.
Ik ben in Middelbeers en heb mijn fiets neergezet bij het kaartenwinkeltje. Niet op slot. Hier in het dorp kan dat best. Ik geniet er nog steeds van. Ik loop naar binnen. „Heb je ook postzegels?” vraag ik aan de man. Hij is van mijn leeftijd en hij kijkt vrolijk.
“Nee, daarvoor moet je naar het postkantoortje in de Boerenbont. Woon je nog steeds in die pipowagen bij Haghorst?”
“Ja, daar zit ik nog steeds. Ik leer van alles. Zoek ook eetbare planten die hier thuishoren en in het wild overleven. Die kweek ik op in mijn tuin.”
Hij vertelt over zijn vakanties in Bali. Dat die mensen niet persé naar de supermarkt hoeven, want er is overal wel eten te vinden. “Hier is dat niet”, zegt hij spijtig. En hij praat over zijn tijd bij de scouting, lang geleden. Toen aten ze wilde spinazie. Plukten ze zo van de grond. “Mensen kijken me dan zo vreemd aan, als ik dat vertel.” zegt hij.
“Wat was dat dan voor spul?” vraag ik nieuwsgierig. Want mensen noemen al gauw iets wilde spinazie. Hij pakt een pen en een stukje papier en tekent een langwerpig blaadje. “Nou zo ongeveer”, Zegt hij en hij laat het me zien.
“Hoog?”
“Nee laag.”
“Bloemen?”
Nou dat wist hij allemaal niet meer. Het was al zo lang geleden.
“Maar het blaadje weet je nog wel! Als ik het weet dan ga ik er misschien iets mee doen.”
“Ja,” zegt hij en staart in de verte. “Als ik dit winkeltje niet had, dan deed ik misschien ook van die dingen. Maar ja,” zegt hij dan resoluut. “Het is goed, dat iedereen wat anders doet.”
Ik lach. Ja, dat denk ik ook.
“Nou dan ga ik weer, bedankt!”
“Okee, houdoe hè!”
Begin de dag met een droom
.
.
.
Het is avond. Ik heb net mijn oefeningen gedaan en mijn tanden gepoetst. Mijn nachthemd is warm van de kachel als ik hem aan doe. Dan gaat de telefoon. Het is Dick.
“Ik zou net gaan slapen.”
“O dus dan stoor ik? “
“Nee hoor, ik ga wel met de telefoon in bed liggen.”
Ik doe het licht uit en kruip onder het schapenwollen dekbed. Het is heel anders om in het donker te bellen. Wel gezellig eigenlijk.
“Ben je weer de hele dag met plantjes bezig geweest? “ vraagt Dick.
“Ja, net als gisteren. Studeren en aantekeningen maken. En nu ben ik helemaal leeg. Weet niks te vertellen. Ook geen verhaaltjes. Wat moet ik nou gaan schrijven deze week?”
“Misschien iets over je woonwagen? Daar heb je nog maar weinig over verteld.”
“Ik zou over het opstaan kunnen vertellen, en de oefeningen die ik doe.”
“Dat kan leuk zijn. En als je dan vertelt wat je denkt, terwijl je oefent.”
“Dan denk ik niks.”
“Nee, echt niet?”
“Nou ja, ik heb een ritueel. Bij de laatste oefening. Dan stel ik me voor hoe het landschap rond de minicamping eruit zou kunnen zien als we die vlaktes opnieuw zouden laten begroeien. Weer vennen zouden graven, en al de vogels en planten die dan terug komen. Hoe we daar lisdodde en mannagras kunnen oogsten. En moerasgamander. Hoe er weer schapen en koeien in de wei mogen lopen, om de vennen heen. Gewoon een bescheiden aantal en niet die massa’s die nu in de megastallen staan. Weides met bloemen erin. Overal zingende vogels. Ik stel me voor hoe het zou zijn als mensen meer met de natuur mee gingen denken, in plaats van ertegen in.”
“Dat is een goeie gedachte.” zegt Dick. “Het zou best eens kunnen, dat het werkt.”
“Vroeg of laat werkt het vast. Als we geduld hebben.”
Het is even stil. Het hout knapt in de kachel en het vogeltje dat zijn slaapplek heeft onder de dakrand, schudt zijn vleugels. Ik hoor het ritselen tegen de dunne wand. Dat doet hij wel vaker als ik aan het praten ben. Zou het een koolmees zijn of een pimpelmees? Of iets anders? Ik weet het nog steeds niet.
“Ik denk dat ik nu ook maar naar bed ga.” hoor ik dan aan de andere kant van de lijn.
“Lekker vroeg, goed idee. Welterusten Dick.”
“Welterusten Alowieke.”
.
.
Zelfgemaakte melk

Zondag. Het is ochtend, en het is koud. Maar binnen niet. Ik heb de kachel weer warm gemaakt en het bed ingeklapt. Dick heeft de eettafel uitgeklapt en het is gezellig. Het ontbijt is eenvoudig, maar we doen er lekker lang over. We praten over van alles en nog wat. Nu gaat het over melk. Ik heb iets nieuws uitgeprobeerd. „Vind je het lekker?” vraag ik aan Dick, en ik kijk hem afwachtend aan. “Ja, heerlijk!” In zijn hand heeft hij een vers kopje koffie met de allereerste zelfgemaakte havermelk. Ik glim. Het is gelukt!
Ik heb het wel eens eerder geprobeerd met zilvervliesrijst, en dan door de zeef. In het recept stond dat ik een blender moest gebruiken maar ik wil liever niet meer apparaten. Mijn keukentje is maar klein. Toch lukte het me niet om daar het heerlijke romige goedje uit te krijgen dat ik in het recept beschreven zag. Het werd een kliederboel. En ik had een hele vieze zeef. Maar een recept met havermelk heb ik nog nergens gezien. Misschien omdat het zo belachelijk eenvoudig te maken is. Er komt geen blender of staafmixer aan te pas.
Ik liet de haver weken voor mijn ontbijt, een hele nacht. Samen met een klein handje rozijnen. Lekkere dikke havervlokken, uit een mooi wit papieren zakje. Biologisch. Ik zag dat het water steeds melkeriger werd. Laat ik het eens een beetje aanstampen, dacht ik. Ik pakte mijn stenen vijzel, en tussen de bedrijven door stampte ik wat. Met plezier zag ik de vloeistof steeds witter worden. Ik goot het goedje door de zeef, en klaar was het. Ik had ineens twee lekkere dingen. Geweekte haver met rozijnen, lekker door het fruit. En ik had melk voor in ons kopje koffie, zoet van de rozijnen.
Maandag. Dick is weer weg. De pot met vlokken is leeg. In de buurt is geen biologische kruidenier. Dus ik heb havervlokken gekocht bij de Emté, in Diessen.
“Hahne” staat erop. Maar twee-en-veertig eurocent voor een heel pakje vol. Verbazingwekkend, zo goedkoop. Ik maak het open. Het zijn kleine vlokjes, veel kleiner en stoffiger dan die van gisteren. Ik doe het in een kom met water en laat het staan. Stampen hoeft niet, dit is al bijna tot stof gestampt voordat het verpakt werd.
De volgende dag is het een dikke prut geworden. Ik druk de zeef erin en lepel de melk uit de zeef. Zo wordt die zeef niet zo vies als wanneer ik het papje erin gooi. De melk is wel romig, maar lang niet zo mooi als die van gisteren. De prut die overblijft in de kom, ziet er ook niet aantrekkelijk uit. Het lijkt wel papier maché. Voorzichtig proef ik en het smaakt ook zo. Ook de melk heeft een beetje een kartonsmaak.
Dit zal ik maar niemand voorschotelen. Ik ga maar eens uitkijken naar een vijf kilozak, met lekkere biologische havervlokken. Het liefst rechtstreeks van de graanpletterij.
Ik wist niet dat ik het zo leuk zou vinden om zo te experimenteren met voedsel en het vrienden te laten proeven. Al ben ik bijna negenenveertig, ik ontdek steeds nieuwe dingen.
Toch maar klein houden

De zon schijnt. Eindelijk worden we overgoten met licht, na die lange donkere dagen. De wind is guur, maar daar maal ik niet om. Het is een mooie dag om aan de slag te gaan. Ik sta bij de kleine boomgaard. Er staan achttien fruitbomen. Die heeft de beheerder geplant, Ton. Al dertig jaar geleden. Onder de bomen is gras. Het is keurig kortgehouden. Dat is het makkelijkste in onderhoud. En er is véél onderhoud. Weelderige ondergroei van kruiden en bloemen is er daarom nooit gekomen.
Maar nu mag ik iets gaan doen met die boomspiegels. Ik ben blij met dat vertrouwen en neem de tijd om over het idee na te denken. Waar ik rekening mee moet houden, is dat de grasmaaier er vlot tussendoor kan. Een-meter-tien moet er over blijven. Ton maait in stroken. Stroken in de lengte en stroken in de breedte, als een ruitjespatroon. In gedachten zie ik nog maar heel weinig gras. Alleen drie lange paden zijn overgebleven. Precies groot genoeg voor zijn maaiende racewagen. Onder de bomenrijen is alles begroeid. In de lange bedden zie ik de roze damastbloem, dezelfde die in mijn tuin staat. Het donkergroene blad is vrij groot en het bedekt de bodem rond de stam. De bloem kan je eten. Langs de randen van het perk staan muntplanten en andere kruiden. Ik kan het makkelijk plukken, zo pal naast het pad van gras.
Ik zie het haarscherp voor me. Dan vervliegt het visioen. Zover is het nog lang niet. Hoe ga ik dat doen, vraag ik me af, al die meterslange bedden. Er zijn konijnen. Die graven alles ondersteboven. Als dat zo is, dan heb ik gaas nodig, véél gaas. En palen. Ook veel. Waar haal ik dat vandaan? Ik heb maar vijf meter kippegaas, en dat spul is heel erg duur.
Nee, ik ga me hier niet in verslikken. Ik laat het hele idee voor wat het is. Ik begin gewoon met één boom. Eerst een perk uitzetten. Ik pak het rolletje touw uit mijn zak en kijk om me heen of ik iets van stokjes zie. Naast de rieten schutting liggen een paar stevige rietstengels die er tussen uit zijn gevallen. Ik raap ze op. Er vlak bij vind ik een ijzeren staafje, waarmee ik gaatjes kan prikken. Mooi zo. Nu heb ik alles. Netjes zet ik een vierkant uit en begin langs het touw met spitten. Zorgvuldig draai ik de grote kluiten gras om, zodat geen enkel sprietje er meer bovenuit steekt, en elke worm die ik zie, dek ik weer netjes onder. Ik kom maar één klein mierennestje tegen, en probeer ze zoveel mogelijk te sparen. Dan is de boomspiegel af. De bloemen komen later, laat eerst het gras maar doodgaan, daar onder die kluiten.
Het is een dag later. Ik zit in de zon aan tafel en drink een kop kruidenthee. Terwijl ik naar buiten kijk denk ik aan mijn werk van gisteren. Ik ben blij dat ik het zo klein heb gehouden. Hoewel we hier op dit moment met drie mensen zijn, ben ik de enige die tuiniert. Zolang dat zo is ga ik geen grote lappen grond omspitten. Zo is het, en niet anders.
De thee is op. Ik zet mijn glas op het aanrecht en pak mijn aantekeningen uit de kast. Verder met het boekje. Dat is nog een heel project.
Liefdesgedicht
.
.
De Dieze stroomt als stroop zo traag
het enige wat zich roert
Zijn oever is een natte kraag
die kronkelend naar nergens voert
Het bos droomt roerloos
houdt zich stil
Geen zaad geen kalf
wat springen wil
Mijn neus is als een rode roos
mijn handen zij zo wit en kil
Zacht rust het leven in de aarde
Diep verzonken in zichzelf
Het water waar ‘k zo graag naar staarde
weerkaatst het draaiende hemelgewelf
Luisterend keer ik weerom
een bries blaast zacht en loom
veegt resoluut de hemelkom
van alle grauwe grijsheid schoon
Zacht rust het leven in de aarde
Diep verzonken in zichzelf
Het water waar ‘k zo graag naar staarde
weerkaatst het draaiende hemelgewelf
Ik zie de mist langs gouden baan
en koester me in ’t licht
Zolang als de zon maar op blijft gaan
dan leef ik in een lief gedicht
Alles gaat en komt weerom
al roep ik zacht of luid
De nacht veegt als een reuzengom
De oevers in de mist weer uit
Zacht rust het leven in de aarde
Diep verzonken in zichzelf
Het water waar ‘k zo graag naar staarde
weerkaatst het draaiende hemelgewelf
.
Beluister het lied hier.
Een plechtig moment
.

Ik ben in Rotterdam. We staan in schooltuin “de Enk”, waar ik zojuist mijn laatste blok permacultuur* heb gehad. Ik ga eerder weg. Ik heb nog een lange reis voor de boeg en ben niet lekker. Ik trek mijn rugzak wat vaster aan en kijk naar een plantenbed, vol lage planten en hogere struiken. Er is veel groen, al is het januari.
Het is niet voor niets dat ik nog niet weg ben. Het laatste plechtige moment moet nog komen. Daarna is de lange cursus klaar en afgelopen. Dat is wennen. Het hoort er zo langzamerhand bij. Elke maand mijn kachel koud achterlaten, om twee intensieve studiedagen mee te maken.
Frans-Jan komt aanlopen. “O, je bent er gelukkig nog niet tussenuit geknepen,” lacht hij. Hij heeft een vel in de hand, lichtgeel met glimmende letters erop. Het certificaat. Vragend kijkt hij me aan. „Welke achternaam zal ik er op zetten?” Ik noem mijn naam en Frans-Jan verdwijnt weer naar binnen. Even later komt hij terug, vergezeld door Linder, de andere docent. Ze strekken hun rug en er verschijnt een plechtige glimlach op hun gelaat. De zon schijnt op hun wangen. Hoewel ik weinig waarde hecht aan papieren, geniet ik van de glans van het moment. “Nu kunnen we je als eerste het certificaat overhandigen.” zegt Frans-Jan. “Jammer dat de rest er nu niet bij is, “ hij kijkt even opzij, naar het kleine gebouwtje. Daar binnen is iedereen nog druk aan het werk. Hij zwijgt even, om de woorden die volgen nog plechtiger te laten klinken. Beide docenten kijken me aan. “Bedankt voor je borrelende aanwezigheid.” zegt Frans-Jan uiteindelijk, ”Je hebt je eigenheid goed weten te bewaren.” Ik ben blij met die pluim en lach ze allebei toe.
Het was geen makkelijke cursus. Vaak was het een worsteling, om steeds weer mijn eigen weg te vinden in een vast schema van lessen en opdrachten. Maar het is gelukt! Het stoeien met beperkingen heeft mijn creativiteit aangewakkerd. Nu mag ik trots zijn op een rijke oogst. De map met originelen laat ik achter. Alles. Opdrachten, waarnemingen, ontwerpen. Een kleurrijke bron van inspiratie, vol tekeningen en handgeschreven tekstjes. Om te gebruiken in de lessen. Om te laten zien. Misschien kan ik zo nog eens iets betekenen voor iemand. En zo laat ik weer een zaadbom achter. Wie weet komt er een dag dat die precies op zijn plek valt.
* Permacultuur: http://www.permacultuurnederland.org/
Ontdekkingstocht
.
Sinds mijn besluit om hier te blijven, kijk ik met andere ogen. Als ik wandel, sla ik weggetjes in die ik voorheen het bewandelen niet waard vond.
De zon schijnt tussen een paar mottige buien door. Ik ga gauw naar buiten en loop over het fietspad, langs de smalle asfaltweg. Achter een regelmatige rij zomereiken zie ik uitgestrekte hectares boerenland. Saai, kaal, monotoon. Maar hier vlakbij is wel een weggetje dat er dwars doorheen loopt. Ik sla af, mijn wandelschoenen zakken in de zwarte blubber. De randen van het pad zijn begroeid en minder nat. Daar ga ik lopen. Nu ik veilig en droog loop, kijk ik om me heen. Waar dit jaar aardappels en mais groeide, is nu grasland. De vorige winter was lang, koud en winderig en de akkers lagen er maandenlang kaal en naakt bij. De hele bovenlaag is weggewaaid.
Ik zie een kale bremstruik langs het pad, ernaast staan stronken met zwammen eraan. Ook in hier gebeurt wel wat, als je langs de randen van het eentonige weiland kijkt. En er zit nog veel meer, onder het gras en onder de modder.
Er komt een gedachte bij me op. Misschien vind ik dit land wel spannender dan Roemenië, waar alles al is, vol en uitbundig. Hier sluimert het zaad nog diep onder de grond. Het lijken dooie akkers, maar daaronder zit het bomvol. Duizenden, miljoenen zaden liggen daar. Tientallen jaren kan het duren, tot het een kans krijgt. Of het komt aanwaaien van elders. Dat is het land dat wacht, het land dat het in wezen is. Hoe zou het er uit gaan zien? Ik ben eigenlijk wel erg nieuwsgierig. Er kan elk moment weer iets bovenkomen, iets wat echt en oorspronkelijk is.
Terwijl ik dit alles overdenk kom ik aan het einde van het pad. Er staat een kleine, wat oudere man in de berm. Hij heeft een grazend paardje aan een touw. “ Gaat u hem lang uitlaten? “ vraag ik. “ Nee, even maar”, zegt hij. Hij is een wandelingetje aan het maken en ’t peerdje kon best mee, vond hij. Hij beestje is al twee-en-twintig. Wel oud, maar hij houdt er niet van om dieren naar de slager te brengen. “Als je een dier hebt, dan zorg je er goed voor.” Ik knik. “Heb je al ver gelopen?” vraagt hij dan. Ik vertel dat ik van d’n Bobbel kom, over het weiland heen. De camping ja, die weet hij wel. “Daar is vast ook wel iets te eten.” zegt hij. Ik vind het grappig dat hij dat zegt. De meeste mensen hebben het niet gelijk over eten.
Ik vertel dat ik gek ben op brandneteltoppen. Ik eet ze wel vier keer per week, door de groente heen. “Echt? Vraagt hij verrast, eet je die? Dan ben je vast wel heel gezond.” Ik knik blij. “Er zijn zoveel planten die je kan eten,” zeg ik, “Ik ontdek er steeds meer. Lisdodde kan je ook eten, het zaad, de wortels, en de stengel smaakt naar mais. Het is hier nat genoeg, dus we hoeven vast niet te verhongeren.”
De man kijkt voor zich uit en zegt: “ Nou, dat eet ik dan veel liever, Alles is tegenwoordig zo vét! Ik begin er steeds meer van te walgen. Ik heb suikerziekte.” Hij vertelt dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer mag doen omdat hij slechter is gaan zien. “Door de suiker”, zegt hij balend en begint over wat anders.
Hij is een van velen. Ik luister en ontdek. Het is niet alleen het zaad in de bodem, dat zijn kans afwacht. Ons lichaam vertelt het ook. Het mijne, het zijne. Een andere wereld sluimert om het hoekje.
Een langzaam rijpend besluit
.

`Zwanenbloem´ schrijf ik op, met zulke kleine lettertjes dat het er tussen past zonder dat het slordig wordt. `In en bij zoet water. Wortelstok schillen, koken en opeten.´ Ik heb nog nooit van een zwanenbloem gehoord. Op het plaatje zie ik een mooi blommeke, zonde om op te eten. Van de duivekervelfamilie, staat er. Ik wist ook niet dat er een duivekervelfamilie bestond. Nu wel. De bloem kan er nog net bij, in mijn boekje. Het is een tekening van nog geen vierkante centimeter en toch staat alles er op. Groene lange blaadjes en een roze bloem. Mijn tafel ligt vol kleurpotloden, papier en plantenboeken. Ik ben al wekenlang bezig…
Alles wat ik heb bedacht aan plannen en ideeën, is voorlopig in de kast gezet. Transylvanië en reisplannen komen vast wel weer terug. Maar nu zijn ze ver weg. Ik werk. Ik werk aan één enkel ding. Het boekje over plantenfamilies in Nederland. Ik bekijk en bewonder ze en zoek uit wat ze doen en wat we ermee kunnen.
Er zijn boeken over wilde planten. Ik heb er eentje. Een prachtig modern boek waarin ik alle families kan vinden, met tekeningen er bij. Van hemelbomen tot kardinaalsmutsen, van bosliefjes tot addertongen. Het staat er in. Als ze maar inheems zijn.
Er zijn ook boeken om Europese flora te determineren. Die zijn vast nog dikker. Maar die heb ik nog niet. Ik begin klein. Gewoon in Nederland.
Ik sla het boek open en bekijk de plaatjes. Ik kan lezen waar ze groeien of bloeien en hoe groot en hoeveel. Maar er staat niet wat de plant kan doen, wat hij doet voor ons, voor de aarde, voor andere planten en de bodem.
Als het gaat over planten waar we wat aan hebben, dan gaat het meestal over voedsel en voedsel verbouwen. Dat zijn moestuin- en tuinbouwboeken. Wat als voedsel op tafel komt, is vaak al eeuwenlang door geweekt, eerst door selectie en later door planten met elkaar te kruisen.
Toch, alle planten die wij eten zijn ooit wild geweest. En nog steeds hebben ze wilde familieleden, die nog altijd in berm of bosrand zijn te vinden. Ik ben daar nieuwsgierig naar. Ik weet niet of ik er de tijd voor kan blijven nemen, zoals nu. Ik zou ze graag verenigen in mijn boek, ik wil ze zien en van ze leren. Ik wil ze uittekenen en proeven en ruiken. De doperwt, de olifantboon en de hokjespeul. De slangenkalebas en de heggerank. Alles één voor één. Ik wil hun bewegingen volgen met de toewijding van een moeder. Een moeder van het kleine, dat groeien wil. Ik zal ze bewonderen en uittekenen. Mijn pen zal het papier strelen met hun vormen. Ik zal over ze zingen en vertellen. Of het een boek wordt, een lied of een schilderij, hier ben ik en ik kan niet anders.
.
.
.
Wiekie´s koffie
Soms is het alsof ik iets voor de eerste keer echt zie. Op een dag pak ik voor de zoveel duizendste keer een filterzakje voor de koffie. Ze liggen op het bovenste plankje, boven het aanrecht. Ik zie nog net drie bruine puntjes tussen twee glazen potten uitsteken, waar mijn voorraden in zitten. Drie nog maar. Dat is niet veel. Ik wil een pen uit de kast halen om het erbij te schrijven op het lijstje bij de kalender. Maar ik doe het niet. Ik kijk nog eens naar de drie papiertjes op mijn plank. Waarom heb ik die dingen eigenlijk nodig. Waarom gebruik ik ze eigenlijk al zoveel jaren. Er zijn vast zat andere manieren om koffie te zetten.
Ik kan perculatorkoffie zetten. Of Turkse koffie. Dan heb ik geen filterzakjes nodig. Maar juist de vetten die in de koffiebonen zitten zijn niet gezond. Gefilterde koffie is daarentegen helemaal niet verkeerd. Prima voor oude mensen om de dag mee te beginnen, las ik op de wetenschapspagina van een NRC. Nou ben ik nog lang niet oud, maar dit kopje koffie in de ochtend, daar word ik wel blij van.
Ik pak geen filterzakje, beslis ik. Ik doe het anders. Ik heb nog een lekker zacht lapje, van wat ooit een dik flanellen laken is geweest. Het is nog helemaal wit, als ik het erin leg. Nu de koffie malen. Ik doe de bonen in mijn oude elektrische molen, uit de jaren vijftig. Met mijn handen op het deksel negeer ik de herrie en ik voel hoe ze worden verpulverd. Ik tel tot dertig en laat weer los. Dit gaat weer een lekker bakkie worden. Het water kookt
. Ik pak de koffie en doe het in de filter. Ik giet het water erin en zie een dun bruin stroompje in mijn glas sijpelen. Even later is de geitenmelk ook warm en ik schenk het er bij. Ik verheug me op het moment dat steeds dichter bij komt. Nu nog een klein schepje suiker en een klein lepeltje honing, even roeren en dan is het klaar. De beloning. Mijn eigen bakkie troost.
Een onbetaalbaar boekje

De ene na de andere dag gaat voorbij. Ik teken en schrijf. De lage winterzon schijnt en een heerlijk licht valt naar binnen. Op mijn helderwitte tafel liggen allerlei verschillende boeken, over planten en plantenverhalen. Ook kleurpotloden. En een klein vierkant boekje. Niet te kopiëren en onbetaalbaar. De ene na de andere bladzijde is vol getekend met fijne kleine plaatjes en tekst ernaast. Bloemen, planten en soms ook landschappen. Ik ben de schepper ervan. Al die plantjes bestaan in het echt, stuk voor stuk. Maar de landschappen verzin ik erbij. Op sommige bladzijden schrijf ik kleine verhaaltjes of ik zoek een gedicht wat ik mooi vind.
Nog nooit heb ik zo intens heb kunnen werken aan zoveel tekeningen achter elkaar. Ik word er stil van. Er bestaat niks anders meer dan de lijn, de kleuren en mijn pen. Ik voel me bijna als een non in de middeleeuwen. Ik kijk nog even naar het heidelandschap, wat ik zojuist heb getekend. Het is mooi geworden en ook lief en grappig. Het leukste zijn de twee bosmuisjes met hun grote ronde oren. Je ziet ze pas als je heel goed kijkt. Ik ben tevreden.
Ik leg het paarse kleurpotlood opzij, ontspan mijn schouders en kijk uit het raam. Vlak voor de deur heb ik een afhaal gemaakt voor mijn vliegende vriendjes. Er liggen zonnebloempitten op een houten kistje. Pimpelmezen en koolmezen vliegen razendsnel af en aan, pikken een zaadje, en zijn weer foetsjie. Op een tak, met het zaadje tussen hun pootjes pikken ze het lekkerste er uit. Ik moet lachen, als een brutaal fel pimpelmeesje het plekje verdedigt en alle anderen wegjaagt. Even maar. Dan vliegt ook hij weer weg. Eten is toch belangrijker dan vechten.
Ik ga ook iets eten. Straks weer verder.
Het is avond en donker. Ik ben moe maar ga toch door. De kardoen waar ik aan werk is weerspannig en komt niet gaarne op het papier. Past eigenlijk wel bij zo n grote stekelplant, denk ik en ik glimlach als een boer met kiespijn. Mijn tekening is veel te donker geworden en veel te druk. Ik pak de typex en gebruik het om er weer licht in te brengen. Heel voorzichtig stip ik hier en daar een plekje aan. Ik kijk opnieuw. Het is goed. Een weerbarstige stekelige tekening. Niet lief en speels zoals het heidelandschap, maar ruig en opstandig. Het is precies zoals het moet zijn, bedenk ik, een echte stekelige kardoen. Een beetje verbaasd kijk ik naar mijn eigen schepping. Ik had nooit gedacht dat er toch iets moois uit zou komen. Maar voor vandaag is het genoeg. Tijd om te gaan slapen. Ik leg alle boeken en potloden in de kast en maak mijn bed op voor de nacht.






