Het geluid van de motor is onvergetelijk

.

SAMOFA eencylinder Utrecht.

September 1997.

.
`Hier moet het ongeveer zijn!`roept mijn vriend naar me, vanaf de andere kant van de boot. Hij zit aan het roer, en ik sta voorop. Vanaf het kleine voordek tuur ik naar het troebele water. De schuit, waar we nu op varen, hebben we `Evert` genoemd. We kochten hem van een vriend, die zo heet. Evert is een beste vent en oersterk. Hij is vuilnisman op de vuilnisboot in Utrecht. Al heel lang. De boot waar we nu op varen, is een charmante vuilnisboot uit de jaren zestig. We hebben hem van mooi houten binnenwerk voorzien en in frisse kleuren geschilderd, groen en rood.
Vandaag gaan we op zoek naar een andere boot. We kennen hem maar wat goed, want we komen er elke dag langs. Een prachtschuit is het, al is hij wat verwaarloosd en is er nu geen teken meer van te bekennen. Het is nu een schuilplaats voor de vissen geworden. Wij weten waar hij ongeveer moet liggen, ergens midden in de vaargeul. Maar het bruine, troebele water laat niets zien, van wat er naar de bodem gezonken is. Langzaam zagen we hem zinken, door regenwater. Veel te weinig gehoosd. De eigenaar heeft ons gezegd dat we hem mogen hebben, als het ons lukt om hem boven te krijgen..
Dat laten we ons geen twee keer zeggen, maar het is een zwaar geval. Al is een boot in prima conditie, zinken kan hij altijd. Dat is het lastige, van boten. We gaan deze parel redden van de ondergang. Mijn vriend zit nog altijd aan het roer en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik houd de dreghaak in mijn hand en kijk. Hier moet hij ergens liggen, midden in de vaarweg. Ik gooi op goed geluk de lijn uit. Ik wil de haak weer ophalen. Maar hij zit muurvast. Beet! De eerste worp, gelijk raak. Ik ben heel erg blij, maar er is weinig tijd om me over deze voltreffer te verwonderen. Er volgen tien uren van hijsen en trekken. Met tifoor en kettinglier. Dan hebben we hem boven.

.

November 2013

.
Dit werd het begin van een lang verhaal. Het scheepje heeft me veel geleerd. Vorig jaar liet ik het achter, maar een deel van mijn ziel is daar nog. Niet dat ik het mis of er vaak aan denk. Verdrietig ben ik ook niet. De boot zit in mij, en het geluid van de motor is onvergetelijk. Niet alleen voor mijzelf is dat zo. Het is gegrift in de herinnering van velen. Alsof ik daar nog steeds ben. Nog steeds hoor ik dat vroegere buren in de war zijn, als ze het geluid van de motor aan horen komen. `Alowieke!` denken ze dan. Maar dan bedenken ze dat het Alowieke niet meer is, die op de boot zit. Die is vertrokken, en woont nu ergens in een woonwagen. Een ander bevaart de boot.
Ik word er stil van, hoe het leven soms zijn wending neemt. Ik heb het destijds niet zelf verzonnen, dat een vervoermiddel mijn leven zou bepalen. Ik heb ook niet bedacht dat ik hier zou komen te wonen, op deze plek in Brabant. En dat Dick hier elke week naar toe zou komen fietsen. Ik heb geen idee hoelang ik hier blijf. De meest ingrijpende gebeurtenissen van mijn leven bepaal ik niet zelf, die komen naar me toe. Er komt een moment dat ik precies weet waar ik moet zoeken. Daar aangekomen gooi ik weer mijn haak uit. Ik heb hem nog steeds bij me. En dan trekken maar. Lekker hijsen, tot het zweet me van de rug loopt.

Er zijn talloze gelegenheden die ik zou willen laten zien, bijvoorbeeld hoe een hele groep Afrikanen uit hun dak ging en bij het ritme van de motor overal op begon te slaan, tot de boot een groot ritmefeest was. Maar daar zijn geen beelden van. Dit filmpje is het enige wat ik kon vinden.

.

.

.

Die ene tak…

.

Tak zoeken

 

 

 

 

 

.

 

Het is fris en vochtig buiten. Mijn huis is frisjes, in de ochtend. Ik heb mijn lange onderbroek weer aan, onder mijn broek, en een extra trui aan. Mijn handen zijn koud in deze vroege uurtjes, maar daar ben ik aan gewend. Ik stop een van de laatste stukken hout in de kachel. Hij voelt alweer lekker warm aan. Mijn tegelkachel heeft maar heel weinig brandstof nodig, maar het moet er evengoed komen.
Ik aarzel niet, het is droog buiten. Ik pak de handcirkelzaag onder het bed vandaan, en schuif mijn voeten in de blauwe klompen. Ik open de deur en mijn klompen klossen over het houten bordes en het ijzeren trapje. Het gras is frisgroen en zompig van de laatste regenbuien. Ik pak een dikke tak onder mijn wagen vandaan. Dan loop ik naar de stroompaal en haal de zwarte cement emmer er af. Ik steek de stekker in het contact. De cementemmer leg ik omgekeerd op het gras, als zaagtafel. Het is wat aan de lage kant, maar dat geeft niet. Ik ben toch zo klaar. De tak is krom en wiebelt. Ik zet hem vast door mijn blauwe houten voet erop te zetten. Een mooie tak is het. Vast wel voor twee dagen brandhout.
De tak haal ik uit het bos. Om de dag eentje. Nooit haal ik alles weg, van een enkele plek. Ik laat zoveel mogelijk liggen. Er is een hakbeleid in het bos, en er is een natuurgroep actief om meer diversiteit in het bos te krijgen. Ik besef dat ik hier te gast ben, in het bos en in deze buurt. Ik doe het zo zorgvuldig mogelijk. Ik geef ook iets terug, voor wat ik genomen heb. Ik heb meestal mijn compostemmer mee. Vandaag leeg ik de inhoud op de plek waar ik al twee takken heb weggehaald. Mijn compost is goed voedsel, voor de bodem. Dan kies ik de tak zorgvuldig uit. Het is bijna altijd naaldboomhout. De schors pel ik af en spreid ik uit. Ik schud de beestjes van de tak en wens ze een nieuw huis, onder een ander stukje schors. Dan leg ik de aanwinst over mijn schouder, en loop ik terug naar het veld, waar mijn wagen staat.

Soms peins ik wel eens, wat zou ik doen als meer mensen mijn gewoonte overnamen? Ik stel me voor dat ik iemand met een hele karrenvracht hout het pad af zie rijden. Dat zou ik erg vinden, zeker als ik daarvoor het voorbeeld heb gegeven. De beheerders van het bos laten bewust takkenbossen liggen, als voedsel voor de bodem. Dat is nodig, anders put je de bodem uit. Ook de tak die ik meeneem hoort eigenlijk te vergaan, tjokvol beestjes en schimmels, tot het humus is. Zolang ik weet dat ik de enige ben, doe ik het nog steeds. Maar als anderen het ook gaan doen, dan scheid ik er mee uit. Dan zoek ik wel een andere oplossing.

Ik denk aan een kacheltje erbij. Graag zou ik een klein kacheltje hebben op groen flessengas, maar dat bestaat volgens mij nog niet.
Ook mag ik snoeiwerk doen, hier op het terrein. Er staan teveel bomen dicht op mekaar. Ik wil nog veel leren over bomen, zodat ik weet wat ik doe. Van boompje klimmen word ik blij. Al toen ik een meisje was. Maar hakken en snoeien is ingrijpen in wat wel en niet mag groeien. Mijn hand met de scherpe zaag bepaalt dat. Daar word ik stil van. Want ook hier ben ik te gast, in deze boomgemeenschap. Dus ik kijk goed wat ik doe en zaag rustig en met respect. En nooit meer dan nodig is. Alles is een ritueel. En als er gesnoeid is, is er hout. De helft mag ik voor mezelf gebruiken, is me beloofd. Ik kan er kunst van maken. Of het verzagen tot brandhout, voor volgend jaar. De as die overblijft strooi ik onder de bomen die wel mogen groeien. De bomen staan bij me in de buurt. Ik kan zo zien of het goed met ze gaat. Fijn.

Het cirkeldorp

cirkeldorp
`Ontwerp je eigen huis, op een stuk grond van 300 vierkante meter. Met tuin.` Dat is de opdracht. Ik heb een stuk papier uitgerold op tafel. Het is niet zo wit als ik zou willen en ook niet zo dik en glanzend. Maar ik doe het ermee, want papierwinkels zijn hier niet om de hoek. Ik staar naar het vel. Ik wil een ronde lap grond tekenen, geen vierkante. Hoe reken je dat uit, een cirkel van driehonderd vierkante meter? Het was geloof ik iets met Pi, en de straal in het kwadraat. Pi is drie-komma-veertien. Dus driehonderd gedeeld door drie-komma-veertien is het kwadraat van de straal. Ik maak het sommetje en kom uit op iets minder dan tien meter en een diameter van ongeveer negentien. Nu teken ik de cirkel op het papier. Met de tong tussen mijn lippen druk ik het touwtje in het midden, met mijn wijsvinger. Er zit een potlood aan vast. Ik draai de punt van het potlood in het rond. Best lastig, maar het lukt. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Een mooie regelmatige cirkel. Als ik er de eerste lijnen in zet, begint het te leven. Het is geen vel papier meer, het is echt.

Ik heb een cirkeltuin, en mijn strobalenhuis is rond. Voor de drie grote ramen ligt een vijver. Groot genoeg om in te zwemmen. Ik sta aan de rand er van, in mijn onderbroek. Heel langzaam loop ik erin, om de vogels niet te storen. Want vlakbij, op het eilandje, zit een nest. Ik kan de waterhoen nog net zien, tussen de rietpluimen. Het koude water komt tot over mijn borst. Ik haal diep adem, duik onder en maak een paar slagen. Ik word er helemaal wakker van. Als ik weer boven kom hoor ik vrolijk gelach. Het komt van achter de frambozen, waar het lange slingerpad loopt, direkt achter mijn tuin. Ik zie een paar kinderen, ze kijken naar me in het voorbij gaan. Ze vinden het heerlijk om tussen al die tuinen door te rennen, en door de wilde bosjes, die overal te vinden zijn. Soms blijven ze een poos hangen bij Toon, de beeldhouwer, en vragen hem de oren van het hoofd. Vaak gaat het over de hut. We zijn met zijn allen een grote boomhut aan het bouwen in het voeselbos. Ik werk er ook aan mee, het is altijd reuze gezellig. Ik leer de kinderen hoe je het beste in de boom kan klimmen.
De kinderstemmen verdwijnen langzaam in de verte. Ik begin het koud te krijgen. Ik ga er uit. De modder sijpelt tussen mijn tenen als ik tussen de watermunt en de waterkers de kant op klim. Ik spoel mijn voeten af in de stenen schaal, dat als vogelbadje dient. De deur staat nog op een kier en gauw glip ik naar binnen. Een zachte deken ligt klaar en ik sla hem tevreden om me heen. In de brede vensterbank voor het raam schijnt de zon vol op naar binnen. Ik heb er een bankje gemaakt. De muren zijn dik en er is de veel ruimte bij het raam. Ik koester me in het warme licht. Op dit heerlijke plekje ben ik helemaal gelukkig. De zon schijnt voor me, in het water. Rimpelingen weerspiegelen op de ronde lemen wand. Een eindeloze dans van licht. Ik kijk er lang naar. Als een kind.

Mijn knieën worden stijf. Genoeg in de vensterbank gezeten. Het is tijd om mijn schaap weer eens op te zoeken. Ik trek mijn jas en laarzen aan en struin door het voedselbos naar de weiden. De bomen beginnen uit te lopen, de laatste dagen. Ze hebben er zin in, net als ik. Ik wandel langs een paar speelse varkens. Die banjeren daar lekker in een poel. Langs het hek loop ik verder. Mijn schaap staat tussen de anderen te grazen. Ze ziet me aankomen en komt op een holletje naar me toe. Ik knuffel het dier en geef haar een van mijn laatste appels. Ik heb de kleine bruine ooi zelf gezoogd en nu zoek ik haar op zo vaak als ik kan. Ze kent me. Ze knabbelt zacht aan mijn vingers, wil nog een appel. Maar ik heb niet meer. Mijn blik gaat naar de rand van het dorp. Ik zie silhouetten van bomen en van een paar huizen, waar ik nog aan mee heb gebouwd. Het heeft lang geduurd, maar nu is het er. Alles waar we zo lang aan hebben gewerkt. Ons dorp, denk ik trots. Mijn thuis.

Als ik weer tot de werkelijkheid keer, zie ik hoe groot het dorp eigenlijk is, wat ik heb getekend. Er zijn nog zoveel plekken waar ik niet ben geweest, in dit kleine verhaal. Wat is hier nog een hoop over te vertellen…

Strobalenhuis rond

Plattegrond Strobalenhuis

Ronde tuin, rond huis in een rond dorp

Buren en burenpaadjes

Voor de tekentafel

Noten kraken, nou kan ik het

Nootje
Augustus 2013. Ik zit op het stenen trapje van een Roemeens huis en kraak noten. De hele dag al. Het zijn noten van vorig jaar, maar ze zijn nog steeds lekker. De ene na de andere sla ik in stukken. De begeerlijke stukjes noot peuter ik er geduldig tussen uit. De zon schijnt warm en verderop zijn de anderen een kelder aan het restaureren. Ik kijk hoe het werk vordert terwijl ik de gepelde noten in de kleine emmertjes gooi. Er heeft yoghurt in de emmertjes gezeten en er hoort een deksel op. Er staan een stuk of wat voor me, leeg, schoonwassen en klaar voor hergebruik.
Aan het einde van de dag heb ik vier emmertjes vol. Ik pak de laatsten om te kraken. Er zijn al heel wat uren verstreken. Ik vraag me af hoe ze dat in een echte notenkrakerij doen. Ik speel wat met de noot in mijn hand, en leg hem net iets anders op het steen. Met de punt naar boven. Dan geef ik één kleine doelbewuste tik op zijn kop. De schil valt tot mijn verrassing uiteen in vier gelijke delen en er midden in ligt de inhoud. Helemaal punt gaaf. Ik kan hem zo pakken. Wat een ontdekking! Jammer dat de noten op zijn.

Oktober. Het heeft hard gewaaid en bijna alle noten zijn van de boom gevallen. Het zijn er veel, er staan hier heel wat walnotenbomen tussen de aangeplante bossages. Ik mag ze ook verzamelen, maar laat het meeste liggen voor de anderen. Een aantal zijn platgereden. Die zijn voor de kauwtjes en de kraaien. Ze smullen ervan. Ik schop hier en daar een noot opzij, van het oprit af. Dan kunnen anderen die later oprapen. Er zijn grote noten, kleine noten, van alles wat.
De oogst is een flinke schaal vol. Hij staat voor mijn neus op de kurkvloer. Ik zit ernaast. Leuk, nu kan ik mijn nieuwe techniek gaan oefenen, die ik ontdekte in Roemenië. Een gedeelte heb ik gedroogd in het oventje dat bovenin mijn tegelkachel zit. Het wordt daar nooit heet, en het is een perfecte droogplek voor hout en noten. De droge noten liggen klaar, naast de steen waar ze straks een tik op hun kop krijgen. Er liggen ook natte noten bij. Sommige hebben zich volgezogen met regenwater, via een kleine opening aan de bovenkant, waar het steeltje van de bolster gezeten heeft. Hoewel de buitenkant van sommige noten er schimmelig uitziet, is de binnenkant nog goed. Het is goed dat ik ze meteen stuksla, bedenk ik tevreden. Dan kunnen ze niet verder rotten.
De ene na de andere noot ontmoet de platte kant van mijn bijl. Ik maak in snel tempo een bergje. Daarna pel ik ze achter elkaar, en gooi de droge exemplaren in een grote glazen pot. De natten gaan in een zware gietijzeren pan, dan kunnen ze straks verder drogen boven op de kachel. De doppen zijn voor de kachel, die gebruik ik als aanmaakmateriaal. Ik geniet van de snelheid, waarmee het gaat. Bijna alle noten komen er heel uit en zonder omslachtig gepeuter. Dit is dus een manier. En wat leuk dat ik dit nu ook aan anderen kan vertellen. Noten kraken, nou kan ik het.

Hoe kraak ik een noot heel

Walnoot, een grote

Blijven bewegen is voor mij van levensbelang

Ik noem dit `de Varaan`
`Twintig keer!` roep ik terwijl ik hijgend overeind kom. Een van mijn ochtendoefeningen is opdrukken, en dat heb ik zojuist gedaan. `Je bent een bikkel.`zegt Dick. Hij zit vanaf de bank naar mij te kijken. `Dat kunnen veel mannen niet eens,`zeg ik met kinderlijke trots. Dick knikt. `Blijven doen`, zegt hij. Dat zal ik zeker.
Mijn ochtendoefeningen worden steeds uitgebreider. Het is een mix van van alles en nog wat. Ik pik hier en daar op wat me bevalt, en dat stop ik in mijn programma. Yoga, fysiotherapie, krachttraining, shaken, lenigheid en evenwichtstraining, en vast nog wel meer, waarvan ik niet meer weet hoe het heet. Een half uur in de ochtend. ´s Avonds houd ik het bij tien minuten. Twee keer tien minuten per dag, dat is eigenlijk al genoeg. Genoeg voor mij, om fit te blijven. Ik vind het leuk. Dus komen er steeds meer oefeningen bij, en soms verzin ik ze zelf. Het werkt als een speer. Ook als ik me bij het opstaan niet zo denderend voel, dan knap ik er van op. Spanningen verdwijnen al gapend. Ik vind het altijd fijn, als ik eenmaal begin.

De tafel is leeg. Mijn regel is dat ik alles meteen opruim, als iets klaar is. Zo kan ik de kleine ruimte elk ogenblik geschikt maken voor iets anders. Het ene moment is het een gymzaal, het volgende moment een eetkamer of werkplek. Boven de pas gemaakte tafel hangt een hangmat aan het plafond. Het kost nauwelijks moeite om even de tafel even in te klappen en het witte katoen te laten zakken. Hoe klein het hier ook is, er is veel mogelijk. De ruimte om me heen is licht, open en beweeglijk. Net als ikzelf, nu. En ik werk er aan om het zo te houden. Elke dag. Natuurlijk heb ik ook weerzin. Vaak genoeg. Ik denk dat iedereen dat wel heeft. Het stukje zitvlees zeurt graag. Ik besteed er zo min mogelijk aandacht aan. Ik denk er aan hoe fijn het is om lekker rustig mijn oefeningen te doen in een opgeruimde kamer. Dat helpt. En het beloont zich. De tijd die ik eraan besteed lijkt zich te vermenigvuldigen. Ik krijg er veel frisse en gezonde tijd voor terug.

Blijven bewegen is voor mij van levensbelang. Ik heb een tijd achter me gelaten die even bloemrijk was als zwaar. Ik heb veel opgeruimd en er jaren over gedaan om te kiezen wat ik daarvan mee wilde nemen. Dat heb ik toen ingepakt. Het was klaar en ik kon gaan. Ik voelde het tot in mijn kleine teentje. En zo ging het ook. Ik ben een pad op gegaan waar ik steeds al naar op weg was. Het pad van speelse eenvoud, dicht bij de aarde. Soms vol verrassingen, soms lang en traag. Dikwijls wandel ik alleen, langs dezelfde velden, over hetzelfde bospad. Niet zo´n heel bijzonder bos, maar toch steeds anders. Waar ik heen ga weet ik niet. Maar één ding weet ik zeker, ik had die omslag nooit in gang kunnen zetten als ik niet steeds in beweging was gebleven.

Ingewikkelde gym in de wasruimte

Zeven maanden zonder

Simpel zonder
“Als één persoon zegt dat iets zo is, dan zou ik dat eerst onderzoeken.” zegt Dick. Het gaat over bruinkool. Ik ben bezig met de as uit mijn Zwitserse tegelkachel. ’s Nachts doe ik er een broodje bruinkool in, dan is de kachel de volgende ochtend nog steeds warm. Bruinkool gloeit lang door. Maar is mijn as dan nog vruchtbaar voor de bodem, dat is de vraag.
“Dat uitzoeken is toch lastig Dick,” zeg ik “zonder internet.” Dick vind het wel fijn, mijn internetvrije zone. Als we elkaar ontmoeten dan is er geen enkele stoorzender. Daar komt bij, hij is de hele dag al aan het internetten, voor zijn werk. Mijn leven ziet er heel anders uit. Om te internetten fiets ik vier kilometer naar Diessen, door het bos. Al sinds april. Hoe langer ik zonder internet ben, hoe minder ik er voor op pad ga. Als je ergens weinig in stopt, komt er ook steeds minder uit.

“Gesloten” staat er op de deur. Ik zet mijn fiets neer, naast het internetcafé. Daar staat een houten bankje. Nat van de regen. Met een vodje katoen, dat aan mijn fietskar hangt, veeg ik de druppels eraf. Voor mijn neus staat een auto geparkeerd, ik kan er nog net tussen met mijn benen. Ik kan ook nog drie kilometer doorfietsen naar de bieb in Hilvarenbeek. Maar dat doe ik niet. Ik blijf nu hier, op het houten bankje. De eigenaar van de auto komt terug. Hij kijkt me verbaasd aan en en bedankt me voor het passen op zijn wagen. `Graag gedaan`, zeg ik en buig me weer over het beeldschermpje. De tijd vliegt, als ik de onophoudelijke stroom mail aan het bijwerken ben. Er zit maar weinig bij wat echt voor mij bedoeld is. Toch is er zomaar een uur voorbij. Op mijn gemak van alles bekijken, bewerken en opzoeken, daar komt het niet van. Dat is bijna altijd zo. Ik begin dat nu te missen. Zonder internet in huis drijf ik langzaam maar zeker af, van de rest van de wereld. Zo voelt het. Als een eilandje.

Het was prettig, een lange poos zonder. Het gaf me rust om hier helemaal te zijn, zonder afleiding. Ik kon kijken naar wat ik nog allemaal heb. Het overbodige heb ik weggedaan. Een compacte verzameling boeken staat nu op de plank. Over planten, metselen, houtbewerking, spoorzoeken, vogels, insecten, schiemanskunst, en meer. Ik heb alles doorgenomen en weet nu precies waar ik aan toe ben met mijn spullen.
Zeven maanden zonder internet. Dat was het. Ik ben er klaar mee. Ik wil ook weer dingen lezen die niet op mijn boekenplank staan. En kletsen met vrienden. Soms vraagt iemand me naar foto’s en tekeningen. Zonder internet kan ik maar beperkt delen, wat ik hier uitwerk. Ik wil het zelf ook graag. Ik besef het nu. De internetvrije periode is voorbij. Maar nog niet helemaal. Eerst moet er aan gewerkt worden. Ik heb gevraagd om Wifi op de camping en de kans is groot dat het binnenkort voor elkaar komt. Iedereen die hier komt kan er dan van mee profiteren. Als het voor elkaar is vier ik een feestje. Ik zeg wel wanneer.

Inmiddels weten we meer. Onze camping ligt te ver van het snelle netwerk. We kunnen niet meer dan 2 MB krijgen en het kost een hoop geld om het aan te leggen. Geen Wifi dus. Ik kijk nog even wat ik nu ga doen.

Spin houd er bijna mee op.
De spin op mijn deur is niet meer zo ijverig.

Spin is weg
De volgende dag is hij verdwenen.

Toch een tafel

Grenenhouten poot van de tafel
“Ik heb vier jaar niet op een stoel gezeten” zei een kennis ooit tegen mij. “Ik woonde tussen Afrikaanse stammen. Niemand had daar tafels of stoelen. We zaten gewoon op de grond.” Ik vond het leuk wat ze vertelde. Het bracht me op een idee. Toen ze weg was heb ik van een rij rieten stoelen de poten afgezaagd, en ook de rugleuningen. Het resultaat was een reeks leuke zitjes. Mensen vroegen me waar ik ze vandaan had. Dat vertelde ik met plezier.
Nu woon ik hier dik een jaar. Ik heb nog steeds geen tafel en stoelen. Ik vind het niet nodig. Er is een bank en een kurkvloer. En schapenvachtjes. Daar kun je ook lekker op zitten. Werken en eten kan ik overal. Sommige mensen stappen verbaasd mijn kleine huiskamer binnen. “Geen tafel? Dat zou het eerste zijn wat ik neer zou zetten.” Ik haal mijn schouders op.

Het is een heerlijke herfst, bijna zomers. Ik sta op het bordes van mijn woonwagen en kijk over het veld in de ochtendzon. Er hangt al dagenlang een aanstekelijke werksfeer. Ton de beheerder, werkt aan een dak voor het huis, dat achter mijn woonwagen staat. Zijn zoon maakt een dak op de loods verderop. Ik ben ook lekker bezig. De verfpot staat de hele dag klaar en ik schilder alles fris en licht. Ik verf en ik timmer. Alles wat nodig is. Tot het donker wordt.
Als ik in bed lig komen de ideeën. Ik heb een notitieboekje naast me liggen, want als ik het niet meteen opschrijf, dan slaap ik niet. Van onder mijn dekens kijk ik opzij de kamer in. In het schemerdonker zie ik de contouren. Van de nieuwe kast waar ik zo blij mee ben, de wit omlijste spiegel aan de wand er tegenover. Mijn blik blijft rusten op de lege ruimte er tussen. Ik staar naar die plek, het vraagt om iets. Daar onder de spiegel, daar hoort een tafel, besef ik. Ik sta op en doe het licht aan. Mijn besluit staat vast. Ik ga een opklap-tafel maken. Een sterke, lichte constructie. Ik pak mijn boekje, schrijf alles op en teken het uit. Daarna val ik als een blok in slaap.

Twee dagen werk was het. De tafel is af en ik vind hem mooi geworden. Hij hoort bij de wagen, net als de kast en de spiegel. Wat is dit nu een fijne plek geworden. In tien dagen tijd heeft Jufrouw Kolibri een complete metamorphose doorgemaakt.
De vraag is nu, waar gaan we op zitten? Er is een kruk. Die is van mijn vader. Hij wil hem terug. Er is ook een mooi oud kistje. Met een deksel. Er ligt nu steeds een kussen op. Als ik dat eraf haal zie ik letters. “Atlantic Amsterdam”. Het kistje is één van de weinige overblijfselen uit mijn werfkelder in Utrecht. Zo’n kistje heeft meerdere functies, dacht ik. Je kan er op zitten, je kan er wat in stoppen en hij is mooi.
Daar staat hij dan. Een zwaar ding. De letters zijn bedekt door wat er op ligt. Niemand kan het zien, dat hij mooi is. En wat zit er nou in? Het zijn papieren, die ook best in de nieuwe kast kunnen liggen. Ruimte zat. Gisteren zei nog dat ik meer kistjes wilde. Allemaal om op te zitten en overal spullen in. Maar ik wil helemaal niet meer spullen. Ik wil er juist minder. Wat bezielt me eigenlijk. Ik weet best wat ik het liefste heb. Ik wil iets om op te zitten. Geen kistjes. En dit kistje gaat ook weg. Het is hard, maar zo is het. Opklap-krukjes wil ik. Licht en simpel. In elk geval vier.

Kistje is niet meer te geef.
Kistje voor vrachtvervoer over de oceaan

De nieuwe tafel onder de spiegel.
Opklaptafel in woonwagen

Het is of het er altijd al heeft gestaan.
Uitzicht door de deur met kast en laptop op tafel.

Ingeklapt. Let op uitstekende pen. Haal die eruit en dan kun je de poot eronder weg halen. Heel simpel.

Tafel ingeklapt

Achter de blinde wand

.

Achter de blinde wand, een nieuw raam.

 

Ik kan gaan reizen om de wereld met een andere blik te bekijken. De opwinding voelen van het ontdekken. Maar ik wil ook rust, om iets op te kunnen bouwen. Dus ik heb de oplossing dichtbij gevonden. Ik heb gewoon een nieuw raam gemaakt. Nu zit ik lekker rustig een kop koffie te drinken op de bank, en kijk mijn ogen uit. Vroeger was hier een wand zonder venster. Ik zat hier ook nooit. Vanaf de andere kant van de bank, kon je nog een beetje naar buiten kijken. Het glas van de deur was de enige doorkijkje. Aan de andere kant was een dooie hoek. Nu is dit het mooiste plekje geworden. Als ik dicht tegen het raam aanzit, dan kan ik het hele grasveld over kijken. De lucht is blauw en alles is zonnig en licht, daar achter die blinde wand. En wat een boel andere dingen zie ik nu. Verderop is iemand aan het werk. Een man harkt snoeihout bijeen van coniferen en een walnotenboom. Zijn lange, grijzende haar is bijengebonden in een staart. Hij woont hier ook, in de pipowagen die verderop onder de bomen staat. Hij heeft mij gisteren geholpen, met het raam inzetten. Ik vind het leuk dat hij weer terug is. Een lange tijd was hij weg en het was de vraag of hij terug zou komen. Hij heet Reik. Reik is timmerman en muzikant. Gisteren had hij het erover dat hij wil beginnen met workshops geven. Instrumenten maken. Reik heeft nog veel meer dromen over wat we allemaal kunnen doen op dit mooie terrein.
Mijn gedachten dwalen af, tot ik een reiger zie overvliegen, en een groep kauwtjes. Ze vliegen verder, voorbij de bomenrij, die het einde van het terrein omsluit. Ik kan eindelijk zien wat er is, achter die blinde wand! En dan de warme zon erbij, het lijkt de hemel wel.
Ik vraag me af wat ik nog meer te zien zal krijgen, door dit raam. Zullen het altijd dezelfde bomen zijn, dezelfde mensen en dezelfde horizon? Ik denk het niet. Ten slotte heeft mijn wagen wielen. Maar lang fantaseer ik er niet over. Want zover is het nog niet. Er is werk aan de winkel. Ik drink de laatste slok van mijn koffie en zet de mok op het aanrecht. De pauze is voorbij.

De ene verandering lokt de andere uit. Er is nu ook een kast op mijn pad gekomen. Een echte pipowagen-kast. Gebracht tot voor de deur, zonder dat ik er naar op zoek was.
Ik doop de punt van de kwast in het blik. Ik schilder hem wit. Dat oogt veel ruimer in mijn kleine huiskamertje. De laatste jaren had ik een hekel gekregen aan dat eindeloze geverf. Tot mijn verrassing is die weerzin nu helemaal weg. Wat ik nu te onderhouden heb is te overzien en het komt ook af. En als het af is, dan kan ik gaan zitten, ernaar kijken en genieten. Vroeger was er nooit iets af. Ik zat ook nooit echt lekker. Er was altijd een hele berg onderhoud te plegen. Een rijstebrijberg tot over de nok, dat was het. Niks uitzicht. Die tijd is nu voorbij. Ik ben er klaar mee. Ik ben erg blij met wat ik nu heb. Niet teveel, niet te weinig, precies genoeg voor mij. En ik heb een raam. Een echt venster. Eindelijk.

.

Gerestaureerde pipowagen-kast .

Ik heb de kast niet zonder ongelukken af gekregen. Toen ik even weg was, begon het ineens hard te waaien. Hij is omgevallen, boven op een pot. Deuren ontzet, overal splinters. De ene deur was er ernstig aan toe. Ik heb hem onmiddellijk gerestaureerd. Het is geen sjieke kast meer, maar eigenlijk is hij nou mooier. Ik heb hem meteen vastgeschroefd aan de muur.

.

 

Boom geveld
Heb twee coniferen omgezaagd, die pal naast de kersenboom stonden en nogal nadrukkelijk aanwezig waren.

.

Uitzicht
Dit is het uitzicht vanuit mijn nieuwe raam, als ik er recht doorheen kijk. Je ziet de scheefgegroeide kersenboom. Zonder de twee coniferen. Er is weer lucht en licht te zien. Fijn!

Lekker niksen

.

Kersenboom tekening.

.

Vorige week was het. Ik zat op mijn schapenvacht en keek naar buiten. Er was niet veel wat bewoog, behalve vallende druppels van een druilerige regenbui. De kachel was warm en mijn voeten ook. Misschien dat ik zo wel aan het werk kon gaan, voor de cursus permacultuur. Het werk, wat al een tijdje lag te wachten. Want op die warme zomerdagen is er altijd een hoop te doen. En die waren nu voorbij. Ik kon een tekening gaan maken van de kersenboom, voor mijn deur. Dat leek me wel wat. En dan niet zo in een hoekje gedrukt, zoals hij er nu bij stond, maar zoals ik hem zou willen zien. Lekker vol in de kruin. En in plaats van een rij coniferen een kruidige en bloemige ondergroei en bessenstruiken ernaast. Het paste toevallig nog in één van de opdrachten ook, bedacht ik vrolijk. Maar ik bleef toch zitten op mijn schapenvachtje. Ik keek naar een eenzame duif, die wegvloog, het struikgewas in. Ik haalde adem en luisterde naar de druppels op mijn dak. Tot ik me bijna ging vervelen. Toen pakte ik mijn pen en het kleine boekje, met nog zoveel lege bladzijden. Ik trok een lijn, en een volgende. En nog één. En vergat alles. Zelfs de tijd.

Een week later.

Misschien is dat het wel. Het begin van alles. Niks doen, niks hoeven. Hoe kan ik iets creëren als ik druk ben met bedenken wat ik allemaal nog moet en wil? Dan komt er niks uit mijn vingers en schiet het nog in mijn rug ook. Vorige week zat ik er helemaal in. Nu niet. Wat houdt me tegen? Ik heb het idee dat ik gigantisch achterloop, met het huiswerk. Een groot MOETEN kerft zich met onzichtbare letters op de grond voor mijn voeten. De weerzin om ermee te beginnen nestelt zich opstandig in mijn buik. Dan maar niet, denk ik dwars. Ik kies toch lekker zelf wat ik wel en niet wil doen. Loop ik ergens mee achter? Nee toch. Alles wat ik doe, doe ik één voor één en alleen als ík het leuk vind.
Ik kijk en ik luister. Naar de kruisspin met zijn grote web. Hij zit midden op het raam van mijn deur. Als ik die opendoe beweegt het web een beetje maar de spin blijft onverstoord in het midden zitten. Verderop zie ik de appel- en perenbomen staan. Ik kijk naar de enorme hoeveelheid rijpend fruit aan de takken en op de grond zie ik enkele rotte. Zouden we die ooit op krijgen, vraag ik me af. Ik zie een paar slome wespen in een half afgeknabbelde peer, en een dichte menigte kleine vliegjes. Ik loop verder, het pad af en kijk naar de gele platgespoten akker naast onze camping, al vind ik het niet leuk om te zien. Ver weg is een land dat Roemenië heet. Waar bodem en grondwater nog niet verpest zijn met gif en drijfmest. Maar nu ben ik hier. Ik wandel langs de hoog opgegroeide maisvelden omdat het daar minder waait. Als ik daarna terug kom en mijn tuin inloop vraag ik me af of de heidekikkers er nog zijn, daar tussen de uitgebloeide boekweit. Tot mijn verrassing zie ik nog een enkel bijtje, dat het geluk vond mijn zonnebloemen te vinden.

Er is wat er is. Ik wandel of kijk uit het raam. Meer niet. En dan is er lucht. Met de oprechte blik van een kleuter kan ik moeiteloos aanraken en uittekenen wat zo straks buiten bereik was. En met het geduld van een oude vrouw kan ik het afmaken tot in de details. Ik pak mijn boekje en mijn fijne zwarte pennetje, want ik heb een nieuw idee. Het spel begint weer..

.

.

.

Knijpen in het stuur

Spannende manouvres met de trekker
Buiten is het koud, binnen warm. Er breekt weer een stille tijd aan, die kan duren van half september tot helemaal in mei. Afgelopen voorjaar woei er wekenlang een snijdende oostenwind. Heel even kwam er een warme lentezon tevoorschijn, maar al gauw was hij weer verdwenen. Het was mijn eerste overwintering in een pipowagen. Een lange winter bij de kachel.
Ooit las ik een interresant boek over klimaatverandering. Ik herinner me een hoofdstuk over kou. De noordpool smelt en het ijs drijft de oceaan in. Het water koelt af, net als ijsblokjes in een glas limonade.
Als ik zie wat er nu gebeurt, dan lijkt het er aardig op. Ver van hier plonsen ijsmassa’s het water in en dobberen verder via onze Atlantische golfstroom, die altijd zo lekker warm is geweest. Maar nu niet meer. Als de stroom vanuit de Noordpool bij ons aankomt zijn de brokken ijs al gesmolten en weg. Maar de kou nog niet. Ook de lucht erboven is frisjes, en de zon moet veel langer schijnen voor de boel is opgewarmd. De golfstroom is de oude niet meer. En warmte en koudeverschillen maken uit welke kant het water en de lucht opstroomt. Verandering van temperatuur betekent dus verandering van richting. Alles gaat een andere kant op, het water en de lucht erboven. Maar hoe, dat weet niemand van te voren. De chaos en stress wordt steeds groter.
Maar als al het ijs straks gesmolten is, en de oceaan is warmer dan ooit, wie weet kunnen we dan lange warme lentes meemaken. Dan hoef ik niet meer acht maanden per jaar mijn kachel warm te houden. In plaats daarvan kan ik maandenlang van de natuur genieten, zaaien en oogsten. Dat zou allemaal kunnen. Misschien ook niet. Het kan ook heel spannend worden. Wie weet ligt Eindhoven straks wel aan zee, en de camping onder water. Dan hebben we hier geen luistertuin meer, maar een verzopen tuin. Welke droom levensvatbaar is en welke niet, dat moet ik nog zien. Dus ik heb meerdere ideeën op zak. Dan is er altijd wel eentje te gebruiken, met een paar aanpassingen.

Eén ervan is om een trekkertje te kopen. Een klein antiek ding zie ik voor me, sterk genoeg om mijn pipowagen kan slepen. Lijkt me handig, dan kan ik altijd weg. Met wagen en al.
Toch moet ik er nog even over denken. Pas geleden heb ik voor het eerst trekker gereden, bij een bevriende boer. Dat was een stoere joekel van een ding, met enorme wielen. Ik had het gevoel alsof ik op veel te grote klompen liep. De boer lachte zich slap. Toen ik op de stoel geklommen was, kon ik nauwelijks bij de pedalen. We zijn ook de weg opgereden. Heel hard, over een smal landweggetje waar geen twee auto’s naast elkaar op pasten. Ik kneep in het stuur alsof mijn leven ervan af hing. Vooral toen er een tegenligger aan kwam. Ik ben water gewend, waar ik veel rustiger mijn koers kan bepalen. Ik kijk ook graag om me heen. Op zo’n snel ding met vier wielen is dat toch anders. Ik denk dat ik de volgende keer maar niet meer zo hard ga, en ik ga ook niet meer op weg met zo’n grote. Misschien wordt het dan wel wat.