Toch een tafel

Grenenhouten poot van de tafel
“Ik heb vier jaar niet op een stoel gezeten” zei een kennis ooit tegen mij. “Ik woonde tussen Afrikaanse stammen. Niemand had daar tafels of stoelen. We zaten gewoon op de grond.” Ik vond het leuk wat ze vertelde. Het bracht me op een idee. Toen ze weg was heb ik van een rij rieten stoelen de poten afgezaagd, en ook de rugleuningen. Het resultaat was een reeks leuke zitjes. Mensen vroegen me waar ik ze vandaan had. Dat vertelde ik met plezier.
Nu woon ik hier dik een jaar. Ik heb nog steeds geen tafel en stoelen. Ik vind het niet nodig. Er is een bank en een kurkvloer. En schapenvachtjes. Daar kun je ook lekker op zitten. Werken en eten kan ik overal. Sommige mensen stappen verbaasd mijn kleine huiskamer binnen. “Geen tafel? Dat zou het eerste zijn wat ik neer zou zetten.” Ik haal mijn schouders op.

Het is een heerlijke herfst, bijna zomers. Ik sta op het bordes van mijn woonwagen en kijk over het veld in de ochtendzon. Er hangt al dagenlang een aanstekelijke werksfeer. Ton de beheerder, werkt aan een dak voor het huis, dat achter mijn woonwagen staat. Zijn zoon maakt een dak op de loods verderop. Ik ben ook lekker bezig. De verfpot staat de hele dag klaar en ik schilder alles fris en licht. Ik verf en ik timmer. Alles wat nodig is. Tot het donker wordt.
Als ik in bed lig komen de ideeën. Ik heb een notitieboekje naast me liggen, want als ik het niet meteen opschrijf, dan slaap ik niet. Van onder mijn dekens kijk ik opzij de kamer in. In het schemerdonker zie ik de contouren. Van de nieuwe kast waar ik zo blij mee ben, de wit omlijste spiegel aan de wand er tegenover. Mijn blik blijft rusten op de lege ruimte er tussen. Ik staar naar die plek, het vraagt om iets. Daar onder de spiegel, daar hoort een tafel, besef ik. Ik sta op en doe het licht aan. Mijn besluit staat vast. Ik ga een opklap-tafel maken. Een sterke, lichte constructie. Ik pak mijn boekje, schrijf alles op en teken het uit. Daarna val ik als een blok in slaap.

Twee dagen werk was het. De tafel is af en ik vind hem mooi geworden. Hij hoort bij de wagen, net als de kast en de spiegel. Wat is dit nu een fijne plek geworden. In tien dagen tijd heeft Jufrouw Kolibri een complete metamorphose doorgemaakt.
De vraag is nu, waar gaan we op zitten? Er is een kruk. Die is van mijn vader. Hij wil hem terug. Er is ook een mooi oud kistje. Met een deksel. Er ligt nu steeds een kussen op. Als ik dat eraf haal zie ik letters. “Atlantic Amsterdam”. Het kistje is één van de weinige overblijfselen uit mijn werfkelder in Utrecht. Zo’n kistje heeft meerdere functies, dacht ik. Je kan er op zitten, je kan er wat in stoppen en hij is mooi.
Daar staat hij dan. Een zwaar ding. De letters zijn bedekt door wat er op ligt. Niemand kan het zien, dat hij mooi is. En wat zit er nou in? Het zijn papieren, die ook best in de nieuwe kast kunnen liggen. Ruimte zat. Gisteren zei nog dat ik meer kistjes wilde. Allemaal om op te zitten en overal spullen in. Maar ik wil helemaal niet meer spullen. Ik wil er juist minder. Wat bezielt me eigenlijk. Ik weet best wat ik het liefste heb. Ik wil iets om op te zitten. Geen kistjes. En dit kistje gaat ook weg. Het is hard, maar zo is het. Opklap-krukjes wil ik. Licht en simpel. In elk geval vier.

Kistje is niet meer te geef.
Kistje voor vrachtvervoer over de oceaan

De nieuwe tafel onder de spiegel.
Opklaptafel in woonwagen

Het is of het er altijd al heeft gestaan.
Uitzicht door de deur met kast en laptop op tafel.

Ingeklapt. Let op uitstekende pen. Haal die eruit en dan kun je de poot eronder weg halen. Heel simpel.

Tafel ingeklapt

Achter de blinde wand

.

Achter de blinde wand, een nieuw raam.

 

Ik kan gaan reizen om de wereld met een andere blik te bekijken. De opwinding voelen van het ontdekken. Maar ik wil ook rust, om iets op te kunnen bouwen. Dus ik heb de oplossing dichtbij gevonden. Ik heb gewoon een nieuw raam gemaakt. Nu zit ik lekker rustig een kop koffie te drinken op de bank, en kijk mijn ogen uit. Vroeger was hier een wand zonder venster. Ik zat hier ook nooit. Vanaf de andere kant van de bank, kon je nog een beetje naar buiten kijken. Het glas van de deur was de enige doorkijkje. Aan de andere kant was een dooie hoek. Nu is dit het mooiste plekje geworden. Als ik dicht tegen het raam aanzit, dan kan ik het hele grasveld over kijken. De lucht is blauw en alles is zonnig en licht, daar achter die blinde wand. En wat een boel andere dingen zie ik nu. Verderop is iemand aan het werk. Een man harkt snoeihout bijeen van coniferen en een walnotenboom. Zijn lange, grijzende haar is bijengebonden in een staart. Hij woont hier ook, in de pipowagen die verderop onder de bomen staat. Hij heeft mij gisteren geholpen, met het raam inzetten. Ik vind het leuk dat hij weer terug is. Een lange tijd was hij weg en het was de vraag of hij terug zou komen. Hij heet Reik. Reik is timmerman en muzikant. Gisteren had hij het erover dat hij wil beginnen met workshops geven. Instrumenten maken. Reik heeft nog veel meer dromen over wat we allemaal kunnen doen op dit mooie terrein.
Mijn gedachten dwalen af, tot ik een reiger zie overvliegen, en een groep kauwtjes. Ze vliegen verder, voorbij de bomenrij, die het einde van het terrein omsluit. Ik kan eindelijk zien wat er is, achter die blinde wand! En dan de warme zon erbij, het lijkt de hemel wel.
Ik vraag me af wat ik nog meer te zien zal krijgen, door dit raam. Zullen het altijd dezelfde bomen zijn, dezelfde mensen en dezelfde horizon? Ik denk het niet. Ten slotte heeft mijn wagen wielen. Maar lang fantaseer ik er niet over. Want zover is het nog niet. Er is werk aan de winkel. Ik drink de laatste slok van mijn koffie en zet de mok op het aanrecht. De pauze is voorbij.

De ene verandering lokt de andere uit. Er is nu ook een kast op mijn pad gekomen. Een echte pipowagen-kast. Gebracht tot voor de deur, zonder dat ik er naar op zoek was.
Ik doop de punt van de kwast in het blik. Ik schilder hem wit. Dat oogt veel ruimer in mijn kleine huiskamertje. De laatste jaren had ik een hekel gekregen aan dat eindeloze geverf. Tot mijn verrassing is die weerzin nu helemaal weg. Wat ik nu te onderhouden heb is te overzien en het komt ook af. En als het af is, dan kan ik gaan zitten, ernaar kijken en genieten. Vroeger was er nooit iets af. Ik zat ook nooit echt lekker. Er was altijd een hele berg onderhoud te plegen. Een rijstebrijberg tot over de nok, dat was het. Niks uitzicht. Die tijd is nu voorbij. Ik ben er klaar mee. Ik ben erg blij met wat ik nu heb. Niet teveel, niet te weinig, precies genoeg voor mij. En ik heb een raam. Een echt venster. Eindelijk.

.

Gerestaureerde pipowagen-kast .

Ik heb de kast niet zonder ongelukken af gekregen. Toen ik even weg was, begon het ineens hard te waaien. Hij is omgevallen, boven op een pot. Deuren ontzet, overal splinters. De ene deur was er ernstig aan toe. Ik heb hem onmiddellijk gerestaureerd. Het is geen sjieke kast meer, maar eigenlijk is hij nou mooier. Ik heb hem meteen vastgeschroefd aan de muur.

.

 

Boom geveld
Heb twee coniferen omgezaagd, die pal naast de kersenboom stonden en nogal nadrukkelijk aanwezig waren.

.

Uitzicht
Dit is het uitzicht vanuit mijn nieuwe raam, als ik er recht doorheen kijk. Je ziet de scheefgegroeide kersenboom. Zonder de twee coniferen. Er is weer lucht en licht te zien. Fijn!

Lekker niksen

.

Kersenboom tekening.

.

Vorige week was het. Ik zat op mijn schapenvacht en keek naar buiten. Er was niet veel wat bewoog, behalve vallende druppels van een druilerige regenbui. De kachel was warm en mijn voeten ook. Misschien dat ik zo wel aan het werk kon gaan, voor de cursus permacultuur. Het werk, wat al een tijdje lag te wachten. Want op die warme zomerdagen is er altijd een hoop te doen. En die waren nu voorbij. Ik kon een tekening gaan maken van de kersenboom, voor mijn deur. Dat leek me wel wat. En dan niet zo in een hoekje gedrukt, zoals hij er nu bij stond, maar zoals ik hem zou willen zien. Lekker vol in de kruin. En in plaats van een rij coniferen een kruidige en bloemige ondergroei en bessenstruiken ernaast. Het paste toevallig nog in één van de opdrachten ook, bedacht ik vrolijk. Maar ik bleef toch zitten op mijn schapenvachtje. Ik keek naar een eenzame duif, die wegvloog, het struikgewas in. Ik haalde adem en luisterde naar de druppels op mijn dak. Tot ik me bijna ging vervelen. Toen pakte ik mijn pen en het kleine boekje, met nog zoveel lege bladzijden. Ik trok een lijn, en een volgende. En nog één. En vergat alles. Zelfs de tijd.

Een week later.

Misschien is dat het wel. Het begin van alles. Niks doen, niks hoeven. Hoe kan ik iets creëren als ik druk ben met bedenken wat ik allemaal nog moet en wil? Dan komt er niks uit mijn vingers en schiet het nog in mijn rug ook. Vorige week zat ik er helemaal in. Nu niet. Wat houdt me tegen? Ik heb het idee dat ik gigantisch achterloop, met het huiswerk. Een groot MOETEN kerft zich met onzichtbare letters op de grond voor mijn voeten. De weerzin om ermee te beginnen nestelt zich opstandig in mijn buik. Dan maar niet, denk ik dwars. Ik kies toch lekker zelf wat ik wel en niet wil doen. Loop ik ergens mee achter? Nee toch. Alles wat ik doe, doe ik één voor één en alleen als ík het leuk vind.
Ik kijk en ik luister. Naar de kruisspin met zijn grote web. Hij zit midden op het raam van mijn deur. Als ik die opendoe beweegt het web een beetje maar de spin blijft onverstoord in het midden zitten. Verderop zie ik de appel- en perenbomen staan. Ik kijk naar de enorme hoeveelheid rijpend fruit aan de takken en op de grond zie ik enkele rotte. Zouden we die ooit op krijgen, vraag ik me af. Ik zie een paar slome wespen in een half afgeknabbelde peer, en een dichte menigte kleine vliegjes. Ik loop verder, het pad af en kijk naar de gele platgespoten akker naast onze camping, al vind ik het niet leuk om te zien. Ver weg is een land dat Roemenië heet. Waar bodem en grondwater nog niet verpest zijn met gif en drijfmest. Maar nu ben ik hier. Ik wandel langs de hoog opgegroeide maisvelden omdat het daar minder waait. Als ik daarna terug kom en mijn tuin inloop vraag ik me af of de heidekikkers er nog zijn, daar tussen de uitgebloeide boekweit. Tot mijn verrassing zie ik nog een enkel bijtje, dat het geluk vond mijn zonnebloemen te vinden.

Er is wat er is. Ik wandel of kijk uit het raam. Meer niet. En dan is er lucht. Met de oprechte blik van een kleuter kan ik moeiteloos aanraken en uittekenen wat zo straks buiten bereik was. En met het geduld van een oude vrouw kan ik het afmaken tot in de details. Ik pak mijn boekje en mijn fijne zwarte pennetje, want ik heb een nieuw idee. Het spel begint weer..

.

.

.

Knijpen in het stuur

Spannende manouvres met de trekker
Buiten is het koud, binnen warm. Er breekt weer een stille tijd aan, die kan duren van half september tot helemaal in mei. Afgelopen voorjaar woei er wekenlang een snijdende oostenwind. Heel even kwam er een warme lentezon tevoorschijn, maar al gauw was hij weer verdwenen. Het was mijn eerste overwintering in een pipowagen. Een lange winter bij de kachel.
Ooit las ik een interresant boek over klimaatverandering. Ik herinner me een hoofdstuk over kou. De noordpool smelt en het ijs drijft de oceaan in. Het water koelt af, net als ijsblokjes in een glas limonade.
Als ik zie wat er nu gebeurt, dan lijkt het er aardig op. Ver van hier plonsen ijsmassa’s het water in en dobberen verder via onze Atlantische golfstroom, die altijd zo lekker warm is geweest. Maar nu niet meer. Als de stroom vanuit de Noordpool bij ons aankomt zijn de brokken ijs al gesmolten en weg. Maar de kou nog niet. Ook de lucht erboven is frisjes, en de zon moet veel langer schijnen voor de boel is opgewarmd. De golfstroom is de oude niet meer. En warmte en koudeverschillen maken uit welke kant het water en de lucht opstroomt. Verandering van temperatuur betekent dus verandering van richting. Alles gaat een andere kant op, het water en de lucht erboven. Maar hoe, dat weet niemand van te voren. De chaos en stress wordt steeds groter.
Maar als al het ijs straks gesmolten is, en de oceaan is warmer dan ooit, wie weet kunnen we dan lange warme lentes meemaken. Dan hoef ik niet meer acht maanden per jaar mijn kachel warm te houden. In plaats daarvan kan ik maandenlang van de natuur genieten, zaaien en oogsten. Dat zou allemaal kunnen. Misschien ook niet. Het kan ook heel spannend worden. Wie weet ligt Eindhoven straks wel aan zee, en de camping onder water. Dan hebben we hier geen luistertuin meer, maar een verzopen tuin. Welke droom levensvatbaar is en welke niet, dat moet ik nog zien. Dus ik heb meerdere ideeën op zak. Dan is er altijd wel eentje te gebruiken, met een paar aanpassingen.

Eén ervan is om een trekkertje te kopen. Een klein antiek ding zie ik voor me, sterk genoeg om mijn pipowagen kan slepen. Lijkt me handig, dan kan ik altijd weg. Met wagen en al.
Toch moet ik er nog even over denken. Pas geleden heb ik voor het eerst trekker gereden, bij een bevriende boer. Dat was een stoere joekel van een ding, met enorme wielen. Ik had het gevoel alsof ik op veel te grote klompen liep. De boer lachte zich slap. Toen ik op de stoel geklommen was, kon ik nauwelijks bij de pedalen. We zijn ook de weg opgereden. Heel hard, over een smal landweggetje waar geen twee auto’s naast elkaar op pasten. Ik kneep in het stuur alsof mijn leven ervan af hing. Vooral toen er een tegenligger aan kwam. Ik ben water gewend, waar ik veel rustiger mijn koers kan bepalen. Ik kijk ook graag om me heen. Op zo’n snel ding met vier wielen is dat toch anders. Ik denk dat ik de volgende keer maar niet meer zo hard ga, en ik ga ook niet meer op weg met zo’n grote. Misschien wordt het dan wel wat.

Ik voel het aan mijn water

.

Water, beweging, licht

.
De regen is begonnen. De hele nacht door klettert het op mijn dak. De paarden staan nat in de wei, en de vogels zitten nat in de boom. Sommigen hebben een droog plekje gevonden. Het zwijntje heeft in zijn hok een flink bed gemaakt van perzikkruid, het enige op zijn terrein wat hij niet lust. Hij is nu ook niet meer zo vaak buiten en dat begrijp ik best. Ik zit nu ook binnen, in mijn pipowagen. Als de regen stopt en de zon doorbreekt, komt iedereen tegelijk naar buiten. Vogels uit de bosjes, konijnen uit hun hol, het zwijntje uit zijn nest. Ik loop op het gras, dat alweer groener wordt en geniet van de frisse lucht. Maar al gauw begint het opnieuw, met flinke druppels valt het uit de lucht. De twee vijvers worden weer voller en voller. Zo is het wekenlang kurkdroog, zo valt al het water in één keer.
Ik zie boeren in het prille voorjaar door enorme plassen rijden. Vaak wijken ze uit naast het pad omdat de plassen op de zandwegen te diep zijn geworden. Ik zag ze deze zomer dagenlang hun stoffige land beregenen. Het weer lijkt steeds extremer te worden.
Hoe is dat in het verre oosten van Europa? Ik sprak er over, met Roemeense vrienden. Ook zij zien verschil met vroeger. Nog niet zo lang geleden waren de winters er hard en streng, maar nu blijft het een hele tijd kwakkelen, voor het in januari eindelijk eens gaat vriezen. Het vriest dan ook niet zo hard meer als vroeger, maar er is wel veel meer neerslag, in vorm van sneeuw. In de zomer zijn er lange periodes dat het niet regent. Net zoals hier steeds vaker gebeurt. Bij hen komen de invloeden van twee kanten. Het landklimaat begint pas echt achter de bergrug, maar in Transylvanie voel je het al wel. Achter de Karpaten, daar begint de vaste regelmaat van strenge winters en warme zomers pas echt.

Ik vind water fascinerend. Het is onvoorspelbaar en wisselt steeds van vorm. Misschien is het ook een reden, dat ik me aangetrokken blijf voelen tot dit land, waar ik geboren ben. Het water. Het rijst op en trekt zich terug. Het verdampt en daalt zachtjes neer op de geurende grond, vriendelijk als een lichte lenteregen. Of het stort naar beneden als een wolkbreuk, stof en aarde met zich mee sleurend, de zee in. Water kan alles om zich heen transformeren. Ons land is ervan doordrongen. Onze bodem is vol verhalen erover, al zijn de meeste allang vergeten.
En nu. De dagen worden korter en de avonden langer. Na langdurige droogte is de lucht weer zwaar van vocht. Ik zie sommigen plannen maken om te vertrekken naar zonniger en drogere oorden. Ik niet. Ik zal deze winter samenzijn met mijn vriend, de tegelkachel. En ik weet niet wat er verder gaat gebeuren. Maar dat ik hier wil zijn, dat voel ik aan mijn water.

Ik blijf

.

.

Het is een stipje, mijn kleine paradijs, vanuit het vliegtuig zie je het niet eens. Maar toch is het er. En met je neus erbovenop zie je een wereld van leven.
Ik ben weer terug, tussen de uitgestrekte akkers. Ik blijf. Niet omdat dit de plek van mijn dromen is, maar om dat ik zie dat het nodig is. Ik zie bijen en hommels zoeken naar bloemen en in sommige periodes duurt het erg lang voor ze weer wat vinden. Als ik terug naar huis fiets, zie ik dat diverse bermen alweer zijn kort gemaaid, zodat het onkruid geen zaad schiet.
Mijn tuin is wél een kleine zaadbom geworden. Nog steeds zie ik overal bloemen. Het is een van de weinige bloemenplekken in de omtrek. De voor iedereen totaal onbekende Bremer scheerkool is wel twee en een halve meter hoog gegroeid vol zaad en bloemen, en de Olifantboon is nog hoger. Diverse soorten pompoenen slingeren overal tussendoor. Ik zie hommels en bijen. Nog veel meer dan eerst. In de korenbloemen en in de borage. In de boekweit en in de goudsbloem. Een aantal soorten witjes fladderen om elkaar heen. Voor mijn voeten springt een heidekikker weg. Een kleintje. Daarna nog één. Een hele dikke. In het midden van de tuin heb ik een paar mooie kuilen gemaakt. In eentje ligt een berg takjes. Er zitten allemaal kleine spinnetjes in. In de kuil ernaast staat een hand gedraaide schaal met water. De kuil helt langzaam over naar de rest van de tuin, en is begroeid met zacht mos. Dit is wat ik hoopte. Een klein paradijs wordt het, een arkje van Noach.
Het liefst woon ik wild in het bos, en verzamel mijn voedsel. Want eigenlijk ben ik een wilde griet. Geen stadsmens, en ook geen boerin. In dat bos is alles wat ik nodig heb. Ik zou elke plek kennen als mijn broekzak. Niets te verdedigen, alleen maar te zijn. Heerlijke aarde.
Maar zo is het niet. Het leven trekt zich terug naar waar het nog kan. In de windhaag rond het terrein, in stadstuinen. In bossen en bosranden. Maar in mijn tuin ontstaat wat. En ook buitentuins ben ik bezig. Spelenderwijs zet ik beplanting uit op de rest van het terrein. Net waar het van pas komt, in overeenstemming met de wensen van de eigenaar, en zonder vooropgezet plan. Stukje bij beetje groeit het. Soms zet ik iets in een berm. Niet te grootschalig, maar klein. Dan kan ik er ook aandacht aan blijven besteden en ik krijg er ook geen gedoe van omdat het weer een heel `project` wordt. Met oeverloos gepraat en papierwinkels. Ik hou het klein en fijn. Lekker onopvallend. Met een beetje geduld groeien de dingen ook wel.
Hier op het veld is ruimte genoeg voor meer mensen en nog veel meer bloemen en bloeiende, eetbare struiken en planten. Er is grond beschikbaar om te verbouwen. Iedereen die wil kan een stukje in beheer krijgen. Het zou leuk zijn als mijn tuin niet meer de enige was. In elk geval, ik blijf voorlopig hier en werk er aan. Wat het ook mag worden. Als het maar geen woestijn is.

Grondwaterstand in Brabants land, zomer.
De vijver, nu in augustus. Je ziet hoe extreem laag het water staat. Het komt vooral doordat veel boeren dagelijks aan het sproeien zijn. Door het vele scheppen en bewerken houdt de grond het vocht slechter vast.

Extreme nattigheid in de vroege lente
In de vroege lente is het land vol plassen en de grondwaterstand erg hoog.

.

Een droom is als een paar schoenen

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Lang heb ik er naar toe gewerkt. Het is nu twee en een half jaar geleden. Toen dacht ik, ik ga naar Roemenië. Ik bestudeerde de taal en cultuur. Ik wilde mijn aandacht bundelen, om mijn leven een nieuwe draai te geven, een heel nieuwe richting. Waar zou het toe leiden? Ik liet Utrecht achter, mijn huis, mijn vrienden en mijn boten. Ik kwam terecht in een woonwagen, in Brabant. Een tijdelijke stek, waar ik alles op mijn gemak kon afhandelen, en waar nieuwe ontwikkelingen zich rustig konden ontvouwen. De enige reden waarom het Brabant was, is dat de wagen daar zijn standplaats had. Een pipowagen, met alles erin, dat is nu mijn hele bezit. En er is een vriendje, niet ver weg. We brengen samen dagen door, gevuld met speels plezier en aandachtige gesprekken. Dat is fijn. Maar alles is tijdelijk. Wie weet hoe lang. Het is de droom die me in beweging zet.
Een droom of idee is als een paar schoenen. Zolang als het duurt brengen ze me ergens heen. Ik weet niet waar. Want de wereld is wat hij is. Soms drassig, soms rotsachtig en steil. En ik kijk om me heen. Dagenlang vergeet ik soms, wat de droom was, waarmee ik op pad ging. Dan loop ik blootsvoets door een kreek vol beestjes of langs spannende paden. Soms denk ik er aan, aan de droom, en vraag me af waar ik uit kom.
Ik ben nu in Roemenië. Uiteindelijk. Mijn verblijf hier loopt bijna ten einde. Vandaag regent het. Ik zit binnen. Geen lange wandeling, vandaag niet. Het dorp Sarata is omringd door heerlijke verrassende velden. Ik heb ze leren kennen. Het is een land dat ik vaak gezien heb, in mijn dromen. Alsof ik de heuvels al kende voor ik ze zag. Maar wat moet ik hier doen, ik weet het niet. Er is geen aanknopingspunt. Ik ben te gast. Een passant in dit land. Maar één ding weet ik wel. Ik neem zaad mee, voor thuis. Zakken vol zaad. Voor onze verarmde velden. Kijken wat er uitkomt. Dat kan ik doen. Maar ik blijf niet. Niet nu in elk geval.
Brabant is mijn thuis. Zo is het nu. Daar is mijn experiment. En verder weet ik het allemaal nog niet. Maar ik hoef het ook niet te weten. Verras mij maar.

Heuvels onder de Karpaten (N)

Grote kikker in Roemeense poel

Lief rupsje in het knoopkruid

Vroeger was de beek mooier (dorp in Transsylvanië)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het is elf uur in de ochtend. Ik sluit de poort achter me. Met een
klik valt de deur dicht. Ik sta stil en kijk om me heen. Alle huizen
hebben een schutting om het erf, of een muur met een hoog gietijzeren
hek erin. Dat is om paarden en vreemde honden uit de tuin te houden.
Vlak naast me, voor de stenen muur die hun erf begrenst, zitten twee
oude vrouwtjes op een bankje. Ze kijken naar de oever, waar iemand
puin heeft gestort. Kapotte stenen en grind tussen grote bossen
watermunt. Ernaast staat één van de vele pruimenboompjes. Een hond
loopt over de verwilderde oever naar het water, en drinkt gulzig.

`Vroeger zag de beek er mooier uit dan nu,` klaagt de ene vrouw,`het
werd veel meer onderhouden.` De bewoners van elk huis zijn
verantwoordelijk voor het stuk van de beek wat eraan grenst. Zo was
het bij ons ook, drie eeuwen geleden.
Aan de overkant loopt een lange man met verende tred. Hij kijkt niet
op of om. Het is Costica, zijn zeis hangt over zijn schouder en aan
het uiteinde bungelt een tas. Het is hooitijd. De mensen werken hard.
Velen werken om hun huis te onderhouden en voor meer spullen. Het
liefst ook nog een auto. Of ze sparen voor een reis. Wie jong genoeg
is, gaat naar het westen. Daar is meer te verdienen dan hier. De
partner blijft alleen achter.
Ik snap best, dat de beek minder aandacht krijgt. Er wonen bijna geen
gezinnen meer. Toch zie ik in de verte een paar kinderen spelen met
keien. Ze maken een dammetje, om een klein zwembadje te maken. Die
kinderen logeren bij oma´s en opa´s. Maandenlang zie je ze, in de
zomer. In de winter zijn ze weer weg. Papa en mama wonen al jaren
ergens anders.
Ik kijk nog eens naar het stromende water. Ik vind de beek mooi. Ook
zoals hij nu is.

Ik loop langs het zandpad naar het noorden. Daar houden de huizen op,
en beginnen de velden. Het pad volgt nog steeds de stroom. Van een
afstandje zie ik hier en daar iets uitsteken, midden in de hoge
oeverbeplanting. Het lijken grote dingen. Grote gele blokken tussen
weelderig groen. Ik vraag me af wat het is. Als ik dichterbij kom zie
ik dat het koelkasten zijn, waarvan de metalen buitenplaten zijn
afgesloopt. Wat ik zie is het gele isolatiemateriaal, oud en goor.
Ik loop verder naar beneden, daar is de begroeiing niet meer zo
torenhoog. Ik baan me een weg over een berg plastic. Dan zie ik water
over keien stromen. Het is niet diep. Orchideeën groeien weelderig
naast een berg oude schoenen en ingedeukte pannen. Ik hurk ernaast en
laat het frisse water tussen mijn vingers door spoelen. Ongelooflijk
zo helder.

Net als ik terug wil lopen zie ik iets. Een oude spanband. Precies wat
ik nodig heb. Het scharnier van het kippenhok is kapot.

Lang leve de vuilnishoop.

Luije kippenhok

Het land

.


De zon is fel en ongenadelijk. In de zinderende hitte klinkt ons gehak in een gestaag ritme.
We werken op een smalle strook, waar dit jaar niets is ingezaaid. De strook ernaast is paars en geel van de bijenbloemen, en het is een gezoem van jewelste. Wij werken op het lege stuk. In het zand en tussen de stenen staat evengoed van alles. Gras, smeerwortel, knoopkruid, wat brandnetel en pispotjes, en nog veel meer. Wij hakken ze allemaal af. We hoeven de wortels niet weg te halen. In deze hitte sterven ze snel. Ik heb de wijde witte blouse aan, die mijn moeder voor me maakte. Ik druip van het zweet en een lichte bries waait onder het linnen en koelt mijn warme huid. Een strooien hoed beschermt mijn hoofd. Naast mij werkt een jonge vrouw uit Avrig, een Roma. Ze zucht diep. Haar strakke paarse shirt heeft korte mouwen maar is toch te warm. Ze stroopt de pijpen op van haar lange zwarte broek, en gaat verder. Verderop zetten haar vriend en haar broer palen in de grond. Dat is nodig voor een hek, tegen wilde zwijnen. Die komen af en toe ongevraagd het land omploegen en dat wil onze boerin niet.
Net zo ongenadelijk als de zon brandt, hak ik door. Het warme staal ploft in het droge zand van de bovenste grondlaag. Ik zie een hele spinnenfamilie vluchten, en ik zie hun kleine holletjes in de grond, onder een graspol. Er groeit ook een vetplant, met kleine gele bloemen. In een roset bedekt hij de bodem met lange vlezige stengels. Ik hak het allemaal af. Ik zie de tere bloempjes van ereprijs en ook kamille. Ik voel hoe het zweet van me afdruipt en geniet van het harde werken en het gestage ritme waarin ik voortga. Toch spijt het me. Voor de spinnen. En voor de kleine ereprijs en de kamille. Ik had ze graag een langer leven gegund op deze plek. Maar het moet. Helaas.

 

Een man keert terug van het werk
Een man keert terug van het werk

Voetnoot: we zijn om twaalf uur opgehouden. Daarna werd het nog warmer. Agnes had een heerlijke maaltijd voor ons gemaakt, geserveerd in een koele kamer.