Dat hoort eigenlijk niet

Voor het raam van mijn appartement is een zithoek. Op de stoelen ligt bagage. Van wie is dat?

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Op de kampeerboerderij op Schiermonnikoog is het rustig. “De Branding” heet de camping, en ik kom hier nu al vijfentwintig jaar. Het eiland was het tweede thuis van mijn man, voor ik hem kende. Gek genoeg ben ik er nooit samen met hem geweest. Pas na zijn dood heb ik de band met het eiland hersteld. Op de boerderij is intussen het één en ander veranderd. De oude boer is met pensioen en de jonge heeft het overgenomen. Er lopen weer kinderen rond. Alles gaat door. Ik krijg alleen geen verse melk meer. Maar het appartement is wel met meer smaak ingericht.

De twee kamers waar ik vier dagen verblijf, zijn op de begane grond. Het is alsof het plekje op mij ligt te wachten, en het is een gek idee dat er intussen al zoveel anderen hebben gelogeerd. Ik sta in de vertrouwde keukenhoek, het is ochtend, en ik ben net onder de douche uit. Een douche, helemaal voor mij alleen! Nog nagenietend loop ik naar de tafel om mijn ontbijtkom op te ruimen. Door het raam van de buitendeur zie ik de zithoek. Er staan allemaal tassen op de stoelen. Dat klopt eigenlijk niet, denk ik kritisch. Die zithoek hoort bij dit appartement. Meer nieuwsgierig dan geërgerd kijk ik door het grotere raam. Een man kijkt onbekommerd terug en zwaait vrolijk naar me. Hij heeft blauwe kinderogen. Ik zwaai terug en ga terug om mijn kom om te spoelen.

Even later zitten ze naast hun bagage. Ik zie het niet, ik hoor het, terwijl ik de warme kraan openzet. Het duurt even tot het heet is. Ik wacht en hoor ze praten, de man en een vrouw, ze zitten met hun ruggen tegen de muur aan, onder mijn aanrechtraampje. Hij zingt een liedje voor haar. Dan klinkt er gerammel. De blonde schoonmaakster komt langslopen met emmers. Ik zie nog net haar hoofd. “Waar blijft de koffie?” grapt de mannenstem. De schoonmaakster grijnst plichtmatig en loopt door. Ik draai de kraan dicht, loop naar de glazen deur en doe de schuif eraf. Als ik mijn kop om de hoek steek zie ik naast de man een jongere vrouw, met donkerblond haar in een nonchalante knot. “Willen jullie koffie?” vraag ik. Ze kijken blij verrast, vooral de jonge vrouw begint helemaal te stralen bij mijn vraag. Kan dit wel, hier zomaar gaan zitten, had ze zich afgevraagd. Ja, het kan dus. Er zijn zelfs mensen die er blij mee zijn, dat er eens iemand op hun bankje komt zitten. “Het is zo klaar!” zeg ik opgewekt. Ze hebben nog even tijd, voor de bus gaat. Ik zet de koffie en geef ze allebei een mok vol. We raken in een geanimeerd gesprek. Maar de vrouw houdt wel de tijd in de gaten. “We moeten nu echt weg, de bus gaat,” zegt ze. De bagage wordt rap op de rug gehesen, de bank is ineens weer leeg. Misschien komt er nog iemand, misschien niet. Hoe dan ook: Liever hoor ik lachen en zingen dan dat het moet zoals het hoort. Zeeën van stilte vind ik thuis wel weer terug. Thuis, aan de andere kant van de Waddenzee, tussen de groene weiden.

.

Scheppen is heerlijk

Verder met planten

.

Liever luisteren? Zie onderaan de tekst.

.


Heerlijk hoe alle gedachten aan andere zaken verdwijnen, zodra ik weer met volle aandacht aan het werk ga. Werken aan het nieuwe bosje. Bosjes zijn bijzonder in dit weidelandschap, op de bodem van de Middelzee. Die moet eigenlijk kaal blijven, zeggen de Friezen, dat is historisch. Alleen bij de woonkernen mogen bomen staan. Wat ik doe is dus op het randje. Ik houd van werken op het randje. Zo kun je langzaam grenzen verleggen. Dus ik werk hier, op de grens, twee kilometer weg van de bewoonde wereld. Grenzenverleggers zijn altijd nodig. Want je weet maar nooit of de toekomst niet totaal anders wordt dan het verleden. Toch, ik blijf bescheiden, houd contact en ga niet te ver. Dat probeer ik. Maar ik kan het niet vaak vragen. Het is hier zo stil, negen maanden lang zie je hier alleen de mensen die er echt moeten zijn. Ze komen aan rijden over het grindpad. Ze rijden bijna altijd voorbij, want meestal moeten ze op de boerderij zijn. Om te weten of ik nog steeds binnen het acceptabele werk, check ik af en toe mijn buurman, de landschapshistoricus. Die is altijd met het weidegebied bezig. Maar dit keer hoef ik hem niks te vragen. Alles is duidelijk besproken met de boer. Het zijn struiken. Vuilbessen en zuurbessen. Het wordt een mooi dicht bosje, waarin vogels bescherming kunnen vinden. Winterkoninkjes kunnen onder de stekelige zuurbessen hun jongen grootbrengen. Het wordt een echte peuterspeelzaal, daar onder die takkenboel. Met veel insecten ook. Dat is hard nodig! Maar eerst moeten ze er komen. Dus dat wordt nog een hele hoop scheppen. Het hoeft niet snel, nee juist niet! Voor mij moet het een spel blijven. De spade gaat makkelijk de grond in. Het is niet te nat en niet te droog, precies goed. Na zoveel te hebben geplant op deze kleigrond weet ik inmiddels: Niet wachten met graven tot je de bomen krijgt. Dat is op zijn vroegst eind november pas. Dan is alles glibberig en zitten je laarzen zomaar vast in de drek. Wanneer de struiken ook zullen komen, nu ga ik eerst de weide afplaggen, gaten graven, compost aanbrengen (tot zover ik dat nog heb). Als de bomen dan komen, kunnen ze zo de grond in. Ik steek een grote pol gras weg. Er zit een nest vaalgele pissebedden onder. Zorgvuldig schep ik de hele familie naar een hoger gelegen plek en bedek ze weer. Straks is alles weer zeikensnat, dan waren ze verzopen. Nu heb ik ze gered. Het is secuur werk, de grond klaarmaken en tegelijkertijd aandacht schenken aan de bodemstructuur en de beestjes. De strook grond die ik al deels heb beplant, ligt aan de noordzijde van een dichte rij schietwilgen. Ik merk wat een verschil dat is, de bodem is onder de bomen een stuk korreliger dan in de taaie klei op de weidegrond. De helft van de strook heb ik vorig jaar ingeplant met elzen vooral. Nu wil ik de rest doen. Op dit stuk is het hele jaar niet gemaaid, en onder het lange gras zijn tal van muizengangen, die vervolgens weer bewoond worden door allerlei insecten. De muizen hebben de grond losgemaakt, zonde om dat allemaal weer plat te trappen. Dus ik maak eerst een pad, van plaggen. Een dijkje wordt het, en het steekt hoog boven de rest uit. Onderaan het dijkje is een wadi, een diepe kuil. Dat maakt het hoogteverschil nog veel groter. Echt een sensatie, in dit vlakke land, al zie je er straks niks meer van, als straks alles begroeid is. Toch is dit een mooi moment. De kunst van het voorbijgaande. Dit heb ik gemaakt, denk ik, en ik voel de voldoening, al komt hier haast niemand. Ik denk aan jongeren die niet weten wat ze willen doen. Ga lekker spelen, denk ik dan. Bomen planten, dijkjes maken. Of wat anders. Het is zo heerlijk! Het maakt je kop helemaal leeg. En dan het te zien groeien. Biodiversiteit op de Friese weide! Het verhaal gaat door.

Voor de luisterversie: Zoek iemand die goed kan voorlezen, want ik ben er deze week niet!

.

Het was er al voor ik er was

De droom van mij was de droom van mijn moeder en velen die haar voorgingen.

.

Tekening Alowieke 1991

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Alles begint met een droom. Er zijn rottige dromen en lieve dromen. Onvoorstelbare grote dromen en kleine voor de hand liggende dromen. De één droomt van meisjes, de ander van jongens. Nadat mijn moeder kort na elkaar drie zonen had gekregen, kwam er een paar jaar niemand meer bij. En toen ze op een dag een kinderboek kocht om uit voor te lezen, zal ze gedroomd hebben van een meisje. Ik zag haar wens terug in vorm van dit kleine pocketboek. Ik had het nog nooit gezien, voor ik het vond. En al die zestig jaar moet het daar gelegen hebben, in de oude blankhouten kast, daar op de onderste plank.
Ik kijk ernaar. Op de kaft zie je een klein grietje dat over een hek klimt. “Emmekes kleine bos” heet het. Een meisje met lang haar en een tuinbroek aan zie ik. Maar ook zie ik de droom van een groene aarde en bronnen die ongehinderd mogen stromen.
Wie kan mij vertellen wanneer een droom begint? Ik was niet de eerste. Droomde mijn moeder die droom al, voor ik geboren werd? Dan is mijn bos ook haar bos. Het meisje waar ze over las, ben ik, en zij liet mij geboren worden.

Ik lees over Emmeke. Ze laat kleine bomen groeien en plant ze naast een vijver. In de vijver is een bron die alsmaar door borrelt. Het hart van alles was er groeit. Ze sluit vriendschappen met de beestjes die er wonen. Ik kijk naar het meisje. Ze zit schrijlings op het hek en kijkt om, naar iets wat aan de andere kant gebeurt. Emmeke ken ik maar wat goed. De Emmeke in mij groeide uit tot een werker. Een vrouw met vuile handen, maar met een innerlijke bron die nooit opgehouden is te vloeien.

.

Tekening Alowieke 1991

En uiteindelijk is het daar, het kleine bos, vol beestjes. De droom die mijn moeder al gedroomd heeft, eens, toen ze dit boekje las. Ik droom het verhaal dat mijn moeder las en werk het uit op mijn manier. Het heeft een naam gekregen: “Het Verhalenpad.” Ergens in het uitgestrekte weidelandschap kun je het vinden. De kleine bomen worden al groter. Het paadje dat ertussen door loopt is maar smal. Het is een pad van nog maar drie jaar oud. Maar eigenlijk is het al veel ouder. Overal is het, opgegroeid en neergevallen, gekoesterd als droom en als ontkiemend zaad onder een bed van mos. Het groeit in handen van allen die beginnen te popelen. En al zijn er hekken en is er prikkeldraad, niets zal ze tegenhouden.
Ik kan mijn moeder niet meer vragen, wat ze dacht, toen ze dit boekje kocht. Maar in gedachten laat ik haar zien wat ik liet groeien. En met mijn nieuwe boek hoop ik nieuwe dromen te zaaien, die uit zullen groeien tot dikke wortelbaarden in de bodem. Maar ook in takken vol blad en bloesems, met vogels en insecten. Groeien zal het. En geduld ook, en respect. En besef, van de heilige traagheid der dingen.

.

.

.

De tekeningen komen uit mijn dagboek van 1991. In die tijd leefde ik geïsoleerd op een kamertje van 12 m2 met een gebroken been, die ik opliep bij een verkeersongeluk. Het duurde 2 jaar voor het genas, en in die tijd heb ik veel getekend en gedicht. Het zijn dromen en inspiraties die nu nog altijd de basis vormen van mijn leven. Ook in het grote schilderij dat ik de komende tijd ga maken, zal het terugkomen.

PS: Dit is de eerste pagina van mijn boek, “De heilige traagheid der dingen” dat volgend jaar uitkomt.

Het gaat door

Een zoektocht naar Ubuntu

.

.

Wakker liggen om een keuze te maken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is vijf uur in de ochtend. Ik lig in bed en ik ben kwaad. Maar het is op een goeie manier. Het doet me bezinnen wat dit betekent en wat ik ermee doe. Het is namelijk zo: Ongeveer een jaar geleden heb ik een bankje geplaatst, naast het pad. Ik noemde het een “Ubuntubankje”. De betekenis van het Afrikaanse Ubuntu is: Ik ben doordat wij zijn. Een bankje dus, voor iedereen. Door het grote geheel te dienen, deel ik mee in de oogst.
Het Ubuntubankje stond naast het pad, niet om in bezit te nemen, maar ten dienste van iedereen die er langs zou lopen. Ik hoopte daarmee vaker een praatje te kunnen maken, samen, op het bankje. Maar er zat nooit iemand. Auto’s reden hard voorbij. Mensen op de fiets keken recht vooruit, allemaal op weg ergens naartoe. Slechts eenmaal heb ik er op gezeten, samen met een tijdelijke buurvrouw. Die ging weer weg. En ik ging weer verder.

Alleen was ik bezig, samen met de bomen. Maar ik heb ook mensen nodig. En het Ubuntubankje werkte niet. Integendeel, zonder vragen was het twee keer verdwenen. Grote groepen kampeerders. Ze komen en gaan. Ik denk dat het anderen zijn, niet van hier. Anderen, met haast. De derde keer kwam het kapot terug. Een van de latten was gebroken, en in de kopse kanten zaten overal scheuren. Veel te zwaar belast. Het Ubuntuproject was mislukt. Kwaad was ik. En kwaad ben ik nog steeds. Ik lig in mijn hangmat en sta op scherp. Wat ga ik doen? Blijf ik nog jaren hier, werkend in hetzelfde bosje, naast een Ubuntubankje waar ik niks aan heb? Nee, dat ik in geen geval. Ik wil nu kiezen hoe ik actie onderneem. Over een week is mijn vriend er weer. Die is drie maanden weg geweest. Als hij er is wordt mijn keuze minder scherp. Het leven wordt dan te gemakkelijk. Het moet nu. De nacht is donker en de zaklamp ligt naast me. Ik doe hem aan en schijn op de wekker. Het is half zes geworden, slapen kan ik niet en wil ik niet. Dit is belangrijk.

Ineens schiet mij iets te binnen. Deze week kreeg ik een visitekaartje, van een vrouw met een deel- atelier. Ik had haar erom gevraagd, omdat ik al een tijdje aan het woekeren ben met de ruimte. Ik ben begonnen met schilderen, schilderijen voor bij mijn boek. Maar daar heb ik niet echt een plek voor. Na vier kleine, wil ik nu een heel groot schilderij maken, passend bij hetzelfde thema. En nu denk ik aan haar. Dat is het! Ik ga naar haar toe. Het bankje ruim ik op. Mijn weg leidt nu naar de stad. Daar zijn mensen. Daar moet een plek zijn waar het bruist. Waar ik kan schilderen, met mensen praten en samen dingen bedenken. Ik ga mijn focus verplaatsen. De bomen groeien ook wel door met minder zorg en aandacht. Het zijn geen jonkies meer. Blij doe ik mijn ogen dicht en slaap meteen.

Na twee uur slapen ben ik al weer wakker. Ik bel de vrouw van het kaartje. “Kom maar meteen” zegt ze. “Het is dinsdag. Ik ben er nu, en de anderen zijn er ook.” Het zijn beeldhouwers. Dat wist ik al. Als je schildert is dat stof niet handig, maar toch neem ik de uitnodiging dankbaar aan. Je weet maar nooit waar het toe leidt. Ik kijk op het kaartje. “De Doas” staat er op. Het is een bruisplek. Zowaar. Een oud bedrijfsgebouw vol creativiteit.

Die middag stap ik binnen. Het eerste wat ik zie is een restaurant, waar je goedkoop een maaltijd kan nuttigen. Ik word er meteen blij van. Na even te hebben gezocht, kom ik bij het atelier. Ze hebben net pauze. Ik heb chocoladetruffels meegenomen van de melktap. Het doosje is meteen leeg. Mooi zo, dat was de bedoeling. Ik ben van harte welkom om te komen werken in het atelier, maar voor schilderwerk kan ik hier niet terecht. “Ik kijk nog even verder in het gebouw” zeg ik en loop naar buiten. Gelijk zie ik een volgende deur. “Wildewijk.” staat er bij de deur. Binnen zitten drie vrouwen en een man. Een van de vrouwen is van rond de veertig met blond haar Ze kijk me meteen aan. Ik lach vriendelijk naar haar. “Wat is dit?” vraag ik, en wijs op het naambordje. Ze staat op en geeft bereidwillig antwoord. “Wildewijk, dat komt van Wat -wil- de- wijk. Het is een verbindingsplek. Op dinsdagmiddag hebben we inloopatelier. Nu dus. ” Mijn ogen staan wijd open. “O echt? Mag ik ook meedoen? Als iemand die niet in de wijk woont?” Ze kijkt bedenkelijk. “Eigenlijk is het wel voor mensen van onze buurt bedoelt.” Terwijl ze dat zegt gaat het als een flits door me heen. O, stel dat ik nergens terecht kan! Op de ene plek krijg je geen atelier omdat ze liever een dertiger hebben, op een andere plek hoor ik niet bij de doelgroep. Wat moet ik dan nog op dat dooie punt, aan het einde van een onverharde weg? De korte nacht doet de emotie opflakkeren tot een felle vlam. “Ik wil me verbinden!”roep ik uit. Het komt recht uit het hart en het komt aan. Haar blik wordt nieuwsgierig en hartelijk. “Okee! Je bent welkom.” Ik ga naar binnen en iedereen geeft me een hand. “Hee ben jij niet van de Swetteblom? Ik ken jou!” Het is een vrouw van zeventig. Ze heet Anneke. En ik moet de groeten doen aan de boer. Kijk, zo is de verbinding meteen gelegd. En voor mijzelf? Want daar ging het nu ten slotte om! Mijn behoefte aan mensen. Ik zal een manier vinden om samen te kunnen werken. En om mijn werk en het verhaal wat ik wil vertellen naar buiten te brengen, met anderen die hetzelfde willen. We zullen de krachten bundelen. Alle wegen leiden naar Rome, voor wie een doel heeft dat recht uit het hart komt. En dit zal er ongetwijfeld één van zijn. It giet troch!

Een week later, dus nadat ik dit verhaal schreef, bel ik met de blonde vrouw, Froukje. Ik mag een hoekje gebruiken als atelier. Werken in een gemeenschap, precies wat ik zocht.
.

.

De verleiding van verre inspiraties

Of het volgen van eigen pad.

.

.

Op de Vlierhof is altijd veel te doen en te bespreken. Voor mij is deze plek een welkome afwisseling. We zitten met een hele groep aan tafel en voor mij zit een Spaanse vrouw die engels spreekt.

“Jij plant bomen én je voert de koeien in de winter”. De vrouw voor me herhaalt wat ik net heb gezegd. “Kun je niet een deal sluiten met de boer? Voor elke winter dat je de koeien voert, een bepaald aantal bomen planten?” Ik lach. “Dat is een mooie! Nee, ik denk niet dat het zo werkt, bij deze boer. Hij is teveel gehecht aan zijn hooiland om het zomaar voor bomen om te ruilen. En hij is niet de enige. Het is al heel wat voor deze streek, wat er nu is, aan bomen.” Ze kijkt nadenkend voor zich uit, buigt zich dan weer naar voren, naar mij toe. Haar lange donkere haar hangt naast haar gezicht. De oude lichte muur van de Vlierhof is achter haar en straalt warm in de middagzon. “Ik ken een vrouw die wel alsmaar door gaat met bomen planten. Ze woont in Zweden en ze maakt er ook kunst van. Dat is zo bijzonder, je zou er eens moeten kijken!” Ze straalt bij de gedachte. “Zal ik je een link sturen?” Het eerste wat ik denk is: bomen planten in Zweden? Daar hebben ze toch al bomen in overvloed? Ze zal in elk geval geen weerstand krijgen, zoals hier in Friese weidegebied. Of in drukke steden met dure bouwgrond. Het staat ver van me af. “Het is vast heel inspirerend,” zeg ik “Maar wat als het té mooi is? Dan wil ik er heen. En als ik het heb gezien, dan komt de verleiding. Wat ik nu doe verbleekt daar dan bij. Hier bij de Friezen in dit lege land. Dat is dan ineens niet genoeg meer. Maar het is wel de alledaagse werkelijkheid.” Ze knikt. “Ja, je moet het toch doen met de mensen dáár. Misschien is dat wel zo.” Er klinkt gerammel van bestek. Ze beginnen met het opruimen van de eettafel.

Dat is dus de conclusie. Veel inspiraties zijn slechts flakkerende vlammen. Dingen die even snel komen als gaan. Eenzaam blijf je achter met de vraag wat nu. Een uitdaging is daarentegen, het pad te blijven volgen wat voor je eigen voeten ligt. Ook dat is soms eenzaam, maar je vind dan wél de stapstenen om ergens uit te komen op een manier die bij je past. Dat geeft dan voldoening die beklijft. Het duurt soms lang. Iedereen is met zijn eigen dingen bezig. Dat is dan zo.

Ik lach naar de vrouw. Ze stelt zinnige vragen. Maar nu is het tijd. Ik moet gaan pakken, en ga weer terug naar huis. De trein in naar het verre Noorden. Berberissen en vuilbessen bestellen bij Heg-en-Landschap. Het laatste stukje schilderwerk aan mijn wagen doen, voor de herfst begint. En dan verder met het boek en het volgende schilderij. Inspiratie is er genoeg. Maar zonder de nodige concentratie betekent dat helemaal niets. Best een uitdaging, die alledaagse werkelijkheid. Ik heb er mijn handen vol aan.

.

.

Een eigenwijze verjaardag

Hoe vier je een feest? Sinds ik uit de Utrechtse werfkelder weg ben (12 jaar), komen veel genodigden niet opdagen. Tot nog toe dan. Dus ik ga niet meer zitten wachten en doe lekker waar ik zin in heb. Ook als ik zestig word.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Op 24 februari word ik zestig. Al een tijdje ben ik aan het nadenken wat ik dan ga doen. In Denemarken is die dag heel belangrijk. Daar woont mijn broer met zijn Deense vrouw. Ik was erbij toen hij zestig werd. Er zijn gedekte tafels met naamkaartjes bij de borden. Heel officieel. Maar een dergelijk feest past niet bij mij. Een feest met veel gasten, ja dat kan best leuk zijn. Maar ik heb nu meerdere malen een feest of bijeenkomst georganiseerd waar de geliefde genodigden maar matigjes op kwamen dagen. Soms kwam er maar één. (Hulde!) Of er kwamen anderen, die er toevallig wel waren. En nu nader ik de zestig. Ik ga het vieren. En dit keer ga ik het anders doen. Ik doe precies waar ík zin in heb en organiseer zo min mogelijk. En ik doe het niet in het weekend, omdat de meeste mensen dan wel kunnen, ik vier het écht op mijn geboortedag, op de meest onhandige dag van de week: maandag! Haha.

Op 24 februari ga ik naar Schiermonnikoog, mijn liefste eiland. Samen op de boot. Ik boek een kamer bij Hotel van der Werf, wat ik nog nooit gedaan heb, hoewel ik al vaak op Schier ben geweest. Om een uur of één komen we daar aan, denk ik. Dick en ik en wie er verder ook is. We toosten op de dag en de rest van mijn leven en ik zal een kleine spontane verjaardagstoespraak houden. Iedereen die op dat moment aanwezig is krijgt van mij koffie en gebak. Daarna wil ik huppelen langs de zee, schelpen zoeken, strandjutten en afval verzamelen. Als we dan honger hebben gaan we ergens een hapje eten. Het staat je vrij om ook naar Schier te komen voor het vieren van die dag. Een nacht slapen kost bij van der Werf 75 euro, dat is niet zo duur voor een mooi hotel. Er is een gezellige gelagkamer, waar we ’s avonds kunnen kletsen en spelletjes doen en we kunnen de volgende ochtend met elkaar ontbijten. Ik ga zelf dus maar één nacht. Als je langer wilt gaan, kun je ook een appartement huren bij Kampeerboerderij de Branding. Dat is niet duur, en het is daar gezellig op een rommelige manier. Het duurt nog even, maar ik zal het tegen die tijd nog wel een keer noemen.

Kome wie komt, we maken er wat moois van.

.

.

De tinteling van nieuwe scheppingskracht

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Of je oud of jong bent, dat ligt niet per se aan de leeftijd. Ik was zevenendertig toen M. stierf. Voor die dramatische dag was ik al ernstig van de zorgen. Maar op dat moment was ik in één klap oud. Ik voel me nu jonger dan toen, en mijn hele uitstraling is jonger, hoewel ik nu twintig jaar ouder ben. Rouw doet iets met je lichaam. Toch had ik vrede. Ik wist dat het goed was. Dat wij liefhadden en ook dat hij weer vertrok en mij achter liet met alles. En alles, dat was veel. Het was een zware tijd, die jarenlang duurde. Alles heb ik respectvol afgemaakt en opgeruimd. En toen was ik klaar, taai en vaardig was ik geworden, en de weg was vrij. Toen ik de sprong nam, begon er een nieuw leven. Ik voelde mij jonger dan ooit, zo licht als een veertje en kon wel zingen, zo vol was ik met creatieve energie. De sluier van wat was kon worden afgeworpen, de wereld stond in een nieuw licht. Er groeide iets nieuws in mij, zoals een veteranenboom, omgewaaid, gespleten, maar waar binnenin een nieuwe stam omhoog komt. Dat is twaalf jaar geleden. Het is een flinke boom geworden, want het is een productieve tijd geweest, sindsdien. Al die twaalf jaar heb ik wekelijks geschreven, filmpjes gemaakt, gedichten en tekeningen. Ik ontwierp en bouwde mijn huis op wielen, maakte er een docu van, en schreef een boek. Er zijn veel bomen en struiken geplant en ik heb hommels en vlinders gezien op plekken waar ze voordien niet waren.

Hard heb ik gewerkt. De tinteling van toen, de eerste jaren na de grote sprong, is nu weg. Zo gaat dat. Ja, het vuur is minder, maar niet gedoofd. De waakvlam brandt nog mooi. Er ligt nog een zee van tijd voor me, dat voel ik. Daarom zorg ik goed voor mezelf. Het lichaam is een tempel, zeggen Oosterse wijsgeren. Er kan nog van alles gebeuren, wat de vlam weer aanwakkert, in die tempel.

Ik woon nog steeds op dezelfde plek in Friesland, maar tegelijkertijd gaat mijn blik verder. Als ik klaar ben met het werk, dan ga ik vaker even weg: naar de Vlierhof, naar Schier, of een eind fietsen op mijn geweldige pas aangeschafte tweedehands fiets (zonder accu natuurlijk). In februari word ik zestig. Het is dan twaalf-en-een-half jaar geleden, dat ik de sprong nam. Een jubileum dus.
Wat heb ik bereikt? Dat is duidelijk. Ik maak me in elk geval niet druk meer. Erger dan toen kan het immers nooit worden. Ik kan enorm genieten van een middagdut om dan verkwikt weer op te staan. Daar had ik vroeger de rust niet voor. Ik werk af wat ik te doen heb, met plezier of met gezonde tegenzin, maar zonder dat jachtige gevoel wat ik vroeger vaak had. Als ik klaar ben, kijk ik opnieuw om me heen. Welke deur zal ik nu openen? Hoe gaat het verder? Niets blijft hetzelfde, nooit. En ook mijn blik verplaatst zich. Van de grond waarop ik werk, kijk ik steeds vaker naar de horizon. Misschien ga ik straks wel naar de bergen, als de laatste bomen zijn geplant, bij deze boer. Ik was nog een kind, de laatste keer dat ik een berg beklom. Wat is dat lang geleden! Ik hield enorm veel van bergen. Ik was er gek op: Rotsen, grotten, het onvoorspelbare, en de fysieke uitdaging. Dat is niet weg. Ja, ik wil de bergen zeker een keer terugzien in mijn leven. Misschien zijn er bergen waar ik bomen kan planten. Schotland? Ik weet het nog niet. Maar mijn armen zijn sterk, en aan mijn handen mankeert niks. Het zijn echte werkhanden, maar ze kunnen ook goed uitrusten. Dat moet ook. Zo blijven ze het langste doen, die handen van mij. Want graag blijf ik de aarde mooier maken. Zodat water mag vloeien en tuinen zullen groeien, landschappen zal ik verkennen en verrijken, samen met anderen. Alles vanuit deze grond, waar ik steeds weer terug keer. Hier, bij het kleine Verhalenhuis. Als het zo mag zijn. Amen.

.

.

Voor hen van wie ik leerde in liefde

Een extra lang verhaal waarin drie mensen de hoofdrol spelen, Carla: de kunstenares die mij uitnodigde, Sietse Drentje, die we allebei gekend hebben en mijn man, Michiel.

.

Blauw was Sietses lievelingskleur.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

“De wind is koud” zegt de vrouw, die aan de andere kant van het tafeltje zit. “Kom naast me zitten,” wenk ik ”hier zit je in de luwte.” Ze doet het. De bank van Jonker Sikke is groot zat, hij bestrijkt de hele voorgevel en ligt vol bontgekleurde kussens. Aan de overkant zijn de weilanden en de kerk. Naast mij zit Carla, kunstenares. Het is het verleden dat ons bindt. Een man, die voor altijd jong zal blijven in onze herinnering. Voor haar was hij een vriend met wie ze intensief correspondeerde, vijf jaar lang. Voor mij was hij mijn eerste vriendje, kort maar krachtig. Hij leeft niet meer. Op zijn zeven en twintigste is hij vertrokken en niet meer teruggekomen. Het was een enorm pak brieven, die ze nog steeds van hem had. Dat lag daar maar. Ze opnieuw allemaal lezen, dat wilde ze niet. Dat maakt teveel los. Wat dan? Ze kwam op het idee om ze aan een ver familielid te geven, die radiomaker was. Hij maakte er een mooie podcast van. Dat is geworden als een monument voor hem.

Nu kunnen we het weer hebben over zijn bijzondere persoonlijkheid, de jongen die zijn laatste reis maakte, en ons geschokt achterliet. Die eenzaam stierf in een ver land.

(Luister: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis)

Onverwerkte emoties vormen een mist, die dikker wordt zodra je er in stapt. Het is als stof over je ziel. Om de mist op te lossen, moet je erin. Je kunt het ontlopen, maar het gaat ten koste van de sprankeling, de creativiteit die we nodig hebben om deze wereld te genezen. Ook spullen met emotionele lading, die jarenlang blijven liggen, doen iets met je. Het gaat ten koste van je scheppingskracht. Daar moet je op een gegeven moment wat mee, wil je niet eindigen als een stoffig type. Opruimen is goed, en het beste nemen we mee de toekomst in. Sietse Drentje was in elk geval helemaal niet stoffig. Integendeel. Hij was een dynamisch mens, vol ideeën. Sommige ideeën zwerven nog altijd ergens rond, andere zijn in rook opgegaan. Maar hoe dan ook, we waren gefascineerd door zijn beweeglijke, hartelijke en creatieve persoonlijkheid. Bij het verwerken van het verleden kiezen we voor het beste, dat gebruiken we en zetten we voort. Carla heeft de brieven die hij schreef een nieuw leven gegeven. Ze liggen niet meer bij haar in een donkere hoek, het is een verhaal geworden, gemaakt door een man van de VPRO, en iedereen kan het beluisteren, zich laten ontroeren. Het is een mooie daad geweest.
Ik wijs naar de torenspits van de kerk tegenover ons. “Zie je daar? De zwaluwen cirkelen daar rond en pikken insecten van het dak. Mooi hè…” Ze kijkt. Ze kent het. “Dat zijn vliegende mieren. Op warme dagen komen ze uit. Die gaan heel hoog de lucht in.” Ik kijk naar ze, die vliegensvlugge vogels. Prachtige nesten bouwen ze voor hun jongen. Dit zijn hun laatste weken, voor ze weer vertrekken. Laten ze hun buik maar flink vol eten. Een lange reis zal het worden. Ik bid dat ze weer terugkomen. Allemaal. En dat ik kan zijn als de zwaluw, licht, wendbaar en beweeglijk, nog vele jaren, tot de laatste dag. Licht en beweeglijk, als Sietse. Maar tegelijkertijd toegewijd. Dat de plek waar ik ben mooier mag zijn als ik weg ga. Die twee dingen, allebei.

Ik vertel Carla dat ik een keer met Sietse naar een expositie van haar ben geweest. Het was in een tijd dat ze zoekende was hoe ze verder moest, als kunstenares. “Ik kan me jou niet meer herinneren” zegt ze. “Als je creatief wilt blijven moet je ruimte hebben, dus ook dingen vergeten”. Ik knik. Dat herken ik. Het is voor mij de basis van eenvoudig leven. Het gaat niet alleen over spullen, het gaat ook over een opgeruimd gemoed. Over het verwerken van dingen. Afscheid. Denken aan de doden en wat we van ze leren.

Een en twintig was ik. Sietse was mijn allereerste officiële vriendje. Hij was zes jaar ouder, schrijver, avonturier en vrijbuiter. Zijn vertrouwen in mensen was grenzeloos. Even grenzeloos werd zijn val, later, het ongewisse in. En het begon zo mooi en vol vrolijkheid.
We ontmoetten elkaar op creatief kamp Kijkduin. Daarop volgde een weekendrelatie, hij woonde in Hilversum, ik in Leeuwarden, waar zijn zus ook woonde. We schreven over de prachtige onontgonnen gebieden tussen ons, en we geloofden daarin. We tekenden grote rode harten voor elkaar en gloeiden van geluk wanneer we elkaars brieven lazen. Maar als ik naast hem zat kreeg ik steeds meer last van een brok in mijn keel. We zaten stijf van de spanning naast elkaar, en dan kwam er niks meer uit. Voor hij vertrok maakte hij het uit. Het was een brief waarop ik nooit zou kunnen antwoorden. Hij schreef dat hij niet wist wat hij met ons aanmoest en ging op de bonnefooi naar Turkije. Het goede geluk werd hem niet gegeven. Het bericht dat hij was vermoord, leek onwerkelijk. Daarna droomde ik een intense droom, die mijn hele leven is bijgebleven. Ik had van top tot teen kippevel, toen ik wakker werd.

Er is een man in het veld, een grijze herder met een baard. Hij heeft een staf in de hand. Hij loopt op me af, recht zijn rug en kijkt me aan. Dan heft hij de staf boven zijn hoofd. De herder lijkt te groeien en de goedmoedige houten staf verandert in een glimmend scherp zwaard. De stilte is plechtig en geladen, voor hij spreekt. Drie woorden maar.
“Ik moet wel.”

Dan word ik wakker. Dit is voor het eerst dat ik mijn verhaal met hem zo volledig in het openbaar vertel. Nu dus, dankzij Mathijs Deen, die deze radiodocu maakte.
In de docu wordt mijn naam niet genoemd. Alleen: “A. Komt hier dit weekend. ” Dat ben ik. Als de maker me gevraagd had, had ik hem dit verhaal verteld. In de docu komt het over alsof het niet meer was dan een flirt, één van de velen. Maar we meenden het met elkaar, die eerste maanden. Hij schreef ook veel over de dood en dat trof me. Ik herinner me een gesprek over de dood. Dat het een muur was waar hij overheen zou willen kijken, wat er was.
Ik ging met hem naar de schrijverskring van Simon Vinkenoog. Zo onzeker nog, dat ik niet durfde voor te lezen wat ik geschreven had. Ik herkende zijn reislust, nieuwsgierigheid en grenzeloos vertrouwen. Ik stond nog maar aan het begin. Maar die droom was voor mij een waarschuwing. Het sloeg op hem, maar ook op mij. Dit is één van de gebeurtenissen geweest met invloed op de rest van mijn leven. Het heeft me niet bang gemaakt, wel behoedzamer, meer geaard en minder naïef.
Als ik dit verhaal vertel, denken veel mensen aan hun eigen jonge, naïeve reizen, nieuwsgierig, op zoek naar avontuur, of zoekende naar een doel in het leven. Ze zijn dankbaar dat het goed is afgelopen. Bij mij liep het anders. Diverse gebeurtenissen hebben mijn reislust ingetoomd. Het is er nog wel, maar ik houd het aan de teugel. Mijn enige reis als volwassene is geweest de drie maanden door Noord Friesland, vijf jaar geleden. En natuurlijk in 1997, met de boot door Nederland. Toen was ik samen met mijn lief, Michiel. (Hij stierf in 2002). Dat dagboek heb ik bewaard, als een van de weinigen. Ik ben Nederland nauwelijks uit geweest.

Michiel hoefde ook niet verder. Hij verkende land en water vanuit de plek waar hij was, in steeds grotere cirkels. Op de kaart tekende hij dat af, met trots, dikke lijnen over waterwegen die nu tot zijn wereld behoorden. Hij had een bodem van wijsheid, die Sietse nog niet had. Maar Sietse was licht en wendbaar, terwijl Michiel zich al teveel hechtte aan wat hem omringde. Dat maakte hem eigenlijk best wel een stoffig type. Zijn liefde voor mij was het enige wat hem op het laatst nog gaande hield. Zijn motor, zijn liefde, zijn alles. Ik denk aan hem in dankbaarheid daarvoor. Hij had een heel groot hart en heeft mij veel gegeven.
Door hem, en door Sietse, heb ik veel geleerd. Ik probeer licht te blijven en wendbaar, zoals Sietse, en tegelijkertijd toegewijd aan de plek waar ik ben. Zoals Michiel.

Van allebei het beste. In de geest van hen, die mij dit leerden in liefde.

Nogmaals de link voor deze radiodocu die de moeite waard is om naar te luisteren: https://www.nporadio1.nl/podcasts/docs/112080/194-sietse-drentjes-laatste-reis

.

Ecologisch slootonderhoud

.

.

Ecologisch slootonderhoud

Het is een echte nazomer. Warme windstille dagen wisselen af met winderige wolkenluchten. Talloze spinnenwebben glinsteren in het ochtendlicht, en nevelen hangen over het vlakke land, na de regen van gisteren. Ik kijk uit over het land, ben net uit bed. Net als ik terug naar huis wil lopen, komt er een trekker langs, met een grote hark eraan. Dat is waar ook. De sloot wordt vandaag gehekkeld. Dat is vroeg. Vorig jaar was de grond zompig in november. Er kwamen dikke bandensporen in het veld. Dan moet het maar in augustus dacht de boer, dan is de grond nog hard. Ik zie hoe de machine vlak langs de ingang van het Verhalenpad indraait. Hij rijdt over de uitstekende takken van de grauwe wilg heen. De struik is flink gegroeid, vooral in de breedte. Ik moet hem snoeien of vlechten. De jongen achter het stuur laat de grote gele hark in de sloot zakken. Hij schept en kwakt een dikke laag zwarte bagger op de kant. Het is het uiterste hoekje van de sloot, dat verschillende jaren is overgeslagen. Vooral daar zitten veel kikkers. Ik maak er altijd een composthoop vlak langs het water. Daar kunnen behalve kikkers ook padden onder kruipen. Allebei eten ze slakken, óók naaktslakken.

Als de machine wegrijdt, is de sloot aan één kant gemaaid. De andere kant komt een andere keer aan de beurt. Dat heet ecologisch hekkelen: niet alles tegelijk, zodat de natuur ook een kans krijgt. Zodra de machine vertrokken is, loop ik er heen zonder eerst wat anders aan te doen of handschoenen te pakken. Een onderbroek en T-shirt, dat is vandaag de beste werkkleding. De oever ligt vol uitgetrokken lisdoddes, krabbescheer en riet. Lisdoddes kun je eten. Een laag zwarte drab ligt er alvast als een sausje overheen. Meteen al rennen er spinnetjes rond. Het zijn er heel veel. De gladde modderlaag lijkt wel een renbaan. Die moeten maar even ergens onderduiken vind ik. Want ik ga hier reddingswerk verrichten. Met grote armen vol drab en lisdodde loop ik heen en weer. De dikke vlezige stengels hebben zware modderige kluiten. Ik sjouw met de plantenresten naar de bomen. De zwarte slierten slingeren langs mijn benen. Het voelt lekker koel. Ik gooi mijn armen leeg rondom de buitenrand, onder de wilg, de els, de lijsterbes. Ik loop terug, mijn blote voeten in de modder. Opnieuw klauw ik met mijn vingers in de zwarte smurrie. Er spartelt iets in de modder. Ik raap het op. Het is een visje. Ik gooi hem met een klein boogje terug in de sloot en zie hem energiek wegzwemmen. Ergens anders duikt een duizendpoot weg. Ik zie hem net te laat en in mijn beweging raakt hij bedolven onder de derrie. Gauw speur ik hem op. Er is niet meer van hem overgebleven dan een stil zwart sliertje. Het rijtje poten is onzichtbaar en hij kan ze niet meer bewegen. Ik hou van duizendpoten. Ik vind het mooi, hoe ze overal holletjes vinden en zelfs tot diep in grond kruipen, via wormengangen. Ik was de duizendpoot met druppels, die ik van mijn vinger laat vallen. Een paar druppels is genoeg. Zodra hij weer kan lopen, krijgt hij een plek hoog op de bult, bij de berken. Daar is de klei luchtig en bros. Daar kan hij niet verzuipen. Als een haas duikt hij een kier in.

Gelijk daarna vind ik een kikker. Versuft zit hij op mijn hand. Hij lijkt sprekend op een kluitje modder. Ik haal hem een keer door het schone slootwater en zie dat hij zijn bolle ogen wagenwijd open heeft. Zijn keel klopt. Hij leeft dus. Hij mist ook twee poten. De linker voorpoot en de rechter achterpoot. Het is al genezen. Dit is al eerder gebeurd. Misschien is hij eens ontsnapt aan een kraai. Ik besluit hem ergens anders terug te zetten. Ja,in de Swette. daar is meer begroeiing. Daar kan een geamputeerd kikkertje beter schuilen dan hier in de sloot, en in de winter kan hij diep naar de bodem duiken om te slapen. Daarna raap ik nog een aantal waterslakken. Ik gooi ze terug samen met de bos waterplanten, waar ze in zitten. Ik kijk ernaar, mijn armen hangen werkeloos naast mijn modderige lijf. Het is genoeg voor vandaag. Tijd voor een duik in de Swette, de kikker achterna. Dat wordt nog flink boenen.

.

.

.

We zijn niet alleen op de wereld

Een overpeinzing over de rol van muizen.

.

Ja het is zo. We denken in eerste plaats aan onszelf. Daar is niks mis mee. Maar af en toe is een bredere blik zeer verrijkend om opnieuw je plaats in het geheel te zien. Kleine beestjes kunnen daarin heel verhelderend zijn, juist als je een hekel aan ze hebt.

Nu heb ik een grote hekel aan muizen in huis. Als ze er zijn doe ik er alles aan om ze kwijt te raken, behalve gif strooien en klemmen zetten. Maar er waren dit jaar weiniģ muizen. Eerst was ik daar blij mee. Ik hoefde geen strijd te leveren in huis. Er was geen eentje die me lastig viel. Maar langzaam aan zag ik de gevolgen. Een wereld zonder muizen loopt in het honderd. Voor anderen werd het leven zwaar. Voor de roofdieren in de eerste plaats. Een veel te groot contrast was het. Omdat het vorig jaar een droog jaar was, was het een echt muizenjaar. De hele dag zag je kraaien, eksters en valken in het veld, die zich te goed deden aan de vele veldmuisjes. Ook marters vermenigvuldigden zich door al die overvloed. Na al die regen de hele winter en dan ook nog de hele lente, waren er nauwelijks muizen meer. Maar nog wel steeds veel roofdieren, omdat vorig jaar zo overvloedig was. Die hebben zich dus maar gestort op eieren en jonge vogels. Het werd daardoor een zeer slecht jaar voor de weidevogels. Maar ook voor anderen. Ikzelf mis de winterkoninkjes. Er waren er meerdere, nu is er geen een meer. Het is heel stil geworden zonder hun triomfantelijke gefluit. Ik verdenk de kat van de buren. Die zie ik hier telkens sluipen, ’s ochtends bij schemering. Dat beest heeft nu ook weinig muizen meer om op te jagen. En jagen wil hij toch. Nee, ik houd niet van muizen in huis. Maar toch hoop ik dat er volgend jaar weer meer zijn. En dat er weer winterkoninkjes komen en heel veel gruttokuikens. En dus neem ik de strijd met die paar irritante knagers in huis ook maar voor lief. We zijn niet alleen op de wereld, zei mijn lief toen hij nog leefde. Hij was een wijs man. En bij deze staan zijn woorden zwart op wit.

.

PS Ik doe mijn best om volgende week weer te starten met de luisterversies