Ik voel het aan mijn water

.

Water, beweging, licht

.
De regen is begonnen. De hele nacht door klettert het op mijn dak. De paarden staan nat in de wei, en de vogels zitten nat in de boom. Sommigen hebben een droog plekje gevonden. Het zwijntje heeft in zijn hok een flink bed gemaakt van perzikkruid, het enige op zijn terrein wat hij niet lust. Hij is nu ook niet meer zo vaak buiten en dat begrijp ik best. Ik zit nu ook binnen, in mijn pipowagen. Als de regen stopt en de zon doorbreekt, komt iedereen tegelijk naar buiten. Vogels uit de bosjes, konijnen uit hun hol, het zwijntje uit zijn nest. Ik loop op het gras, dat alweer groener wordt en geniet van de frisse lucht. Maar al gauw begint het opnieuw, met flinke druppels valt het uit de lucht. De twee vijvers worden weer voller en voller. Zo is het wekenlang kurkdroog, zo valt al het water in één keer.
Ik zie boeren in het prille voorjaar door enorme plassen rijden. Vaak wijken ze uit naast het pad omdat de plassen op de zandwegen te diep zijn geworden. Ik zag ze deze zomer dagenlang hun stoffige land beregenen. Het weer lijkt steeds extremer te worden.
Hoe is dat in het verre oosten van Europa? Ik sprak er over, met Roemeense vrienden. Ook zij zien verschil met vroeger. Nog niet zo lang geleden waren de winters er hard en streng, maar nu blijft het een hele tijd kwakkelen, voor het in januari eindelijk eens gaat vriezen. Het vriest dan ook niet zo hard meer als vroeger, maar er is wel veel meer neerslag, in vorm van sneeuw. In de zomer zijn er lange periodes dat het niet regent. Net zoals hier steeds vaker gebeurt. Bij hen komen de invloeden van twee kanten. Het landklimaat begint pas echt achter de bergrug, maar in Transylvanie voel je het al wel. Achter de Karpaten, daar begint de vaste regelmaat van strenge winters en warme zomers pas echt.

Ik vind water fascinerend. Het is onvoorspelbaar en wisselt steeds van vorm. Misschien is het ook een reden, dat ik me aangetrokken blijf voelen tot dit land, waar ik geboren ben. Het water. Het rijst op en trekt zich terug. Het verdampt en daalt zachtjes neer op de geurende grond, vriendelijk als een lichte lenteregen. Of het stort naar beneden als een wolkbreuk, stof en aarde met zich mee sleurend, de zee in. Water kan alles om zich heen transformeren. Ons land is ervan doordrongen. Onze bodem is vol verhalen erover, al zijn de meeste allang vergeten.
En nu. De dagen worden korter en de avonden langer. Na langdurige droogte is de lucht weer zwaar van vocht. Ik zie sommigen plannen maken om te vertrekken naar zonniger en drogere oorden. Ik niet. Ik zal deze winter samenzijn met mijn vriend, de tegelkachel. En ik weet niet wat er verder gaat gebeuren. Maar dat ik hier wil zijn, dat voel ik aan mijn water.

Ik blijf

.

.

Het is een stipje, mijn kleine paradijs, vanuit het vliegtuig zie je het niet eens. Maar toch is het er. En met je neus erbovenop zie je een wereld van leven.
Ik ben weer terug, tussen de uitgestrekte akkers. Ik blijf. Niet omdat dit de plek van mijn dromen is, maar om dat ik zie dat het nodig is. Ik zie bijen en hommels zoeken naar bloemen en in sommige periodes duurt het erg lang voor ze weer wat vinden. Als ik terug naar huis fiets, zie ik dat diverse bermen alweer zijn kort gemaaid, zodat het onkruid geen zaad schiet.
Mijn tuin is wél een kleine zaadbom geworden. Nog steeds zie ik overal bloemen. Het is een van de weinige bloemenplekken in de omtrek. De voor iedereen totaal onbekende Bremer scheerkool is wel twee en een halve meter hoog gegroeid vol zaad en bloemen, en de Olifantboon is nog hoger. Diverse soorten pompoenen slingeren overal tussendoor. Ik zie hommels en bijen. Nog veel meer dan eerst. In de korenbloemen en in de borage. In de boekweit en in de goudsbloem. Een aantal soorten witjes fladderen om elkaar heen. Voor mijn voeten springt een heidekikker weg. Een kleintje. Daarna nog één. Een hele dikke. In het midden van de tuin heb ik een paar mooie kuilen gemaakt. In eentje ligt een berg takjes. Er zitten allemaal kleine spinnetjes in. In de kuil ernaast staat een hand gedraaide schaal met water. De kuil helt langzaam over naar de rest van de tuin, en is begroeid met zacht mos. Dit is wat ik hoopte. Een klein paradijs wordt het, een arkje van Noach.
Het liefst woon ik wild in het bos, en verzamel mijn voedsel. Want eigenlijk ben ik een wilde griet. Geen stadsmens, en ook geen boerin. In dat bos is alles wat ik nodig heb. Ik zou elke plek kennen als mijn broekzak. Niets te verdedigen, alleen maar te zijn. Heerlijke aarde.
Maar zo is het niet. Het leven trekt zich terug naar waar het nog kan. In de windhaag rond het terrein, in stadstuinen. In bossen en bosranden. Maar in mijn tuin ontstaat wat. En ook buitentuins ben ik bezig. Spelenderwijs zet ik beplanting uit op de rest van het terrein. Net waar het van pas komt, in overeenstemming met de wensen van de eigenaar, en zonder vooropgezet plan. Stukje bij beetje groeit het. Soms zet ik iets in een berm. Niet te grootschalig, maar klein. Dan kan ik er ook aandacht aan blijven besteden en ik krijg er ook geen gedoe van omdat het weer een heel `project` wordt. Met oeverloos gepraat en papierwinkels. Ik hou het klein en fijn. Lekker onopvallend. Met een beetje geduld groeien de dingen ook wel.
Hier op het veld is ruimte genoeg voor meer mensen en nog veel meer bloemen en bloeiende, eetbare struiken en planten. Er is grond beschikbaar om te verbouwen. Iedereen die wil kan een stukje in beheer krijgen. Het zou leuk zijn als mijn tuin niet meer de enige was. In elk geval, ik blijf voorlopig hier en werk er aan. Wat het ook mag worden. Als het maar geen woestijn is.

Grondwaterstand in Brabants land, zomer.
De vijver, nu in augustus. Je ziet hoe extreem laag het water staat. Het komt vooral doordat veel boeren dagelijks aan het sproeien zijn. Door het vele scheppen en bewerken houdt de grond het vocht slechter vast.

Extreme nattigheid in de vroege lente
In de vroege lente is het land vol plassen en de grondwaterstand erg hoog.

.

Een droom is als een paar schoenen

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Lang heb ik er naar toe gewerkt. Het is nu twee en een half jaar geleden. Toen dacht ik, ik ga naar Roemenië. Ik bestudeerde de taal en cultuur. Ik wilde mijn aandacht bundelen, om mijn leven een nieuwe draai te geven, een heel nieuwe richting. Waar zou het toe leiden? Ik liet Utrecht achter, mijn huis, mijn vrienden en mijn boten. Ik kwam terecht in een woonwagen, in Brabant. Een tijdelijke stek, waar ik alles op mijn gemak kon afhandelen, en waar nieuwe ontwikkelingen zich rustig konden ontvouwen. De enige reden waarom het Brabant was, is dat de wagen daar zijn standplaats had. Een pipowagen, met alles erin, dat is nu mijn hele bezit. En er is een vriendje, niet ver weg. We brengen samen dagen door, gevuld met speels plezier en aandachtige gesprekken. Dat is fijn. Maar alles is tijdelijk. Wie weet hoe lang. Het is de droom die me in beweging zet.
Een droom of idee is als een paar schoenen. Zolang als het duurt brengen ze me ergens heen. Ik weet niet waar. Want de wereld is wat hij is. Soms drassig, soms rotsachtig en steil. En ik kijk om me heen. Dagenlang vergeet ik soms, wat de droom was, waarmee ik op pad ging. Dan loop ik blootsvoets door een kreek vol beestjes of langs spannende paden. Soms denk ik er aan, aan de droom, en vraag me af waar ik uit kom.
Ik ben nu in Roemenië. Uiteindelijk. Mijn verblijf hier loopt bijna ten einde. Vandaag regent het. Ik zit binnen. Geen lange wandeling, vandaag niet. Het dorp Sarata is omringd door heerlijke verrassende velden. Ik heb ze leren kennen. Het is een land dat ik vaak gezien heb, in mijn dromen. Alsof ik de heuvels al kende voor ik ze zag. Maar wat moet ik hier doen, ik weet het niet. Er is geen aanknopingspunt. Ik ben te gast. Een passant in dit land. Maar één ding weet ik wel. Ik neem zaad mee, voor thuis. Zakken vol zaad. Voor onze verarmde velden. Kijken wat er uitkomt. Dat kan ik doen. Maar ik blijf niet. Niet nu in elk geval.
Brabant is mijn thuis. Zo is het nu. Daar is mijn experiment. En verder weet ik het allemaal nog niet. Maar ik hoef het ook niet te weten. Verras mij maar.

Heuvels onder de Karpaten (N)

Grote kikker in Roemeense poel

Lief rupsje in het knoopkruid

Vroeger was de beek mooier (dorp in Transsylvanië)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het is elf uur in de ochtend. Ik sluit de poort achter me. Met een
klik valt de deur dicht. Ik sta stil en kijk om me heen. Alle huizen
hebben een schutting om het erf, of een muur met een hoog gietijzeren
hek erin. Dat is om paarden en vreemde honden uit de tuin te houden.
Vlak naast me, voor de stenen muur die hun erf begrenst, zitten twee
oude vrouwtjes op een bankje. Ze kijken naar de oever, waar iemand
puin heeft gestort. Kapotte stenen en grind tussen grote bossen
watermunt. Ernaast staat één van de vele pruimenboompjes. Een hond
loopt over de verwilderde oever naar het water, en drinkt gulzig.

`Vroeger zag de beek er mooier uit dan nu,` klaagt de ene vrouw,`het
werd veel meer onderhouden.` De bewoners van elk huis zijn
verantwoordelijk voor het stuk van de beek wat eraan grenst. Zo was
het bij ons ook, drie eeuwen geleden.
Aan de overkant loopt een lange man met verende tred. Hij kijkt niet
op of om. Het is Costica, zijn zeis hangt over zijn schouder en aan
het uiteinde bungelt een tas. Het is hooitijd. De mensen werken hard.
Velen werken om hun huis te onderhouden en voor meer spullen. Het
liefst ook nog een auto. Of ze sparen voor een reis. Wie jong genoeg
is, gaat naar het westen. Daar is meer te verdienen dan hier. De
partner blijft alleen achter.
Ik snap best, dat de beek minder aandacht krijgt. Er wonen bijna geen
gezinnen meer. Toch zie ik in de verte een paar kinderen spelen met
keien. Ze maken een dammetje, om een klein zwembadje te maken. Die
kinderen logeren bij oma´s en opa´s. Maandenlang zie je ze, in de
zomer. In de winter zijn ze weer weg. Papa en mama wonen al jaren
ergens anders.
Ik kijk nog eens naar het stromende water. Ik vind de beek mooi. Ook
zoals hij nu is.

Ik loop langs het zandpad naar het noorden. Daar houden de huizen op,
en beginnen de velden. Het pad volgt nog steeds de stroom. Van een
afstandje zie ik hier en daar iets uitsteken, midden in de hoge
oeverbeplanting. Het lijken grote dingen. Grote gele blokken tussen
weelderig groen. Ik vraag me af wat het is. Als ik dichterbij kom zie
ik dat het koelkasten zijn, waarvan de metalen buitenplaten zijn
afgesloopt. Wat ik zie is het gele isolatiemateriaal, oud en goor.
Ik loop verder naar beneden, daar is de begroeiing niet meer zo
torenhoog. Ik baan me een weg over een berg plastic. Dan zie ik water
over keien stromen. Het is niet diep. Orchideeën groeien weelderig
naast een berg oude schoenen en ingedeukte pannen. Ik hurk ernaast en
laat het frisse water tussen mijn vingers door spoelen. Ongelooflijk
zo helder.

Net als ik terug wil lopen zie ik iets. Een oude spanband. Precies wat
ik nodig heb. Het scharnier van het kippenhok is kapot.

Lang leve de vuilnishoop.

Luije kippenhok

Het land

.


De zon is fel en ongenadelijk. In de zinderende hitte klinkt ons gehak in een gestaag ritme.
We werken op een smalle strook, waar dit jaar niets is ingezaaid. De strook ernaast is paars en geel van de bijenbloemen, en het is een gezoem van jewelste. Wij werken op het lege stuk. In het zand en tussen de stenen staat evengoed van alles. Gras, smeerwortel, knoopkruid, wat brandnetel en pispotjes, en nog veel meer. Wij hakken ze allemaal af. We hoeven de wortels niet weg te halen. In deze hitte sterven ze snel. Ik heb de wijde witte blouse aan, die mijn moeder voor me maakte. Ik druip van het zweet en een lichte bries waait onder het linnen en koelt mijn warme huid. Een strooien hoed beschermt mijn hoofd. Naast mij werkt een jonge vrouw uit Avrig, een Roma. Ze zucht diep. Haar strakke paarse shirt heeft korte mouwen maar is toch te warm. Ze stroopt de pijpen op van haar lange zwarte broek, en gaat verder. Verderop zetten haar vriend en haar broer palen in de grond. Dat is nodig voor een hek, tegen wilde zwijnen. Die komen af en toe ongevraagd het land omploegen en dat wil onze boerin niet.
Net zo ongenadelijk als de zon brandt, hak ik door. Het warme staal ploft in het droge zand van de bovenste grondlaag. Ik zie een hele spinnenfamilie vluchten, en ik zie hun kleine holletjes in de grond, onder een graspol. Er groeit ook een vetplant, met kleine gele bloemen. In een roset bedekt hij de bodem met lange vlezige stengels. Ik hak het allemaal af. Ik zie de tere bloempjes van ereprijs en ook kamille. Ik voel hoe het zweet van me afdruipt en geniet van het harde werken en het gestage ritme waarin ik voortga. Toch spijt het me. Voor de spinnen. En voor de kleine ereprijs en de kamille. Ik had ze graag een langer leven gegund op deze plek. Maar het moet. Helaas.

 

Een man keert terug van het werk
Een man keert terug van het werk

Voetnoot: we zijn om twaalf uur opgehouden. Daarna werd het nog warmer. Agnes had een heerlijke maaltijd voor ons gemaakt, geserveerd in een koele kamer.

Dorp in Transsylvanië

Dorp in Transylvanië

.

Terug in Roemenië. Ik verblijf bij een gastvrije vrouw die Agnes heet. Ze voert een klein boerenbedrijf en ik werk deze maand mee, tegen kost en inwoning. Ik zit op de drempel in de schaduw. Het is warm. Ik hoor alleen de krekels in het gras, een kip die aanhoudend blijft kukelen in de verte, een kind dat roept. Het huis staat in een klein dorp, gelegen aan een smalle beek, die uit de bergen komt. Als ik in de beek sta, dan kan ik de blauwgrijze toppen zien liggen als indrukwekkende schaduwen aan de horizon. Er ligt nu geen sneeuw op de bergtoppen, en de beek is niet meer dan een ondiepe stroom met glibberige keien. In de lente, als het smeltwater komt, dan kan het smalle beekje uitgroeien tot een rivier. Soms komt het zelfs tot over de drempels van de huizen. Over de kreek zijn hier en daar eenvoudige bruggen gemaakt, maar toen we gisteren aan kwamen rijden, reden we dwars door het water naar de overkant. Het dorp ligt als een lang lint langs de stroom. De wegen zijn van zand en grind. Voetpaden hebben zich in de jaren vanzelf gevormd, dwars door het gras en wilde bloemen naast de beek. Langs het water staan overal fruitbomen en kruidige bloemen en ik vond watermunt en wilde tijm. Alle huizen hebben een hoog houten hek voor het erf, niet om de boeven buiten te houden, maar om de loslopende koeien, honden en paarden tegen te houden. Gisteren was de deur open blijven staan. Toen stond er ineens een brutaal en onvriendelijk paard de spruitjesplant op te eten. Zijn voorpoten waren aan elkaar gebonden met een korte ketting, zodat hij niet kon rennen. Maar weglopen kon hij dus wel. Gelukkig duurde het niet lang voor we hem weg hadden en de schade viel mee. Agnes heeft gauw de deur op slot gedaan.

Agnes is een nu paar uur weg. Ze brengt twee Nederlandse gasten weg met de auto. Na een gezellig ontbijt ben ik nu een paar uur alleen. Het is anders om hier alleen te zijn en ik geniet er van. Ik heb de afwas gedaan en frambozen geplukt voor de verkoop. Tommy, een opgewekte Kooikerhond, ligt te slapen in de schaduw van het kleine gastenhuis. Het brede erf ligt tussen twee huisjes en twee schuren. Het is begroeid met gras en er is een moestuin met bonen, kolen en bloemen. Als ik erlangs loop, vliegt een groep mussen op uit de drogende bonen met het dorre blad. De bonen moeten rijpen, het is bedoeld als zaaigoed. Maar de vogels vinden het ook lekker.

Ik loop verder, langs de twee schuren, achter op het erf. De ene schuur is deels van gepleisterde steen, deels van hout. De deur is ook van hout. Ik ga naar binnen. Ik zie dat tussen de kieren van de planken door genoeg licht komt om alles te zien. Er staat het een en ander opgeslagen en er is een hooizolder. Ik loop verder naar de andere schuur. Die is van hout en van keien die uit de buurt komen. Er ontbreekt een wand. Als ik er naar toe loop, dan zie ik dat ook de kelder niet compleet is. Hij heeft maar een half dak. Het zijn grote balken met smalle stroken gewelfd metselwerk ertussen. Hoe zou je zoiets restaureren, vraag ik me af. Maar ik denk er niet te lang over na. Het land loopt nog verder door. Achter de twee schuren rusten de drie schapen en lopen kippen. Ze kennen me al en lopen niet meer voor me weg. Een van de drie schapen kijkt me nieuwsgierig aan. Ze hebben hier een mooi veldje om te grazen. Maar ze kunnen niet in het midden komen, daar staat een hek omheen. Er groeien pompoenen en frambozenstruiken. Heerlijke grote frambozen hangen te rijpen in de zon, rode en gele. Gisteren hebben we ze verkocht op de biologische markt in Sibiu. Achter de frambozen begint een heuvel met pruimenbomen, appels en acacia´s. Het gras eronder is ruig, maar wel gemaaid. De eerste pruimen en appeltjes zijn al op grond gevallen. Ik proef een paar maar ze zijn zuur, hard en klein. Nog even wachten voor ze rijp zijn.

Achter het laatste hek beginnen de velden, het hooiland, vol bloemen en vogels en andere dieren. In de verte ligt de hoge bergrug van de Karpaten en is de allerhoogste top te zien. Hoewel de lucht hier helder is, zijn de bergen vandaag in nevelen gehuld. Zou het morgen beter zijn? Misschien gaan we er wel heen. Als je in de wolken loopt kan je niks zien. Maar vandaag ben ik in elk geval hier. En nergens anders. En ik schrijf. Net zoals thuis. Alleen het decor is anders.

.

Huis in Transylvanië

Het lijkt wel oorlog op de akker

.

.

`Het lijkt wel oorlog`, zegt een jongen die naast een van de tentjes staat. Een grote stofwolk waait over het veld van de Augustehoeve, over de bossages en over het dak. Er lopen mensen met ontwerptekeningen in de hand, voor de grond die rond de hoeve ligt. Ze doen hier een tiendaagse cursus permacultuur en ze proberen zich niets van het het geraas en het stof aan te trekken. Met aandacht buigen ze zich in groepjes over hun werk. De wolk van stuifzand is zo groot dat de tenjes maar klein lijken. Achter de tentjes is een hek van twee meter hoog. Heras hekwerk. Rakelings daarlangs rijdt een enorme combine. Met veel kabaal worden erwten geoogst. Het lijkt erop dat ze niet zullen stoppen voor het klaar is. Verderop zijn nog drie van dezelfde machines. `Het is niet minder dan dertig hectare wat geoogst moet worden,` vertelt de jongen ernstig. Het geraas van de machines begon vanochtend om zes uur, pal naast de kleine tentjes startten de kolossen hun motor en reden rakelings langs de slapende mensen. `Net oorlog` zegt de jongen nog eens en kijkt gefrustreerd naar de langsrazende combine, die net weer een rijtje af heeft.
Hier zijn wij een avond en een ochtend te gast. Ik slaap met oordopjes in, maar evengoed beleef ik een onrustige nacht. Als we wakker worden, zijn ze nog steeds bezig. De cursisten gaan weer gemotiveerd aan het werk, geslapen of niet geslapen. Wij pakken onze fiets om weer te vertrekken. Het veld is nu kaal, er staat niets meer op. Aan het einde ervan staan de vier grote wagens in een cirkel om een klein groepje jongelui heen. Vier kleine mensen, drie jongens en een meisje ontbijten gezellig in de ochtendzon. Het ziet er heel onschuldig uit. Weten zij veel, wat er aan de andere kant van het hek is.

Ik moet denken aan de tijd toen ik zeventien was. Ik heb vakantiewerk gedaan, bij de Machinering. Ik heb duizenden smeerwortels uitgetrokken, in de polder, tussen de rijen bieten. Geen moment heb ik me afgevraagd wat voor plant dat was, die smeerwortel. Dat is nu dertig jaar geleden. Het boerenbedrijf wordt steeds grootschaliger, tot monsterlijke proporties. Anders is het niet meer winstgevend, men ziet geen andere uitweg. De jongeren die de machines besturen, die willen alleen maar werk en stellen geen vragen. Ze doen wat ze krijgen opgedragen. Voor de mensen in de tentjes bestaan ze eigenlijk niet. Hetzelfde geldt vise versa. Wie weet het, wat er aan de andere kant is van het hek, welke mensen? Waarom eigenlijk, een hek? Wat is oorlog? En is schaalvergroting ècht de enige manier? Veel vraagtekens. Wij fietsen verder, naar de stille camping bij Haghorst.

Meer over de Augustehoeve: http://www.augustehoeve.nl/

.

Rotspul, bestaat dat?

.

 

„Hondsdraf? Dat is rotspul!” hoorde ik pas. Zo’n plantje dat overal maar tussendoorkruipt, dat wordt meestal niet gewaardeerd. Het komt op in gazons, daar waar mensen gras willen hebben. Inplaats van het glanzend groene raaigras, zie je dan een paarse zee met beestjes die er rondvliegen. Dat is niet de bedoeling van een gazon. Flora en fauna delen we in. Zoals we het zelf willen zien. Nuttig en niet nuttig. Hondsdraf is niet nuttig. Zeker niet in het gazon. Smeerwortel en hoefblad ook niet. Dus dat moet weg. Maar er is een wereld die veel groter is dan wat we weten. De bodem en de bijen en beestjes hebben wellicht iets heel anders nodig. En wij hebben hun weer nodig. Dus wat is wijs?
Ik doe het zelf ook. Ik kies ook welke planten ik niet wil en welke ik wel wil. Ik haal weg wat dominant is, maar er mag altijd wat van blijven staan. Alles heeft zijn funktie. Op kweekgras wordt bijvoorbeeld veel gescholden. Maar ik wist niet dat kweekgras goed is voor de stofwisseling en voor de huid. Dat weet ik pas sinds gisteren. Misschien doet kweek in de bodem ook wel dingen die de bodem gezond maakt. Geneest het niet alleen mijn huid, maar ook de huid van onze planeet, de bodem onder mijn voeten. En dan trek ik het er zomaar uit.
In de permacultuur probeert men funkties te achterhalen, van de plant die er groeit. En dan ruil je die plant voor een andere, die dezelfde rol speelt, maar nóg meer funkties heeft. Een plant waar je ook nog goed van kan eten. Of mandjes van kan vlechten. Of een windhaag van kan maken. En graag een plant die we mooier vinden dan kweek, en makkelijker te verwijderen wanneer wij dat willen. Dan halen we alle kweek weg tot het laatste halmpje, en zetten we er andere plantjes voor in de plaats. Het liefst met grote vruchten en een rijke oogst. Ik ken die verleiding om zo snel mogelijk een grote oogst binnen te halen. En er is dikwijls commerciele noodzaak. Maar wat geven we en wat nemen we?
Ook in de permacultuur zijn mensen hongerig naar kennis, naar feiten die houvast bieden in hun tuinontwerp, of boerderij. Wat is zinvol en wat niet. Je kan dingen lezen op internet of in boeken, en horen van anderen. Maar elke plek is anders, en heeft iets anders nodig. En de natuur is flink in beweging. Alles verandert in hoog tempo. Bodem, klimaat en hele ecosystemen. Wat weet ik nou eigenlijk. Zo weinig toch… Daarom kijk ik maar gewoon. Naar dat hondsdrafje. Of naar de smeerwortel of het kleine hoefblad. Wat staat het daar te doen, op die plek? Hoe ziet het er uit? De aarde geeft zelf aan wat ze nodig heeft. Ik wil daar eerst lekker lang naar kijken en luisteren. Er valt vast en zeker een hoop plezier te beleven aan dingen waar ik nog niks van weet. Misschien vraagt het land wel om iets heel anders, dan ik kan bedenken. Voor mij is het zoiets als een relatie. Pas na een tijd weet je van elkaar wat je prettig en niet prettig vindt. Dan begint er iets te groeien wat blijvend kan zijn. Op deze ontdekkingstocht is er niemand die mij werkelijk kan vertellen wat ik moet doen. Of waar ik naar moet kijken. Gelukkig maar.

Zomaar een dag

Goudsbloem, digitalis, komkommerkruid

Zeven uur. Dick gaat weg naar Eindhoven, voor een nieuwe week. Ik sta ook op. Wassen, tandenpoetsen, aankleden, ontbijten met speltbrood.

Half acht. Roemeens leren.

Negen uur. Tweede kop koffie. Mijn ochtend-oefeningen doen, extra lang want heb een beetje stijve schouder van eentonig werk van gisteren.

Kwart over tien. Paard roskammen.

Kwart voor elf. Optutten, liedje zingen bij de gitaar.

Elf uur. Kop of munt. Kop is “Permacultuurstudie over plantenfamilies”, munt is “Eerst boodschappen doen.” Het is kop.

Half twaalf. Begin is gemaakt. Nu honger. Geitenyoghurt met appel, boekweitvlokken, honing, kaneel en noten.

Kwart voor twaalf. Weer verder.

Twee uur. Even stoppen om twee boterhammen te eten.

Vier uur. Even pauze. Boodschappen doen.

Half zes. Ben er weer. Meloen eten uit Spanje. Buiten in de zon. Rammetje uit de wei gepakt, die staat nu voor mijn voeten te grazen.

Zes uur. Klavertje vier gevonden.

Half zeven. Verder met het uitzoeken van flora. Het is veel werk, wat ik wil doen. Maar wel leuk. Ik ben op een kwart nu, in het klad. En dan moet het straks nog in het net. Al die plantenfamilies en hun eigenschappen. Vlinderbloemigen, schermbloemigen, rosales, enz. enz.

Half negen. Ik stop. Eten verzamelen in de tuin.

Negen uur. Ik ga koken. Bremer scheerkool, komkommerkruid, ui, hele jonge erwtjes. Zonnebloempasta en water erdoor en boekweitvlokken. Gebakken ei erbij.

Kwart voor tien. Klaar met eten. Glaasje wijn en relaxen.

Half elf. Klaarmaken voor de nacht. Tandenpoetsen. Vier verschillende avondoefeningen doen, een kwartiertje. Doe ik elke dag. Zo blijf ik sterk en soepel.

Elf uur. Ik lig er in.

“Bloemetjes en bijtjes”


Het komkommerkruid staat nu vol op in bloei! En wie weet hoe dat laatste beestje heet? Ik denk toch dat het een vlieg is.