Scheppen

.

Het lage land van het Noorden (eigen werk)

.

Kan een schilderij op tegen de ongelooflijke magie van de werkelijkheid? Ik schilder weer, drie dagen op de kunstacademie.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Nog steeds vind ik het een enorme luxe. Dagen die zich uitstrekken en ik mag kiezen. In de winter slaap ik uit en in de zomer zijn de dagen lang. Het land lokt mijn groene vingers, een tijdloos gebeuren. Er groeien bomen en struiken, en hun silhouetten steken af tegen de blauwe lucht van deze warme zomerdag. Het blad beweegt in de wind. Overige akkers hebben hun tweede snede gehad, het enige wat daar beweegt zijn de laatste trekkers die wegrijden. Een zwerm spreeuwen vliegt op en strijkt neer, steeds opnieuw. Net als ik. Opvliegen en neerstrijken.
Als ik in de vroegte over het Verhalenpad loop, verwonder ik me over de prachtige hoekjes die er ontstaan. De witte berkenbast van de koningsboom, de grootste, precies in het midden van de bult. De paarse kattestaart erachter. De kaardebollen zijn nog in knop. Verbaasd kijk ik naar de contouren van de toppen die afsteken tegen de violetblauwe hemel. Het puntige blad dat naar twee kanten uitsteekt, met drie bloemen op steeltjes in het midden. Het is als een Venetiaanse gondel met drie dansende draakjes erin.
En dit heb ik allemaal geplant, gezaaid en uitgezet. Het groeit en groeit en het wordt mooier dan het mooiste schilderij. Het verandert met de dag en zonder dat ik erbij ben. Steeds meer komt erbij, en soms verdwijnt er iets. Ik krijg er nooit genoeg van. Waarom zou je schilderen als de werkelijkheid onovertreffelijk is? En je dit ook nog eens zelf kan scheppen? Waarom dan niet veel meer scheppen met vuile handen?

Toch ben ik weer gaan schilderen. Opnieuw ben ik in de kunstacademie in Leeuwarden. Drie lange dagen. Ik was vergeten hoe het is om de hele dag les te krijgen, en om steeds te moeten schakelen in een ritme dat een ander aangeeft. Maar ik doe het. Ik schilder. Het begint moeizaam, dat ken ik goed. Zo is het altijd met mijn beste werk. Het is de kunst om niet af te haken, maar concentratie op te bouwen. Als de docent me er voor de derde keer uithaalt om iets te vertellen, zeg ik dat ik daar moeite mee heb. De anderen zijn al veel verder, ik kom er maar niet in. Ik krijg toestemming om door te schilderen, terwijl ik luister. Dan is het weer een hele poos doodstil. Alleen het ademen van een slapende hond doorbreekt de stilte, als het bewegen van de zee. De concentratie stijgt. Het werk wordt goed! Langzaam kom ik in de ban, een gepassioneerde gloed waarin de laatste kwaststreken op het paneel belanden.
Precies zo zou ik hoekjes uit het Verhalenpad kunnen schilderen. Maar tegelijkertijd vraag ik me af waarom. De werkelijkheid is immers nog veel magischer. Doe ik er niet beter aan om al mijn tijd te stoppen in planten en scheppen van deze levende wereld? Nee, toch niet. Want het schilderen brengt het Verhalenpad verder dan hier. Het brengt me bij mensen, het maakt dat ik de beelden kan delen die ik zie. Al schilderend vertel ik wat woorden niet kunnen. Ik kijk naar de anderen, en zo groeit gezamenlijkheid. Kleine ergernissen verschrompelen bij de warmte van dit gebeuren. Soms heeft de één een dip, dan de ander. Ik kijk bij de anderen en ik geniet ervan om te praten over wat we doen. Het zweten en de inspanning, het enthousiasme als iets lukt. Een levend schilderij is niet te evenaren. Maar het scheppingsproces van eigen handen heeft ook een eigen magie. En dan, naast mij, de ander, net zo hard bezig met haar eigen werk als ik met het mijne. Ik weet dat ik terug kom, de kunstacademie in Leeuwarden. Al is het een heel eind fietsen.

.

.

Bezoek

Wat een verrassingen deze week!

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Vanuit de verte gezien zijn er twee bosjes in het Friese weidelandschap hier, vanaf ver te zien, een groter en een kleiner bosje. In het grote wonen de anderen. En daar staat de boerderij. In het kleine bosje woon ik.Vaak heb ik het me voorgesteld. Hoe er voor mijn woonwagen een paar kleintjes zouden komen. Kleine woonwagentjes, lief en helemaal in harmonie met de bomen, de bloemen en het veld. Net als de mijne. En dat we met elkaar een dorpje zouden vormen. Mensen met wie ik kan lezen en schrijven en deuren kan openen naar een andere tijd. Maanden gingen voorbij, terwijl ik werkte aan de biodiversiteit. Er kwamen busjes over de weg, en ook heel veel auto’s, luxe caravans en een tiny house van vier meter hoog. Ik dacht dat ze nooit zouden komen.

Maar deze week kwamen ze. De kleine woonwagens, echt heel erg klein. Ze noemen ze fietscaravans. “Heb je ze al gezien” zei mijn buurman “Ze staan bij jou op het veld!” Ik liet de tak los, die ik wilde afknippen, stopte de snoeischaar in mijn fietstas en ging er gauw naar toe. Ze hadden zich al aangekondigd, via de mail. En daar staan ze nu. De twee fietscaravans met fietsen ernaast. Vrolijke jonge gezichten begroeten me. Net als ik, toen ik op reis ging, hebben ze hun huis achtergelaten, toen ze weggingen. De huur is opgezegd. Dit is alles wat ze hebben. Ik laat ze mijn kas zien, daar mogen ze gebruik van maken. Er staat een tafel in, twee luie stoelen en een bureaustoel. Nu gaan ze daar hun gang. Ik heb het gevoel alsof ze hier al heel lang zijn. Maar straks gaan ze ook weer weg. Een droom komt zelden in één keer uit. Het groeit als bloemen. Eerst is er eentje. Dan komen er meer.

Gaandeweg wordt duidelijk wat het betekent, wanneer iemand echt aanwezig is, zoals zij. Het is wezenlijk anders, dan wanneer mensen alleen maar op vakantie zijn. Anders ook dan bewoners, hier op de boerderij, die elk met hun eigen dingen bezig zijn.
We hebben het over thema’s die we gemeen hebben. Hoe het is om je los te maken van de snelle wereld. Wanneer je onderweg bent, je bezit niet groter dan wat je bij je hebt, lijkt de wereld een mallemolen. Jij staat stil in het midden, als in het oog van een orkaan en alles raast langs je heen. Mensen zijn druk om zich te verplaatsen van hier naar daar en jij hoeft niks. Je bent wie je bent, en waar je bent, zonder gedoe of franje. Hoe klein ben je dan! Dat kan een diep gevoel van eenzaamheid geven.
De eenzaamheid is nu vervlogen, nu wij samen op dit veldje staan. De snelweg raast door zonder ons, de vogels fluiten terwijl wij praten. Ze gaan ook weer verder, precies wanneer ze zin hebben. Ik heb gezegd dat ze terug mogen komen wanneer ze willen.
Ook zij bouwden hun ding helemaal zelf. Ze weten nu hoe het is, onderweg zijn met iets dat zo bijzonder is en helemaal van jezelf. De twee superkleine minihuisjes zijn op dezelfde wijze gebouwd, de ene is blauw, de andere groen met roze. Het is het model van een schaftkeet, met een halfrond dak en rechte wanden. In de deurtjes zitten raampjes als een halve maan en er hangt een kleurig gordijntje voor. Binnen zijn een paar ondiepe kastjes, en een bed. Er is een constructie om een tafeltje te maken. Alles wat je nodig hebt is er. Onderweg zijn met zoiets, trekt ogen. Iedereen komt naar je toe. Ze hadden niet gedacht dat dat zoveel energie zou kosten, al die kijkers die steeds dezelfde vragen stellen. Maar toch is het goed. Mensen helpen herinneren hoe het ook anders kan. Veel mensen in Vinex wijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben. Hoe kijken zij hiernaar? Een leven met zo weinig spullen? Wie van hen kan het zich voorstellen, dezelfde stap te maken? Het is moedig, om zo vol vertrouwen te zijn. De overtuiging te hebben dat je op de juiste tijd een plek vindt waar je weer kan landen. Ik weet niet hoelang ze blijven. Dat maakt niet uit. Ik ben blij met ze.

Nieuws: Wat een ondersteuning heb ik gekregen! Het is een hart onder de riem. In een paar dagen tijd is het aantal aanmeldingen voor mijn boek gegroeid van vijftien naar vijftig! Dat betekent een veel voor me. Het geeft me energie om door te gaan. Dus iedereen die zich aanmeldde: Heel hartelijk dank. En er is nog iets om blij mee te zijn.
Inmiddels heb ik eindelijk ook mijn eerste uitgever gesproken van mijn eerste boek. Ik kon hem maar steeds niet bereiken, en was dus maar naar een ander gegaan. Maar nu was hij er weer. Hij kwam net uit de lappenmand en heeft voorlopig geen tijd. Maar we hebben afgesproken dat we in november of december bij elkaar komen. Helemaal passend bij het thema: “De heilige traagheid der dingen”. Het duurt even, maar het komt! Ondertussen zie ik genoeg passages die nog beter kunnen. Dus ik werk er met veel plezier aan door, als ik dan toch de tijd heb. Dit geeft me echt een goed gevoel. Dat jullie van je hebben laten horen, als potientiële lezers en dat mijn oude trouwe uitgever weer bij positieven is. Super!

.

Steun voor het nieuwe boek

Als er genoeg mensen zijn, dan komt het er.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Ik had eigenlijk een ander verhaal klaar liggen, maar ik schrijf nu dit, omdat dit me nu bezighoudt. Het boek is af: “De heilige traagheid der dingen”. De eerste uitgever heeft het gelezen. Ze vindt het goed en zinvol. Maar toch doet ze het niet. Ik moet namelijk een netwerk meenemen van geïnteresseerden. Zonder netwerk is het uitgeven van een boek te riskant. Want wie gaat het kopen? Er zijn zóveel boeken! Sommigen hebben een bedrijf, een klantenkring. Dat helpt een hoop. Een bedrijf met een uitgebreid netwerk, dat had ik vroeger, maar nu niet meer. Ik ben nog steeds nieuw in Friesland. Ik hoopte dat ik via mijn blog en het Rijdende Verhalenhuis een netwerk zou opbouwen. Het netwerk dat ik heb opgebouwd blijkt magerder dan ik hoopte. Filmbeelden van de wagen en de reis waren populair op internet. Maar de verkoop van het boek loopt echter een stuk trager. Het druppelt gestaag door, dat wel. Maar hard gaat het niet. Hoewel ik van lezers toch alleen maar positieve geluiden hoor.

Het is ook een moeilijke tijd voor uitgevers, daar ben ik me van bewust. Zeker met het nieuwe BTW tarief. Dus het netwerk van geïnteresseerden dat de schrijver meeneemt, is nog belangrijker geworden voor de uitgeverij. Het eerste boek, “Langs kantelende wegen” was bovendien een verhaal dat echt opviel, de wagen, het avontuur… Dit tweede, “De heilige traagheid der dingen” is niet zo vanzelfsprekend. Het vraagt om extra inzet om het in het spotlicht te krijgen.

Meestal wacht je tot een boek er is, en dan koop je het. Maar mijn boek komt er pas als er genoeg mensen in geïnteresseerd zijn. Op mijn blog heb ik een pagina voor de inschrijving. Als je je daarop meldt, dan kan ik een lijst maken van mensen die meedoen. Dan kan ik dat laten zien aan de uitgever. Hoe meer het groeit, hoe groter de kans dat het boek er ook echt komt, en voor breder publiek beschikbaar is. Wil je het steunen? Ik ben er blij mee.

Dit is de link naar de inschrijving:

.

En dit is de knop voor de luisterversie van dit korte verhaal, met muziek en al:

Doorgaan in een omgekeerde wereld

Samenstelling van symbolen: Aarde, het groeien, de hemel. Je vindt dit bovenin de nok van mijn huis. In zijn geheel straalt het blijmoedige volharding uit.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik niks hoef, deze lente. De grond is vochtig en de bomen doen het goed. Het Verhalenpad zit vol met dieren. Als ik aan kom lopen vliegen er bijna altijd twee houtduiven weg. Ze scharrelen bij de drogende grashalmen op de grond. Ik maaide het met de zeis. In dikke bossen liggen ze daar, nog altijd. Langzaam slinken ze, door wind, regen en zon en het zaad dat eraan zat verdwijnt in de vogelmagen. Later op de dag, om twaalf uur, komen de mussen. Die komen vooral voor hun zandbad, in de losse grond onder de struiken. Ze maken kuiltjes in de grond, met hun vleugels. Van mij mogen ze. Ondertussen graaft de mol tussen de lila bladramanas en de wilgenroosjes haar gangen. De bloemen bloeien nog net zo hard, al worden de blaadjes wel wat geel van al dat gegraaf. Het wilgenroosje heeft er daarentegen geen last van. Het kan best dat de mol daar dieper onderdoor duikt, want hij kan wel tot twee meter komen, in hogere gebieden dan hier. Het is ook een goed teken, zo’n mol. Er zitten dus veel wormen in de grond. Een mol in je tuin is dus eigenlijk een compliment. Veel “rommel” in je tuin zorgt daarvoor. Maaisel niet opruimen maar laten liggen. Het snoeihout niet verbranden, maar teruggeven aan de bodem. Ook andere dieren komen daar op af. Net als iedereen heb ik ook naaktslakken. Die lust de mol ook. Ik laat hem dus lekker zijn gang gaan. Ik mag me gelukkig prijzen, met al die medewerkers. En er zijn meer eters. In de berke- en wilgebomen zitten rupsjes. Die eten alle blaadjes op. Het geeft niet, er komen vanzelf weer nieuwe. Maar soms komt er een familie pimpelmezen, om ze op te eten. De mol maakt de grond los, de mezen eten de rupsen. Er gebeurt van alles, ook buiten mijn aanwezigheid. Een gemeenschap, en alles werkt samen.

Dus ik kan het me permitteren om een tijdje lui te zijn en lig bij m’n vriend op de bank. Wat een luxe is dat. Ik denk aan al die mensen met overvolle agenda’s. Of landen waar het oorlog is en waar je nooit rustig een middagdutje kan doen. Ik denk aan defensie, waar nu meer geld naartoe moet. De energieslurpende verdediging van ons continent, Europa, ten koste van de aarde. Wat hield ons bezig? Het klimaat. Verontreiniging van water en bodem. Er moest meer natuur komen. Dat alles is nu niet belangrijk meer. “We moeten voor onszelf gaan zorgen” zeggen ze. Ik dacht dat dat over voedsel ging, en kringlooplandbouw. Streekvoeding voor levensonderhoud. Maar nee, voor jezelf zorgen betekent in eerste plaats dat je jezelf kan verdedigen. Dat er wapens zijn en een leger. Terwijl oorlog juist overal ter wereld voor voedselproblemen zorgt en dus het tegenovergestelde doet. Mensen kunnen niet meer voor zichzelf zorgen. Waar oorlog is, wordt het land verwoest. Mensen vluchten er weg of hebben voedselhulp nodig. Je kunt beter investeren in vrede dan in wapens.

Mijn vriend leest voor. “Mensen in vinexwijken zijn bang om kwijt te raken wat ze hebben”. Het is een artikel uit Vrij Nederland. Ook vinexmensen vinden het leger en grensbewaking het belangrijkst. Dan zullen ze zich kunnen vinden in de huidige politiek. Europa voelt zich vooral verenigd door het hebben van een gezamenlijke vijand. Dus niet door elkaar, door het water dat door onze landen stroomt naar de zee, niet door samen te zorgen voor vruchtbaar land en leven. Gelukkig zijn er nog anderen. Mensen die doorgaan met zaaien, planten en vredestichten. En vertrouwen hebben en zaden delen. Al gaat het met vallen en opstaan. Er is nog veel te doen. Maar vergeet niet om lui te zijn.

.

.

Welvaart, broederschap en beschaving

Twee jongens gaan me voor in het donker, naar de veerpont over het IJ. Een dag later, wachtend bij het stationsgebouw, word ik geraakt door een beeldhouwwerk in de gevel.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Daar zit ik dan, op mijn hurken in het gras. Ik ben er speciaal voor naar Amsterdam gegaan, dit feest. Het regent al de hele avond en alle toespraken en muziek, alle mensen die ernaar luisteren zitten eensgezind onder een grote tarp. De avond is nog niet ten einde, maar ik kom toch maar overeind. Het is tijd om terug te gaan naar het hotel. Dat is aan de andere kant van het centrum en dan ook nog aan de andere kant van het IJ. Dat is nog een heel eind. Ik doe mijn regenkleding aan en pak mijn fiets. Na een paar seconden zie ik de groene broek al glimmen in het donker. Het water valt met bakken uit de lucht. Ik probeer mijn natte haar nog even tot een knotje te frummelen, zodat het niet in mijn nek druipt. Het valt steeds naar beneden. Ik laat het.
Naar de veerpont is vijf minuten fietsen. Als ik er aankom, zie ik een jongen, die in het donker onder de overkapping zit, aan tafel, met een opengeklapte laptop en een waterfles. Hij is de enige. De pont is nergens te bekennen.
“Vaart hij nog?” vraag ik.
“De laatste komt nog. Maar aan de andere kant is er nog één. Die gaat ook langer door dan deze.” Hij legt uit hoe ik er moet komen. Fietspad af, links met de bocht mee, bruggetje over.
“Okay!” zeg ik.
Er komen twee jongens aan fietsen. Grote glimmende regenjassen, hun koppen gebogen over het stuur. Ik stop en kijk wat ze gaan doen.
“Ik ga geen uur wachten”, zegt de één.
“Moeten jullie ook oversteken?” vraag ik, terwijl ik dichterbij fiets.
“Ja”, zeggen ze “Jij ook? Fiets maar met ons mee.”
We volgen het steenrode fietspad door de bosjes, langs het veldje met de liggende boomstammen. Bijna terug naar het Mandelahuisje en verder. Daar ligt de sluis met gesloten deuren. Over de sluisdeuren is een smal pad, niet breder dan de deuren zelf, met een hekje er langs. Met de fiets kan je er net overheen, maar je moet hem eerst een beetje optillen om op de sluisdeuren te komen. Onder mij klinkt het geluid van de stromende regen in het water. “Dit lijkt de middeleeuwen wel!” roept de jongen die voor me loopt. “Het heeft wel wat…”
Ik volg ze naar de veerpont. De heldere lampen verlichten een dek vol mensen. De meesten met een fiets, anderen zonder. Ik herken de vrouw naast me, met haar zoon. “Hee, Otis! Jij hebt vanavond gewonnen hè?” roep ik. Het blonde joch grijnst breed en knikt. De mensen staan geduldig te wachten. Sommigen praten met elkaar. Ik las gisteren in de krant dat er een plan ligt om een brug te maken. Dan kan de veerpont worden opgeheven. Maar de uitvoering is vreselijk ingewikkeld en de mensen willen het niet. “Hou toch op!” roepen ze. Al dat gedoe! En ze willen hun pont helemaal niet kwijt.

De veerboot vertrekt. Aan de overkant ligt het Centraal Station.

De volgende ochtend ben ik daar opnieuw, en dit keer om naar huis te gaan. Ik heb geen haast en kijk naar het prachtige stationsgebouw van onze hoofdstad. Er zijn beeldhouwwerken in gemetseld. Hele voorstellingen zijn het met een eveneens gebeeldhouwde lijst erom. Er zit gaas voor, tegen de duiven. Ik kijk naar alle afbeeldingen. Er zijn zes lijsten, en eronder staat waar ze over gaan. Drie aan de linkerkant van de ingang: Elektriciteit, Nijverheid, Stoom. Aan de rechterkant: Welvaart, broederschap, beschaving. Bij de laatste blijf ik staan. Er staan vier mensen op. Twee mannen trekken eendrachtig een visnet omhoog. Er is een vrouw, losjes en liefdevol ligt haar arm over de schouder van het kind. Met haar andere arm heeft ze een grote mand fruit vast, die balanceert op haar hoofd. Alles straalt overvloed uit en zorg voor elkaar. Dát is beschaving. Wat een prachtig beeld! Hoeveel mensen hebben hier al naar gekeken, tijdens het wachten? Het zet aan het denken. Vaak zie ik een ander begrip over beschaving, dat veel meer over technologie gaat. Ik denk aan de grote plannen voor de nieuwe brug. De zogenaamde “vooruitgang”. Alles moet sneller en makkelijker. Ik denk aan al die mensen, die zo geduldig op het dek stonden te wachten. Die helemaal geen brug hoeven. De jongens die me hielpen er te komen, over het smalle bruggetje van de sluis. Zorg voor elkaar maakt een beschaving levend. Toch is dit niet waar overheden de meeste energie in steken. Soms lijkt het wel manisch, die drang naar vernieuwing, groter, sneller en verder. Techneuten en politici zouden eens wat vaker op de fiets moeten gaan, het pontje nemen en dan naar dit prachtige beeld kijken. Maar de ontwikkelingen gaan door. Ondanks de hoge kosten en de tegenstand komt hier wellicht toch die brug, zoals overal, waar iedereen dan anoniem overheen scheurt. Waar je uit moet kijken dat je niet van de sokken wordt gereden. Terwijl het zo duidelijk is: Uiteindelijk kijken we liever naar vrolijke jongens, die rustig voor ons uit rijden, die ons lachend de weg wijzen over het smalle bruggetje van de sluis. Dàt is beschaving.

.

.

.

Het boek houdt niet van druk

Elk boek heeft zijn eigen energie. Ook “De heilige traagheid der dingen.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Na een onafgebroken tijd van blauwe luchten is het wolkendek teruggekeerd. Goddank. De felle zon wordt getemperd. Als je uit de trein vanuit Eindhoven komt, dan is de hemel boven een Friese weide een totaal andere ervaring. Zo hard is het licht. Dat komt door de schone lucht. Er is geen filter. ’s Ochtends en ’s avonds houd ik van de zon. Midden op de dag vlucht ik van haar weg. Dan verkies ik mijn koele wooncocon, met het aangename bovenlicht. Indirect licht is heerlijk om je te concentreren op het schrijfwerk.
Ik bewoon mijn huis nu zeven jaar, zorg er goed voor en dat mag van mij zo blijven.

Mijn naaste omgeving is in die zeven jaar regelmatig veranderd. Van Brabant liet ik me naar Friesland brengen, op een trailer, in 2018. De eerste negen maanden leefde ik in een beginnende ecogemeenschap, samen met mijn 350 bomen en een heleboel werk. Via via kwam ik bij deze boer terecht, aan de Swette. Ik kon meteen verder gaan met planten.

Bomen willen wortelen, en dat deden ze ook. Na de lente kwam de zomer. Ik zag ze groeien. Maar ik moest verder. Met moeite nam ik afscheid van de plek waar ik mijn thuis gevonden had en maakte me klaar om te vertrekken. Het plan was immers om een reis te maken en daar een boek over te schrijven. Wie A zegt moet ook B zeggen. Ik kon er ook niet onderuit, want ik had het aangekondigd in al mijn schrijfsels en bovendien: de televisie kwam.

Drie maanden trok ik door het Noorden van Friesland en landde in de nazomer in Rotstergaast. Opnieuw stond ik negen maanden op een plek. Het was de oprit van een vriendin. Precies de goede plek om te schrijven en de vriendin was inspirerend gezelschap. Na die negen maanden kwam het boek bij Uitgeverij Louise terecht. In nov 2020 was de boekpresentatie van “Langs kantelende wegen.” Een levendig boek, vol verrassende wendingen en ontmoetingen. Voor de boekpresentatie keerde ik terug naar de boerderij aan de Swette. Ik mocht blijven staan, met mijn huisje. Meer bomen mochten er komen op dit stukje boerenland. Inmiddels ben ik hier nu drie en een half jaar bezig, maar voor mijn gevoel is het veel en veel langer.

Mijn nieuwe boek is dan ook heel anders dan het eerste met een totaal ander tijdsgevoel: “De heilige traagheid der dingen.” Het ligt bij een uitgever. Tijdens het wachten op antwoord, laat ik het aan vijf verschillende mensen lezen. De eerste, een journaliste die ik ken van de Correspondent, zegt dat ze het inspirerend en tegelijkertijd vervreemdend vind. Hoe bedoel je, vroeg ik. Voor ze daar antwoord op geeft, leest ze eerst het boek uit. Ze is nu halverwege. De tweede leest het in de tijd dat hij niks te doen heeft. Hij heeft er plezier in en is thuis in het onderwerp. Hij is ook halverwege. De derde is druk en is het vergeten. De vierde is mijn vriend, die zich vooral stort op de stortbuien van nieuws en “De traagheid der dingen” past daar kennelijk minder goed in, want hij is nog niet verder gekomen dan hoofdstuk één. De vijfde die ik vroeg, heeft ook mijn vorige boek geredigeerd. Dat was een andere rol. Maar ook nu begon hij meteen heel actief met opmerkingen plaatsen, zonder eerst het hele boek te lezen. Dat werd hij al snel moe. Ik vermoed dan ook dat het boek van je vraagt om je te verplaatsen in het zelfde tijdsbesef als waarin het geschreven is. Als je stil bent, dagen de verbanden op, de diepere laag onder de woorden.

Het boek houdt niet van druk. Misschien moeten mensen eerst rustig worden om het te lezen en is de meerderheid er niet aan toe. Elk boek heeft zijn eigen energie. Hoe het zich openvouwt voor de verschillende lezers, dat weet niemand. Dat is de magie. Ik weet niet wanneer het zover is. Maar de publicatie komt precies op tijd. Daar ben ik van overtuigd.

Meidoornbloesem

.

.

De lente begint teder en sluierwolken verzachten het licht. Het land is nog vochtig en planten en bomen ontluiken. De eerste knoppen barsten open, terwijl de laatste vorstige nachten voorbijgaan. Sommigen zijn aarzelend, anderen enthousiast. Steeds verder openen ze zich, nu duidelijk is dat de koude winden voorbij zijn. De vele regen is geabsorbeerd door de bodem of weggespoeld in de stroom. Uitbundig groen en bloesems stralen alsof ze de bruid zijn. Weiden tot aan de horizon wuiven in de wind. En dan komt de felle zon terug, dagenlang. Een harde droge wind waait. De kleibodem begint weer te barsten, de velden zijn gemaaid. De prille lente is weer voorbij. Maar niet zonder dat ik dit gedicht heb geschreven.

De koude wind is eindelijk klaar
klaar issie met loeien
Lieve mens verbaas je maar 
hoe alles weer gaat groeien
hoe de tedere tovenaar
de meidoorns weer doet bloeien
langs de kant de ooievaar
terwijl de twee gelieven roeien 
Met bloemen in hun haar

(Deze week bij uitzondering geen geluidsopname)

Landherstel gaat stap voor stap

.

.

Landherstel is lastig. Er zijn veel meningen, en alles is anders als vroeger. Concurrentie maakt dat het snel moet en zo goedkoop mogelijk. Alleen samenwerking maakt dat we zaken stap voor stap uit kunnen werken.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is het einde van de middag. Ik heb hard gewerkt, gras, riet en brandnetels weggehaald waar het nodig was, en op andere plekken laten staan. Een smeerwortel uitgegraven en verplant, die elke keer bij het hooien om gemaaid werd. Terwijl ik naar huis fiets met vieze handen, remt op het campingpad een auto met mijn buurman erin, de Friese landschapshistoricus, gespecialiseerd in greppellandschap. Ik sta stil en hij draait het raampje open.
“Hoi. Heb je een nieuwe auto?” vraag ik. “Nee, geleend van mijn ouders. Ik moest voor mijn werk op twee plekken in Friesland zijn. We hebben gesproken over hoe we het greppellandschap kunnen herstellen. Nou, dat is niet makkelijk. Al die verschillende meningen en belangen, dat krijg je nooit bij elkaar. De ecoloog is romantisch, de boer is pragmatisch. En dan die weide, dat moet ook weer vol kruiden komen te staan. Hoe krijg je dat ooit voor elkaar, als daar decennialang kunstmest is gestrooid? Misschien dat we maar niets moeten doen.” Ik luister aandachtig terwijl hij doorpraat. “Het is bijna niet te doen om het te herstellen zoals het was. Het land is ooit met de hand geschept, en daar is heel lang over gedaan. Nu zou je dat moeten doen met een loonwerker, die er in één keer een bult bovenop gooit. Is dat hetzelfde? Nee. Dan krijg je iets heel anders.”
Wat deze jongen omhoog haalt, dat heb ik me al vaak voorgesteld. Al die mannen met spades. Hoe het was, om op je op een koude dag gewoon in het zweet te werken. Als er iets gebeuren moest, moest je daar voor je spieren gebruiken. Alles had een menselijke maat, en je kon het aanpassen aan omstandigheden. Dat is nu wel anders.
De greppelkenner fronst. “Als de BBB het voor het zeggen krijgt, dan zijn er over tien jaar nog maar een paar boeren over. Die maken het nog grootschaliger dan het is en dan hebben we pas echt een “Silent spring”. Zijn bezorgdheid is gegrond. In de provincie is de BBB de grootste partij. “Meer leefbaarheid op het platteland” is de kreet waarmee ze stemmen wonnen. Ik vraag me af hoe ze die belofte waar gaan maken.
“Er kan van alles gebeuren,” zeg ik tegen mijn buur. “Het is maar de vraag hoe het verder gaat. Als alles steeds grootschaliger wordt, zijn er juist steeds minder mensen nodig op het platteland. Dat betekent volgens mij juist veel minder leefbaarheid. Dat is het tegenovergestelde van wat ze zeggen.” Hij glimlacht ironisch. Heel even. Dan verzacht zijn blik terwijl hij naar zijn kleine huis kijkt, daar achter de dikke stam van een abeel en de bloeiende meidoorns. “Ja, we moeten maar zien. In elk geval ga ik er hier wat moois van maken. Daarvan krijg ik een goed gevoel.”

Thuis vinden we voldoening in het werk van onze handen. Grote plannen om de wereld te redden zijn voor ons als mens eerder bezwaarlijk dan dat ze iets oplossen. Want ook de zogenaamde oplossing is vaak grootschalig en snel. Natuurlijk ga je niet meer met een spade aan het werk, maar met een graafmachine. Het gaat om geld en tijd. Vele handen maken licht werk, maar met een wereld waarin het steeds meer ieder voor zich is, krijg je dat niet meer voor elkaar. Realistisch is dat je moet blijven concurreren om te overleven. Terwijl herstel, zoals het vroeger ging, veel meer om samenwerking gaat.
De wet der wederkerigheid is de enige grond waarop een beschaving kan overleven. Met dit heilige principe hebben culturen het duizenden jaren overleeft. Wat je krijgt geef je door. Wat je eet, keert als voeding terug naar de aarde, niet ondankbaar en achteloos als afval, maar als gift. Liever voeg je er nog iets aan toe, zodat het meerwaarde krijgt. Maar er is heel veel genomen. Dat heeft ons een gemakkelijk leven gegeven, waarin we over veel dingen niet meer na hoeven te denken. Grote bedrijven zorgen daarvoor. Maar van achteren kruipen de gevolgen naar ons toe. Daarover breken we nu ons hoofd. Gemak en concurrentiestrijd blijken op den duur veel te kosten. Hoe herstel je wat kapot was. Hoe maak je de wereld gezond.

Landschappen zijn ver verwijderd geraakt van wat ze ooit waren. Bloemen en kruiden verdwijnen, en er zijn te weinig insecten om ze te bestuiven. Hoe krijgen we dat ooit terug? Het zijn gang laten gaan, niets doen? Dat kan, hier en daar zou ik zeggen. Maar niet alléén.

Want aandacht maakt dat het groeit. Elke dag dat je ernaar kijkt, steek je er energie in. Dat is wat ontbreekt. Het gaat niet om de bult, die in een dag door een loonwerker wordt opgeworpen, de volle wagens die heen en weer rijden en worden leeggekiept. Dat betekent alleen maar meer van hetzelfde. Het land heeft óns nodig. Alleen liefdevolle aandacht zorgt voor herstel. Je ziet het veranderen. Inheemse planten en bijen krijgen een kans. Kruidenweiden, bomenhagen. Vele ogen en handen kunnen veel doen. Daar zijn voorbeelden van. MeerbomenNu, bijvoorbeeld. Er zijn te weinig vrijwilligers, want de vraag is groot. Twee miljoen bomen kregen een nieuwe plek. Bomen die anders gerooid waren. Ze staan nu in tuinen, langs akkers en boerderijen op het platteland, in kleine bosjes, overal komen ze terecht. Kun je zoiets ook doen met een greppellandschap? Juist door de kleinschaligheid kan het aantrekkelijk worden en uitgroeien tot iets groots.

Er is geen éénduidende oplossing. Het is steeds anders, op elk moment, op elke plek. Kleine stappen en veel meer uitwisseling zal ons verrassingen brengen waar je blij van wordt.

Aandacht voor het leven is onze enige weg terug. De heilige traagheid der dingen dient te worden gerespecteerd. Je kan dat een romantische gedachte vinden. Maar het feit is onverbiddelijk. Het is de enige manier om als mensheid op aarde te gast mogen blijven. Stap voor stap, zo kunnen we het land herstellen.

.

.

Kijk hoe de mieren het doen, al die korrels, één voor één! Geen eindeloze discussies en er komt geen trekker aan te pas.

.

Mestgepraat terwijl ik slaap

Grijnzen om de BBB terwijl ik slaperig naar de lege weide kijk.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

Het is stil en koel. Binnen brand nog steeds de kachel. De bomen die ik wilde planten zijn geplant en de boomspiegels zijn verzorgd en bedekt met blad en riet. Het zaad dat ik wilde zaaien is gezaaid en wacht op warmere tijden. Het boek dat ik maakte, ligt op het bureau bij een uitgever te wachten. En nu? Elke keer als ik een doel gehaald heb, komt er een periode van dromerige tijdloosheid. Het is heerlijk om even niets te hoeven en te willen. Ik lig op de bank van mijn vriend door het raam te kijken. Het weiland is wijd en groen. Er bloeien paardebloemen en hier en daar een pinksterbloem. Mijn vriend luistert naar een podcast over de kabinetsformatie. Ik laat het langs me heengaan. Landbouw is het grootste struikelblok. Ja, dat wisten we al. Het struikelblok dat ze veel te lang onder het bed hebben geschoven. De grote poepparade. Nu kunnen ze er niet meer omheen. Europa zegt nee. Het is genoeg geweest. Nederland heeft keer op keer een uitzonderingspositie gekregen met zijn mest. Het is afgelopen en uit. Als Nederland wil doorgaan, dan volgen er boetes. Het schijnt dat de BBB een idee heeft, om het probleem op te lossen. Ik hoor het, nu, op de radio. Ik spits nu toch even mijn oren. Wat zeggen ze? Vijftienduizend gigantische plastic zakken op de weilanden leggen en daar die miljarden liters mest in stoppen. “Is dat geen grap?” vraag ik aan mijn vriend, die het helemaal heeft gevolgd. “Nee, geen grapje. Ze menen het serieus.” Hij grijnst erbij.

Op de radio praten ze verder. Ik kijk uit over de ongerepte wei. De ruimte die er is. Als de BBB dat maar niet ontdekt! Ik zie ze al komen, al die vrachtwagens vol mest over ons smalle onverharde pad, om met hijskranen plastic zakken te vullen, zo groot als distributiecentra. Echt niet! Het is hier goed zo. Hier is de mestgeur beduidend minder, dan elders in het land. We hebben maar twee koeien. De mesthoop die wij hebben stinkt niet. Het is mooi spul, dat lang heeft liggen rijpen. Mensen komen het halen, voor hun tuin. Zo kan het ook.

Ik lig nog steeds op mijn buik uit het raam te kijken. De lucht is fris en de wind komt van zee en de wolkenlucht verandert continue. Een loodgrijze rol veegt langzaam onder witte wolkenkoppen door. Helder blauw ertussenin. Een straal zonlicht doet opeens het hele land schitteren van frisheid. De paardebloemen lichten op als duizend gouden zonnen. Ik kijk en kijk, en langzaam vallen mijn ogen dicht en mijn nek ontspant zich.

Wat een rijkdom om tijdens het kijken naar een wolkenlucht in slaap te vallen. Dat het gras mag groeien tot het gehooid wordt. Geen distributiecentra of torenhoge zakken met mest in het land. De wolken komen van zee. Ze gaan hun eigen gang, onbelemmerd door mensendingen. Ik kijk hoe ze wegdrijven. Het geluid van de radio verdwijnt op de achtergrond. Als witte droomwolk zweef ik over de aarde, raak de boomtoppen, bevochtig het blad. Langzaam zak ik in de heerlijke wereld, tussen slapen en waken.

.

Wij zijn de rivier

De Whanganui en de Swette, de Rijn en de Lek, het is de stroom die ons het leven geeft. “Wij zijn de rivier”, zeggen de Maori in Nieuw Zeeland.

.

.

Liever luisteren? Klik op de knop onderaan de tekst.

.

Het was alweer een tijd geleden, dat ik elke dag in de Swette zwom. Af en toe deed ik het nog wel eens. Maar het ritme was eruit. Op een ochtend keek ik uit het raam naar de uitkomende esdoorn, en besefte dat ik er vorig jaar veel intenser van genoot, de prille lente, de ontluikende kleuren. Hoe kan dat? Ineens wist ik het. Het was doordat ik niet meer in de Swette kom. Ik miste het, de dagelijkse dompeling. Te kijken naar het licht in de kabbelende golfjes, de weerspiegeling van de wolken. De eenden die langzaam wegzwemmen. Het water dat langs mij naar het IJsselmeer stroomt, en dan, door de vissenpoort, naar zee. Het water, nu nog ijskoud, maakt me wakker en gezond. Ik sta in de stroom en spreek mijn liefste wensen uit. Door het een tijd niet te doen, besef je pas wat het doet. Het werkt echt. Ik besta meer, mijn bloed stroomt vitaler door mijn lichaam, wanneer ik dit doe.

Water is leven. Voor iedereen en alles. Voor de Maori is de rivier een voorouder, niet als mens, maar als entiteit. Hij is enorm belangrijk voor ze. De Maori wonen al eeuwenlang in Nieuw Zeeland. Ver voordat de eerste ontdekkingsreizigers voet aan land zetten, beheerden zij de Aarde en was de rivier de Whanganui hun levensader. De Whanganui ontspringt bij één van de drie vulkanen die het eiland heeft. Vandaar stroomt hij bijna driehonderd kilometer lang, slingerend het land door. Vroeger was de stroom een avontuur. Soms was hij breed en rustig, dan weer wild en woest in stroomversnellingen. Maar de rivier is getemd. De stroomversnellingen zijn er niet meer, de rotsen waar ze langs liepen, zijn door middel van dynamiet uit elkaar gesprongen. Pijnlijk. Maar met trots kan de regering verkondigen dat de Whanganui de langst bevaarbare rivier is. De Maori blijven zingen. “De rivier geeft ons het leven mee, vanuit de bron tot aan de Zee.” Maar de rivier is niet alleen zijn stroomversnellingen, maar ook zijn hoofd verloren. Gelijk na de bron is een waterkrachtcentrale gebouwd, daar hoog in de bergen. Iets wat bedwongen wordt en getemd, wat uitgebuit wordt voor steeds meer economische belangen, raakt zijn identiteit kwijt. In Engeland is dat nog veel erger. Daar heeft Tatcher in de vorige eeuw de drinkwatervoorziening verkocht aan een buitenlands bedrijf. Het gaat nu helemaal fout, wateren raken vervuild en het bedrijf voelt zich niet verantwoordelijk. Dat kost immers veel te veel. Het is vreselijk moeilijk om het weer terug te draaien. De stemmen van inheemse volkeren blijven ons erop wijzen hoe belangrijk het is. “Wij zijn de rivier” blijven de Maori zeggen, en hun kreet wordt nu wereldwijd in bioscopen, documentaires en artikelen verspreid. Zij vormen met elkaar de stem van de waterstroom. Het feit dat er zonder te vragen zoveel is ingegrepen, is een zware belediging voor hen. Al honderdvijftig jaar vochten zij ervoor, de rivier moest gerespecteerd worden. En toen in de jaren zeventig het water vuiler en vuiler werd, vochten ze nog harder. Door de beschaving werden ze gezien als verschoppelingen, niet meer dan de afvalput die de stroom was geworden. “Wij zijn de rivier” blijven ze herhalen. De industrieën die hun afval loosden moesten worden aangepakt. De Maori werden zelfbewuster. Hun cultuur is niet dood.

Er is steeds meer naar ze geluisterd. En nu is eindelijk de Whanganui in zijn identiteit gerespecteerd door de regering. De rivier is een rechtspersoon geworden. Hiermee reiken twee culturen, zolang in conflict, elkaar eindelijk de hand. Twee mensen vertegenwoordigen de stem van de rivier. Uit beide culturen één. De Maori zingen hun krachtige lied, begeleid door een traditionele dans. Maar ze zijn er nog niet. De kop van de rivier moet worden teruggewonnen. Daar bovenop de berg. Pas dan is de stroom weer zichzelf.

“De rivier geeft ons het leven mee, vanuit de bron tot aan de zee.”

Terwijl ik net weer begonnen ben met mijn dagelijkse bezoek aan de Swette, komt dit verhaal naar me toe. Het verhaal van de Wharangui en zijn mensen. Ja, denk ik, ik voel die band ook, met het water. Ik heb het altijd gevoeld. Misschien minder sterk dan het oude volk, omdat ik er niet direct afhankelijk van ben. Zij hebben de rivier echt nodig. Tot voor kort, althans. Tot in de jaren zestig was hun levensstijl nog geheel zelfvoorzienend. De rivier was hun dokter, hun voedselbron en hun speelplaats. Met hun boten konden ze zichzelf en hun vracht vervoeren. Nog steeds weten ze precies waar de achttien verschillende vissoorten gevangen kunnen worden. De rivier als ziel van hun bestaan. Zij plaatsen zichzelf niet boven, maar middenin het grote web van leven. Nog steeds is dat de kern van hun cultuur. Maar de meeste Maori van nu zijn nog nooit op de rivier geweest. De band met de voorouders vervaagt. En juist daarom is het nu zo belangrijk, dat de band wordt herstelt. Niet alleen daar, in Nieuw Zeeland, maar overal. Mijn bezoek aan de Swette is een bezoek aan het water dat de hele wereld over gaat. Het is mijn band, met alles. Ik dompel mijn hoofd onder. Ik voel het en denk aan ze. De Maori, die het flikten. Eindelijk wordt hun rivier gezien. Eindelijk is hij gerespecteerd, in de wet. En het water neemt de boodschap mee. Ik roep het, als ik opkijk vanuit het water. Het kan, het kan!

Http://www.greenculturelab.com/mensenrechten-voor-de-rivier-Whanganui/

http://youtu.be/YQZzRSzxhLI?si=70D3JNNvUUNdzsH

http://www.2doc.nl/documentaires/2020/03/wij-zijn-de-rivier.html

.