopt. Is het daarom, waarom we zoveel geld doneren? Het klinkt logisch. We zijn bang dat alle natuur om zeep wordt geholpen, omdat dit het is, wat we om ons heen zien gebeuren. Maar geld is maar geld. Daarmee heb je de natuur nog niet terug. En zeker niet in je eigen, wilde zelf. Want om je heen verandert er nog steeds niks. Zowat elke stedeling haast zich om zijn afspraken na te komen, kinderen weg te brengen en op te halen, het huis schoon te houden. De stress stapelt zich op, en door de stress kan je niet meer helder zien wat van wezenlijk belang is.

Bomen brengen ontspanning. Als er een referendum is over de inrichting van een stadsdeel, dan kiest men massaal voor de groene oplossing. Het is dus helemaal niet zo, dat mensen een kale omgeving willen. Tegeltuintjes zijn een noodoplossing, ontstaan vanuit een zieke wereld, die te ver is doorgedraaid. In feite is zijn dit symptomen daarvan. Gezonde mensen helpen bij de genezing. Ze werken creatief mee met de natuur, in plaats van er tegen in. Stress maakt dat creatieve denken echter onmogelijk. Maar al te makkelijk schiet de stedeling opnieuw de auto in, om kilometers verder uit te stappen aan zee, of in een natuurgebied. Zelfs al staat hij ervoor in de file. Dat kan anders. En de noodzaak om dat ook te doen, wordt steeds groter.

Dus schrappen wat onnodig vermoeit is een eerste stap. Als dit gepaard gaat met emoties, dan moeten die worden verwerkt. Mensen zoeken de natuur op, om dat te doen. Dat kan natuurlijk, om te beginnen. Maar met een fijne eigen tuin in een groene buurt, dan hoef je straks niet meer te vluchten, om tot jezelf te komen. Thuis wordt dan een heerlijke plek.

Stel dat de hele stad vergroenen zou, hoeveel gelukkiger zouden we dan zijn! Dat bomen en planten ons beter kunnen maken, dat is zelfs bewezen.

Het begint bij rust, de rust om het te zien. Dromen van je eigen plek in de wereld. Proeven aan het wilde in jezelf, dat er nog altijd is. Een plensbui op je blote huid. Keihard fietsen tegen de wind in en dan je jas wijd open slaan als een zeiltje, om je terug te laten blazen. Modder die tussen je tenen doorsijpelt. Voelen hoe een worm in je handpalm kronkelt en het laten zien aan de kinderen. Klimmen in een boom en luisteren naar wat je hoort. Natuurherstel van binnenuit. Hoe dichter bij de groene wereld, hoe gezonder we zijn. Natuurherstel van binnenuit.

Dit is een verkorte versie van een stuk uit mijn boek

Onthullingen over het schrijfproces

De voltooiing van het boek: “De heilige traagheid der dingen”

.

.

.

Het is pauze. Om half twaalf voer ik de koeien en ga ik zelf lunchen bij mijn vriend. Twee uur, en dan weer verder. Momenteel is dat met schrijven. Want ik schrijf nog steeds aan mijn boek. Dat er ondertussen ook nog een blog moest komen, dat was ik even helemaal vergeten. Maar okee, dat kan ook nog wel even, tussendoor.
Het schrijven aan het boek gaat des te beter, wanneer je er helemaal in zit. Het is een heel proces, dat in fases gaat. Het begon met een gedachte. De afgelopen drie jaar heb ik veel gedacht, gezien en geschreven. Vooral in de diepte. Ik vond het nodig om dat eens helemaal uit te werken. Want blogs zijn maar kort. Mensen die ze lezen doen dat even tussendoor en hebben allerlei bijgedachten. In een boek wordt het een geheel, en kun je de lezers veel beter meenemen in gedachtegangen en gebeurtenissen. Maar hoe begin je? Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Eerst heb ik tien hoofdstukken gemaakt, met verschillende onderwerpen:

Hoofdstuk 1 Wat er vooraf gebeurde
Hoofdstuk 2 Het lage land van het Noorden
Hoofdstuk 3 Plant en bodemwerk
Hoofdstuk 4 De heilige traagheid der dingen
Hoofdstuk 5 Het heen en weer
Hoofdstuk 6 De kleurrijke taal van leven
Hoofdstuk 7 Het wilde als levensbron
Hoofdstuk 8 Inheemse banden
Hoofdstuk 9 Eenvoudig leven
Hoofdstuk 10 Het Verhalenpad

Vervolgens ben ik al mijn blogs afgegaan, vanaf een bepaalde datum. Ik heb gekozen, geknipt en geplakt. Van sommigen was het maar een enkele alinea, andere waren in zijn geheel van belang. Door ze in een breder omvattend thema te plaatsen, krijgt het meteen meer betekenis. Ook het plaatsen van verhalen onder elkaar is verrassend. Je ziet bruggen die meteen leiden tot nieuwe, verbindende scènes en gedachten.
Een enkele keer heb ik een stuk twee keer geplaatst. Dan maak ik het ietsje anders, en dan is het juist prettig, iets tegen te komen wat weer terugkeert in het verhaal.
Een andere ding is, hoe begin je een nieuw hoofdstuk? Het moet aantrekkelijk zijn, en tegelijkertijd moet je kunnen begrijpen waar het over gaat. “Het rijke fort Europa weet zijn grenzen goed te bewaken” is dat niet. Zulke grote dingen, daar beginnen al zoveel verhalen mee. Nee, beter is het om klein te beginnen, met verhalen van mensen zelf. Dat leidt dan tot het grotere, wat na het lezen van de rest veel beter te verteren is. Dus sommige stukken heb ik weggeknipt en omgewisseld. Het grote naar achteren, het kleine naar voren. En dan klopt het wel!
Wat het meest magische is, is om ergens anders iets te lezen waar je net over geschreven hebt. “De aanéénschakeling van toeval kan leiden tot wonderen.” Dat schreef ik. Het was een nogal poëtische ingeving. Even later lees ik een wetenschappelijk stuk over emergentie, een term uit de natuurkunde. Het komt uit het Engels en het betekent letterlijk: Het kan vanuit het niets ontstaan. Verschillende delen sluiten zich aanéén, en dat geheel blijkt heel andere eigenschappen te hebben dan het individu afzonderlijk. Een prachtige gedachte, en helemaal in één lijn met de mijne. Nu is het niet alleen van mij, maar het past ook in het grotere verhaal.
Zo schakelt alles zich aan één. Ik schrijf en schrijf. Uren achter elkaar. Hoe dichter het einde nadert, hoe meer ik erin duik. En nu nadert het einde. Dan zal ik opnieuw de uitgever benaderen. Als hij ja zegt, dan laat ik het los. Dan gaat het de wereld in. Zo niet, dan zien we wel weer verder. Het blijft een bijzonder proces, het schrijven van een boek.

Ik ben dus weer thuis in mijn woonwagen en schrijf. De pauze is voorbij. Uur na uur ga ik door. En dan is het ineens af.