Bij mijn pa

.

.

Luister hier naar het voorgelezen verhaal van 7,5 minuut.

Annemarie en ik staan in de garderobe van de Jeruzalemkerk in Emmeloord. We wachten op mijn vader, hij zal zo komen. Mijn pa is al negentig en omdat ik al vele jaren niet meer met hem ben mee geweest, wil ik hem graag een plezier doen. “O ga je naar de kerk? Ik ga met je mee,” zei mijn buurvrouw resoluut, dus nu staan we hier, tussen de jassen. Het duurt lang, hij zou er tien voor negen zijn, maar het is al 8.56 en ik zie hem nog steeds niet. Gelukkig heb ik mijn telefoon mee en kan ik hem bellen. “Pa, waar blijf je?” vraag ik en aan de andere kant is het even stil, mijn punctuele pa zijn adem stokt even voor hij uitbrengt: “Ohhh, vergeten! Ik kom er meteen aan!”
Ik sta voor de kerkdeur en kijk de brede stenen trap af, de parkeerplaats over, naar de bomen langs de Schokkerwal, waar ik geboren ben, maar ik zie zijn auto nog niet. Hij zal toch niet uitgegleden zijn in de stress, vraag ik me af, maar precies op dat moment zie ik zijn kleine gestalte opdagen. Hij is niet met de auto. Natuurlijk niet, hij is met de fiets! Keihard scheurt mijn negentigjarige pa de bocht om en stalt zijn oude trouwe rijwiel naast de kerk. Hijgend komt hij aanlopen: “Ik had me vergist, normaal gesproken begint de kerk altijd om half tien, wat goed dat je belde!”

Ik hou van zingen. Ik zing graag, altijd en overal, het liefst met een tweede stem. Dus ik geniet van het uurtje in de kerkbank, en er is zelfs een lied bij met meerdere stemmen. De vrouw achter de kansel praat over leven dat altijd terugkeert, zelfs na de donkerste duisternis en er worden drie doden herdacht, die deze week zijn heengegaan. Mooi is dat, denk ik bij mezelf, dat je in de kerk met elkaar aan mensen denkt, en aan hun nabestaanden. Dat missen we, in een samenleving zonder geloof.

Even later zitten we in de kamer van mijn ouderlijk huis koffie te drinken. Mijn pa praat levendig en heeft hele verhalen. Wat een verschil met vroeger. Toen mijn moeder nog leefde was hij nogal zwijgzaam. Haar dood heeft veel bij hem gedaan en hij belt me nu regelmatig om te vragen hoe het gaat. Nu zit ik op onze oude leren bank, die er al decennia staat, en ik kijk naar de beeldjes en stukken hout, die mijn moeder ooit op een rij heeft gezet op de vensterbank. Annemarie vraagt naar zijn leven, zijn tijd op de HBS en hoe het ging in de oorlog met dat grote gezin. Ze vraagt honderduit. Ik heb ook vragen maar blijf stil en luister. Er komen nog genoeg dagen voor vragen.
Dan begint hij opeens over dat dramatische moment, dat hij op negenjarige leeftijd zijn vader verloor, en ik hoor het tot in de details. Terwijl hij naar school liep, werd de vrachtwagen aangereden door een dieseltrein, die zijn vader vanuit de mist verrastte. Er waren nog veel onbewaakte spoorwegovergangen in 1939, en dit was er eentje van. Het was een drama. Zijn moeder bleef achter met twaalf kinderen en zijn oudste broer van negentien nam het werk als molenaar over.

Ik hou mijn adem in terwijl hij dit vertelt, en ik kijk naar zijn handen, die elk woord met gebaren ondersteunen. Zijn ogen staan helder en ik merk geen enkele aarzeling in zijn stem. We praten nog lang door. “Willen jullie nog een kopje koffie?” vraagt hij opgewekt en na onze bevestiging komt hij terug met drie gevulde koppen en een schaaltje pepernoten. Wat lief, denk ik, en ik pak er een paar, alleen al om hem een plezier te doen.

Mijn pa kijkt op de klok. “O is het al zo laat? Dan moet ik jullie wegsturen. Ik moet nog naar de verjaardag van mijn jongste zus in Lunteren!” Ik vraag hoe oud ze wordt, mijn tante Miek. “Tachtig,” antwoordt hij. “Dat is nog jong,” zeg ik tegen de rug van mijn pa, terwijl hij de kopjes terugbrengt naar de keuken. Annemarie grinnikt.
Even later rijden we terug naar Friesland. Het is vlakbij en voor ik het weet, parkeert mijn buurvrouw haar auto in op de bekende oprit. Ik ga naar binnen en steek de kachel aan in mijn afgekoelde huisje, terwijl de lage winterzon net precies het hoekje van het huis om kijkt. Ik ben blij dat ik hier ben beland, op deze plek, bij zo’n toffe buurvrouw met wie ik mijn oude kwieke pa kan bezoeken. Nu is hij er nog en je weet maar nooit hoelang het duurt. Maar ik denk dat hij wel honderd wordt.

.

 

Een verrassende schat bij de buren

.

.

Luister hier naar het gesproken verhaal.

.

De rust is wedergekeerd en ik slaap rustig op een beschutte plek. Hier zal ik blijven deze winter. Ik luister naar de geluiden. Ik kijk naar de vogels en verken de buurt. Ik kijk in alle hoekjes, om uit te vinden wat er is.

.

Mijn rijdende huis rijdt voorlopig niet meer. Deze winter woon ik op het erf bij Annemarie. Het huis is al oud, gebouwd van geeltjes en het heeft een knus oranje pannendak. Er staan veel bomen omheen en er is een weelde aan bloemen in de tuin. Nog steeds bloeien de oranje-gele dahlia’s en de heldergele teunisbloemen. In het gras groeit robertskruid, koekoeksbloem en gele toorts, ik herken de blaadjes, maar ze zijn allemaal uitgebloeid. Er is een kleine vijver met watermunt, omringd door kleine struiken.
De eigenaresse van al dit moois, is een bezige vrouw en erg aktief met natuureducatie, paddestoelen zoeken, op kleinkinderen passen en nog veel meer.
Het wandelhuisje staat nu stil, naast de oprit tegen de grote heg aan van meidoorn. Ik kan zo het grote huis in om de was te doen, of te douchen. Het is een luxe voor mij om dit alles te kunnen doen, en dan ook nog zonder door een zompig veld heen te moeten struinen. Toch loop ik de deur niet plat. Ik ben in principe zelfredzaam.
Het is gezellig, een buurvrouw naast me te hebben en dat vindt zij ook. Toch is ze niet mijn enige gezelschap. De heg zit vol met mezen en mussen en ik luister graag naar hun gekwetter, ze zijn mijn familie. Zonder vogels, zonder al die kleine en grote beestjes, zou ik me eenzaam voelen. Dus ik zorg goed voor ze en Annemarie doet dat ook. Haar tuin is vol heerlijke wilde hoekjes, waar dieren rustig hun gang kunnen gaan. Ik verheug me om dit kleine gebiedje verder te kunnen verkennen en verder nog, daarbuiten. Na de eerste indruk, dan komt het pas. Dat is het mooie van gevestigd zijn, dit te kunnen ontdekken.

Er is nog een voordeel. Ik heb weer een vaste zuivelboer, die mij voorziet van melk, yoghurt, kaas en boter. Ze hebben ook karnemelk, vlees en eieren en het is allemaal biologisch. Het winkeltje is helaas alleen op zaterdag open. Maar dat is het vandaag, en daarom ga ik er meteen heen, na mijn ontbijt.

Ik fiets over de asfaltweg naar het zuidwesten. Aan deze kant van Heerenveen beginnen de weilanden. Aan de andere kant is het bos van landgoed “Oranjewoud”. Het landschap is hier veel gevarieerder dan bij Leeuwarden. Boven Sneek staan er weinig bomen en het planten ervan wordt ook niet erg gestimuleerd. De Noorderlijke Friezen zijn gehecht aan hun open vlakte. Maar ik ben blij dat ik er weg ben. In de zomer is het mooi, maar in de winter is het erg onherbergzaam, als je zo’n klein huisje woont als ik. Ik heb inmiddels schoon genoeg van die eeuwige wind, ondanks de prachtige luchten en zonsondergangen.

De bomen langs de weg werpen hun schaduw op het asfalt. De zon schijnt en het waait vandaag nauwelijks. Ik tuur in de verte. Bij de gele keet, daar is het. Er staan tafels en stoelen buiten en de deur staat open. Ik rijd erheen en zet mijn vouwfiets op de standaard.

“Hallo,” zegt de vrouw in de deuropening, “Wat zal het zijn?”

Ik lees mijn lijstje voor en ze stopt alles in mijn tas. Nadat ik betaald heb, praten we nog even verder.
“Ik moest eerst ruimte maken, om mijn huisje neer te zetten bij Annemarie. Daarom heb ik het erf opgeruimd,” vertel ik. “Een berg stenen aan de kant gelegd, een esdoorn gesnoeid, en wat een ruimte er dan ontstaat! Ik kon er makkelijk bij.”
Ze lacht. “Ja dat is heel herkenbaar. Wij hebben de paardenstal opgeruimd en dachten ook, jemig wat een ruimte! Wat kunnen we daar wel niet mee doen! Toen kwam er dit en dat en steeds zeiden we, Oooo, dat kan wel in de paardenstal. Nu ligt het weer helemaal vol.” Ik lach vrolijk. Ze vertelt verder. “Twee jaar geleden was er een eik omgewaaid. Al dat hout ligt daar nu ook te liggen. Wat een berg is dat! Het was een hele grote, oude boom.”

Ik kijk haar verrast aan. “Eikenhout? En wat doe je daarmee?” Ze haalt haar schouders op. “Niks,” antwoordt ze. “Niks?” vraag ik. “Nee,” zegt ze “Wil jij het?”

We zijn het snel eens. Zij willen ruimte, wij willen hout. Annemarie is heel blij met een goeie wintervoorraad.“En wat kost het?” vraagt ze dan, maar dat weet ik niet. Dat moeten we nog kortsluiten. In elk geval blijft de kachel branden!
Het verrast me keer op keer. Er is veel meer mogelijk dan we denken. Wat kunnen we voor elkaar betekenen? Wat ligt er op het hoekje, zonder dat ik het weet en wie woont daar? Internet heeft veel te bieden. Maar onze buren misschien nog wel veel meer.

.

.

(En bedenk eens wat al die kleine transacties bij elkaar uitmaken in energie en transport! Een goeie gemeenschap helpt mee aan een gezonde wereld.)