Kleine muis

muisinpalm 001

.

Trillend hoopje pluis
midden op het pad
gewond maar niet gegeten
kleine grijze muis

Gaat me niet aan
ik laat je liggen
dacht ik maar ik deed het niet
en bleef nog even staan

Geroerd deed ik mijn handschoen uit
bukte me en nam het
voorzichtig en met tederheid
een dubieus besluit

Het bleef niet beven
in mijn hand
maar krulde zich behaaglijk op
bereid om door te leven

Nu ben ik God
zo dacht ik
kies ik zijn dood of doe ‘k het niet
toch een beetje rot

Bezwaard liet ik het beestje weer
gaan op natte aarde
en daar bleef het wat stijvig zitten
naast het lapje leer

Ik nam een kijkje
in de ochtend, ’t gras nog wit van vorst
en daar, waar ik het achterliet
vond ik alleen een lijkje

…………….Mensenwens voor een wurm

WurmMensenwens voor een wurm

Stil onder een natte steen
bewegingloos vol leven
hoeveel kun jij ons nog vergeven
lieve wurm, ga nog niet heen

Ik weet dat ik je broer een keer
dwars door midden sneed, pardoes
een scherpe spade zonder roest
en weer en weer en weer…

We hakken en we woelen
het gaat maar door en door
ik heb er een gebedje voor
Laat het weer krioelen.

Zonder messen, zonder ploeg
geen reuzenwielen niets ontziend
zoveel meer heb jij verdiend
na al wat je verdroeg

Dit hoop ik en maar ja, ik weet
het is maar slechts een wens
van één enkel simpel mens
maar de plaat is nog niet heet

De druppel kan nog vallen
in aarde waar jij bent
lieve wurm, zo onderkend
Ik gun je duizendtallen

Kinderdromen

.

kinderdromen 004

.

Het is een rustig dagje. Dick is er ook. Hij zit aan tafel de krant te lezen. Ik sta met kousevoeten op de bank en rommel wat op het zoldertje er boven. Sommige dingen heb ik niet meer aangeraakt, sinds ik het er twee jaar geleden neerlegde. Ik haal de voorste stapel boekjes weg en wat CD’s. Ik weet wat er achter ligt. Het is een mij heel bekend blauw boekje, volgeschreven met een rond en nog kinderlijk handschrift.
„Zal ik je eens voorlezen uit het dagboek van toen ik veertien was?” vraag ik aan Dick. “Dat heb ik nog wèl bewaard. Het gaat over onze reis dwars door het Noord Amerikaanse continent.”
“Ja, leuk,” zegt Dick.
“We reden elke dag vijfhonderd kilometer, de heenweg door Amerika, de terugweg door Canada, zes weken lang.” Ik sla een willekeurige bladzijde open en lees een paar stukjes. Dan kom ik bij een opmerkelijke passage.

“We gaan naar Iron Springs. Daar woont een vroeger buurmeisje waar ma altijd mee speelde. Het is nog dertien kilometer, zegt mama. Ik kijk naar buiten. Ach wat zielig, er staat een paard in de regen. Hij is al onder de bomen gaan staan. Dat wil ik altijd nog eens, paardrijden. Of het liefst, er eentje hebben, maar daar zal wel nooit iets van komen.”

Verrast kijk ik naar Dick. “En vlak daarna lees ik dit,” vervolg ik.“

Ik vind het heerlijk om zo te trekken. Ik zou best zo willen leven.”

.

“Toen wist je het al,” zegt Dick.
“Ja,” antwoord ik “en straks gaat het dan gebeuren. Tenminste, dat denk ik. Maar zeker weet je het nooit. Het kan altijd anders gaan dan verwacht.”
“Je gaat het doen,” zegt Dick overtuigd.
“Ja,” glimlach ik hem toe. “Ik heb er ook veel vertrouwen in, dat het door gaat. Er zijn tot dusver geen barrières. Alles verloopt rustig en soepel.”
Ik kijk naar Dick zijn grijze krullenbos. Wie heeft er nou zo’n fijne couch? Ik bof maar.

..

.

Volhouden!

paardenwelkom 001

„Ze probeert je naar achteren te duwen, hou vast! Blijf vasthouden!” roept Aniek. Het is menens. Merrie Fipor probeert me uit. Ik vroeg er zelf om. Als totale beginner meteen een training Natural Horsemanship doen, is niet normaal. In elk geval ben ik de eerste hier, als beginneling. Het paard snapt dat ook. Volhouden nu! Ik luister naar Aniek haar heldere stem, terwijl mijn hand stevig de neus van de merrie vasthoudt. Ik voel het harde bot in het midden, een stuk onder de ogen. Duim aan de linkerkant, andere vingers rechts. Ik gooi mijn hele gewicht erin en duw uit alle macht. Plotseling geeft Fipor toe en stapt naar achteren. Ik duikel voor over in het zand. Verrast kijk ik omhoog naar het paard. De merrie staat er nu rustig bij. Aniek lacht. “Maar ze is wél voor je naar achteren gegaan!” zegt ze.
We gaan verder. Aniek loopt rond in het mulle zand van de buitenbak en geeft opdrachten. Haar blonde staart wappert onder het bruine petje terwijl ze rondkijkt. Er zijn nog drie paarden, met vrouwen die leiden. Ze let op allemaal. Ook op mij. Ik heb het gevoel alsof ik aan het jongleren ben. Elke nieuwe taak is als een bal die ik moet vangen, terwijl ik de vorige nog maar net in balans heb. De hele middag sta ik op scherp. Ik doe het. Welliswaar niet altijd zoals de bedoeling is, maar toch. Ik gebruik mijn hele lichaam. De stick en het touw, waarmee ik aanwijzingen moet geven, hangen soms vergeten in mijn hand, tot ik er weer aan denk. Maar het paard begrijpt me aardig. En het gaat steeds beter.
Drie dagen duurt het. Ik leer veel van de taal en het karakter van het dier. Ik leer het touw en de stick te gebruiken, rustig en subtiel, als een verlengstuk van mijn lichaam. Ik ben verrast, dat het in zo’n korte tijd mogelijk is om iets op te bouwen. We kunnen ontspannen samenwerken, Fipor en ik. Gezellig en speels. Tussendoor leid ik haar naar de smakelijke kruidige grasrand, langs het hek, net als een leiderspaard dat doet, met zijn kudde. Daar blijven we even staan. Mijn gedachten drijven even weg, terwijl Fipor graast.
Wie weet, zal ik dit straks veel vaker doen. Straks, als ik ga trekken. . . Wat zal het worden? Geen paard, denk ik. Hoewel ik geniet van deze dagen, heb ik toch het liefst een ezel of een muildier, geloof ik. Ik vind grote fluwelen lippen leuk, die alles willen aanraken en onderzoeken. Ezels hebben dat. Muildieren ook? Ze zijn allebei rustiger, taaier, en stellen minder eisen aan het voedsel. Misschien worden het er wel twee, als het past. Een stel dat samen is opgegroeid. . .

Zo sta ik te dromen terwijl ik zijdelings naar Fipor kijk. Ze graast geconcentreerd en is nu bij de grote rode klaver. Het bosje bloemen is in enkele ogenblikken verdwenen in een bek vol grote tanden. Nu ze even de vrijheid heeft, neemt ze die ook. Ze beslist wat ze wel en niet eet en ik kijk tevreden toe. Zij en ik zijn nu vriendinnen en spelen het spel van geven en nemen, ontspannen en vanzelfsprekend. Ik heb niets meer te wensen vandaag.

Ezel

Ezel 002
.
Het is al laat als ik uit bed stap. Al negen uur. Mijn lijf is nog wat zwaar en loom van alle inspanning van deze week. Maar daar is wat aan te doen. Zonder aarzelen ga ik op mijn rug liggen en adem in en uit. Heel geconcentreerd doe ik de eerste oefeningen. Langzaam word ik frisser en wakkerder. Als ik bij de vierde oefening ben hoor ik gebalk. Het is Ezel. Elke ochtend knip ik beukentakken voor hem. Van de beukenhaag. Hij wil ze, nu! Het duurt hem vast veel te lang. Ik maak rustig de oefeningen af en ga naar buiten.
Ezel beukt met zijn grijze borst tegen het hek aan, als hij me ziet. Het lijkt er op dat hij er uit wil. Soms mag hij dat. Ikzelf heb het nog niet eerder gedaan. Ik weet dat hij erg sterk is en niet gecastreerd. Soms is hij baldadig en dan is er geen houden meer aan. Dan rent hij bokkig het hele terrein over. Maar ik heb geen zin om langer terughoudend te zijn. Ezel is een maatje geworden en ik wil graag wat voor hem doen.
Om zijn hals hangt een riem, met een oog er aan. De ketting en de pen liggen voor me, in het gras, met een haak eraan vast. Ik neem de musketonhaak in mijn hand. Dan open ik het hek en in één beweging zit de ezel vast aan de haak. Met moeite druk ik de pen in de keiharde, natte bodem. Genietend begint ezel te grazen. Terwijl hij met zijn lange tanden het heldergroene gras afsnijdt en kauwt, kijkt hij al vast waar het volgende hapje staat. Ik kijk met hem mee. Er staat raaigras, kweek, witte klaver zonder bloemen en blad van de kruipende boterbloem. Ezel eet dit allemaal, maar toch het meest gras. De grond is zompig van de vele regen. Rond de kleine hoeven komt het vocht omhoog, de grond uit. Zijn hoeven zijn vol nat en opgedroogd zand. Ze zijn een beetje rafelig aan het uiteinde, maar nog niet alarmerend. Ik zou ze graag willen voelen, die hoeven. Hoe hard zouden ze zijn? Als ik mijn hand naar zijn linkervoorpoot richt, wendt ezel zich af. Nu niet. Een andere keer misschien.

Ik wil graag muildieren leren kennen en ezels. Overal zijn ezels. Toch is er maar ééntje hier. Dus met hem begin ik. Met de onze. Ik kijk naar hem. Al heeft hij nooit iets geleerd en zal hij nooit een wagen kunnen trekken. Daar gaat het nu niet om. Ik kijk en ik ben er. Naast Ezel.
.


Hier geef ik de dieren appeltjes. Ezel komt aan de beurt in de derde minuut.

Kippen!

Haan in mijn tuin

.

Ik heb een tuin voor mijn deur. Ik onderhoud het zelf. Een weelderige boel is het geworden, vol verrassingen. Het kostte veel geduld en nu is het zoals het is. Maar één hoekje heeft nog teveel zwarte grond, naar mijn zin. Daar moet het nog groeien.
Ik kijk langs een kier van het witte gordijn naar buiten. Een blauwe lucht schemert tussen het luchtige bladerdak van de vlier. Het lijkt een aangename dag te worden. Ik heb de gordijnen vast dicht gedaan om de koelte vast te houden en ook heb ik vogelzaad gestrooid, onder de haagbeuk en de kerspruim. Door mijn kier zie ik alles daarbuiten. Het fladdert en scharrelt. Ze woelen en pikken. Een ringmus gooit zijn borst met met volle kracht tegen een dorre pol gras, die in de weg ligt. Ik glimlach.
Dan hoor ik opeens een luid gekukel in de bosjes. Het is het nieuwe haantje. Wat doet hij daar, met zijn twee hennetjes? Gewaarschuwd kijk ik door het zijraampje en zie ze de tuin in lopen, tussen de bosjes en verder. Naar zaad zoekend schrapen ze rakelings langs mijn kleine plantgoed, en lopen er bovenop.
Resoluut doe ik de deur open. “Wat mot dat!” roep ik. Ik pak de langwerpige steen die ik helemaal meegenomen heb uit Roemenië, en slinger hem de tuin in. Alle vogeltjes vliegen weg. De kippen rennen op een holletje het hoekje om. Ze begrijpen me meteen. Ik ga de tuin in om mijn steen weer op te halen. Ik zie hem nergens meer. Nou ja. Dan maar geen steen uit Roemenië.
Na een minuut zie ik de kippen vanuit een andere hoek terugkeren. Lekker zaad en leuke scharrelhoekjes lokken. Dat onthoudt een kip goed. De rest zal ze een worst wezen.

Daar sta ik dan. Gooien met stenen lijkt zinloos en primitief. Ik moet iets anders bedenken. Ik besluit om barrières neer te leggen. Materiaal genoeg. Ik loop naar het bosje verderop en raap een armvol takjes op. Ze liggen er genoeg, er is deze winter flink gesnoeid. Ik zet ze rechtop in de grond, tussen de planten. Even sta ik ernaar te kijken. Kan ik nog meer doen? Ik herinner me de stapel stenen en kapotte dakpannen naast het pad bij de oprit. Die zijn ook handig. In meerdere opzichten zelfs. Ze houden meteen het vocht vast in de grond, en de steen zelf houdt warmte vast. Fijn voor kleine plantjes, die nog groeien moeten. Dat doe ik. Met mijn fietskar hobbel ik er heen en stapel de kar flink vol.

Uiteindelijk ligt mijn tuin vol rode scherven en staan overal stokjes. Om te testen heb ik nieuw zaad gestrooid. Terwijl ik er bij sta zie ik de kippen terugkeren. Ze lopen er gewoon tussendoor en krabben er lustig op los. Ik stuur de kippen weg, pak een stapel zwarte potjes achter mij en maak de compositie nog ingewikkelder. Even later kijk ik van een afstandje. De lichte plastic bakjes gooien ze gewoon om. Uiteindelijk werp ik de ene barrière op na de andere. Als mijn tuin vol takkenzooi, potjes en keramiekscherven ligt, kijk ik vol spanning toe. Opnieuw komen ze terug en .. wagen zich er niet meer in! Twee heggenmussen pikken ongestoord. Een koolmees zit bovenop een neergegooid takkenbosje. Hij kijkt of er nog zonnebloempitten liggen. Opgelucht begin ik eindelijk aan mijn ontbijt.

 

kippenbarrières

 

kippenbarrieres

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

kippenbarrières

Ik geloof dat het nu toch eindelijk gelukt is..

 

 

 

In het spoor van zwijntje

In het spoor van zwijntje

In oktober kwam Ton, de eigenaar van het terrein, vertellen dat zwijntje dood in zijn hok lag. Nogal onverwacht, het hangbuikzwijntje was een gezond en opgewekt dier. Hij liep op een stuk grond van zo’n duizend vierkante meter met een grote vijver er in. Aan de ene kant van de vijver is een bosje, met walnoten, elzen, berken en olmen. Ook vlier en hazelaar staat er, langs de randen. Aan de andere kant van de vijver heeft Ton de bomen en struiken gesnoeid en gedeeltelijk gekapt. Ooit was er op deze plek een weelde aan oeverplanten. Tot zwijntje kwam. Toen was het zijn landje.
In de lente groef hij wortels op en at wat los en vast zat. Hij lustte bijna alles. Alleen waterpeper, dat lustte hij niet. Dat spul lijkt veel op perzikkruid, maar het wordt groter en het lancetvormige blad is vlekkeloos groen. De smaak is scherp en peperig. Ik snap best dat zwijntje het niet lustte. Wij hebben het wel eens gegeten in het vroege voorjaar. Als je het kookt wordt het zurig. Best lekker, voor een keer.
Zwijntje is er nu niet meer. Maar zijn sporen zijn overduidelijk. Over de hele oever en langs de hekken, is de grond keihard geworden van zoveel jaren zwijnenpootjes. De rijke begroeiing is verdwenen. Waterpeper is de grote overwinnaar. Het wint terrein. Ook buiten het hek kruipt het verder, in het gras, tussen de frambozen die langs de rand staan. In het voorjaar ben ik begonnen met uittrekken. Dat ging makkelijk. Dikke massa’s waren het, die ik met handenvol tegelijk uit de grond trok. Overal liggen nu bergen te verteren. Goed voor de bodem. Er wonen kikkertjes onder.

Vandaag wil ik eens lekker aan de gang. Ik loop naar de boomstronk, die bij het hek ligt. Op die plek zet ik mijn schep tegen het hek. Dan zet ik mijn voet op de stronk. Als ik die als opstapje gebruik, kan ik eroverheen klimmen. Aan de andere kant neem ik mijn spade in de hand en kijk om me heen. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik mis overzicht. Ik besluit om eerst paadjes te scheppen, door de bovenlaag van de harde grond weg te halen. Er ontstaat al snel een mooi effen kronkelpad. Nu is het geen wildernis meer, maar een wilde tuin. Paadjes maken, dat doet al een hoop.
Vanaf het versgeschepte pad kan ik alles goed zien. Tussen de dichte begroeiing van peperige stengels staan overal miniboompjes. Bijna net zo dicht bezaaid als de waterpeper. Het is nu nog onzichtbaar, maar ik weet dat er hier een ondoordringbaar bos komt met berken en elzen, als we niks doen. En we willen hier niet zo’n bos. We willen ondergroei, onder de bomen en bloeiende oever- en weideplanten. Zulke plekken zijn hard nodig, hier tussen de omgeploegde zandwoestijnen. Ik wil de woestijn kleiner maken, niet groter. Daarom wied ik niet alles, want de bodem mag niet kaal worden. Ik laat ook dingen staan. Want wat er is, dat is er. Het liefst laat ik andere planten staan dan waterpeper. De enkelingen of kleine groepjes, die dapper hun best doen tussen de monotone massa.
Verderop staan potjes met opgroeiend zaad erin, uit Roemenië. Dat ga ik straks planten. Als het kan zet ik er eetbare planten tussen, lekker divers. Ik ontdek steeds vaker, dat een plant eetbaar is, waarvan ik het niet wist. Er is nog zoveel wat ik niet weet.

Dit is oude grond, de plek heeft al veel gezichten gezien. Nu is het Ton, die de eigenaar is, al vijfentwintig jaar. Op deze minicamping zijn natuurliefhebbers erg welkom. Kunstenaars ook trouwens. Ik zelf bereid me voor op mijn vertrek met de zigeunerwagen die ik aan het bouwen ben.
Vroeg of laat zullen anderen het werk voortzetten. En dan neem ik afscheid van dit groeiende paradijsje.

 

 

De grote vijver

 

Ps. In het weekend van 5 en 6 juli brandt hier het vuur en is iedereen die wil welkom om te komen. Lees het bericht op mijn facebookpagina.

https://m.facebook.com/alowieke.vanbeusekom

Een ongelukkig lam

Rammetje kijkt naar ons

Er komt een plek waar ik zal blijven, voor lange tijd. Eén van de dingen die ik dan zou willen doen, dat is een lam grootbrengen, met de fles. Zo’n jong dier dat je overal achterna loopt, dat wil ik graag eens meemaken. En dat daarna mak blijft. Ik heb nog nooit iets grootgebracht, in mijn leven. Ik heb ook nog nooit iets geboren zien worden. Dat wil ik graag.
De afgelopen weken heb ik een lam helpen zogen, niet met de fles, maar bij zijn moeder. Het was een rammetje. Hij was op de eerste dag na zijn geboorte in een konijnenhol gevallen, via een kleine sleuf in een grote ondergrondse ruimte. Ik hoorde geblaat, midden in de nacht, en moest zoeken voor ik hem vond. Uiteindelijk zag ik een snuitje boven de grond uit steken. Ik zag het maar net, het hol waarin hij vast zat, liep onder de wand van het dubbelwandige polyester hok. Het hok staat bovenop een heuvel. Daaronder stikt het van de konijnenholen.
Ik heb het beestje uitgegraven. Hij kon nauwelijks meer staan. Urenlang had hij daar vastgezeten en hij rook van top tot teen naar aarde, vreemd en helemaal niet naar schaap. Andere schapen herkenden hem niet aan zijn geur en holden hard voor hem weg. Zijn moeder wilde niets meer van hem weten en keek alleen naar het andere jong. Knorrend en snuffelend, zoals schapenmoeders dat doen. Maar rammetje werd ruw weggeduwd met de kop en weggetrapt met de achterpoten zodra hij wilde drinken.Vanaf dat moment, pal na zijn geboorte, werd het lam verstoten.
Ik heb de boer geholpen ze apart te zetten. De moeder, rammetje en zijn broertje. Zijn broertje en hij liggen vaak bij elkaar. We helpen hem met drinken. Rammetje is bang voor de harde achterpoten van zijn moeder. Hij loopt kreupel door zijn val in het hol, maar zijn eigen moeder zal hem ook wel een trap gegeven hebben, tegen zijn zere poot. Drinken gaat alleen als we hem beschermen, en door de moeder te blokkeren, stevig tegen het hek aan.
Ik heb ook liedjes voor haar gezongen en gefloten, en een poos heel serieus op moederschaap ingepraat. Ik heb begrip getoond en ik ben streng geweest. Helpt allemaal niks. Als ze niet wil, dan wil ze niet. Soms is ze wat toeschietelijker. Waarschijnlijk heeft ze haar uiers dan te vol. Maar als ze echt geen zin heeft, dan holt ze gewoon het hele hok door met mij op de rug. Rammetje ziet er anders uit dan andere lammeren. Die zijn rond en wollig en springen hoog de lucht in. Maar de kont van Rammetje is mager doordat hij weinig beweegt, springen doet hij nooit, dat kan hij niet. Hij loopt als een oud beest, in plaats van een jong vrolijk dier. Jammer.

Het is nu een paar dagen later. De boer is een paar dagen op vakantie. Moederschaap en haar twee lammeren lopen nu bij de rest in de wei. Rammetje krijgt niks meer van zijn moeder. Ik hoor hem regelmatig blaten, klaaglijk en hongerig. Hij loopt haar achterna, en sabbelt verlangend aan een paar loshangende haren van haar kont. De ooi graast gewoon door, maar als Rammetje in de buurt van haar uiers komt trapt ze met haar poot. Ik stop twee keer per dag een paar brokjes in de bek van Rammetje. Die brokjes zijn voor lammeren die moeten leren vaste stof binnen te krijgen. Verder eet hij af en toe een blaadje. Rammetje is mak op dit moment, en ik kan hem gewoon pakken. Zijn broertje niet. Die kijkt me wantrouwend aan en blijft op een afstandje. Als het echt niet goed gaat kan ik de zoon van de boer bellen, dan krijgen het lam flessenmelk van zijn vrouw. Maar we zullen zien.

Zojuist ben ik weer wezen kijken. Voor het eerst kwam hij niet luid mekkerend naar mij toe gelopen, Even later zag ik dat het hem lukte om vijf slokken binnen te krijgen bij zijn moeder. Met zijn poot gaat het een stuk beter nu hij zoveel beweegt.

Ooit wil ik zelf een gezond lam grootbrengen. Met de fles. Het geboren zien worden en het zien opgroeien tot een volwassen ooi.
Op de plek, waar mijn honk zal staan.
Ergens.

De luistertuin

.

 

Ik volg het nieuws
niet op de voet
Ik ben ermee gestopt
De storm, de veelheid
maakt me doof
voor wat al lang
mijn aandacht roept

Piepend, zoemend en krioelend
Een schuilplaats
in een stille stronk
bijen, hommels en springstaartjes
Mijn huis dat is mijn honk

Elke plek
een web van leven
verweven met
nog heel veel meer

Hier sta ik dan
met open mond
en kijk zo vaak ik kan
naar wat er opgroeit
uit de grond
En wat er is
daarboven

.